Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2625

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
08.263155.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man uit Hengelo is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar. Hij lokte het 24-jarige slachtoffer naar zijn woning en zorgde ervoor dat hij niet meer weg kon. Hij werd daar tegen zijn hoofd geslagen en moest zich – op zijn boxershort en sokken na – uitkleden. Vervolgens werd hij op grove wijze mishandeld, waarbij de man dreigde met een mes. Ook werden brandende sigaretten uitgedrukt op het lichaam van het slachtoffer. Ook werd er een tasje met inhoud van het slachtoffer afgepakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.263155.19 (P)

Datum vonnis: 11 augustus 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats 1] ,

nu verblijvende in Justitieel Complex Schiphol,

Duizendbladweg 100, 1171 VA Badhoevedorp.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Markink en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in een woning samen met anderen [aangever] heeft geslagen en geschopt, een brandende sigaret tegen zijn lichaam en in zijn oor heeft gedrukt, heeft gedreigd om met een mes zijn vingers af te snijden, die [aangever] zijn kleren uit heeft laten trekken en hem heeft belet de kamer te verlaten.

Dit is onder vier feiten tenlastegelegd als het medeplegen van een diefstal met geweld, (poging tot) afpersing dan wel dwang, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tasje, een portemonnee en/of één of meer bankpasjes, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, die [aangever] tegen het lichaam te slaan, te stompen, te trappen en/of te schoppen en/of één of meer malen een brandende sigaret tegen of op het lichaam en/of in het oor te drukken en/of een mes naar die [aangever] te richten en/of daarmee te dreigen zijn vingers af te snijden;

2.

hij op of omstreeks 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn kleding, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [aangever] toebehoorde door tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, die [aangever] tegen het lichaam te slaan, te stompen, te trappen en/of te schoppen en/of één of meer malen een brandende sigaret tegen of op het lichaam en/of in het oor te drukken en/of een mes naar die [aangever] te richten en/of daarmee te dreigen zijn vingers af te snijden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van kleding, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [aangever] toebehoorde die [aangever] tegen het lichaam te slaan, te stompen, te trappen en/of te
schoppen en/of één of meer malen een brandende sigaret tegen of op het lichaam en/of in het oor te drukken en/of een mes naar die [aangever] te richten en/of daarmee te dreigen zijn vingers af te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [aangever] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere
feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten zijn kleding uit te trekken door die [aangever] tegen het lichaam te slaan, te stompen, te trappen en/of te schoppen en/of één of meer malen een brandende
sigaret tegen of op het lichaam en/of in het oor te drukken;

3.

hij op of omstreeks 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen het lichaam heeft geslagen, gestompt, getrapt en/of te geschopt en/of één of meer malen een brandende sigaret tegen of op het lichaam en/of in het oor gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] tegen het lichaam te slaan, te stompen, te trappen en/of te schoppen en/of één of meer malen een brandende sigaret tegen of op het lichaam en/of in het oor te drukken;

4.

hij op of omstreeks 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [aangever] een kamer van een woning aan [adres 1] in te slaan of in te schoppen, althans in de duwen en/of hem te dwingen zijn kleding uit te trekken en/of te beletten dat hij die kamer zou verlaten.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde feiten.

Volgens de officier van justitie is wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die [aangever] de kamer heeft ingeslagen en vervolgens het overige geweld op hem heeft uitgeoefend en hem heeft bedreigd. Het is ook verdachte geweest aan wie [aangever] zijn pincode heeft moeten geven, van wie [aangever] zijn kleding uit moest trekken en afstaan en die belet heeft dat [aangever] de kamer zou verlaten. Anderen hebben in opdracht van verdachte het heuptasje en de portemonnee van [aangever] afgenomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich ten tijde van het gewelddadige voorval weliswaar in de woning bevond, maar niet in de woonkamer, waar het voorval zich heeft afgespeeld. Hij is voortdurend in zijn kamer op de eerste verdieping geweest, met uitzondering van een moment waarop hij naar de keuken is gelopen voor een glas water. Hij heeft zich met de strafbare feiten op geen enkele manier ingelaten.

Aangever [aangever] heeft een omschrijving gegeven van de persoon die hem mishandeld heeft en die ook overigens verantwoordelijk is voor de tenlastegelegde feiten. Het is echter niet voldoende zeker dat verdachte die persoon is. De raadsman verwijst hierbij naar de onduidelijkheid over de naam die aangever genoemd heeft, het niet op verdachte passende signalement dat aangever van de persoon heeft gegeven en het letsel aan de knokkels dat die persoon volgens aangever door de mishandeling heeft opgelopen, maar dat op de foto’s van verdachte niet te zien is. Daarnaast kan het op de broek van verdachte aangetroffen DNA-mengspoor van aangever [aangever] om meerdere redenen niet bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Tot slot heeft de raadsman gemotiveerd betoogd dat de twee passages uit een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK), die zich in het dossier bevinden, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Inleiding

Op 2 november 2019 is aangever [aangever] in een woning aan [adres 1] in Hengelo (O) het slachtoffer geworden van een gewelddadig voorval. Dat dit voorval heeft plaats-gevonden staat niet ter discussie. De vraag die voorligt is of en zo ja, in hoeverre verdachte bij dit gewelddadige incident betrokken is geweest en hoe deze betrokkenheid dient te worden gekwalificeerd.

4.3.1

De gebeurtenissen op 2 november 2019 in de woning aan [adres 1] in Hengelo (O)

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 2 november 2019 is aangever [aangever] naar de woning aan [adres 1] in Hengelo (O) gegaan. In deze woning was verdachte samen met twee andere jongeren woonachtig, onder begeleiding van de [stichting] . Verdachte was in de avond van 2 november 2019 in de woning aanwezig.

[aangever] liep de woning in, zag iemand in de gang, gaf deze persoon een boks en stelde zich voor. Direct daarop werd hij op zijn hoofd geslagen en moest hij van die persoon doorlopen naar de woonkamer van de woning. [aangever] is vervolgens in de woonkamer, waar nog een aantal andere jongeren aanwezig waren, door dezelfde persoon geslagen en geschopt. Deze persoon riep tegen [aangever] dat hij zijn kleding uit moest doen, behalve zijn sokken en onderbroek, en dat hij op een stoel moest gaan zitten, wat [aangever] heeft gedaan. Die persoon zei tegen hem dat hij € 9.000,-- moest regelen.

De andere aanwezigen hebben het nektasje van [aangever] , waarin zijn portemonnee zat, afgepakt en de bankpasjes eruit gehaald, waarna [aangever] zijn pincode moest afgeven. [aangever] is meermalen met kracht met de vuisten en de platte hand geslagen door deze persoon en kreeg van hem een trap met de knie op zijn voorhoofd.

Toen [aangever] op de stoel zat is er door deze persoon een brandende sigaret in zijn haren gedrukt, een sigaret uitgedrukt op zijn rug en ook een brandende sigaret in zijn oor geduwd, terwijl het hoofd van [aangever] werd vastgehouden, waardoor [aangever] zich niet kon bewegen. De vuisten van deze persoon waren kapot. Hij zei tegen [aangever] dat hij een mes ging halen, omdat zijn vuisten kapot waren. [aangever] zag een koksmes van geschat 30 centimeter met een wit heft en die persoon zei dat hij de vingers van [aangever] eraf zou snijden.

Het geweld tegen [aangever] is door een en dezelfde persoon uitgeoefend. Deze persoon is door [aangever] omschreven als bewoner van het pand, van ongeveer 25 jaar oud, eerst aangeduid als [verdachte] of [verdachte] en later aangeduid als [verdachte] , met kort donker haar zonder gezichtsbeharing, met een licht getint buitenlands uiterlijk, waarbij [aangever] dacht aan Aziatisch, maar dat het ook anders zou kunnen zijn, en een enkelband dragend. Deze persoon droeg een zwart T-shirt met glimmende dingetjes erop, een Nike broek die voor de helft grijs was aan de bovenkant en aan de onderkant zwart en witte Nike schoenen.

[aangever] had na de geweldplegingen oorsuizen in zijn linkeroor vanwege de klappen op zijn oor, was duizelig, helemaal beurs en had een pijnlijke kaak. Vanaf het moment dat [aangever] de woning betrad is de voordeur van de woning gesloten en afgesloten geweest door middel van een knip op deze deur. Na het moment waarop de brandende sigaret in zijn oor werd geduwd, zag [aangever] dat de deur ineens open stond en is hij naar buiten gerend. Hij heeft aangebeld bij buurtbewoners die de politie gebeld hebben. Bij aankomst troffen de politieagenten [aangever] aan, met slechts een onderbroek en sokken aan.

De kleding en schoenen die [aangever] moest uitdoen, waaronder een zwart T-shirt van Kenzo, zijn achtergebleven in de woning. Hetzelfde geldt voor de ID-kaart van [aangever] , zijn rijbewijs, nektasje, een portemonnee, papieren van de SNS bank, een verpandingsbrief van een ketting, een mobiele telefoon Samsung J8, een gouden ketting en een goudkleurige armband.

Tijdens de doorzoeking in de woning aan [adres 1] te Hengelo zijn deze verpandingsbrief en het T-shirt van het merk Kenzo aangetroffen.

De voornaam van verdachte is [verdachte] . Tijdens genoemde doorzoeking zijn in de kamer van verdachte een zwart T-shirt met glitteropdruk op de voorzijde en een grijs met zwarte Nike joggingbroek, met daarop een bloeddruppel, aangetroffen. Verdachte droeg op 2 november 2019, in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, een enkelband.

4.3.2

De passages uit het onderzoeksrapport van medeverdachte [medeverdachte]

In het dossier bevinden zich twee passages uit een rapport van de RvdK, dat is opgemaakt in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] . Deze passages betreffen verslagen van gesprekken met [medeverdachte] , die hebben plaatsgevonden op 5 november 2019 en 12 november 2019. [medeverdachte] was op 2 november 2019 eveneens in de woning aan [adres 1] te Hengelo aanwezig. Volgens de raadsman mogen deze passages niet voor het bewijs gebruikt worden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Ten aanzien van passage 1, verslag van het gesprek op 5 november 2019

De rechtbank laat deze passage buiten beschouwing en komt daarom niet toe aan bespreking van het verweer van de raadsman ten aanzien van deze passage.

Ten aanzien van passage 2, verslag van het gesprek op 12 november 2019

Op 12 november 2019 heeft medeverdachte [medeverdachte] in een gesprek met een jeugdzorgwerker verklaard dat hij op 2 november 2019 voor een vriend die [verdachte] heet met [aangever] gebeld heeft en dat [verdachte] iets moest regelen. [aangever] moest die vriend nog € 5.000,-- betalen voor drugs. [medeverdachte] was erbij geweest toen [aangever] werd aangesproken op zijn schuld.

De jeugdzorgmedewerker heeft tegenover de politie de inhoud van het gesprek bevestigd en hij heeft verklaard dat hij voorafgaand aan dat gesprek tegen [medeverdachte] gezegd heeft dat hij geen geheimen aan hem moest vertellen, omdat hij de informatie zou moeten vastleggen.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze in het proces-verbaal benoemde passage niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat de verdediging de inhoud van de verklaring niet heeft kunnen controleren, aangezien de jeugdzorgmedewerker in zijn verhoor bij de rechter-commissaris een beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht.

Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat gebruik van deze passage uit het rapport, gezien de vertrouwelijkheid van het gesprek, in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. De jeugdzorgmedewerker voerde het gesprek immers in zijn hoedanigheid van reclasserings-ambtenaar.

De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de ondervragingsmogelijkheid van een getuige, er niet aan in de weg hoeft te staan dat een door die getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd. Die mogelijkheid bestaat, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen.1

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de inhoud van passage 2 steun vindt in niet alleen de aangifte van [aangever] , maar ook in de historische gegevens van de mobiele telefoons van [medeverdachte] , waarmee is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals hierboven genoemd.

De rechtbank stelt verder vast dat de jeugdzorgmedewerker desgevraagd uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zich in zijn verklaring tegenover de politie niet op zijn verschoningsrecht heeft willen beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de passage van het bewijs moet worden uitgesloten.2

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat passage 2 kan worden gebezigd voor het bewijs.

4.3.3

De betrokkenheid van verdachte

De raadsman heeft met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte een aantal verweren gevoerd die de rechtbank hierna zal bespreken.

- De naam en het signalement van de dader

[aangever] heeft op de avond van het voorval aangifte gedaan. Deze aangifte is uitgebreid en gedetailleerd. [aangever] heeft onder meer de voornaam genoemd en een gedetailleerde beschrijving van het uiterlijk en de kleding gegeven van de persoon die de gewelddadigheden tegen hem heeft gepleegd, zoals het T-shirt met glitters en de joggingbroek en de aanwezigheid van de enkelband. Op de kamer van verdachte zijn een T-shirt en een joggingbroek aangetroffen die aan de beschrijving van [aangever] voldoen en verdachte droeg op

2 november 2019 inderdaad een enkelband. De door verdachte opgegeven beschrijvingen passen naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij verdachte.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verschillen in de naam van de persoon die het geweld uitoefende niet vreemd zijn. [aangever] heeft zijn eerste verklaring immers afgelegd kort nadat hij slachtoffer was geworden van een heftig geweldsdelict, terwijl de verschillende namen sterke overeenkomsten vertonen met de naam [verdachte] , de naam die [aangever] eveneens kort na het gebeuren noemt als de naam van degene die het geweld heeft gepleegd.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de door aangever gegeven beschrijving van het uiterlijk van de persoon die het geweld uitoefende in grote lijnen overeenkomt met het uiterlijk van verdachte op 3 november 2019, gezien de foto van verdachte die op die datum is genomen.

- Het forensisch bewijs

De in de kamer van verdachte aangetroffen en in beslag genomen joggingbroek is bemonsterd en veiliggesteld voor DNA-onderzoek. In de NFI-rapportage staat dat het gaat om een “bloedspoor voorzijde van de rechterbroekspijp”. Verdachte droeg deze joggingbroek op 2 november 2019.

Van het DNA in deze bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen van drie personen. Op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat verdachte, [aangever] en een onbekende derde de donoren kunnen zijn van het DNA. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het afgeleide DNA-profiel van zowel verdachte als van [aangever] is kleiner dan een op een miljard.

Verdachte heeft ter zitting van 28 juli 2020 verklaard dat zijn bloed aan zijn joggingbroek is gekomen, doordat hij tijdens het gamen een bloedend wondje aan zijn neus had en dit heeft afgeveegd door zijn knie te heffen en met zijn neus langs zijn knie te vegen. De aanwezigheid van DNA van [aangever] op deze joggingbroek van verdachte heeft verdachte verklaard, omdat hij [aangever] een aantal dagen voorafgaand aan 2 november 2019 in de woning aan [adres 1] in Hengelo een hand heeft gegeven en vervolgens zijn hand heeft afgeveegd aan zijn joggingbroek.

De rechtbank acht de verklaring over het afvegen van zijn neus aan de broek niet aannemelijk, gelet op de plek op de broek waar het bloedspoor is aangetroffen (halverwege het bovenbeen). De rechtbank stelt deze lezing van verdachte derhalve als ongeloofwaardig terzijde.

- Het scenario over het verblijf van verdachte in zijn kamer op de bovenverdieping

[huisgenoot] , een van de huisgenoten van verdachte, heeft op 2 november 2019 bij thuiskomst zowel verdachte als [aangever] en een aantal andere personen in de woonkamer van de woning aan [adres 1] in Hengelo zien zitten. Op 2 november 2019 heeft [huisgenoot] om 22.15 uur zijn ambulant begeleider gebeld. Zij hoorde van [huisgenoot] dat zij direct naar de woning moest komen omdat [verdachte] iemand had mishandeld en nu op de grond lag.

Daarnaast heeft de rechtbank hiervoor in hoofdstuk 4.3.2. reeds vastgesteld dat de jeugdzorg-medewerker in een persoonlijk gesprek met medeverdachte [medeverdachte] op 12 november 2019, van [medeverdachte] onder meer heeft gehoord dat [verdachte] iets moest regelen en dat [medeverdachte] daartoe voor [verdachte] heeft gebeld met [aangever] . [medeverdachte] is erbij geweest toen [aangever] is aangesproken op zijn schuld.

De rechtbank heeft geen enkele reden om aan de juistheid van de weergave van dit gesprek te twijfelen.

- Het letsel aan de handen van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting van 28 juli 2020 verklaard dat hij op 2 november 2019 geen letsel aan zijn handen had en dat op de foto’s die vlak na het voorval van zijn handen zijn gemaakt, geen verwondingen te zien zijn.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat zij kort na het voorval op het arrestantencomplex in Borne wondjes op beide handen van verdachte hebben gezien. De rechtbank stelt op basis van deze constatering de verklaring van verdachte ten aanzien van zijn handen dan ook terzijde.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte

De rechtbank acht op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden en de voorgaande overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die de gewelddadige handelingen tegen [aangever] heeft gepleegd.

4.3.3

De tenlastegelegde feiten

4.3.3.1 Feit 1

Voor bewezenverklaring van diefstal met geweld of bedreiging met geweld dienen de geweldshandelingen ingevolge artikel 312 Sr te zijn gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, om de diefstal gemakkelijk te maken of om bij betrapping aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren.

Op basis van de onder 4.3.1 en 4.3.2 genoemde bewijsmiddelen is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte samen met anderen door middel van bedreiging met geweld en door middel van fysiek geweld jegens [aangever] , een tasje met daarin onder meer een portemonnee en bankpasjes heeft gestolen.

Verder is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van dit delict. Verdachte heeft door zijn handelen een significante en wezenlijke bijdrage geleverd. De rechtbank concludeert daarom dat sprake is van medeplegen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.3.3.2 Feit 2

- Feit 2 primair en subsidiair

Onder 2 primair en subsidiair is de (poging tot) afpersing van [aangever] ten laste gelegd.

Voor bewezenverklaring van (poging tot) afpersing in de zin van artikel 317 Sr moet onder meer sprake zijn van een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

Vaststaat dat [aangever] zich in opdracht van verdachte heeft ontdaan van zijn kleding. De rechtbank acht echter niet bewezen dat [aangever] zijn kleding moest uitdoen, omdat verdachte en zijn mededaders zich die kleding wederrechtelijk wilden toe-eigenen, zodat verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

- Feit 2 meer subsidiair

Onder 2 meer subsidiair wordt verdachte verweten dat hij door geweld of dreiging daarmee [aangever] heeft gedwongen zich te ontkleden.

Vaststaat dat [aangever] door verdachte is geslagen en geschopt voordat [aangever] van verdachte de opdracht kreeg zijn kleren uit te trekken. [aangever] zag geen andere mogelijkheid dan gehoor te geven aan de opdracht van verdachte. Hiermee is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte [aangever] , door geweld gericht tegen [aangever] , heeft gedwongen om iets te doen, namelijk zich uitkleden.

De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor reeds is uiteengezet van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.3.3.3 Feit 3

Onder 3 primair wordt verdachte verweten dat hij [aangever] zwaar heeft mishandeld.

Voor bewezenverklaring van zware mishandeling als in artikel 302 Sr moet sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder meer wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat of voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

Vaststaat dat [aangever] ten gevolge van het handelen door verdachte op 2 november 2019, te weten slaan, schoppen en het uitdrukken van sigaretten op het lichaam en in het oor van [aangever] , pijn en letsel heeft opgelopen, te weten een bult boven zijn oog, brandwonden, oorsuizen in zijn linkeroor, duizeligheid, beursheid en een pijnlijke kaak.

De rechtbank is van oordeel dat de aard van voornoemd letsel ontoereikend is om aangemerkt te worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Verdachte zal daarom van het onder 3 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is uiteengezet wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3 subsidiair tenlastegelegde mishandeling heeft begaan.

4.3.3.4 Feit 4

Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij al dan niet samen met anderen [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden.

Vaststaat dat [aangever] na binnenkomst in de woning aan [adres 1] in Hengelo vrijwel direct is geslagen en een kamer van deze woning in moest. Vervolgens is hij, na te zijn geslagen en geschopt, gedwongen om zich te ontdoen van zijn kleding en is hij opnieuw mishandeld, terwijl de voordeur van de woning aan [adres 1] was afgesloten middels een knip op deze deur.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de mishandeling en het doen ontkleden van [aangever] en met het afsluiten van de deur van de woning, met opzet heeft belet dat [aangever] de woning zou kunnen verlaten.

Verder is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van dit delict. Verdachte heeft door zijn handelen een significante en wezenlijke bijdrage geleverd. De rechtbank concludeert daarom dat sprake is van medeplegen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met anderen een tasje, een portemonnee en bankpasjes die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [aangever] tegen het lichaam te slaan, te stompen en schoppen en meer malen een brandende sigaret tegen of op het lichaam en in het oor te drukken en een mes naar die [aangever] te richten en daarmee te dreigen zijn vingers af te snijden;

2. meer subsidiair

hij op 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), een ander, te weten [aangever] , door geweld gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten zijn kleding uit te trekken door die [aangever] tegen het lichaam te slaan en te schoppen;

3. subsidiair

hij op 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] tegen het lichaam te slaan, te stompen, en te schoppen en meermalen een brandende sigaret tegen of op het lichaam en in het oor te drukken;

4.
hij op 2 november 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever] een kamer van een woning aan [adres 1] in te slaan en hem te dwingen zijn kleding uit te trekken en te beletten dat hij die kamer zou verlaten.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 meer subsidiair, 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 282, 284, 300, 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 het misdrijf:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit is begaan door twee of meer verenigde personen;

feit 2 meer subsidiair het misdrijf:

een ander door geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

feit 3 subsidiair het misdrijf:

eenvoudige mishandeling;

feit 4 het misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Bovenstaande feiten worden beschouwd als meerdaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 57 lid 1 Sr, zodat slechts één straf wordt opgelegd, waarbij het maximum van deze straf het totaal is van de hoogste straffen op de feiten gesteld, maar – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever] , dwang en mishandeling van deze [aangever] en diefstal met geweld.

Verdachte heeft [aangever] naar zijn woning laten lokken en ervoor gezorgd dat [aangever] na binnenkomst de woning niet meer kon verlaten. Direct nadat [aangever] de woning betrad, is hij tegen zijn hoofd geslagen en meegenomen naar de woonkamer van de woning. [aangever] kon zich niet aan de situatie onttrekken, omdat de deur inmiddels was afgesloten. In de woning heeft verdachte [aangever] gedwongen zich, op zijn boxershort en sokken na, uit te kleden, hiermee [aangever] in een bijzonder kwetsbare en vernederende positie brengend. Vervolgens heeft verdachte [aangever] op grove wijze mishandeld, waarbij is gedreigd met een mes en waarbij zelfs brandende sigaretten zijn uitgedrukt op het lichaam en in het oor van [aangever] . Een van de andere aanwezigen heeft tijdens de gewelddadigheden het tasje met inhoud van [aangever] afgepakt. Enkel het feit dat op enig moment de deur van de woning open stond, gaf [aangever] de kans om aan dit extreme geweld te ontsnappen en naar buiten te vluchten, bijna geheel ontkleed de koude en donkere novemberavond in, op zoek naar hulp.

Voor [aangever] moet deze ervaring bijzonder intimiderend, bedreigend en beangstigend zijn geweest, een gewelddadig gebeuren dat hij nog lang bij zich zal dragen. Met deze handelingen heeft verdachte niet alleen een forse inbreuk gemaakt op de privacy en de bewegingsvrijheid van [aangever] , maar ook in verregaande mate op zijn geestelijke en fysieke integriteit. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 7 juli 2020 volgt dat verdachte vaker wegens gewelds- en vermogensdelicten met justitie in aanraking is geweest. Ten tijde van onderhavig feit was verdachte – voorzien van enkelband – zelfs nog in de fase van een voorwaardelijke invrijheidstelling van een langdurige vrijheidsstraf, opgelegd naar aanleiding van diefstal met geweld. Eerdere veroordelingen lijken verdachte aldus niet te weerhouden van het opnieuw plegen van gewelddadige strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank ten nadele van verdachte mee.

De reclassering heeft in haar rapport over verdachte van 23 juli 2020 geen behandeladvies gegeven, met name nu de motivatie van verdachte slechts ziet op het geregeld krijgen van meer praktische zaken en niet op de gebieden waarop juist hulpverlening noodzakelijk wordt geacht.

Voor situaties als de onderhavige, wederrechtelijke vrijheidsberoving waarbij tevens sprake is van dwang, mishandeling en diefstal met geweld, zijn geen oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij haar strafmaatoverwegingen gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De aard en de ernst van onderhavige door verdachte gepleegde feiten laten naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden is. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 meer subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 meer subsidiair, 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit is begaan door twee of meer verenigde personen;

feit 2 meer subsidiair het misdrijf:

een ander door geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

feit 3 subsidiair het misdrijf:

eenvoudige mishandeling;

feit 4 het misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 meer subsidiair, 3 subsidiair en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2019489282/ ON2R019109 (Onderzoek Skopje). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de aangifte van [aangever] van 2 november 2019, pagina 34 - 36, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als verklaring van aangever:

Ik weet zeker dat het op [adres 1] in Hengelo was waar wij naar toe gingen. Wij liepen naar binnen. Ik zag dat er iemand in de hal stond. Ik gaf hem een boks en stelde mij voor. Ik kreeg toen gelijk een klap. Ik werd vol op mijn hoofd geslagen. Ik moest doorlopen naar de woonkamer van deze persoon.

Ik kreeg de indruk dat dit de bewoner van het pand was. Ik schat hem een jaar of 25 oud. Ik zag dat hij licht getint was. Ik dacht aan Aziatisch, maar dat weet ik niet zeker. Zou ook anders kunnen zijn. In ieder geval een buitenlands uiterlijk. Hij werd [verdachte] of [verdachte] of zoiets genoemd door de anderen. Ik schat hem een jaar of 25 oud en hij had kort donker haar. Hij had verder geen gezichtsbeharing. Ik zag wel dat hij een enkelband droeg, volgens mij rechts. Hij droeg een zwart T-shirt met glimmende dingetjes erop. Een Nike broek die voor de helft grijs was aan de bovenkant en aan de onderkant zwart. En hij droeg witte Nike schoenen.

Ik werd vervolgens geslagen en geschopt door hem, als het ware de woonkamer in. Ik viel toen op de grond in de woonkamer, achter de bank. Ik lag op de grond en die [verdachte] riep dat ik mijn kleren uit moest doen. Ik was bang en deed dat. Ik moest al mijn kleren uit doen, behalve mijn onderbroek en sokken. Toen ik alles uit had moest ik op een stoel gaan zitten. Dat was een groene stoel die daar ook in de woonkamer stond. Een keukenstoel.

Die [verdachte] zei tegen mij dat ik 9000 euro moest zoeken. Ik moest mijn telefoon openen en hij zei tegen mij dat ik mensen moest appen om 9000 euro te zoeken. Ik heb toen mensen een app gestuurd. De anderen hebben mijn nektasje wat ik droeg gepakt en daar zat mijn portemonnee in. Ik zag dat ze mijn bankpasjes er uit haalden en ik moest toen mijn pincode afgeven. Ik heb de pincodes van mijn bankpasjes gegeven.

Ik heb denk ik wel een half uur op die stoel gezeten. In totaal ben ik wel 30 keer geslagen. Ik werd met kracht geslagen door [verdachte] . Met zijn vuisten, met zijn platte hand. Op een gegeven moment trapte hij met zijn knie keihard op mijn voorhoofd net boven mijn oog. Ik heb daar nu een grote bult zitten. Dit deed ontzettend veel pijn.

Toen ik op de stoel zat drukte [verdachte] een brandende sigaret in mijn haar. Ik rook dat mijn haar iets brandde. Hij heeft daarna nog een sigaret uitgedrukt op mijn rug. Ook heeft hij nog een sigaret in mijn oor gedrukt. Ik zat op de stoel en ik zag dat hij een brandende sigaret richting mijn oor duwde. Met zijn andere hand had hij mijn hoofd vast, zodat ik mijn hoofd niet kon bewegen.

De vuisten van [verdachte] waren helemaal kapot. Ik hoorde dat hij zei dat hij een mes ging pakken omdat zijn vuisten kapot waren. Ik zag dat zijn knokkels onder het bloed zaten, van zijn beide handen. Ik zag dat hij een wit koksmes pakte. Het heft was wit van kleur. Het mes was in totaal denk ik 30 centimeter lang. Ik zag dat hij dat mes vasthield. Ik schrok me dood. Ik was bang. Doodsbang en ik moest ook huilen. Ik heb gesmeekt of hij op wilde houden. Maar als ik dat deed kreeg ik weer klappen. Ik was bang dat hij dat mes zou gebruiken. Ik hoorde dat hij zei dat hij mijn vingers er af zou snijden. Ik was bang dat hij dat zou doen. Nogmaals, ik heb doodsangsten uitgestaan.

Op het laatst pakte [verdachte] weer een brandende sigaret en pakte mijn hoofd vast. Ik probeerde mijn hoofd weg te duwen maar dat lukte niet. Ik zag dat hij met zijn sigaret richting mijn rechteroor ging. Ik was bang dat hij de sigaret tegen mijn oor zou drukken maar hij propte de brandende sigaret gewoon in mijn oor. Ik voelde pijn.

Ik ben met name op mijn linker oor geslagen. Ik heb daar nu suizen en ik voel dat er bloed of vocht in zit. Ik ben duizelig en voel me helemaal beurs. Ook heb ik een pijnlijke kaak. Dat moment nadat hij met zijn sigaret in mijn oor geweest was zag ik dat de deur van de woonkamer en de voordeur ook open stond. Ik ben toen naar buiten gerend.

De kleren en spullen die ik uit moest doen en achter gebleven zijn in de woning zijn: een zwarte Moose Knockels jas, een zwart T-shirt van Kenzo, een grijze spijkerbroek met 2 gaten bij de knie, een ID-kaart, rijbewijs, nektasje, zwarte Maison schoenen maat 43, een portemonnee, papieren van de SNS bank, een verpandingsbrief van een ketting á € 316,--, een mobiele telefoon Samsung J8, een gouden ketting en een stalen goudkleurige armband.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever van 7 november 2019, pagina 43 - 44, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als verklaring van aangever:

V: Waar zat iedereen in de woning?

A: In de woonkamer.

V: Wie heeft jou om de pincode gevraagd?

A: Hij zelf en ik moest het omschrijven op papier. Met hij zelf bedoel ik [verdachte] . Eerder noemde ik hem [verdachte] of iets dergelijks in mijn verklaring, maar ik weet zeker dat het [verdachte] moet zijn.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever van 7 februari 2020, pagina 52 - 53, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als verklaring van aangever:

V: Wat is er met de deur gebeurd nadat jij naar binnen bent gegaan, weet jij dat?

A: Ja, de deur ging toen dicht.

A: Nou, toen ik dus in elkaar werd geslagen, toen had ik dus gezien dat die deur dus dicht ging en op de knip. Ik weet niet wie dat heeft gedaan maar ik kon in ieder geval niet naar buiten.

V: Je hebt ook verklaard dat [verdachte] jou geslagen heeft, de anderen hebben jouw nektasje gepakt. Wie waren die anderen, weet je dat?

A: Nee, nee, dat weet ik niet. De enige die me echt, echt letterlijk en figuurlijk echt keihard heeft aangepakt, dat was die [verdachte] .

V: Maar je geeft aan de anderen hebben jouw nektasje gepakt. Hoe kwam dat nektasje bij die

anderen dan?

A: Ja, dat klopt. [verdachte] gaf hun de opdracht om mijn nektasje te pakken.

4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2020, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik was in de avond van 2 november 2019 in de woning aan [adres 1] in Hengelo (O). Dat is mijn woonadres. [medeverdachte] was bij mij op bezoek. Mijn huisgenoot [huisgenoot] was in de woning en er waren in de woonkamer een aantal andere personen die ik niet bij naam ken. Op 2 november 2019 droeg ik een enkelband.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 28 mei 2020 van verbalisanten, [verbalisant 3] , hoofdagent, en [verbalisant 4] , inspecteur, beiden werkzaam bij de Eenheid Oost-Nederland, betreft een aanvullend losbladig en ongenummerd proces-verbaal met fotobladen, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

V: De forensische opsporing heeft een onderzoek in de woning gedaan nadat het incident heeft

plaatsgevonden zij hebben ook foto’s gemaakt. We laten je enkele zien. Kun jij aangeven wat jij ziet op de foto?

O: De foto zal als bijlage 1 bij het proces-verbaal worden gevoegd

A: Ik zie mijn T-shirt en mijn controller. Dit is in mijn kamer.

V: Wat zie je op deze foto?

