Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2286

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
8176848 \ CV EXPL 19-6709
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt voor gedaagde werkzaamheden te hebben verricht, en vordert daarvoor betaling. Gedaagde stelt daarentegen dat eiser werd opgeleid, en vordert in reconventie daarvoor betaling. Kantonrechter wijst beide vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 8176848 \ CV EXPL 19-6709

Vonnis van 23 juni 2020

in de zaak van

[A] ,
wonende te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen [A] ,

gemachtigde: B.E.J. Caminada,

tegen

de besloten vennootschap [bedrijf],
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen [bedrijf] ,

zonder gemachtigde procederend.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 november 2019 met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie en conclusie van antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie.

[A] heeft in reconventie niet binnen de hem verleende uitsteltermijn gereageerd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op initiatief van [A] hebben partijen op 23 maart 2019 een gesprek gehad over de mogelijkheid dat [A] , met zijn eigen vrachtauto-trekker en met daarachter een van de opleggers van [bedrijf] , vervoerswerkzaamheden voor [bedrijf] zou gaan verrichten.

2.2.

Om een beeld te krijgen van de werkzaamheden heeft [A] op 30 maart 2019 voor de duur van één rit – als passagier/bijrijder – met een vrachtauto van [bedrijf] meegereden.

2.3.

Op 6 april 2019 hebben [A] en de heer [X] samen drie ritten gereden. Daarbij werd gebruik gemaakt van een vrachtauto van [bedrijf] .

2.4.

[A] heeft voor de uren op 6 april 2019 een factuur van € 487,02 aan [bedrijf] gestuurd. Hij heeft een uurtarief van € 35,00 exclusief btw gehanteerd. [bedrijf] heeft die factuur niet betaald.

2.5.

Op 11 april 2019 heeft [A] aan [bedrijf] meegedeeld dat hij niet langer (vervoers)werkzaamheden voor [bedrijf] wil verrichten.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert – samengevat, en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de veroordeling van [bedrijf] tot betaling van een bedrag van € 487,02 aan hoofdsom in verband met de niet betaalde factuur van 6 april 2019, een bedrag van € 21,56 aan (tot 8 november 2019 berekende) rente daarover, en een bedrag van € 88,39 aan buitengerechtelijke incassokosten, dus totaal € 596,97, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom met ingang van 8 november 2019. [A] vordert ook de veroordeling van [bedrijf] in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vorderingen heeft [A] ten grondslag gelegd dat hij op 6 april 2019 in opdracht en voor rekening van [bedrijf] zelfstandig heeft gewerkt, en dat [bedrijf] hem daarvoor een vergoeding van in totaal € 487,02 verschuldigd is.

3.3.

[bedrijf] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen in conventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[bedrijf] vordert – samengevat – de veroordeling van [A] tot betaling van een bedrag van € 487,02.

3.6.

Aan haar vordering legt [bedrijf] ten grondslag dat [A] op 6 april 2019 niet zelfstandig heeft gewerkt, maar dat die dag in het teken stond van het opleiden van [A] , zodat hij in staat zou zijn om in de toekomst zelfstandig vervoerswerk voor [bedrijf] te verrichten. [A] is gehouden aan [bedrijf] de kosten voor deze opleidingsdag te vergoeden.

3.7.

[A] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen in reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [bedrijf] verplicht is om aan [A] het bedrag te betalen waarop hij in zijn factuur van 6 april 2019 aanspraak maakt.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat op [A] de stelplicht en (in beginsel) de bewijslast rust van zijn stellingen dat partijen zijn overeengekomen dat hij op 6 april 2019 tegen betaling zelfstandig vervoerswerk zou verrichten. Hij beroept zich namelijk op het rechtsgevolg van die stellingen namelijk dat op grond daarvan voor [bedrijf] een betalingsverplichting zou zijn ontstaan. Dat de bewijslast (in beginsel) bij [A] ligt volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [A] , afgezet tegen de gemotiveerde betwisting door [bedrijf] , niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [bedrijf] ter onderbouwing van haar betwisting onder meer heeft gesteld dat het mogelijk is dat partijen een overeenkomst zouden hebben gesloten, maar dat het daarvan niet is gekomen, omdat [A] na de opleidingsdag van 6 april 2019 aangaf niet voor [bedrijf] te willen werken. [bedrijf] heeft verder aangegeven dat een overeenkomst om betaalde vervoerswerkzaamheden te verrichten (als het daarvan was gekomen), niet mondeling maar in de vorm van een schriftelijk contract zou zijn aangegaan, en dat (ook gelet op de geldende regelgeving) [A] daarvoor in elk geval bescheiden had moeten overleggen, zoals het benodigd vergunningsbewijs en een verzekeringspolis. [bedrijf] wijst erop dat dit niet is gebeurd en dat ook daaruit blijkt dat partijen de door [A] gestelde overeenkomst van opdracht niet hebben gesloten. Bovendien heeft [A] op 6 april 2019 ook helemaal niet zelfstandig gewerkt, aldus [bedrijf] . Zij wijst erop dat voorafgaand aan die dag, [A] enkel op 30 maart 2019 als passagier gedurende één rit met een chauffeur van [bedrijf] is meegereden, en dat het noodzakelijk was voor [A] om (verder) vertrouwd te raken met een groot aantal specifieke werkprocessen (zie de uitgebreide opsomming op p. 2 van de conclusie van antwoord van [bedrijf] ). [A] heeft op 6 april 2019 weliswaar de vrachtauto zelfstandig bestuurd, maar hij heeft de overige vervoerswerkzaamheden steeds onder begeleiding van [X] verricht. [bedrijf] wijst er dan ook op dat om die reden niet [A] , maar [X] als chauffeur op de ritopdrachten staat vermeld. Ook hieruit blijkt dat [A] niet zelfstandig werkzaamheden heeft verricht, aldus nog steeds [bedrijf] .

4.4.

Gelet op deze onderbouwde betwisting had het op de weg van [A] gelegen om concreet – dus met feiten en omstandigheden onderbouwd – aan te geven, in ieder geval: dat, hoe en wanneer de gestelde afspraak om op 6 april 2019 tegen betaling zelfstandig werkzaamheden te verrichten tot stand is gekomen en wat die afspraak dan specifiek inhield. De enkele bewering door [A] in zijn conclusie van repliek dat partijen (mondeling) zijn overeengekomen dat hij op 6 april 2019 werkzaamheden zou gaan verrichten, is daartoe onvoldoende. Ook had [A] zijn stelling dat hij wel degelijk zelfstandig heeft gewerkt op 6 april 2019, nader moeten onderbouwen, gelet op de (wél onderbouwde) stellingen van [bedrijf] dat de veelheid en de aard van de werkzaamheden een inwerkdag noodzakelijk maakten, en dat daarnaast uit de (op naam van [X] staande) ritopdrachten blijkt dat [A] niet zelfstandig heeft gewerkt. [A] beperkt zich in dat verband tot het enkele stellen dat hij gespecialiseerd is, en dat de aanwezigheid van [X] op 6 april 2019 niet aan een betalingsverplichting in de weg staat, en dat is als onderbouwing onvoldoende. Ook zijn stelling bij repliek dat hij over de juiste papieren beschikte is niet met stukken onderbouwd, hoewel dat op zichzelf best mogelijk moet zijn geweest.

4.5.

Omdat [A] zijn stellingen in het licht van het verweer van [bedrijf] niet voldoende heeft toegelicht en onderbouwd, zal hij niet tot bewijslevering worden toegelaten. Het vorenstaande brengt mee dat niet is komen vast te staan dat [bedrijf] verplicht was [A] voor werkzaamheden op 6 april 2019 een vergoeding te betalen. De slotsom is dus dat de vordering van [A] tot betaling van het gefactureerde bedrag moet worden afgewezen. Dat heeft weer tot gevolg dat [A] ook geen rente en incassokosten toekomt. Al zijn vorderingen moeten dan ook worden afgewezen.

4.6.

[A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van [bedrijf] worden veroordeeld, welke kosten op nihil worden begroot.

in reconventie

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [bedrijf] in reconventie moet worden afgewezen. [bedrijf] heeft aan haar vordering enkel de stelling ten grondslag gelegd dat zij [A] op 6 april 2019 heeft opgeleid, maar die omstandigheid brengt naar het oordeel van de kantonrechter nog niet (zonder meer) mee dat [A] daardoor gehouden is kosten (tot een bedrag van € 487,02) aan [bedrijf] te vergoeden. Het gaat namelijk niet zozeer om de vraag of 6 april 2019 in het teken stond van opleiden, maar om de vraag of [A] de verplichting op zich heeft genomen om het gevorderde bedrag te betalen. Het bestaan van een dergelijke verplichting heeft [A] betwist. Hij stelt dat partijen “hierover niets zijn overeengekomen”. De kantonrechter is van oordeel dat [bedrijf] tegenover deze betwisting in het geheel niet heeft onderbouwd dat partijen wel degelijk een afspraak hebben gemaakt over de betaling van het gevorderde bedrag omdat het om een opleidingsdag ging.

4.8.

Ook de reconventionele vordering van [bedrijf] moet daarom worden afgewezen.

4.9.

Nu de tegenvordering niet tot noemenswaardige werkzaamheden aan de kant van [A] heeft geleid, zal de kantonrechter de kosten ook in reconventie op nihil begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de kant van [bedrijf] op nihil begroot;

in reconventie

5.3.

wijst de vordering af;

5.4.

veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, aan de kant van [A] op nihil begroot.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Essed, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020. (ME)