Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2206

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
C/08/248536 / KG ZA 20-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw op dit moment een zodanig spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening die strekt tot verkoop van de woning aan een derde dat dit belang zwaarder dient te wegen dan de belangen van de man. Het gevorderde ten aanzien van de auto en het daarmee samenhangende krediet wordt ook afgewezen bij gebrek aan voldoende spoedeisend belang. Vordering die ziet op toedeling van diverse inboedelgoederen wordt gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/248536 / KG ZA 20-99

Vonnis in kort geding van 19 juni 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres, verder te noemen de vrouw,

advocaat mr. R.H.H. Schepers te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, verder te noemen de man,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de schriftelijke reactie van de man op de dagvaarding,

  • -

    de mondelinge behandeling op 5 juni 2020, die vanwege de maatregelen in verband met het corona-virus via een Skype-verbinding heeft plaatsgevonden. De vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man zijn verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben tijdens hun relatie samengewoond in de woning aan het [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Uit de relatie zijn twee, thans nog minderjarige kinderen geboren. In januari 2020 is de relatie beëindigd.

2.2.

Partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning. Om de woning te financieren hebben zij een hypothecaire geldleningsovereenkomst gesloten met Syntrus Achmea Real Estate & Finance (hierna: Syntrus), die per 31 december 2019 in hoofdsom € 166.563,14 bedroeg. Maandelijks moet een bedrag van (ongeveer) € 885,-- worden betaald.

2.3.

Partijen hebben op 9 maart 2017 gezamenlijk een kredietovereenkomst gesloten met Findio voor een bedrag van €15.000,--. Per maand moet er een bedrag van € 199,21 worden afgelost. Partijen hebben het krediet gebruikt voor de aanschaf van een auto van het merk Volkswagen (Golf) (hierna: de auto).

2.4.

De man verblijft op dit moment in de woning en beschikt over de auto. De vrouw woont met de kinderen in een huurhuis in [woonplaats] .

2.5.

Na de beëindiging van de relatie is er een achterstand in de hypotheekbetalingen ontstaan ter hoogte van € 1.327,66. Deze achterstand is inmiddels (voor de betekening van de dagvaarding aan de man) door de man voldaan. Partijen ontvangen ieder (ongeveer) een bedrag van € 95,-- van de Belastingdienst in verband met de hypotheekrenteaftrek.

2.6.

In of omstreeks april 2020 is een betalingsachterstand op de kredietovereenkomst ontstaan van € 497,35. Deze achterstand is door de man via deelbetalingen, waarvan de laatste op 27 mei 2020, voldaan.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat -:
I. de man te bevelen om binnen een week na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de woning, waarbij door een door de vrouw aan te wijzen makelaar de vraag- en verkoopprijs zal worden bepaald, zij het zoveel mogelijk in overleg met partijen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. de man te bevelen om binnen een week na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan alle feitelijke handelingen die noodzakelijk zijn om te komen tot verkoop van de woning, zoals nader omschreven in het dictum van de dagvaarding, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. indien de man na drie weken na betekening van dit vonnis nog steeds in gebreke is zijn medewerking te verlenen aan de overdracht en levering van de woning, aan de vrouw een machtiging te verlenen tot het te gelde maken van de woning, waarbij deze beschikking (lees: dit vonnis, toevoeging van de voorzieningenrechter), voor zover nodig, in de plaats treedt van de medewerking van de man aan de verkoop en levering van de woning;

IV. de man te veroordelen om uiterlijk één week voor de leveringsdatum de woning te ontruimen met al het zijne en de zijnen en met afgifte van alle sleutels aan de vrouw of de makelaar, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

V. de man te veroordelen tot betaling aan Syntrus van de door partijen verschuldigde maandbedragen, voortvloeiende uit de hypothecaire geldleningsovereenkomst, totdat de woning zal zijn verkocht en geleverd;

VI. de man te veroordelen tot betaling aan Findio van de door partijen verschuldigde maandbedragen, voortvloeiende uit de kredietovereenkomst, totdat de auto zal zijn verkocht en geleverd;

VII. de man te bevelen om binnen een week na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de aan partijen toebehorende auto aan een derde, en de man te bevelen alle feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om te komen tot verkoop van de auto;