O: De foto zal als bijlage 2 bij het proces-verbaal worden gevoegd

A: Ik zie mijn joggingbroek en mijn spijkerbroek, dit is ook op mijn kamer. Volgens mij is dat mijn joggingbroek.

V: Wat zie je op deze foto?

O: De foto zal als bijlage 3 bij het proces-verbaal worden gevoegd.

A: die schoenen zijn van mij, Nike air max.

6.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 27 december 2019, pagina 202 – 204, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

Op zaterdag 2 november 2019 om 23:55 uur kwamen wij, naar aanleiding van een overige diefstallen met geweld, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 1] Hengelo, binnen de gemeente Hengelo (O).

Op de eetkamertafel zagen wij een shirt liggen met daarop het logo "Kenzo". Aangezien de betrokkene [aangever] hierover had verklaard, betrof dit naar alle waarschijnlijkheid het shirt van betrokkene [aangever] .

In de kamer aan de achterkant van de woning zagen wij onder andere een bed en een stoel staan. Door de eerdergenoemde collega’s werd ons verteld dat dit de slaapkamer van de verdachte [verdachte] was. In deze kamer zagen wij op het bed een zwart shirt met glitters. Op de vloer zagen wij voor een kledingkast meerdere kledingstukken liggen. Hierbij zagen wij onder andere een grijs/zwarte joggingbroek, witte Nike schoenen. De joggingbroek, de schoenen en het shirt zouden, volgens de verklaring van de betrokkene [aangever] , door de verdachte [verdachte] zijn gedragen ten tijde van het gepleegde delict.

Wij zagen op de rechter bovenkant van de joggingbroek enkele kleine druppels bloed. Wij hebben de joggingbroek (AAIG3539NL) de spijkerbroek (AAIG3530NL) en de schoenen (AAIG3532NL) ten behoeve van mogelijk vervolgonderzoek veiliggesteld en voorzien van de genoemde sinnummers.

Bemonstering verdachte [verdachte] .

Nadat wij bij het genoemde arrestantencomplex waren aangekomen, werd de verdachte op ons verzoek uit de cel gehaald en geplaatst in de dokterskamer . Ter identificatie ontvingen wij van de arrestantenverzorging een ID-staat waarbij ons bleek dat de persoon inderdaad de verdachte [verdachte] betrof. Wij zagen aan de beide handen van de verdachte kleine verwondingen. Wij zagen buiten deze verwondingen verder geen bijzonderheden aan de handen van de verdachte.

7.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 22 maart 2020, betreft een aanvullend losbladig en ongenummerd proces-verbaal met nummer PLO 600-2019489282-49, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als relaas van de verbalisanten, dan wel een van hen:

Op zaterdag 2 en zondag 3 november 2019, hebben wij een onderzoek ingesteld in een woning aan [adres 1] te Hengelo. Dit naar aanleiding van een melding van diefstal met geweld. Tijdens het onderzoek zagen wij in een slaapkamer welke gebruikt werd door de verdachte [verdachte] een hoopje met kleding liggen. Nadat wij deze kleding uit elkaar hadden gehaald zagen wij aan de voorzijde van de joggingbroek (SIN AAIG3539NL) gedroogd bloed. Wij hebben deze broek op de vloer gelegd en gefotografeerd. De broek hebben wij in een nieuwe niet eerder gebruikte papieren zak verpakt, afgesloten en voorzien van een NFI-sluitzegel.

8.

Proces verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 67 met fotobladen pagina 68 - 69, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als relaas van de verbalisant:

Op zaterdag 2 november 2019 om 21:11 uur deed aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 1995 te [geboorteplaats 2] , wonende aan [adres 2] , aangifte van mishandeling en bedreiging. In zijn aangifte verklaart aangever dat er in de woning waar het incident heeft plaatsgevonden onder andere een “verpandingsbrief is achtergebleven. Aangever verklaart dat hij die middag een ketting heeft verpand voor 316 euro. Tijdens de doorzoeking op zaterdag 2 november 2019 omstreeks 22.20 uur werd er pandbewijs in beslag genomen. Dit pandbewijs is gedateerd op 30 oktober 2019. De pandgever is Dhr. [aangever] , wonende aan [adres 2] . De geboortedatum is [geboortedatum 2] -1995. In onderpand is genomen een halsketting waarvoor € 290,= is betaald. De verpanding is aangegaan voor een periode van 2 maanden. Het bedrag voor terugbetaling is € 316,10. Aangever [aangever] verklaart dat tijdens het incident hij bedreigt werd met een mes. Hij verklaarde: “Ik zag dat hij een wit koksmes pakte vanaf een bruine kast. Het heft wat wit van kleur. Het mes was in totaal denk ik 30 centimeter lang.” Tijdens de doorzoeking werd een mes in beslag genomen. Het mes werd gefotografeerd waar het werd aangetroffen. Dit is in een la in de keuken. Het mes heeft een wit heft.

9.

Een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van 3 januari 2020, opgemaakt door dr. ir. A.M. Rolloos, verbonden aan het NFI, pagina zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende:

In tabel 1 staan de DNA-profielen die zijn vergeleken met de DNA-profielen van de bemonsteringen.

Tabel 1 DNA-profielen van personen

[afbeelding]

In Tabel 2 staat vermeld van wie het DNA op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Wordt een persoon - van wie het DNA-profiel is vergeleken - niet vermeld, dan is er geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van DNA van deze persoon in die bemonstering.

Tabel 2 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN Beschrijving DNA-profiel DNA kan afkomstig zijn van

AAIG3539NL#01 DNA-mengprofiel van minimaal slachtoffer [aangever]

(bloedspoor voorzijde van de drie personen verdachte [verdachte]

rechterbroekspijp) minimaal één onbekende persoon

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek

AAIG3539NL#01 (bloedspoor voorzijde van de rechterbroekspijp)

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van slachtoffer [aangever] en DNA-mengprofiel AAIG3539NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:

bemonstering AAIG3539NL#01 bevat DNA van drie personen;

de personen in dit mengsel zijn niet onderling verwant.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd met de

volgende hypotheseparen:

Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [aangever] en twee

willekeurige onbekende personen.

Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van drie willekeurige onbekende personen.

Het verkregen DNA-mengprofiel AAIG3539NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

AAIG3539NL#01 (bloedspoor voorzijde van de rechterbroekspijp)

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] en DNA-mengprofiel AAIG3539NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:

bemonstering AAIG3539NL#01 bevat DNA van drie personen;

de personen in dit mengsel zijn niet onderling verwant.

Hypothese 3: De bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen.

Hypothese 4: De bemonstering bevat DNA van drie willekeurige onbekende personen.

Het verkregen DNA-mengprofiel AAIG3539NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 4 waar is.

10.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 19 december 2019, pagina 74, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende als verklaring van de getuige:

Zaterdag 2 november ben ik om 22.15 uur door [huisgenoot] gebeld en hij gaf aan dat ik gelijk moest

komen omdat er politie was en dat [verdachte] op de grond lag en dat hij iemand mishandeld had.

11.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 16 december 2019, pagina 83 - 84, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als relaas van de verbalisant:

Op 13 november 2019 ontving de districtsrecherche van officier van justitie mr. M. Weimar een rapportage van de raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van de eerste raadkamer van verdachte [medeverdachte] , geboren [geboortedatum 3] 2001. Verdachte [medeverdachte] is in het verhoor van 2 december 2019 geconfronteerd met een tweetal passages uit deze rapportage.

Passage 2

Bron: een persoonlijk gesprek met dhr. H. Wentink, d.d. 12 november 2019.

Over het delict heeft [medeverdachte] dhr. Wentink het volgende verteld:

Een vriend, genaamd [verdachte] , moest iets regelen. [medeverdachte] heeft voor hem [aangever] gebeld. [medeverdachte] heeft de simkaart, die hij gebruikt heeft om te bellen, later weggegooid. Volgens [medeverdachte] moest [aangever] € 5.000,-- betalen voor drugs (crack). Volgens zijn vriend was dit zo geregeld. [medeverdachte] vertelde dat hij de woning heeft verlaten toen [aangever] kwam, echter later vertelde [medeverdachte] dat hij wel bij het begin aanwezig is geweest, toen [aangever] werd aangesproken op zijn schuld.

12.

Het proces-verbaal van verhoor van [huisgenoot] van 3 februari 2020, pagina 351, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende, als verklaring van getuige:

V: Je gaf net al aan dat er de tweede avond (de rechtbank leest: 2 november 2019) wat gebeurd was met [aangever] . Wat weet je daar nog van?

A: Ik zat op zolder, mijn enkelband laden. Ik heb alleen gebonk gehoord en geschreeuw van buiten. Het geluid van buiten kwam van de andere kant van huis. Ik heb een dakraam aan de andere kant. Ik kan vanaf daar de straat niet zien.

V: Hoe wist je dat [aangever] er was?

A: Ik kwam thuis, heb mijn scooter in de schuur gezet en ben naar binnen gegaan. Ik heb wat te drinken gepakt uit de keuken. Op dat moment keek ik de woonkamer in en zag ik 7 á 8 mensen, ik zag [aangever] , [verdachte] , [naam] (fonetisch) en nog een paar. Er zaten drie personen op de bank, ik kende daar alleen [naam] (fonetisch) van. Volgens mij zat [aangever] op een eetkamerstoel en [verdachte] in een soort bankstoel.

13.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 22 januari 2020 (onderzoek gegevens telefoon verdachte [medeverdachte] ), pagina 110 – 116, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant:

Door mij, verbalisant, zijn de gegevens van de telefoons die bij verdachte [medeverdachte] in beslag zijn genomen en waarvan de gegevens zijn veiliggesteld, bekeken.

Verdachte [medeverdachte] verklaarde dat hij drie telefoons had, twee IPhone6 en een IPhone7. Hij verklaarde dat hij de IPhone 7 zelf in gebruik had en de twee IPhone 6 voor zijn ouders had gekocht.

IPhone 6

In de Call Log kwam een gesprek naar voren met de naam [aangever] en nummer [telefoonnummer] . Dit is het nummer van aangever maar dan anders opgeschreven.

IPhone7

Hierna is er gezocht naar nummer [telefoonnummer] . Hieruit kwamen meerdere WhatsApp Audio contactmomenten naar voren. Bij de inkomende gesprekken staat de naam [aangever] . De volgende contactmomenten zijn gevonden:

(…)

Op 2 november 2019 om 15:03:48 is er een uitgaand gesprek op de IPhone7 met een duur van 00:02:19 en deze is beantwoord. Het gesprek is verwijderd.

Op 2 november 2019 om 19:23:44 is er een uitgaand gesprek op de IPhone7 met een duur van 00:00:26 en deze is beantwoord. Het gesprek is verwijderd.

14.

Een fotoblad met een foto van verdachte, genomen op 3 november 2019 te Borne door verbalisant twn02911 (zijnde verbalisant [verbalisant 5] ), pagina 290.

1 Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016.

2 Hoge Raad 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4269: Indien de opsteller van een rapport als bedoeld in art. 494, eerste lid, Sv, als getuige gehoord, geen aanleiding heeft gezien zich op het verschoningsrecht te beroepen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de aldus afgelegde verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten.