Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2193

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
8518868 \ CV EXPL 20-2494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is een huurovereenkomst voor bepaalde tijd (1 jaar) gesloten, eindigend op 13 mei 2020. Omdat gedaagde zich niet gedroeg als een goed huurder, heeft eiser

- voordat de corona-crisis begon - gedaagde aangeschreven met de mededeling dat de huurovereenkomst eindigt en met het verzoek het gehuurde te ontruimen. Gedaagde heeft ten tijde van corona een beroep gedaan op de spoedwet en heeft aan eiser verzocht de huurovereenkomst met drie maanden te verlengen. Eiser heeft het verzoek op grond van artikel 4 van de spoedwet geweigerd: gedaagde gedraagt zich niet als een goed huurder. De kantonrechter heeft geoordeeld dat eiser met een beroep op artikel 4 van de spoedwet de verlenging heeft mogen weigeren. De huurachterstand van vier maanden is vast komen te staan en het is daarnaast aannemelijk geworden dat gedaagde (geluids)overlast veroorzaakt en het gehuurde verwaarloosd. Voor zover gedaagde heeft bedoeld om de kantonrechter op grond van artikel 4 lid 2 van de spoedwet te verzoeken te bepalen dat de huurovereenkomst wordt verlengd, wordt dit verzoek afgewezen. Eiser heeft gelet op de feiten en omstandigheden een zwaarwichtiger belang bij beëindiging van de huurovereenkomst op een eerder tijdstip. Belangenafweging valt uit in voordeel eiser. Ontruimingstermijn is een week, omdat het gehuurde een kamer betreft en niet een volledige woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 8518868 \ CV EXPL 20-2494

Vonnis in kort geding van 23 juni 2020

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. R.N. Sahebdien,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. G.K. Fraterman.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 mei 2020 met productie 1 t/m 9,

- de aan de zijde van [gedaagde] overgelegde pleitnota van 8 juni 2020 met productie 1 t/m 3,
- de aanvullende stukken van [eiser] van 8 juni 2020 met productie 10 en 11,

- de mondelinge behandeling via skype op 9 juni 2020 en de aantekeningen van de griffier.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten en omstandigheden

2.1.

[gedaagde] huurt met ingang van 13 mei 2019 voor de duur van 12 maanden een kamer, met gemeenschappelijk gebruik van badkamer, (bij)keuken en woonkamer, in de woning aan [het adres] te [woonplaats 2] (hierna: het gehuurde) van [eiser] .

2.2.

De huurprijs bedraagt € 310,00 per maand, per vooruitbetaling te voldoen.

2.3.

Bij brief van 1 december 2019 deelt [eiser] aan [gedaagde] onder meer het volgende mee:
‘(…)
genoodzaakt door een groot aantal ernstige klachten over uw gedrag als huurder van de 13.05.2019 verhuurde woonruimte in het gedeelte van het hoekpand (…) ontbind ik de met u gesloten huurovereenkomst.
(…)
De klachten omvatten het bij voortduring van geluidsoverlast die 24 uur 7 dagen in de week uit de door u bewoonde ruimte komt. Vriendeliike, onvriendelijke, of op neutrale toon gedane verzoeken kiest u telkens te negeren, dan wel te beantwoorden met bedreiging, geweld aan uw medebewoners.
(…)
De grondslag voor de ontbinding van de huurovereenkomst is wanprestatie, preciezer gesteld: u gedraagt zich niet als goed huurder. Het gedrag als niet goede huurder is te onderscheiden:

  • -

    geluidsoverlast 24/7

  • -

    het in strijd met de overeenkomst gebruiken van de aan u verhuurde woonruimte als feitelijke winkel voor de handel in kleding en lompen.

  • -

    het bij voortduring opstellen van uw fiets, precies zodanig, dat deze de loopweg richting uitgang ernstig belemmert, of zelfs onmogelijk maakt.

  • -

    het 24/7 in bedrijf (en houden) van de te gebruiken gemeenschappelijke wasmachine, en het daarbij in de gehele gemeenschappelijke ruimte opslaan en opgeslagen houden van lompen en kledingstukken.

  • -

    voor de fiets en de opgeslagen kledingstukken geldt: niet aanraken!

(…)
Ik stel u thans in de gelenheid de door u bewoonde kamer voor 1 december 2019 te verlaten en in zijn geheel te ontruimen. Voldoet u niet aan deze sommering, dan zie ik mij genoodzaakt tot het nemen van g rechtlijke stappen, waarvan de hoge kosten geheel voor uw rekening komen.
Tevens stel ik u aansprakelijk voor alle kosten voor de reparatie van vernielingen in het pand door u gemaakt (…)

2.4.

[eiser] heeft als productie 3 bij dagvaarding twee (overlast)klachten in het geding gebracht van [A] (beheerder) en van [B] (oud-huurder) over [gedaagde] .

2.5.

[eiser] heeft als productie 7 een registratie overzicht van de politie Twente in het geding gebracht. Dit overzicht laat zien dat er 14 meldingen zijn gedaan in de periode van

14 december 2019 tot en met 4 april 2020.

2.6.

Op 3 maart 2020 heeft de deurwaarder een brief van 2 maart 2020 van de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] betekend. In deze brief staat dat:
‘(…)

Reeds per aangetekend schrijven d.d. 1 november 2019 bent u op de hoogte gesteld van de vele klachten die cliënt heeft ontvangen over uw woongedrag. De klachten gaan over ernstige geluidsoverlast, bedreiging van (buurt)bewoners, gepleegd geweld jegens bewoners etc. Kortom: cliënt beschikt over tal van bewijzen waaruit blijkt dat u zich niet als goed huurder gedraagt (…)

Daarnaast is door cliënt geconstateerd dat u het gehuurde enorm heeft verwaarloosd. Tevens is gebleken dat het gehuurde als opslag wordt gebruikt voor voornamelijk kleding en overige goederen, waarbij het vermoeden bestaat dat deze goederen veelal afkomstig zijn van diefstal. Het vorengaande maakte dat cliënt genoodzaakt was de huurovereenkomst per aangetekend schrijven, te ontbinden. Per schrijven d.d. 1 november 2019 bent u reeds gesommeerd om het gehuurde, nadat u deze schoon en leeg hebt opgeleverd, per 1 december 2019 te verlaten. Thans is echter gebleken dat u het gehuurde nog altijd niet schoon en leeg hebt opgeleverd.

Sommatie
Aan u wordt middels onderhavig schrijven een laatste kans geboden om het gehuurde vrijwillig te verlaten, door het gehuurde schoon en leeg op te leveren. U krijgt daarvoor de tijd tot de a.s. vrijdag 6 maart tot uiterlijk 16.00 uur. (…)
Subsidiair: kennisgeving eindigen van het huurcontract
Subsidiair kondigt cliënt bij deze, het einde van het huurcontract per 13 mei 2020 aan. Het huurcontract eindigt aldus hoe dan ook op 13 mei 2020 (…)’.

2.7.

Bij e-mail van 13 maart 2020 volgt een reactie van de gemachtigde van [gedaagde] . Voor zover van belang staat hierin opgenomen dat:
‘(…) Cliënt heeft mij te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de door uw cliënt geschetste gang van zaken. Allereerst voor wat betreft de vermeende geluidsoverlast. Cliënt is voor maar liefst veertig procent doof, hierdoor staat zijn televisie dan wel muziek gebruikelijk harder dan die van de gemiddelde persoon c.q. huurder. Doch is het niet zo dat indien cliënt hierop wordt aangesproken, hij hier niets mee doet. Cliënt is simpelweg vrijwel nooit dan wel een enkele keer aangesproken op geluidsoverlast en wanneer hij werd aangesproken heeft hij het volume aangepast c.q. verlaagd.
(…)
Dan voor wat betreft het subsidiaire standpunt van uw cliënt, inhoudende de kennisgeving eindigen van het huurcontract. Cliënt is op de hoogte omtrent de wet- en regelgeving van tijdelijke huurovereenkomst, doch betreurt het ten zeerste dat uw cliënt hem het einde van de huurovereenkomst schriftelijk heeft aangezegd. Cliënt had gehoopt -nu hij van mening is dat hij zich immer gedragen heeft als goed huurder- dat de huurovereenkomst zou worden omgezet in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd (…) Cliënt acht zichzelf een goed huurder (…) Reeds om die reden zal cliënt dan ook niet vóór datum einde huurovereenkomst, zijnde 15 mei 2020, het gehuurde schoon en leeg op te leveren (…)’.

2.8.

Bij e-mail van 26 maart 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] laten weten dat:
‘(…) Cliënte zal de huurovereenkomst met uw cliënt niet verlengen (…) Gezien het feit dat het contract een einddatum heeft tot 13 mei 2020 ga ik er van uit dat u uw cliënt op de hoogte stelt van het feit dat de rechter in deze zal bepalen dat het contract hoe dan ook eindigt (…)’.

2.9.

Bij brief van 31 maart 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] laten weten dat:
(…) Zo heeft u zich het afgelopen weekend wederom misdragen, waardoor omwonenden geen nachtrust hebben gehad. Tot drie keer toe is de politie bij u voor de deur geweest om u te waarschuwen voor de harde muziek, die u draaide tussen 23.00 en 03.00 uur (!).
Daarnaast heeft de beheerder geconstateerd dat u de binnendeur van uw kamer heeft gesloopt, en zonder dat u daarvoor toestemming had, de deur vervangen met de deur van de badkamer (…) Voor de goede orde wordt kenbaar gemaakt dat de verhuurder u bij deze aansprakelijk stelt voor de schade die u heeft veroorzaakt. Op korte termijn zult u een nota ontvangen van de kosten voor het laten vervangen van de binnendeur.
De verhuurder constateert tevens dat u de huur voor de maand maart en april 2002 niet heeft voldaan (…)’

2.10.

Bij e-mail van 9 april 2020 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] onder meer geschreven dat:

‘(…) Nu cliënt een onzelfstandige woonruimte huurt voor één jaar van uw cliënt, (…) wenst cliënt expliciet een beroep te doen op de thans in werking zijnde spoedwet Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten. (…)
Al het voorgaande -in combinatie met de oproep van het kabinet om geen procedure tot ontruiming te starten voor zowel woonruimte als bedrijfsruimte -brengt met zich dat cliënt middels dit schrijven een verzoek tot verlenging van de huurovereenkomst met maximaal drie maanden, zijnde tot uiterlijk 13 augustus 2020 (…)’.

2.11.

Bij e-mail van 21 april 2020 wordt door de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] medegedeeld dat:
‘(…) Reeds per e-mail d.d. 26 maart jl heeft ondergetekende ook u laten weten dat de huurovereenkomst niet wordt verlengd. U bent inmiddels op de hoogte van het feit dat uw cliënt zich niet als goed huurder gedraagt (…) Het vorengaande maakt (hetgeen u zult begrijpen) dat cliënt op geen enkel wijze akkoord gaat met een verlening van de huurrelatie na 13 mei 2020 (…)’.

2.12.

Bij e-mail van 14 mei 2020 stuurt de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] dat:
(…) Bijgaand treft u de offerte van de herstelwerkzaamheden aan, naar aanleiding van het onrechtmatig handelen van uw cliënt. De schade bedraagt € 865,16 inclusief BTW. (…) Omdat uw cliënt thans zonder recht en titel gebruik maakt van het gehuurde wordt u op voorhand medegedeeld dat cliënt in een gerechtelijke procedure een gebruikersvergoeding zal vorderen tot het moment waarop uw cliënt het gehuurde heeft verlaten (…)’.

3 Het geschil

3.1.

Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.


De vordering

3.2.

[eiser] vordert -samengevat- om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:
1. om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte staande en gelegen aan het adres [het adres] te [woonplaats 2] met al hetgeen daartoe behoort en met wie of wat daarin of daarop aanwezig is, te ontruimen, in goede staat en onder afgifte van de sleutels aan [eiser] op te leveren en deze vervolgens ontruimd te houden, met aanzegging dat indien [gedaagde] daarmee in gebreke mocht blijven, de ontruiming door de deurwaarder zal worden bewerkstelligd,
2. tot betaling aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 930,00 gelijkstaande met de tot en met 13 mei 2020 verschuldigde huurpenningen, een bedrag van
€ 865,16 aan kosten van herstel en een bedrag van € 269,27 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2020 tot aan de dag der voldoening,
3. terzake van schadevergoeding een bedrag van € 310,00 per maand voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,
4. in de (na)kosten van deze procedure.

3.3.

[eiser] heeft aan zijn vordering -samengevat- het volgende ten grondslag gelegd. De huurovereenkomst voor bepaalde tijd is rechtsgeldig geëindigd per 13 mei 2020.
heeft [gedaagde] meerdere keren schriftelijk kenbaar gemaakt dat de huurovereenkomst niet verlengd zal worden. [gedaagde] is niet tot ontruiming overgegaan en verblijft volgens [eiser] zonder recht of titel in het gehuurde. Daarnaast wordt aangevoerd dat er sprake is van een huurachterstand. [gedaagde] betaalt sinds maart 2020 geen huur meer. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt de gevorderde ontruiming, zo stelt [eiser] . Ook voert [eiser] aan dat [gedaagde] ernstige (geluids)overlast veroorzaakt, zich schuldig maakt aan het bedreigen en beledigen van buurtbewoners en is de politie vaak aanwezig. Ook zou [gedaagde] het gehuurde verwaarlozen door het als opslagruimte te gebruiken. Ten slotte stelt [eiser] dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en vernielingen heeft aangebracht in het gehuurde. De door [eiser] geleden schade zal door [gedaagde] moeten worden vergoed. De herstelkosten bedragen conform offerte een bedrag van € 865,16 inclusief btw.


Het verweer

3.4.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering van [eiser] . Dat de huurovereenkomst is geëindigd per 13 mei 2020 wordt erkend, evenals de huurachterstand die is ontstaan vanaf maart 2020. [gedaagde] doet echter een beroep op de Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten (hierna: spoedwet) en zou graag zien dat de huurovereenkomst wordt verlengd tot 13 augustus 2020. Dat er geen huur (meer) wordt betaald, komt omdat [gedaagde] momenteel geen bijstandsuitkering ontvangt, aldus [gedaagde] . [gedaagde] betwist grotendeels de gestelde (geluids)overlast. Wel geeft [gedaagde] aan dat hij 40% doof is en daardoor hoogstwaarschijnlijk zijn geluid harder heeft staan dan een gemiddeld persoon. Met de gestelde verwaarlozing van het gehuurde is [gedaagde] het evenmin eens: het gehuurde wordt niet als opslagruimte gebruikt. Ten slotte betwist [gedaagde] de herstelkosten van € 865,16 verschuldigd te zijn, omdat hij de vernielingen niet heeft aangericht in het gehuurde.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1 Het vereiste spoedeisend belang is in deze zaak, gelet op de aard van de vorderingen en het daaromtrent door [eiser] gestelde, aanwezig. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] inhoudelijk kunnen worden behandeld.

4.2

De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel is. De vordering tot ontruiming kan dan ook slechts worden toegewezen als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanige ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Of daarvan sprake is, zal hierna blijken.

4.3

[gedaagde] erkent dat de huurovereenkomst per 13 mei 2020 is geëindigd. [gedaagde] beroept zich echter op de spoedwet en heeft [eiser] verzocht de huurovereenkomst met drie maanden, tot 13 augustus 2020, te verlengen. [eiser] heeft geweigerd de huurovereenkomst te verlengen.

4.4

Op grond van het bepaalde in artikel 4 van de spoedwet kan een verhuurder de verlenging weigeren indien de huurder zich niet heeft gedragen als een goed huurder betaamt. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met een beroep op dit artikel de verlenging heeft mogen weigeren. Vast staat dat [gedaagde] al geruime tijd, meer dan drie maanden, geen huur meer heeft betaald. Aannemelijk is dat de huurachterstand nog verder zal oplopen omdat [gedaagde] ook thans geen inkomen heeft en zijn uitkering is geweigerd.

Dat [gedaagde] thans geen inkomen heeft, heeft met de corona situatie niets te maken.

De uitkering van [gedaagde] is in december 2019 gestopt omdat hij gedetineerd heeft gezeten. De nieuwe uitkering is geweigerd omdat [gedaagde] de juiste gegevens niet heeft aangeleverd.

4.5

Daarnaast acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat sprake is van (geluids)overlast en verwaarlozing door toedoen van [gedaagde] en [gedaagde] zich ook hier niet heeft gedragen als een goed huurder betaamt. Ten aanzien van de (geluids)overlast betrekt de kantonrechter het als productie 7 bij dagvaarding overgelegde registratie-overzicht van de politie Twente, maar ook de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde klachten van [A] en [B] . [gedaagde] heeft niet weersproken dat de politie meerdere keren aan de deur is geweest omdat hij zijn muziek te hard had staan. Volgens [gedaagde] komt dat omdat hij voor 40% doof is en daardoor de muziek hoogstwaarschijnlijk harder heeft staan dan een gemiddeld persoon. Volgens [gedaagde] heeft hij pas door dat de muziek te hard staat als hij daar op wordt aangesproken. [gedaagde] erkent hiermee dat hij geluidsoverlast veroorzaakt. Als [gedaagde] zelf niet kan horen dat zijn muziek te hard staat, en ook na diverse meldingen van buren en politie nog niet weet op welk volume hij zijn muziek moet zetten zonder overlast te veroorzaken, doet [gedaagde] er goed aan om de muziek uit te laten of een koptelefoon op te zetten. Het is immers aan [gedaagde] om er voor zorg te dragen dat overlast voor overige bewoners en buurtbewoners wordt voorkomen. Ten aanzien van de verwaarlozing van het gehuurde heeft te gelden dat het gehuurde niet als opslagruimte dient te worden gebruikt, zoals uit de foto’s blijkt.

4.6

Voor zover [gedaagde] tevens heeft bedoeld de kantonrechter op grond van artikel 4 lid 2 van de spoedwet te verzoeken te bepalen dat de huurovereenkomst wordt verlengd, zal de kantonrechter dit verzoek afwijzen. De kantonrechter is van oordeel dat met inachtneming van alle bovenstaande omstandigheden van het geval [eiser] hier een zwaarwichtiger belang heeft bij beëindiging van de huurovereenkomst op een eerder tijdstip dan het door [gedaagde] op grond van artikel 2 verzochte tijdstip. Gelet op de ernst van de tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde] kan [gedaagde] niet verwachten dat de belangenafweging in zijn voordeel zal uitvallen. Feiten en omstandigheden waaruit volgt dat voor [gedaagde] een noodsituatie zal ontstaan als hij nu in plaats van per 13 augustus 2020 zijn kamer moet verlaten, heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld en zijn de kantonrechter niet gebleken.

4.7

Nu de huurovereenkomst per 13 mei 2020 is geëindigd en [gedaagde] het gehuurde niet heeft ontruimd, bevindt hij zich derhalve zonder recht en/of titel in het gehuurde.

De gevorderde ontruiming zal derhalve worden toegewezen. Nu het hier om kamer huur gaat en dus niet om huur van een volledige woning ziet de kantonrechter aanleiding om de ontruimingstermijn op één week te stellen.

4.8

De huurachterstand heeft [gedaagde] niet betwist. Deze vordering zal derhalve worden toegewezen als verzocht.

4.9

De overeengekomen maandelijkse huurprijs/vergoeding voortgezet gebruik blijft verschuldigd zolang [gedaagde] het gehuurde niet heeft ontruimd. Die vordering kan derhalve eveneens worden toegewezen.

4.10

Daarnaast vordert [eiser] nog een bedrag van € 865,16 inclusief btw aan geleden schade. [eiser] stelt hiertoe dat [gedaagde] schade heeft veroorzaakt aan deuren ruiten, toiletbril en kozijn. [gedaagde] betwist de schade te hebben veroorzaakt.

4.11

Vooropgesteld moet worden met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, dat terughoudendheid op zijn plaats is. De kantonrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eiser] op [gedaagde] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar -kort gezegd- het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.12

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] alle gestelde schade heeft veroorzaakt. Nu [gedaagde] bovendien de schade betwist, dient op dit punt mogelijk een bewijsopdracht te volgen, echter leent een kort geding procedure zich niet voor een dergelijke bewijsopdracht. Dit geldt echter niet voor de schade aan de deur. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] die schade heeft veroorzaakt dan wel dat de schade vermoed wordt daardoor te zijn ontstaan en [gedaagde] als huurder voor die schade aansprakelijk is te houden.

4.13

De kantonrechter begroot de schade op:
- € 45,00 (binnendeur vervangen en deel kozijn)
- € 98,00 (opdekdeur)
- € 35,00 (kozijn stijl)
€ 178,00 te vermeerderen met 21% btw, is een totaal van € 215,38. Het overige zal worden afgewezen.

4.14

[eiser] vordert buitengerechtelijke incassokosten van € 269,27. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

4.15

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 236,00 aan griffierecht, € 102,96 aan explootkosten en € 480,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte staande en gelegen aan het adres [het adres] te [woonplaats 2] met al hetgeen daartoe behoort en met wie of wat daarin of daarop aanwezig is, te ontruimen, in goede staat en onder afgifte van de sleutels aan [eiser] op te leveren en deze vervolgens ontruimd te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 930,00 aan huur tot en met 13 mei 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2020 tot aan de dag der voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 215,38 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2020 tot aan de dag der voldoening

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] ter zake schadevergoeding een bedrag van € 310,00 per maand, ingaande per 14 mei 2020, voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 818,96, waaronder € 480,00 wegens het salaris van de gemachtigde,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, begroot op € 120,00,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020.