VIII. de man te bevelen binnen een week na verkoop de verkoopopbrengst van de auto geheel aan te wenden ter aflossing van het nog openstaande bedrag uit hoofde van de door partijen gesloten kredietovereenkomst met Findio, en aan de vrouw de helft van het resterende te voldoen;

IX. de man te veroordelen tot overdracht aan de vrouw van de op de lijst, die als productie 7 bij de dagvaarding is gevoegd, genoemde inboedelgoederen,

X. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een onmiddellijke voorziening moet de voorzieningenrechter zich – bij wijze van uitgangspunt – richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. Dat betekent dat de gevorderde veroordeling tot medewerking aan verkoop van de woning of de machtiging te gelde maken en de daarmee samenhangende vorderingen alleen kunnen worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat een op artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek ((BW) gebaseerde vordering of een op artikel 3:174 BW gebaseerd verzoek in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Bovendien moet de vrouw een spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevorderde voorziening. Dat belang moet zwaarder wegen dan het belang van de man bij afwijzing van de vordering. Uit
artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt immers dat de voorzieningenrechter alleen in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven.

4.2.

Alle omstandigheden en belangen van dit geval in aanmerking genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw op dit moment een zodanig spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening die strekt tot verkoop van de woning aan een derde dat dit belang zwaarder dient te wegen dan de belangen van de man. Volgens de vrouw zijn er gewichtige redenen als bedoeld in artikel 3:174 BW, die zijn gelegen in de eerdere toezeggingen van de man om medewerking te verlenen aan de toedeling van de woning en de onzekere situatie ter zake van de nakoming van de betalingsverplichtingen aan Syntrus. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de man de achterstand in de hypotheekbetalingen al (geruime tijd) vóór de betekening van de dagvaarding heeft voldaan. Bovendien verschillen partijen van mening over de vraag wie er de oorzaak van is dat de betalingsachterstand is ontstaan. De man stelt dat de vrouw de over de betaling van (onder meer) de hypothecaire lasten gemaakte afspraken niet is nagekomen. De vrouw betwist dit en wijst erop dat de man, met uitsluiting van haar, de woning bewoont; daardoor kan zij aanspraak maken op een gebruiksvergoeding, die gelijk is te stellen aan de hypothecaire lasten. Zonder nader onderzoek en/of bewijslevering is op dit moment niet na te gaan wanneer partijen welke afspraken met elkaar hebben gemaakt of wanneer er voor het eerst is gesproken of gecorrespondeerd over een gebruiksvergoeding. Deze procedure leent zich niet voor dergelijk nader onderzoek of nadere bewijslevering. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat partijen in januari 2020 uit elkaar zijn gegaan, hetgeen best kort geleden is. Gewezen partners hebben (vaak) enige tijd nodig om de beëindiging van hun relatie te verwerken en zich opnieuw te settelen. Ook moeten zij vaak financieel of juridisch advies inwinnen om de (financiële) consequenties van de scheiding en hun nieuwe woonsituatie te overzien en om aan de hand daarvan zo nodig maatregelen te nemen.

Daarbij komt dat partijen jonge kinderen hebben. Ook zij moeten wennen aan de nieuwe situatie en het is (vaak) ook in hun belang niet direct overhaaste en ingrijpende beslissingen te nemen. De man heeft gesteld dat hij graag in de woning, waarin de kinderen opgegroeid zijn, wil blijven wonen en dat hij wil onderzoeken of dat financieel haalbaar is. Daar is hij echter nog niet aan toegekomen, omdat hij, gezien de verslechterde financiële situatie, meer uren is gaan werken. Hetgeen de vrouw nu wil, zou betekenen dat hij op straat zou komen te staan. De man heeft in dit verband ook gesteld dat het voor de kinderen ideaal zou zijn als hij in de woning zou kunnen blijven wonen. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de betalingsachterstand op de hypothecaire lening redelijk snel na de beëindiging van de relatie is ontstaan en binnen een redelijke termijn is voldaan door de man. Gesteld noch gebleken is dat er nadien nieuwe betalingsachterstanden zijn ontstaan. De man heeft ook onweersproken verklaard dat hij alle financiële lasten van de woning betaalt. De vrouw heeft gelet hierop onvoldoende onderbouwd dat reeds nu, vooruitlopend op (een) eventuele bodemprocedure, een machtiging ex artikel 3:174 BW aan haar moet worden verleend. De vrouw heeft op dit moment dan ook onvoldoende zwaarwegend belang bij haar vorderingen die samenhangen met en strekken tot verkoop van de woning. Dit geldt ook voor de gevorderde veroordeling van de man om de verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire lening na te komen totdat de woning is verkocht.

