Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2252

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
C/08/244707 / HA ZA 20-103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden bij Lomax-JOUW: opeisbaarheid prestatie uit overeenkomst van geldlening, verbintenis onvoldoende bepaald c.q. bepaalbaar (ex art. 6:227 BW) ter zake de opeisbaarheid, geen directe opeisbaarheid (art. 7:129e BW), aanvulling (ex art. 6:248 lid 1 BW) van leemte in de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer : C/08/244707 / HA ZA 20-103

Vonnis van 24 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOMAX FINANCIERINGEN B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

eiseres, hierna aangeduid als LOMAX,

advocaat: mr. J. Scholtens te Zwolle

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JOUW BUREAU B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde, hierna aangeduid als JOUW,

advocaten: mrs. H.P. van der Veen en R.J. van Betten te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis d.d. 11 maart 2020 waarbij een mondelinge behandeling van de zaak is gelast;

  • -

    de akte overlegging producties (11-17) d.d. 26 mei 2020 van de zijde van Lomax;

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling via Skype, ontvangen pleitnota’s van partijen;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 8 juni 2020, op welke datum tevens heeft plaatsgevonden de mondelinge behandeling van het aan deze zaak gelieerde geschil onder nummer C/08/242603 HA ZA 20-25. Het proces-verbaal betreft een weergave van de standpunten van partijen in beide zaken. De naderhand naar aanleiding van het proces-verbaal binnengekomen opmerkingen van de zijde van LOMAX zijn aan het proces-verbaal gehecht.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

LOMAX betreft een financieringsmaatschappij. Enig bestuurder van LOMAX is

[A] . Alle aandelen in het kapitaal van LOMAX worden gehouden door Lomax Plus B.V. [A] is tevens enig aandeelhouder en bestuurder van Logistance B.V. (hierna: Logistance). Logistance houdt alle aandelen in het kapitaal van Lomax Plus B.V. en 50% van de aandelen in het kapitaal van reclamebureau JOUW.

2.2.

Holdingmaatschappij SCW is enig bestuurder van zowel ONZE als JOUW en houdt 50% van de aandelen in JOUW. [Y] is enig bestuurder van SCW.

In navolging van het vonnis van deze rechtbank van 8 april 2020, waarbij onder meer is beslist dat SCW is gehouden om 50% van de aandelen in ONZE over te dragen aan Logistance, houden SCW en Logistance inmiddels elk 50% van de aandelen in ONZE.

2.3.

In de onder 1.1. genoemde parallel gevoerde procedure heeft SCW overdracht van de door Logistance gehouden aandelen in JOUW ex artikel 2:336 BW lid 1 jo 2: 341 BW gevorderd. De rechtbank heeft heden bij vonnis in die zaak beslist tot afwijzing van die vordering.

2.4.

Door Logistance zijn in de periode 2014-2016 diverse bedragen ter lening verstrekt aan JOUW tegen een rentepercentage van 6%. Wanneer er bij JOUW aanvullende liquiditeit nodig was, ontving Logistance een verzoek van JOUW voor een aanvullend bedrag aan lening en maakte Logistance dat bedrag over aan JOUW. Het in diverse delen ter lening verstrekte bedrag van in totaal van € 460.000,-- zal hierna worden aangeduid als de geldlening.

2.5.

Sinds 31 december 2014 is maandelijks rente (6% op jaarbasis) over het openstaande bedrag betaald door JOUW. JOUW betaalt sinds 21 december 2016 rente en aflossing aan LOMAX, nadat de overeenkomst van geldlening eind 2016 door Logistance is overgedragen aan LOMAX. Op 13 december 2019 heeft JOUW voor het laatst een betaling gedaan aan LOMAX ter aflossing. In totaal is er in 2019 € 51.000,-- afgelost, nadat in 2018 € 91.000,-- is afgelost en in 2017 € 94.000,--. Thans resteert een bedrag van € 199.000,-- in hoofdsom.

2.6.

De notulen van de algemene vergadering van JOUW van 3 mei 2019 houden onder meer het volgende in:

5. Financiering van de Vennootschap

JS: stelt over dit onderwerp dat [Y] heeft gesteld dat er een looptijd is overeengekomen van 120 maanden. JS heeft die afspraak niet kunnen terugvinden. De basale afspraak is dat er wordt afgelost aan de hand van beschikbare liquiditeit. (…).

[Y] : geeft aan dat hij een aflossingsvoorstel heeft gedaan in 2017 en ook periodiek is gaan aflossen. Daar bovenop heeft hij telkens aanvullend afgelost als de liquiditeit dat toeliet.

(…)

[A] : stelt dat er ‘bakken met geld’ zijn,

[Y] : geeft aan dat hij hiervoor heeft gemotiveerd het geld nodig te hebben voor de verplichtingen.

(…)

HPV: constateert dat de afspraak onduidelijk is, want ‘overtollige liquiditeit’ is niet gedefinieerd.

[A] : vindt de afspraak volstrekt duidelijk

HPV: geeft aan dat hij het standpunt van [A] hoort maar dat dit afwijkt van het standpunt van [Y] .

(…)

[A] : geeft nogmaals aan dat er op basis van liquiditeit werd afgelost.

[Y] : onderschrijft die afspraak ook, hij wil graag spoedig aflossen.

(…)

[Y] : stelt voorzichtig te zijn, maar als het mogelijk is altijd heeft afgelost. (…)”

2.7.

Op 22 oktober 2019 heeft LOMAX JOUW per brief verzocht het volledige resterende saldo van de geldlening en alle tot aan aflossing verschuldigde rente binnen zes weken terug te betalen aan LOMAX.

3 De vordering

LOMAX vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

  1. JOUW veroordeelt tot betaling aan LOMAX een bedrag van € 199.000,-- (zijnde het resterende saldo van de geldlening), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis;

  2. JOUW te veroordelen tot betaling aan LOMAX van de contractuele rente van 6 % over een bedrag van € 199.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 november 2019 tot aan de aflossing van de geldlening;

  3. JOUW veroordeelt tot betaling aan LOMAX een bedrag van € 2.765,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke kosten, te voldoen binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis;

Subsidiair

  1. De geldlening gedeeltelijk, enkel voor het gedeelte van de geldlening dat nog niet is afgelost, ontbindt;

  2. JOUW veroordeelt tot betaling aan LOMAX een bedrag van € 199.000,-- (zijnde het resterende saldo van de geldlening), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis;

  3. JOUW veroordeelt tot betaling aan LOMAX van de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente over een bedrag van € 199.000,--, althans over het door de rechtbank bepaalde bedrag, indien JOUW dit bedrag niet binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis aan LOMAX betaalt, te rekenen vanaf 7 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

Meer subsidiair

1. Het tijdstip van de opeisbaarheid van de geldlening op de navolgende – althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen – wijze bepaalt:

a) Eenmalig moet er ineens een bedrag van € 39.000,-- worden afgelost binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis (correctie 2019);

b) Vanaf de datum van het vonnis moet er per maand (steeds op de eerste van iedere maand) een bedrag van € 7.500,-- worden afgelost, met dien verstande dat er over 2020 moet worden ingehaald tot aan de datum van het vonnis (dus: als op 1 november 2020 vonnis wordt gewezen dan hadden in 2020 reeds 10 maandelijkse termijnen van € 7.500,-- afgelost moeten zijn, er moet dan eenmalig een bedrag van € 75.000,-- worden afgelost binnen 14 dagen na betekening van het vonnis en vanaf dan moet er iedere maand een bedrag van

€ 7.500,-- worden afgelost).

Met veroordeling van JOUW in de (na)kosten van dit geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

4 Het geschil

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overeenkomst van geldlening tegen een rentepercentage van 6%, op welke lening thans nog € 199.000,-- onafgelost is gebleven. Partijen zijn het echter niet eens over de voorwaarden voor opeisbaarheid.

4.2.

LOMAX legt aan haar vordering, voor zover relevant voor de beoordeling hierna door de rechtbank, ten grondslag dat – indachtig de aan JOUW gestelde termijn van zes weken voor aflossing bij brief van 22 oktober 2019 – bij gebreke van vastgelegde afspraken terstond nakoming kan worden gevorderd en dat voor zover wél afspraken zouden zijn gemaakt, uit correspondentie tussen partijen volgt dat sprake is van een overeenkomst van geldlening waarbij JOUW zoveel mogelijk moet aflossen op de geldlening zodra daarvoor voldoende liquiditeit beschikbaar is en dat JOUW, gelet op haar financiële resultaten de afgelopen jaren blijkend uit de concept-jaarrekening 2018, te weinig heeft afgelost op de geldlening, met als gevolg dat het nog verschuldigde bedrag na gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst direct en volledig opeisbaar is.

4.3.

JOUW betwist de grondslag van de vordering door zich – voor zover relevant voor de beoordeling hierna door de rechtbank – op het standpunt te stellen dat sprake is van een lening met een onbepaalde looptijd en die bovendien aflossingsvrij is voor een periode van tenminste tien jaren, als gevolg waarvan de lening niet met onmiddellijke ingang kan worden opgeëist, althans slechts met inachtneming van een aanmerkelijk langere opzegtermijn dan de gehanteerde zes weken. Dat JOUW bereid was af te lossen op basis van overtollige liquiditeit betreft niet meer dan dat; een bereidheid en geen afdwingbare afspraak.

Voorts wordt aangevoerd dat van directe opeisbaarheid (na gedeeltelijke ontbinding) geen sprake kan zijn nu geen tekortkoming bestaat aan de zijde van JOUW.

5 De beoordeling

5.1.

De primaire vordering van LOMAX steunt op de stelling dat bij gebrek aan afspraken de lening direct opeisbaar is (artikel 7:129e BW). Deze blote stelling verhoudt zich echter bepaald niet tot haar betoog dat zou zijn overeengekomen dat wordt afgelost op basis van liquiditeit, althans laat zich niet goed rijmen met de volgorde waarin haar vorderingen zijn geformuleerd. Mede gelet op de betwisting door JOUW, kan vorenbedoelde stelling derhalve niet leiden tot toewijzing van het primair gevorderde – terwijl toewijzing evenmin aan de orde is langs andere weg, waarover verder in r.o. 5.6 – en zal de rechtbank zich buigen over het subsidiair gevorderde ex artikel 6:265 BW.

5.2.

Bij gebreke van een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst van kredietverschaffing tussen JOUW en LOMAX, zal de rechtbank zich – gelet op de betwisting door JOUW van de voorwaarden waaronder de overeenkomst is aangegaan – moeten verlaten op de overige bronnen waarop LOMAX haar stelling baseert dat sprake zou zijn geweest van een overeenkomst die (onder meer) inhoudt dat de opeisbaarheid van (delen van) de lening afhankelijk is gesteld van de aanwezigheid van een liquiditeitsoverschot bij JOUW. LOMAX meent haar stelling te doen steunen op correspondentie tussen partijen, maar laat achterwege concreet te maken welke correspondentie dit betreft, terwijl dit wel op haar weg had gelegen.

Bij gebrek aan onderbouwing ziet de rechtbank, mede in het licht van de betwisting door JOUW, derhalve geen aanleiding conform de stelling van LOMAX te concluderen dat partijen zouden zijn overeengekomen dat aflossing opeisbaar was afhankelijk van de liquiditeit bij JOUW.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit enkel de opmerkingen van [Y] tijdens de algemene vergadering van 3 mei 2019, inhoudende dat hij heeft afgelost als de liquiditeit dat toeliet – in samenhang bezien met de vervolgopmerkingen van [Y] en [A] tijdens die vergadering – niet méér kan worden afgeleid dan dat de aflossingsvoorwaarden (al of niet op grond van liquiditeit en al of geen aflossingsvrije periode) blijvend onderwerp van debat zijn geweest tussen partijen en ter zake daarvan derhalve geen overeenkomst is bereikt. Met JOUW is de rechtbank in dit verband van oordeel dat, niettegenstaande de vervolgopmerking van [Y] tijdens de algemene vergadering van 3 mei 2019 dat hij de – in zijn woorden – afspraak van aflossing op basis van liquiditeit onderschrijft en graag wil aflossen, het begrip overtollige liquiditeit te onbepaald is om opeisbaarheid aan te verbinden en bij gebreke van een afspraak tussen partijen van de wijze waarop de overtolligheid zou moeten worden vastgesteld, door een accountant of anderszins objectief beoordeeld, de bepaalbaarheid van de verbintenis in zoverre evenmin is gegeven (artikel 6:227 BW).

5.3.

JOUW heeft op haar beurt ter onderbouwing van haar standpunt dat partijen zouden hebben afgesproken dat een onbepaalde looptijd is overeengekomen waarbij bovendien de eerste tien jaren aflossingsvrij zouden gelden, nog aangevoerd dat het voorstel van de zijde van LOMAX d.d. 8 april 2016 (productie 10b CvA) in artikel 1 lid 7 behelst, dat het “krediet (…) uiterlijk binnen 10 jaar na de eerste verstrekking [dient] te zijn afgelost”.

Bij gebrek aan aanvaarding door [Y] van dit voorstel ziet echter ook JOUW reeds zelf in dat ter zake geen overeenkomst tot stand is gekomen. Bij gebrek aan uiting van (enige vorm van) aanvaarding door [Y] (namens JOUW) van het aanbod van (destijds) Logistance, is het beroep van JOUW op de wilsvertrouwensleer bovendien niet aan de orde.

Niettemin biedt het toenmalige voorstel van LOMAX een relevant gezichtspunt in het kader van de beoordeling van de rechtbank van het meer subsidiair gevorderde, verderop te bespreken in r.o. 5.8.

5.4.

Met de conclusie dat niet is komen vast te staan dat partijen enige overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de termijn(en) waarop, dan wel de voorwaarden waaronder, de uitgeleende bedragen opeisbaar zijn (geweest), kan van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst zoals gesteld door LOMAX in zoverre geen sprake zijn. De subsidiaire vordering ligt, reeds daarom, eveneens voor afwijzing gereed.

5.5.

Ten slotte komt de rechtbank toe aan een beoordeling van de meer subsidiaire vordering van LOMAX die kort gezegd inhoudt dat de rechtbank het tijdstip van de opeisbaarheid bepaalt.

5.6.

De rechtbank zal de leemte die partijen in hun overeenkomst hebben gelaten, aanvullen op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) en derhalve niet uitgaan van een situatie waarin simpelweg geen afspraken zijn gemaakt, aangezien het feit dat het onderwerp van opeisbaarheid voortdurend onderwerp van debat is geweest – gelet op de denkrichtingen van partijen en de daaruit af te leiden gemeenschappelijke bedoeling dat de lening in ieder geval níet gold als te allen tijde opeisbaar – zich niet verdraagt met de wettelijke remedie van artikel 7:129e BW op grond waarvan het restant-verschuldigde ineens opeisbaar zou zijn.

Met deze conclusie wordt duidelijk dat het primair gevorderde langs deze weg evenmin kan worden toegewezen. De vordering zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

5.7.

Bij de toepassing van artikel 6:248 lid 1 BW ziet de rechtbank voorts gelet op de omstandigheid dat partijen de leemte in gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben doen ontstaan, geen aanleiding LOMAX te volgen in haar in de vordering geformuleerde voorstel ter zake (kort door de bocht geformuleerd € 39.000,-- ineens af te lossen en daarna € 7.500,-- per maand) en zal in een beslissing op het meer - uiterst - subsidiair gevorderde, het tijdstip van de opeisbaarheid van de geldlening in goede justitie bepalen.

5.8.

Bij haar afweging acht de rechtbank van belang de feitelijke gedragingen van partijen en hun onderscheidenlijke, jegens elkaar geuite, intenties.

JOUW heeft jaarlijks afgelost en [Y] heeft namens JOUW aangegeven steeds bereid te zijn tot aflossing zodra er sprake is van voldoende liquiditeit. JOUW heeft bovendien bij conclusie van antwoord aangegeven in staat te zijn de lening 24 maanden na opzegging, derhalve op 22 oktober 2021, ineens af te lossen.

LOMAX heeft aanvankelijk opgetreden als financier naar aanleiding van verschillende verzoeken van JOUW daartoe, gedurende enkele jaren. LOMAX heeft bovendien ook zelf eenmalig, op 8 april 2016, een voorstel gedaan waarin een aflossing wordt gevergd binnen uiterlijk tien jaar na eerste verstrekking, zij het in het kader van onderhandelingen die uiteindelijk niet tot een overeenkomst hebben geleid. Niettemin blijkt uit voornoemde handelingen van de zijde van LOMAX dat zij evenals JOUW uitging van een langetermijnfinanciering, al dan niet bij wijze van investering.

Het is aan de hand van deze handvatten dat de rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid een balans stelt in de belangen van partijen, te weten een redelijke termijn voor aflossing door JOUW zodanig dat haar liquiditeit niet in gevaar komt en zodanig dat LOMAX, ondanks dat zij optrad als financier voor de langere termijn, niet onredelijk lang hoeft te wachten voordat de door haar uitgeleende gelden worden terugbetaald.

5.9.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de leemte in de overeenkomst tussen partijen op grond van de redelijkheid en billijkheid als volgt moet worden aangevuld door het tijdstip van opeisbaarheid van het restant van de geldlening te weten € 199.000,-- indachtig de uiterst subsidiaire vordering van LOMAX en conform het voorstel van JOUW te bepalen op 22 oktober 2021.

Buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten

5.10.

Nog daargelaten de vraag of LOMAX daadwerkelijk incassokosten heeft gemaakt, zullen de buitengerechtelijke kosten reeds worden afgewezen omdat bij gebrek aan een (voldoende bepaalde) verbintenis waaruit het tijdstip van opeisbaarheid zou moeten volgen, geen tekortkoming aan de zijde van JOUW vastgesteld heeft kunnen worden en voorts de leemte in de overeenkomst onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen is ontstaan en blijven bestaan.

In laatstgenoemde reden ziet de rechtbank bovendien aanleiding de proceskosten te compenseren in de zin dat ieder de eigen kosten draagt.

De gevorderde nakosten zullen wel worden toegewezen, doch eveneens om voornoemde reden slechts in zoverre dat alleen eventuele betekeningskosten ad € 82,-- voor rekening dienen te komen van JOUW.

6 De beslissing

De rechtbank

bepaalt de datum waarop het resterende deel ad € 199.000,-- van de vordering uit overeenkomst van geldlening tussen LOMAX en JOUW ineens opeisbaar zal zijn op 22 oktober 2021;

compenseert de proceskosten in de zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, doch veroordeelt JOUW ingeval betekeningskosten noodzakelijk zullen worden in de nakosten ad € 82,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering af voor het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.