Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:243

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
ak_19_870
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een aan de gemeente als opdrachtgever in de ontwerpfase opgelegde eis op grond van artikel 27, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) in samenhang met de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/870

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

de gemeente Kampen, eiseres,

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Majid.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 25 april 2017 (het primaire besluit) aan eiseres een eis gesteld op grond van artikel 27, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) in samenhang met de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit).

Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en twee van de drie onderdelen van de gestelde eis herroepen. Voor het overige heeft verweerder de eis in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019.

Voor eiseres zijn verschenen mr. W. Klostermann, mr. M. Kruisselbrink, mr. S.P. van Walsen en [naam] (deskundige). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Majid en mr. J.R. Baas.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden

1.1

In de loop van 2016 is aannemingsbedrijf [naam] in opdracht van eiseres begonnen met de realisatie van een nieuwe parkeergarage op een terrein aan de Oranjesingel/Noordweg te Kampen. Vroeger heeft op dat terrein een gemeentelijke gasfabriek gestaan. De bodem van het terrein en het daarin aanwezige grondwater waren ernstig verontreinigd. In verband hiermee heeft [naam] , een gecertificeerd bodemsaneringsbedrijf, in opdracht van [naam] een bodemsanering uitgevoerd, waarbij de bovenlaag van het bouwterrein is afgegraven. Daarna is de verontreinigde ondergrond van het bouwterrein afgedekt met worteldoek, waarop vervolgens een laag grond (industrieklasse) als afdeklaag is aangebracht.

1.2

Nadat de bodemsanering in december 2016 was afgerond is een onderaannemer, [naam] , begonnen met het heien van grondverdringende palen voor de constructie van de parkeergarage.

1.3

Op 13 december 2016 zijn deze heiwerkzaamheden in overleg tussen de gemeente en de (onder)aannemer stilgelegd, omdat bij het heien de overeengekomen maximale trillings-waarden overschreden werden waardoor schade zou kunnen ontstaan aan belendende gebouwen. Het merendeel van de te heien palen was op dat moment al ingebracht. Voor de resterende palen is een alternatieve methode gezocht om deze in de bodem te brengen.

1.4

In de periode van 14 tot en met 16 december 2016 zijn nog verdere werkzaamheden aan de al ingebrachte heipalen verricht, zoals ontgraven van de grond rondom de heipalen, akoestisch door- en inmeten en koppensnellen.

1.5

Op 23 december 2016 bereikten eiseres via de media berichten over ziekte van werknemers die bij de heiwerkzaamheden betrokken waren. Eiseres heeft hierover contact gezocht met [naam] en haar eigen directievoerder, maar bij hen was niets bekend over zieke werknemers. Vervolgens is contact opgenomen met heibedrijf [naam] dat de ziekte bevestigde van enkele werknemers die betrokken waren geweest bij de heiwerkzaamheden.

1.6

Op 13 januari 2017 heeft een inspecteur van de Inspectie SWZ een inspectie uitgevoerd op de bouwlocatie om na te gaan of werd voldaan aan een aantal wettelijke bepalingen op het gebied van arbeidsomstandigheden.

1.7

Naar aanleiding van zijn bevindingen heeft de inspecteur mondeling de stillegging van alle werkzaamheden in de bodem bevolen. Dit is op 19 januari 2017 schriftelijk aan [naam] en aan eiseres bevestigd.

1.8

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres als opdrachtgever van de bodemsanering een eis gesteld op grond van de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbobesluit. Eiseres diende binnen 2 weken na dagtekening van het besluit aan deze eis te hebben voldaan.

De eis luidde aanvankelijk:

“U dient als opdrachtgever ervoor zorg te dragen dat rekening wordt gehouden met de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden in de uitvoeringsfase. In dit geval houdt dat in dat u als opdrachtgever ervoor zorgt/laat zorgen dat door een deskundig persoon (HVK of arbeidshygiënist) een veilige werkmethode wordt ontwikkeld en een werkplan/uitvoeringsplan wordt opgesteld dat een volledig inzicht geeft in de actuele verontreinigingssituatie in de bouwput (bodem en grondwater), de aanwezige blootstellingsrisico’s tijdens het heien/boren van grondverdringende palen, de gekozen veiligheidsklasse (T&F klasse) en de te nemen maatregelen om de werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren (incl. pbm’s, meetplan, kraanuitvoering en bodemvochtigheid) waarbij

de arbeidshygiënische strategie gevolgd dient te worden en collectieve veiligheidsmiddelen de voorrang hebben boven persoonlijke beschermingsmiddelen.

Bij het opstellen van het werkplan/uitvoeringsplan kunt u de richtlijn CROW 132 ‘Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd grondwater’ 4e druk als leidraad te gebruiken.

Opmerking: U mag afwijken van bovengenoemde CROW- richtlijn indien aantoonbaar een vergelijkbaar veiligheidsniveau kan worden gegarandeerd”.

1.9

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen voor zover daarbij de eis was gesteld dat eiseres ervoor dient te zorgen dat door een deskundig persoon een veilige werkmethode wordt ontwikkeld en dat zij maatregelen dient te nemen om de werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, waarbij de arbeidshygiënische strategie dient te worden gevolgd.

Bij nader inzien is verweerder van mening dat de eis in zoverre buiten de grenzen van de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbobesluit gaat en heeft hij deze onderdelen van de eis laten vallen.

1.10

De eis dat eiseres een werkplan/uitvoeringsplan dient op te stellen dat een volledige inzage geeft in de actuele verontreinigingssituatie in de bouwput en de aanwezige blootstellingsrisico’s tijdens het heien/boren van grondverdringende palen, betreft volgens verweerder een nadere concretisering van de verplichtingen van haar die voortvloeien uit de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbobesluit. Dat onderdeel van de eis heeft verweerder daarom in stand gelaten.

2.1

Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij is – kort samengevat – van mening dat het op haar verzoek door [naam] opgestelde veiligheids- en gezondheidsplan ontwerpfase (hierna: het V&G-plan) van 1 april 2016 en de deelbestekken voldoen aan de daaraan op grond van het Arbobesluit te stellen eisen en dat er geen sprake is geweest van een overtreding of tekortkoming die aanleiding is om haar als opdrachtgever een eis op te leggen.

2.2

Ook betwist eiseres de feiten die verweerder aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Zo is volgens eiseres uit geen enkel medisch gegeven gebleken dat werknemers die bezig zijn geweest met de heiwerkzaamheden ziek zijn geworden als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Naar de mening van eiseres is het ook niet mogelijk dat bij grondverdringend heien verontreiniging diep uit de bodem naar boven komt. Eiseres stelt zich daarom op het standpunt dat verweerder genoemde eis niet aan haar heeft kunnen opleggen.

Procesbelang

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond welk procesbelang zij nog heeft bij haar beroep nu de parkeergarage inmiddels is gerealiseerd en al in december 2018 in gebruik is genomen. Verweerder is daarom van mening dat het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

3.2

Er is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat met het indienen van een beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben. Een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

3.3

De rechtbank stelt vast dat de bouw van de parkeergarage al in 2018 is afgerond, zodat de gestelde eis in zoverre geen feitelijke betekenis meer kan hebben. Naar vaste rechtspraak kan er echter nog steeds sprake zijn van een actueel procesbelang, als eiseres stelt dat zij schade heeft geleden door de bestuurlijke besluitvorming en een uitspraak van de bestuursrechter wenst met het oog op een vordering tot schadevergoeding. Daarvoor is wel vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit niet op voorhand onaannemelijk is.

3.4

Eiseres heeft in het beroepschrift en ter zitting aangevoerd dat de bouw van de parkeergarage door verweerders besluit ernstig vertraagd is en dat [naam] in verband daarmee van haar een bedrag van meer dan € 750.000,- stagnatieschade claimt. Voor de onderbouwing van die schadeclaim verwijst [naam] naar het bestreden besluit. Daaruit blijkt volgens [naam] dat eiseres ernstige fouten heeft gemaakt in het V&G-plan ontwerpfase en andere bestekonderdelen die als opdrachtgever voor haar rekening komen.

Daarnaast stelt eiseres dat zij nog een procesbelang heeft in verband met de reputatieschade die zij door deze kwestie heeft geleden.

3.5

Hoewel eiseres geen schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot de gestelde schadeclaim wegens vertragingsschade heeft overgelegd, heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij gelet op de toelichting van de gemachtigde van eiseres tijdens de zitting, geen reden heeft om aan die claim te twijfelen. Ook de rechtbank acht de schadeclaim voldoende aannemelijk.

3.6

De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres reeds met het oog op een eventuele vordering tot schadevergoeding jegens verweerder nog een (financieel) procesbelang heeft bij haar beroep. De vraag of eiseres ook een procesbelang heeft in verband met reputatieschade, hoeft daarom niet meer door de rechtbank te worden beantwoord.

Het beroep is ontvankelijk.

Wettelijk kader

4.1

De rechtbank stelt voorop dat bij een handhavend besluit, zoals het stellen van een eis op grond van de Arbowet, moet worden getoetst aan de wet- en regelgeving zoals die luidde ten tijde van het primaire besluit, dus in dit geval op 25 april 2017.

4.2

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Arbowet kan een daartoe aangewezen toezichthouder aan een werkgever een eis stellen betreffende de wijze waarop een of meer bepalingen gesteld bij of krachtens deze wet moeten worden nageleefd.

4.3

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Arbowet vermeldt een eis van welke regelen hij de wijze van naleving bepaalt en bevat hij de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan.

4.4

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Arbowet is de werkgever verplicht om aan de eis te voldoen. De werknemers zijn verplicht aan de eis te voldoen voor zover zulks bij de eis is bepaald. De werkgever draagt zorg dat de werknemers van de op hen rustende verplichting zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld.

4.5

Ingevolge artikel 27, vierde lid, van de Arbowet worden met een werkgever gelijkgesteld: de in artikel 16, zevende, achtste en negende lid, bedoelde personen voor zover het betreft de krachtens dat artikel omschreven verplichtingen.

4.6

Ingevolge artikel 27, vijfde lid, van de Arbowet kan een eis worden gesteld tot naleving van de artikelen 3, 4, 5, 6, 8, 11, 13, eerste tot en met vierde lid, negende en tiende lid, 14, eerste, tweede en zevende lid, 14a, tweede, derde en vierde lid, 15, eerste en derde lid, 16, voor zover dat bij de krachtens dat artikel gestelde regels is bepaald, 18 en 19.

4.7

Ingevolge artikel 16, achtste lid, van de Arbowet kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de verplichting tot naleving van daarbij aangegeven voorschriften in de gevallen bij die maatregel omschreven rust op een ander dan de werkgever. Aangewezen kunnen worden de eigenaar of beheerder dan wel degene die anderszins bevoegd is te beslissen over het ontwerp, de vervaardiging dan wel het onderhoud van arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, zoals zo nodig nader bij die maatregel is bepaald.

4.8

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder c, sub 1° van het Arbobesluit wordt voor de toepassing van hoofdstuk 2, afdeling 5, en artikel 9:6 onder opdrachtgever verstaan: degene voor wiens rekening een bouwwerk tot stand wordt gebracht.

4.9

Ingevolge artikel 2.26 van het Arbobesluit is de opdrachtgever in de ontwerpfase verplicht zich ervan te vergewissen dat de betrokken werkgevers en zelfstandigen in staat zijn de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden in de uitvoeringsfase na te komen, in het bijzonder de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 3, 5, eerste en derde lid, en 8 van de wet en hoofdstuk 4, afdeling 5.

4.10

Ingevolge artikel 2.28, eerste lid, van het Arbobesluit dient de opdrachtgever ervoor te zorgen dat ten aanzien van bouwwerken die voor de veiligheid en gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebrengen als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn of een bouwwerk ten aanzien waarvan een melding verplicht is, een veiligheids- en gezondheidsplan wordt opgesteld.

4.11

Ingevolge het tweede lid van artikel 2.28 van het Arbobesluit worden, afhankelijk van de voortgang in het bouwproces, in het veiligheids- en gezondheidsplan ten minste vermeld en opgenomen:

a. een beschrijving van het tot stand te brengen bouwwerk, een overzicht van de betrokken ondernemingen op de bouwplaats, de naam van de coördinator voor de ontwerp- en uitvoeringsfase;

b. een inventarisatie en evaluatie van de specifieke gevaren voor het betreffende bouwwerk, waaronder de eventuele aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.37, verontreinigde grond, verontreinigd water of grondwater of verontreinigde waterbodems, en specifieke gevaren die het gevolg zijn van de gelijktijdige en achtereenvolgende uitvoering van de bouwwerkzaamheden en in voorkomend geval van de wisselwerking met doorgaande exploitatiewerkzaamheden;

c. de maatregelen die volgen uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld onder b;

d. de afspraken met betrekking tot de uitvoering van de maatregelen, bedoeld onder c;

e. de wijze waarop toezicht op de maatregelen wordt uitgeoefend;

f. de bouwkundige, technische en organisatorische keuzen die in verband met de veiligheid en gezondheid van de werknemers en zelfstandigen worden gemaakt alsmede de onderzoeken en rapporten die de onderbouwing van deze keuzen ondersteunen;

g. de wijze waarop voorlichting en instructie aan de werknemers op de bouwplaats wordt gegeven.

4.12

Ingevolge artikel 9.6 van het Arbobesluit is de opdrachtgever verplicht tot naleving van de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 2.26 tot en met 2.29 en 2.32.

4.13

Ingevolge artikel 9:22, eerste lid, van het Arbobesluit kan omtrent de wijze waarop de voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 6, eerste lid, en 16 van de wet moeten worden nageleefd een eis worden gesteld overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van de wet.

Beroepsgronden

5.1

Eiseres is het niet eens met de eis dat zij een werkplan/uitvoeringsplan dient op te stellen dat een volledige inzage geeft in de actuele verontreinigingssituatie in de bouwput (bodem en grondwater) en de aanwezige blootstellingsrisico’s tijdens het heien/boren van grondverdringende palen (onderdeel 2 van de oorspronkelijke eis). Eiseres is van mening dat het V&G plan van 1 april 2016 voldoet aan alle daaraan te stellen eisen en dat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake was van een overtreding of tekortkoming.

5.2

Verder stelt eiseres dat de feiten die verweerder aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd onbewezen en onaannemelijk zijn. Volgens eiseres blijkt uit geen enkel medisch gegeven dat er werknemers van heibedrijf [naam] ziek geworden zijn als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens de heiwerkzaamheden. [naam] heeft hierover bij de hoofdaannemer ( [naam] ) of bij eiseres ook geen enkele melding gemaakt en er is ook geen enkele vermelding opgenomen in weekrapporten en dagboeken. De betrokken werknemer heeft volgens eiseres na een weekend en twee dagen ziekte zijn werkzaamheden op hetzelfde project weer zonder enig voorbehoud hervat. Daarbij is eiseres van mening dat verweerder inhoudelijk niet heeft weersproken dat het bij grondverdringend heien onmogelijk is dat verontreiniging diep uit de bodem naar boven komt.

5.3

Ook overigens heeft verweerder volgens eiseres niet onderbouwd dat er aanleiding was haar als opdrachtgever een eis op te leggen. De interventie door verweerder heeft pas plaatsgevonden toen de sanering al was uitgevoerd en het bouwterrein op dat moment van aannemer [naam] was. [naam] beschikte volgens eiseres over alle relevante gegevens ten aanzien van de verontreinigingssituatie. Eiseres stelt dat [naam] degene is die het opvulzand heeft aangevoerd en aangebracht en dat [naam] deze grond dus kende en behoorde te kennen. Eiseres wijst er in dit verband ook op dat aannemer [naam] zich op geen enkel moment bij haar erover heeft beklaagd dat hij over te weinig informatie beschikte om het werk – de bodemsanering en de realisatie van de parkeergarage – op een verantwoorde wijze tot uitvoering te brengen.

5.4

Eiseres is verder van mening dat verweerder heeft verzuimd een behoorlijk onderscheid te maken tussen de positie en verantwoordelijkheid van de opdrachtgever in de ontwerpfase enerzijds en de positie en verantwoordelijkheid van de aannemer als werkgever in de uitvoeringsfase anderzijds. Dit is naar de mening van eiseres niet alleen in strijd met de wet, maar creëert volgens haar ook rechtsonzekerheid in de verhouding tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bevoegdheid verweerder

6.1

Gelet op artikel 27, eerste lid, van de Arbowet juncto artikel 9.6 van het Arbobesluit is de rechtbank van oordeel dat de eis tot naleving van de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbobesluit (ook) kan worden opgelegd aan de opdrachtgever, zijnde degene voor wiens rekening het bouwwerk tot stand wordt gebracht en bevoegd is te beslissen over het ontwerp.

6.2

Op grond van de artikelen 9.6 en 9.22 van het Arbobesluit is verweerder daarom bevoegd om met toepassing van artikel 27, eerste lid, van de Arbowet aan eiseres, zijnde degene voor wiens rekening de bouw van de parkeergarage tot stand is gebracht, een eis te stellen over de wijze waarop de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbobesluit moeten worden nageleefd.

Beoordeling van het bestreden besluit

7.1

De in artikel 27, eerste lid, van de Arbowet neergelegde bevoegdheid om een eis te stellen is discretionair van aard. Verweerder komt bij de uitoefening van die bevoegdheid beleidsruimte toe. Het is vaste jurisprudentie dat de wijze waarop verweerder van een dergelijke bevoegdheid gebruik maakt door de rechtbank slechts terughoudend kan worden getoetst.

7.2

De rechtbank stelt voorop op dat de eis die verweerder aan eiseres heeft opgelegd geen bestuurlijke sanctie betreft. Die eis is slechts een nadere invulling of concretisering van een wettelijk voorschrift of wettelijke norm. Voor het stellen van een dergelijke eis is dan ook voldoende dat het voorschrift of de norm waarop de eis betrekking heeft, van toepassing is voor de betrokken werkgever c.q. opdrachtgever. Als een gestelde eis niet wordt nageleefd, is vervolgens handhaving door het opleggen van een bestuurlijke boete of eventueel strafrechtelijke vervolging mogelijk.

7.3

In dit geval is de wettelijke norm waarop de eis betrekking heeft, neergelegd in de artikelen 2.26 en 2.28 van het Arbobesluit.

7.4

Op grond van artikel 2.26 Arbobesluit moet eiseres als opdrachtgever in de ontwerpfase rekening houden met de verplichtingen van de werkgever in de uitvoeringsfase, te weten hoofdaannemer [naam] .

7.5

Als zich, zoals in dit geval, gevaarlijke stoffen in de bodem bevinden, houdt die verplichting in dat de opdrachtgever in de ontwerpfase alle risico’s waaraan werknemers van de werkgever in de uitvoeringsfase kunnen worden blootgesteld tijdens werkzaamheden in de bodem, moet inventariseren.

7.6

Vervolgens is het aan de werkgever om bij de uitvoering van de werkzaamheden concrete maatregelen te nemen om die risico’s te bestrijden en erop toe te zien dat die maatregelen ook worden getroffen.

7.7

Ingevolge artikel 2.28, eerste lid, van het Arbobesluit moet de opdrachtgever in een geval als waar het hier om gaat, ervoor zorgen dat ten aanzien van bouwwerkzaamheden die voor de veiligheid en gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebrengen een V&G-plan wordt opgesteld, waarin tenminste de in het tweede lid van dat artikel genoemde punten zijn vermeld en opgenomen.

7.8

De Arbowet bevat geen voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voordat een eis kan worden gesteld. Hoewel een overtreding aanleiding kan zijn voor het stellen van een eis, hoeft er geen overtreding te hebben plaatsgevonden om een eis te kunnen stellen.

7.9

Er moet echter wel een concrete aanleiding zijn om een eis te stellen, met andere woorden er moet iets zijn gebeurd of iets zijn misgegaan bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Als er niets aan de hand is, is er ook geen reden om een eis te stellen, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard.

7.10

Hoewel zich naar de mening van verweerder wel een overtreding heeft voorgedaan, is niet gekozen voor het opleggen van een bestuurlijke boete aan eiseres omdat geen sprake is geweest van blijvend letsel of ziekenhuisopname. In plaats daarvan is besloten om een eis te stellen.

7.11

Het enige concrete stuk waarop verweerder zich bij het stellen van de eis heeft gebaseerd, zijn de persoonlijke aantekeningen van 25 januari 2017 die de inspecteur

[naam] heeft gemaakt naar aanleiding van zijn bezoek aan heibedrijf [naam] , waar hij heeft gesproken met de directeur [naam] , met de heimachinist [naam] en met [naam] , de adviseur van [naam] . In deze aantekeningen is vermeld dat de heiwerkzaamheden op vrijdag 2 december 2016 zijn gestart. Bij het heien werd een vreemde geur geroken en daar heeft het heibedrijf melding van gemaakt bij de betonpalen-leverancier [naam]. Op die vrijdag zijn door de heimachinist [naam] in totaal 12 palen ingeheid. Bij het slaan van de laatste palen rook hij een vieze misselijkmakende geur. Het stonk naar gassen en een teerlucht. De heimachinist is gestopt met het heiwerk. Toen hij die avond naar huis ging, voelde hij zich niet lekker. In het weekend is de heimachinist steeds zieker geworden. Hij had bloed in zijn urine, hoofdpijn zoals hij nog nooit had gehad en was misselijk. De heimachinist is de maandag en dinsdag erna ook nog thuis gebleven.

Ongeveer anderhalve week later zijn de koppensnelwerkzaamheden op de locatie uitgevoerd. Ook daar werd de kraanmachinist van de koppensnelkraan, [naam] , ziek.

7.12

Op de zitting heeft verweerders gemachtigde nog een gedeelte voorgelezen uit een interview met de inspecteur uit februari 2019. Daarin is onder andere vermeld dat een werknemer van [naam] heeft verklaard dat er tijdens de heiwerkzaamheden “smurrie” en “teerdrollen” naar boven zijn gekomen, waardoor hij mogelijk (teer)oedeem heeft ontwikkeld. Het gaat hierbij echter om een onbekend stuk dat niet door verweerder in deze procedure is overgelegd en waarop eiseres dus niet heeft kunnen reageren. Daarom kan aan de inhoud van dat stuk geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

7.13

In het opzichtersdagboek van de heiwerkzaamheden is bij 5 en 6 december 2016 vermeld dat er op die dagen niet geheid is omdat de heimachinist ziek was. Dat die ziekte verband hield met de uitvoering van de heiwerkzaamheden is daarbij echter niet aangegeven.

7.14

Nu verdere (medische) gegevens over de ziekte van de betreffende werknemers ontbreken, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat die ziektegevallen het gevolg zijn geweest van de uitvoering van de (hei)werkzaamheden.

7.15

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarin dan ook geen aanleiding kunnen vinden voor het stellen van de in het bestreden besluit verwoorde eis .

7.16

Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient het bestuursorgaan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en omstandigheden. Voorts moet de beslissing op bezwaar ingevolge artikel 7:12 van de Awb berusten op een deugdelijke motivering.

7.17

Omdat andere stukken – bijvoorbeeld een inspectierapport – waarin aanleiding gevonden kan worden voor het stellen van een eis ontbreken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden en zijn besluit om een eis op te leggen aan eiseres ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

7.18

Gelet op het tijdsverloop is er naar het oordeel van de rechtbank geen mogelijkheid om het geconstateerde motiveringsgebrek nog te herstellen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8;72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Griffierecht

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Proceskosten

9.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

9.2

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

9.3

Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige [naam], werkzaam bij [naam] ad

€ 2.160,-.

9.4

De kosten van een deskundige komen op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.

9.5

In deze procedure speelt een geschil over de toepasselijkheid van bepalingen uit de Arbowet en het Arbobesluit. Dit betreft een onderwerp waarvoor deze deskundige vanuit zijn achtergrond een relevante bijdrage kan leveren. De rechtbank acht het inschakelen van

[naam] daarom in dit geval redelijk. Ook de deskundigenkosten zelf acht de rechtbank redelijk, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.685,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en

mr. R.J. van Lochem, leden, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.