4.3.

Bij gebrek aan voldoende spoedeisend belang zal de voorzieningenrechter het gevorderde ten aanzien van de auto en het daarmee samenhangende krediet ook afwijzen. Redengevend daarvoor is dat de man de auto gebruikt, onder andere voor het vervoer van de kinderen, en dat hij daarnaast onweersproken heeft gesteld dat hij de betalingsachterstand bij Findio heeft ingelopen. Tevens is onvoldoende betwist door de man gesteld dat hij de betalingsverplichtingen jegens Findio en de andere verplichtingen (zoals de belasting) voor de auto voldoet.

4.4.

Wat betreft de vordering die ziet op toedeling van diverse inboedelgoederen aan de vrouw overweegt de voorzieningenrechter dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de Dyson kruimelstofzuiger, de Harman Kardon versterker met boxen en pilaren en de fotoboeken en diploma’s van de vrouw zijn en dat zij deze mag hebben. Dit onderdeel van de vordering kan derhalve worden toegewezen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat de vrouw, gelet op het verhandelde ter zitting, er geen problemen mee heeft dat er mogelijk één of meer draden van de geluidsapparatuur ontbreken, omdat deze zich, zoals de man heeft gesteld en niet is weersproken, deels onder het laminaat bevinden. Voor oplegging van een dwangsom ziet de voorzieningenrechter geen grond. De vordering ter zake van de toedeling van de overige inboedelgoederen zal worden afgewezen. Nog daargelaten dat op dit moment het spoedeisend belang hiervoor ontbreekt, heeft de vrouw de spullen die zij verder toegedeeld wil hebben onvoldoende geconcretiseerd en gespecificeerd, zodat dit onderdeel van de vordering ook onvoldoende bepaalbaar is. Daar komt bij dat de vrouw ook niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij een sterker recht heeft op de spullen van de kinderen (zoals speelgoed en spullen die zien op de periode rond hun geboorte) dan de man.

4.5.

Het voorgaande laat onverlet dat in beginsel van niemand kan worden gevergd dat hij in een onverdeelde gemeenschap blijft. Dit betekent dat de woning, de auto en de resterende gemeenschappelijke inboedel in beginsel toch zullen moeten worden verdeeld, hetzij door verkoop aan een derde hetzij door toedeling.

4.6.

De man dient dan ook binnen een redelijke termijn aan de vrouw duidelijkheid te verschaffen over de vraag of hij daadwerkelijk bereid en financieel in staat is om de woning en de auto over te nemen. Indien dit het geval blijkt te zijn, kan de verdeling op betrekkelijk korte termijn alsnog worden gerealiseerd. Indien de man niet bereid en/of niet is staat is om de woning en de auto over te nemen, ligt verkoop van de woning en de auto in de rede. Het ligt in dat geval voor de hand dat partijen gezamenlijk een makelaar benaderen om de woning in de verkoop te plaatsen.

4.7.

Voor zover de man heeft beoogd een of meerdere vorderingen tegen de vrouw in te stellen, overweegt de voorzieningenrechter dat in kort geding geldt dat een reconventionele vordering alleen door een advocaat kan worden ingesteld. Dat is niet gebeurd. De (mogelijke) vorderingen van de man zullen reeds daarom niet verder worden behandeld.

4.8.

Gelet op de gewezen relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de man, onder verwijzing naar dat wat is overwogen onder 4.4., de kruimelstofzuiger van Dyson, de Harman Kardon versterker met boxen en pilaren en de fotoboeken en diploma’s van de vrouw binnen een week na heden of te geven aan de vrouw;

5.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op
19 juni 2020.1

1 type: coll: