Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2627

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
08-269297-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man uit Zwolle heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en MDMA/MDA. Ook was de man in het bezit van cocaïne, heroïne en hasj. De rechtbank Overijssel veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 154 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De man hoeft niet terug naar de gevangenis. De rechtbank acht het wel van belang dat aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen.

De in de woning gevonden contante geldbedragen (in totaal 740 euro) worden verbeurdverklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-269297-19 (P)

Datum vonnis: 11 augustus 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Grooters en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 10 november 2019 harddrugs heeft gedeald;

feit 2: op 10 november 2019 harddrugs aanwezig had;

feit 3: in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 10 november 2019 hennep/hasj heeft gedeald / aanwezig had;

feit 4: op 10 november 2019 hennep/hasj voorhanden had.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 oktober 2019 tot en met 10 november 2019 te Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA/MDA,

zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA/MDA (telkens) een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op 10 november 2019 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 1,37 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,

- ongeveer 1,78 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,

- ongeveer 55 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA/MDA, zijnde MDMA/MDA,

- ongeveer 5 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA/MDA, zijnde MDMA/MDA,

- ongeveer 2,79 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,

- ongeveer 4,39 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,

- ongeveer 1,36 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of,

- ongeveer 0,61 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks 4 oktober 2019 tot en met 10 november 2019 te Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 730 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep/hasj, zijnde hennep/hasj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op 10 november 2019 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 730 gram, hennep/hasj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep/hasj, zijnde hennep/hasj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de handel in cocaïne en MDMA/MDA, zoals onder 1 ten laste is gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Van de handel in heroïne dient verdachte te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gesteld dat enkel de handel in hasj, en dus niet in hennep, wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Het aanwezig hebben van harddrugs en softdrugs zoals dat ten laste is gelegd onder 2 en 4, kan eveneens wettig en overtuigend worden bewezen, met dien verstande dat alleen het voorhanden hebben van hasj, en dus niet van hennep, bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde dealen van heroïne niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Van het bezit van heroïne en de XTC-pillen zoals onder meer tenlastegelegd onder 2, dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken, omdat deze drugs zijn aangetroffen op de kamer van de medeverdachte. Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De rechtbank is, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode ook heroïne heeft gedeald. De rechtbank zal daarom verdachte van het dealen van heroïne vrijspreken.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit voor het overige heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid laatste volzin Sv;

2. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 10 november 2019, pagina’s 36 tot en met 40;

3. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 12 november 2019, pagina 141 tot en met 142 met bijlagen (pagina 143-322);

4. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 18 november 2019, pagina 325-326;

5. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 18 november 2019, pagina 327-328;

6. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 18 november 2019, pagina 329-330.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 10 november 2019 is verdachte in de binnenstad van Zwolle aangehouden. Tijdens de fouillering is in het heuptasje van verdachte 1,37 gram cocaïne aangetroffen. Na de aanhouding heeft een doorzoeking plaatsgevonden aan de [adres] . Op dit adres was verdachte samen met onder andere medeverdachte [medeverdachte] woonachtig. Tijdens deze doorzoeking is medeverdachte [medeverdachte] aangehouden. In de gezamenlijk woonkamer is een wit kistje gevonden met daarin 1,78 gram cocaïne en een zwarte portemonnee, met daarin 2,79 gram cocaïne, 4,39 gram cocaïne, 1,36 gram heroïne en 0,61 gram cocaïne. Op de slaapkamer van medeverdachte [medeverdachte] werden bovendien 55 XTC-pillen en nog eens 5 XTC-pillen aangetroffen.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] maakten beiden gebruik van de woonkamer waar een deel van de verdovende middelen is aangetroffen. De rechtbank gaat ervan uit dat de gebruikers van een woning wetenschap hebben van de aldaar in de gemeenschappelijke ruimtes aanwezige goederen en deze goederen zich ook in hun machtssfeer bevinden. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit in dit geval anders is. Temeer nog daar de bewijsmiddelen concrete aanknopingspunten bieden dat verdachte en de medeverdachte van de aanwezigheid van de harddrugs in de woonkamer op de hoogte waren. Zij hadden onder meer die avond zelf met vrienden, van wie verdachte en medeverdachte [medeverdachte] wisten dat zij drugs gebruikten, in de woonkamer gezeten. Bovendien gebruikte verdachte naar eigen zeggen zelf ook verschillende soorten drugs en dealde hij in de periode voorafgaand aan de doorzoeking samen met medeverdachte [medeverdachte] in cocaïne en MDMA/MDA.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte wist dat de aangetroffen harddrugs in de gemeenschappelijke woonkamer aanwezig waren en dat hij die drugs samen met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte de drugs die tijdens zijn aanhouding respectievelijk op zijn slaapkamer zijn aangetroffen alleen aanwezig had.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte XTC-pillen voorhanden had, nu deze zijn aangetroffen op de slaapkamer van medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit deel van het tenlastegelegde vrij.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde

Verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij zich (al dan niet samen met een ander) in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 10 november 2019 schuldig heeft gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep/hasj. Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier hiervoor geen aanknopingspunten biedt, zodat de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken.

Verdachte wordt onder 3 verder verweten dat hij (al dan niet samen met een ander) in de genoemde periode een hoeveelheid van 730 gram hennep/hasj, in elk geval meer dan 30 gram hennep/hasj heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte] , zij het in beperkte mate en in kleine hoeveelheden, ook in hennep/hasj hebben gehandeld. Niet nader geconcretiseerd is om welke hoeveelheden het daarbij ging. Het dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Gelet daarop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het om meer dan 30 gram hennep/hasj ging. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren daarvan.

Verdachte wordt onder 3 ten slotte verweten dat hij (al dan niet samen met een ander) in de genoemde periode opzettelijk aanwezig heeft gehad 730 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep/hasj.

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen vast dat tijdens de doorzoeking op 10 november 2019 aan de [adres] in de slaapkamer van verdachte een rugtas met een hoeveelheid van 718 gram hasj is aangetroffen. Op de slaapkamer van medeverdachte [medeverdachte] is 45 gram hennep en 2 gram hasj aangetroffen. Op de salontafel in de woonkamer is nog eens een hoeveelheid van 54,14 gram hasj aangetroffen.

Vooropgesteld wordt dat in de tenlastelegging nadrukkelijk wordt gesproken over 730 gram. Dit gewicht is vermeld op pagina 115 in het dossier. Boven de afbeelding rechts op de pagina van twee wat kleinere brokken en een groot brok is vermeld ‘hasj: 730 gram’. Boven de afbeelding links op de pagina is een zakje hennep afgebeeld met daarboven de tekst: ‘hennep 45 gram’. Hoewel in de tenlastelegging onder 3 en 4 wordt gesproken over hasj/hennep is de rechtbank van oordeel dat gelet op de expliciete benoeming van het gewicht 730 gram, ervan uit moet worden gegaan dat de opsteller van de tenlastelegging de op de hiervoor genoemde afbeelding – en derhalve de in de woonkamer en in de slaapkamer van verdachte aangetroffen – hasj en niet de overigens aangetroffen hennep/hasj voor ogen had. De rechtbank laat de overigens aangetroffen hennep/hasj dan ook buiten beschouwing.

Daarvan uitgaande, overweegt de rechtbank dat de brokjes hasj, met een gewicht van 54,14 gram, openlijk op de salontafel in de woonkamer lagen. Zoals hiervoor al is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat gebruikers van een woning wetenschap hebben van de in de gemeenschappelijke ruimtes aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in hun machtssfeer bevinden. Van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat dit in dit geval anders is, is niet gebleken. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze hasj samen met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank acht verder bewezen dat verdachte de hasj (718 gram) die in zijn slaapkamer is aangetroffen alleen aanwezig heeft gehad.

Gelet op de genoemde hoeveelheden hasj die verdachte al dan niet samen met een ander aanwezig heeft gehad acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 november 2019 opzettelijk (in ieder geval) 730 gram, hasj aanwezig heeft gehad.

Hetgeen de rechtbank hiervoor onder 3 ten aanzien van het ‘opzettelijk aanwezig hebben’ heeft overwogen, is van overeenkomstige toepassing op hetgeen verdachte onder 4 wordt verweten en geldt hier als herhaald en ingelast. Ook hier acht de rechtbank derhalve bewezen dat verdachte op 10 november 2019 samen met een ander opzettelijk 54,14 gram hasj aanwezig heeft gehad en alleen nog eens 718 gram hasj.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 10 november 2019 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

- een hoeveelheid cocaïne en

- een hoeveelheid MDMA/MDA;

2.

hij op 10 november 2019 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad

alleen

- 1,37 gram cocaïne,

en

tezamen en in vereniging met een ander

- 1,78 gram cocaïne,

- 2,79 gram cocaïne,

- 4,39 gram cocaïne,

- 1,36 gram heroïne en,

- 0,61 gram cocaïne;

3.

hij op 10 november 2019 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 730 gram hasj;

4.

hij op 10 november 2019 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 730 gram hasj.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en 2 en 3 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3 en 4

de eendaadse samenloop van

(feit 3)

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

het misdrijf: het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

(feit 4)

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

het misdrijf: het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 154 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de geldbedragen van € 100,-- en € 640,-- worden verbeurdverklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 640,-- heeft de raadsman bepleit dat onvoldoende blijkt dat dit geld van drugshandel afkomstig is, zodat het dient te worden teruggegeven aan verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en MDMA/MDA. Tevens had verdachte een hoeveelheid van cocaïne, heroïne en hasj voorhanden. Verdachte is hierdoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank constateert dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juli 2020 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 3 april 2020, opgemaakt en ondertekend door mevrouw S. Roelofs. Uit het rapport komt naar voren dat de remigratie van de familie van verdachte naar Turkije, toen verdachte achttien jaar oud was, een ontwrichtend effect op hem heeft gehad. Er werd daardoor een groter beroep op de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van verdachte gedaan, terwijl hij dat op dat moment niet aankon. Verdachte voelde zich eenzaam en er ontstonden financiële problemen, waardoor verdachte beperkt weerbaar was voor destructieve sociale contacten. Met ondersteuning van familie en partner is verdachte thans volledig abstinent van middelen en heeft hij geen pro criminele contacten meer. Omdat verdachte het handelen in drugs ten tijde van het contact met de reclassering ontkende, kon de reclassering geen inschatting maken van het recidiverisico en wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Nu voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 sprake is van eendaadse samenloop, zal de rechtbank dat verdisconteren in de strafmaat.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, zodat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank acht het wel van belang dat aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde geldbedragen van € 100,-- en € 640,-- (€ 590,-- + € 50,--) moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen (contante geldbedragen) betreffen die aan verdachte toebehoren en aannemelijk is dat deze geldbedragen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 Sr en 10 en 11 OW.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3 en 4

de eendaadse samenloop van

(feit 3)

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

het misdrijf: het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

(feit 4)

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

het misdrijf: het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 154 (honderdvierenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten een geldbedrag van

€ 100,-- en een geldbedrag van € 640,--;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mulder, voorzitter, mr. D.E. Schaap en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2020.

Buiten staat

Mr. Schaap en mr. Mulder zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam Zwolle met nummer PL0600-2019501115. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4:

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik op 10 november 2019 woonde aan de [adres] . Ik woonde daar onder andere samen met [medeverdachte] . Het klopt dat [medeverdachte] en ik hebben gehandeld in cocaïne en MDMA. De avond van 10 november 2019 was een wilde avond. We hadden vrienden, ook gebruikers, bij ons thuis uitgenodigd. Dat gebeurde wel vaker. We hebben thuis drugs gebruikt en gedronken. We hebben het huis vrij slordig achtergelaten toen we naar de stad gingen.

2.

Het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 14 februari 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

Op zondag 10 november 2019 vond een doorzoeking plaats in een flatwoning gelegen

aan de [adres] . In de woning werden de volgende goederen aangetroffen en inbeslaggenomen:

Ruimte 5, gezamenlijke woonkamer:

- zwart schrift met harde kaft met op 1e blad administratie

- weegschaal, aangetroffen op tafel

- hoeveelheid hash op tafel

- hoeveelheid wit poeder

- wit kistje met daar in 5 zwarte zakjes en 1 zakje met wit poeder

- geldkistje met drugsverpakkingsmateriaal

- zwart etuitje met 50 bolletjes met poeder

Ruimte 6, slaapkamer [verdachte] :

- brok hasj verpakt in handdoek, in een tas, in rugzak, 730 gram

- geldkistje

- zakje met wit poeder op nachtkastje

- telefoon op kussen op bed

- 690 euro in bovenste la van bureau

3.

Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0600-201950115-13, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Inbeslaggenomen op de [adres] in Zwolle op 10 november 2019 om 05:45 uur

Omstandigheden: brokken hasj (vermoedelijk) aangetroffen in de woonkamer

Object: verdovende middelen

SIN: AAMU9394NL

Bijzonderheden: lag op de salontafel in de woonkamer.

4.

Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0600-201950115-29, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Inbeslaggenomen op de [adres] in Zwolle op 10 november 2019 om 07:00 uur

Omstandigheden: slaapkamer 6, in sporttas achter het bed met een afgesloten geldkistje

Object: verdovende middelen

Aantal: 718 gram

Bijzonderheden: 2 blokken vermoedelijk hasj in vershoudfolie verpakt.

5.

Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0600-201950115-16, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Inbeslaggenomen op de [adres] in Zwolle op 10 november 2019 om 05:45 uur

Omstandigheden: kistje met vermoedelijk drugs, gevonden in de woonkamer.

Goednummer: PL0600-201950115-2122490

Object: verdovende middelen

Bijzonderheden: 6 zakjes met wit poeder

6.

Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0600-201950115-63, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Omstandigheden: alle bolletjes zaten in een klein zwart portemonneetje dat in de woonkamer in de woning lag (de rechtbank begrijpt: het kleine zwarte portemonneetje dat is gevonden in de woonkamer (met daarin 51 bolletjes) en in beslag is genomen onder goednummer PL0600-201950115-2122506)

Volgnummer 1:

Goednummer: PL0600-201950115-2179498

Object: verdovende middelen

Bijzonderheden: 10 bolletjes poeder in blauwe zakje/bolletjes

Volgnummer 2:

Goednummer: PL0600-201950115-2179488

Object: verdovende middelen

Bijzonderheden: 28 bolletjes wit poeder

Volgnummer 3:

Goednummer: PL0600-201950115-2179494

Object: verdovende middelen

Bijzonderheden: 6 bolletjes bruine poeder

Volgnummer 4

Goednummer: PL0600-201950115-2179501

Object: verdovende middelen

Bijzonderheden: 7 bolletjes wit poeder in een gripzakje

7.

Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisant [verbalisant 3] van 22 januari 2020, pagina’s 119 tot en met 127, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als mededeling van die verbalisant:

Monster sporen

Goednummer: PL0600-201950115-2122490

SIN: AAMU9399NL

Goednummer: PL0600-201950115-2179498

SIN: AAMU9400NL

Goednummer: PL0600-201950115-2179488

SIN: AAMU9401NL

Goednummer: PL0600-201950115-2179494

SIN: AAMU9402NL

Betreft onderzoek aan SIN : AAMU9406NL

Omschrijving verpakking : 4 zwarte vacuüm plastic verpakkingen met daarin 4 gelijkende wikkels

Inhoud verpakking : wit poeder

Gewicht inhoud verpakking : 1,37 gram (netto exclusief verpakking)

Uitslag kleurtest : positief Cocaïne

Betreft onderzoek aan SIN : AAMU9399NL

Omschrijving verpakking : A: 5 zwarte vacuüm plastic verpakkingen met

daarin 5 gelijkende wikkels en B: gripzakje

A:

Inhoud verpakking : wit poeder/brokjes

Gewicht inhoud verpakking : 1,78 gram (netto exclusief verpakking)

Uitslag kleurtest : positief Cocaïne

Betreft onderzoek aan SIN : AAMU9400NL

Omschrijving verpakking : 10 blauwe plastic bolletjes

Inhoud verpakking : witte brokjes

Gewicht verpakking met inhoud : 2,79 gram (bruto inclusief verpakking) (gewicht van de verpakking is verwaarloosbaar)

Uitslag kleurtest : positief Cocaïne

Betreft onderzoek aan SIN : AAMU9401NL

Omschrijving verpakking : 28 plastic bolletjes

Inhoud verpakking : witte brokjes

Gewicht verpakking met inhoud : 4,39 gram (bruto inclusief verpakking) (gewicht van de verpakking is verwaarloosbaar)

Uitslag kleurtest : positief Cocaïne

Betreft onderzoek aan SIN : AAMU9402NL

Omschrijving verpakking : 6 plastic bolletjes

Inhoud verpakking : bruine brokjes

Gewicht verpakking met inhoud : 1,36 gram (bruto inclusief verpakking)

(gewicht van de verpakking is verwaarloosbaar)

Uitslag kleurtest : positief Heroïne

Betreft onderzoek aan SIN : AAMU9403NL

Omschrijving verpakking : gripzakje met daarin 7 plastic bolletjes

Inhoud verpakking : witte brokjes

Gewicht verpakking met inhoud : 0,61 gram (bruto inclusief verpakking) (gewicht van de verpakking is verwaarloosbaar)

Uitslag kleurtest : positief cocaïne

Betreft onderzoek aan SIN : AAMU9394NL

Omschrijving verpakking : gripzakje en plastic folie

Inhoud verpakking : bruine brokken

Gewicht inhoud verpakking : 54,14 gram (netto exclusief verpakking)

Monstername : geen

Uitslag kleurtest : positief Cannabis

8.

Een proces-verbaal NFiDent van verbalisant [verbalisant 4] van 24 januari 2020, pagina’s 128 tot en met 131, met als bijlagen de daarbij behorende NFI rapportages, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als mededeling van die verbalisant:

Goednummer 2179501

SIN: AAMU9403NL

Rapporten NFident

dossierpagina

SIN

Omschrijving

Conclusie

133

AAMU9399NL

Poeder en brokjes wit 1,78 gram

Bevat cocaïne

136

AAMU9400NL

Brokjes, wit 2,79 gram

Bevat cocaïne

137

AAMU9401NL

Brokjes, wit, 4,39 gram

Bevat cocaïne

138

AAMU9402NL

Brokjes bruin, 1,36 gram

Bevat heroïne

139

AAMU9403NL

Brokjes wit 0,61 gram

Bevat cocaïne

9.

Het proces-verbaal van herkenning hennep van verbalisant [verbalisant 2] van 6 februari 2020, pagina 114, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als mededeling van die verbalisant:

Op 10 november 2019 vond een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres] in Zwolle. Bij deze zoeking werden meerdere blokken hasj aangetroffen (zie foto op pagina 115). Ik herken deze drugssoort ambtshalve. Ik heb veelvuldig zaken in onderzoek gehad waarin hasj is aangetroffen. Ik kan met zekerheid stellen dat ik voldoende kennis en ervaring heb om vast te kunnen stellen dat het hier om hasj gaat. Ik heb hierbij gelet op de volgende punten, die mij ambtshalve bekend zijn.

Hasj:

- het betreffen hasjblokken. Ik herken de structuur, kleur en geur duidelijk als hasj.

- het betreft een zachte, kneedbare substantie met de sterke geur die direct herkenbaar is als de geur van hasj.

Op basis van bovenstaande kan ik, ambtshalve, met zekerheid stellen dat het hier gaat om hasj.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam Zwolle met nummer PL0600-2019501115. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.