Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2192

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
C/08/242603 / HA ZA 20-25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende grond voor uitstoting aandeelhouder ex art. 2:336 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0258
RO 2020/59
JONDR 2020/832
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/242603 / HA ZA 20-25

Vonnis van 24 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRIBLING, CLIVE & WINTERSET B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

eiseres, hierna aangeduid als SCW,

advocaten: mrs. H.P. van der Veen en R.J. van Betten te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOGISTANCE B.V.,

statutair gevestigd te Oldebroek en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde, hierna aangeduid als Logistance,

advocaat mr. J. Scholtens te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis d.d. 11 maart 2020 waarbij een mondelinge behandeling van de
    zaak is gelast;

  • -

    de akte overlegging producties (37-43) d.d. 26 mei 2020 van de zijde van Logistance;

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling via Skype, ontvangen pleitnota’s van partijen;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 8 juni 2020, op welke datum tevens heeft plaatsgevonden de mondelinge behandeling van het aan deze zaak gelieerde geschil onder nummer C/08/244707 / HA ZA 20-103. Het proces-verbaal betreft een weergave van de standpunten van partijen in beide zaken. De naderhand naar aanleiding van het proces-verbaal binnengekomen opmerkingen van de zijde van Logistance zijn aan het proces-verbaal gehecht.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SCW en Logistance zijn holdingmaatschappijen. Enig aandeelhouder en bestuurder van SCW is [A] . Enig aandeelhouder en bestuurder van Logistance is [X] .

2.2.

[A] exploiteerde reclamebureau FNW Projectontwikkeling B.V., handelend onder de naam JOUW B.V. (hierna: JOUW Oud). Deze onderneming is in februari 2014 gefailleerd.

2.3.

SCW was op dat moment enig aandeelhouder en bestuurder van ONZE B.V. (hierna: ONZE). ONZE fungeert als (tussen)holdingmaatschappij van Vormshop B.V. (hierna: Vormshop), welke vennootschap een grafisch ontwerpbureau exploiteert.

2.4.

Na het faillissement van JOUW Oud hebben [X] en [A] herhaaldelijk gesproken en onderhandeld over een participatie van Logistance in SCW, JOUW (Oud), ONZE en Vormshop (hierna gezamenlijk: de Groep) en het in ruil daarvoor verstrekken van een financiering aan die Groep.

2.5.

De activiteiten van JOUW Oud zijn voortgezet door JOUW bureau B.V. (hierna: JOUW), welke vennootschap op 2 april 2014 door SCW en Logistance is opgericht en waarvan SCW enig bestuurder is. SCW en Logistance houden sindsdien ieder 50% van de aandelen in JOUW.

2.6.

Logistance heeft voor een groot bedrag leningen verstrekt aan JOUW, ONZE en Vormshop. De vorderingen uit hoofde van die geldleningen zijn op enig moment overgedragen aan Lomax Financieringen B.V. (hierna: Lomax), een dochtervennootschap van Logistance.

2.7.

Logistance heeft jarenlang toegang gehad tot de digitale administratie van JOUW. Deze toegang is haar op 25 februari 2018 door [A] /SCW ontzegd.

2.8.

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 8 april 2020 in het geschil tussen partijen onder zaaknummer C/08/238359 / HA ZA 19-447 is geoordeeld dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen voor de overdracht van 50% van de aandelen in het kapitaal van ONZE. Ter naleving van dit vonnis heeft SCW inmiddels 50% van haar aandelen in ONZE overgedragen aan Logistance.

2.9.

In de onder 1.1 genoemde parallel gevoerde procedure heeft Lomax kort gezegd gevorderd dat JOUW zo snel mogelijk overgaat tot aflossing van het restant-verschuldigde ad € 199.000,-- uit hoofde van de aan haar verstrekte geldlening. De rechtbank heeft heden bij vonnis in die zaak de leemte die partijen in de overeenkomst van geldlening hebben gelaten op grond van de redelijkheid en billijkheid aangevuld door het tijdstip waarop het resterende deel van de geldlening ineens opeisbaar zal zijn te bepalen op 22 oktober 2021.

3
3. Het geschil

3.1.

SCW vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Logistance veroordeelt om de door haar gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van JOUW met de nummers 51 tot en met 100 over te dragen aan SCW, een en ander tegen betaling van een op de voet van artikel 2:339 lid 1 jo 2:340 lid 1 BW door een door de rechtbank te benoemen deskundige vast te stellen koopprijs, waarna de levering van de aandelen dient plaats te vinden binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis overeenkomstig artikel 2:341 lid 1 BW;

  2. Logistance veroordeelt tot betaling van een dwangsom aan SCW van € 5.000,-- per dag voor iedere dag of deel daarvan dat Logistance in gebreke blijft met de veroordeling onder a, zulks tot een maximum van € 1.000.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vast te stellen ander bedrag;

  3. Logistance veroordeelt tot betaling aan SCW van de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn.

3.2.

SCW legt aan deze vorderingen – samengevat – ten grondslag dat sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen [A] en [X] waardoor iedere vorm van samenwerking tussen partijen onmogelijk is geworden. Volgens SCW heeft Logistance in de persoon van [X] zich de afgelopen jaren op een zodanige wijze opgesteld dat zij de belangen van JOUW ernstig heeft geschaad en nog steeds schaadt, waardoor het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.

3.3.

Logistance voert verweer en stelt zich op het standpunt dat er geen (voldoende) grond is voor de zeer ingrijpende vordering tot uitstoting, zodat de vorderingen van SCW dienen te worden afgewezen. Zij wil niet vertrekken als aandeelhouder en geeft de voorkeur aan voortzetting van de samenwerking. Volgens Logistance draait SCW in de dagvaarding de zaken volstrekt om en is het juist [A] /SCW geweest die weigert afspraken na te komen, deze vast te leggen en terugkomt op gemaakte afspraken. [A] heeft als bestuurder van JOUW allerlei voor hem persoonlijk gunstige en voor Logistance als aandeelhouder ongunstige besluiten genomen en rechtshandelingen verricht, zonder een in verband met het tegenstrijdig belang noodzakelijk besluit van de algemene vergadering, en Logistance probeert hem al geruime tijd ertoe te bewegen een en ander te corrigeren. Er is dan ook slechts sprake van een zakelijke discussie op goede gronden, aldus steeds Logistance.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 2:336 lid 1 BW kan een aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, gedwongen worden zijn aandelen over te dragen aan zijn medeaandeelhouder(s) op de wijze die in artikel 2:341 BW is voorzien. Blijkens de wetsgeschiedenis en de bestaande jurisprudentie is een gedwongen overdracht van aandelen/uitstoting van een aandeelhouder een verstrekkende maatregel die alleen in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd is, in het bijzonder wanneer door de (min of meer voortdurende) gedragingen van een aandeelhouder het functioneren en het voortbestaan van de vennootschap in gevaar worden gebracht of een impasse moet worden doorbroken. Het dient hier te gaan om handelingen die zijn verricht door een aandeelhouder in diens hoedanigheid van aandeelhouder en die ertoe leiden dat de besluitvorming binnen de vennootschap wordt verlamd. De vordering tot uitstoting kan niet worden ingesteld op grond van botsende karakters van de aandeelhouders of een verstoorde samenwerking, zolang althans het belang van de vennootschap daardoor niet op het spel staat.
4.2. SCW maakt Logistance een aantal verwijten die volgens haar zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien kwalificeren als gedragingen die JOUW schaden en waardoor in redelijkheid niet kan worden geduld dat Logistance als aandeelhouder betrokken blijft bij JOUW. Ook noemt zij een aantal concrete feitelijke gedragingen. Deze verwijten en gedragingen komen op het volgende neer. Logistance weigert om afspraken op aandeelhoudersniveau in JOUW vast te leggen en om de voorwaarden van de nog openstaande geldlening vast te leggen, waardoor de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. Logistance verschijnt structureel niet bij aandeelhoudersvergaderingen van JOUW en blokkeert hierdoor – en door het doen van oneigenlijke en onredelijke informatieverzoeken – de besluitvorming binnen JOUW. Dit heeft tot gevolg gehad dat het niet lukte de jaarrekeningen over 2016, 2017 en 2018 vast te stellen. Door de verzoeken om informatie oefent Logistance bovendien ongeoorloofde druk uit op [A] , waardoor deze dreigt om te vallen en de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. Logistance kondigt verder diverse procedures tegen SCW/ [A] en de Groep aan, voert deze ook en werkt niet (voldoende) mee aan het komen tot een algehele exit van Logistance uit de Groep.

4.3.

De rechtbank constateert dat niet alle door SCW genoemde verwijten en gedragingen handelingen betreffen die door Logistance in haar hoedanigheid van aandeelhouder zijn verricht en dat deze deels onterecht/onjuist zijn. Het niet vastleggen van de afspraken omtrent de geldlening is niet iets wat Logistance, als aandeelhouder nota bene van JOUW, kan worden verweten – nog daargelaten het feit dat niet Logistance maar Lomax de contractpartij van JOUW is in deze –, aangezien uit de overgelegde stukken volgt dat het juist SCW is geweest die haar toezegging tijdens de algemene vergadering van 3 mei 2019 om een concept geldleningsovereenkomst toe te sturen overeenkomstig hetgeen tijdens die vergadering daarover is besproken, niet is nagekomen.
Het gestelde structureel niet verschijnen tijdens algemene vergaderingen ziet op slechts twee vergaderingen, waarvan er een – zoals Logistance onweersproken heeft gesteld – in goed overleg niet is doorgegaan. Wat betreft de andere vergadering volgt uit de overgelegde stukken dat Logistance de uitnodiging daarvoor niet (tijdig) heeft ontvangen en heeft de rechtbank in het vonnis van 8 april 2020 in de zaak met zaaknummer C/08/238359 / HA ZA 19-447 geoordeeld dat [A] zich niet overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid heeft gedragen door bij de gebleken afwezigheid van [X] op die vergadering geen contact met hem te zoeken en te informeren naar de reden van zijn afwezigheid. De rechtbank heeft vervolgens alle besluiten die tijdens die vergadering zijn genomen, waaronder de vaststelling van de jaarrekening 2016 en 2017, vernietigd.

Logistance wijst er verder terecht op dat het SCW zelf is geweest die in een brief van 7 mei 2018 als eerste met een procedure heeft gedreigd, nog daargelaten het feit dat het Logistance’ goed recht is te trachten haar recht te halen. Dit kan bezwaarlijk grond zijn voor uitstoting van haar als aandeelhouder. Het niet (voldoende) meewerken aan een algehele exit, voor zover daarvan al sprake is geweest, kan evenmin een dergelijke grond opleveren.

4.4.

Ten aanzien van de door SWC gestelde informatieverzoeken staat op zichzelf wel vast dat Logistance SCW herhaaldelijk om informatie heeft gevraagd, maar deze informatieverzoeken geven geen aanleiding om de vordering tot uitstoting toe te wijzen. In dit kader wordt vooropgesteld dat Logistance lange tijd toegang heeft gehad tot de administratie van JOUW en dat de ontzegging van die toegang logischerwijs tot afzonderlijke informatieverzoeken van de zijde van Logistance heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat die verzoeken in de gegeven omstandigheden redelijk zijn. Partijen houden immers beide de helft van de aandelen in JOUW, terwijl alleen SCW bestuurder is van JOUW. Er rust op JOUW daarom een bijzondere zorgplicht jegens Logistance, waarbij als uitgangspunt geldt dat SCW als bestuurder in beginsel, behoudens het bestaan van zwaarwichtige redenen, gehouden is de door Logistance gewenste inlichtingen te verschaffen. Dit geldt in het onderhavige geval des te meer, nu SCW ten aanzien van het door haar aan JOUW verhuurde pand en de aan [A] en zijn echtgenote te betalen managementfee een tegenstrijdig belang heeft, terwijl bovendien sprake is van verwevenheid tussen JOUW en Vormshop en daardoor de mogelijkheid bestaat dat omzet van JOUW wordt toegeschreven aan Vormshop, althans dat kosten die ten laste van Vormshop zouden moeten komen voor rekening komen van JOUW.

De rechtbank acht het op zichzelf wel begrijpelijk dat [A] zich niet wil bezig houden met gedetailleerde informatieverzoeken van Logistance, maar [A] is als bestuurder wel verantwoordelijk voor de aanlevering van de informatie en had er om die reden voor kunnen kiezen een derde in te schakelen om Logistance van de gevraagde informatie te voorzien. Overigens had SCW extra informatieverzoeken kunnen voorkomen door tijdig voldoende concrete informatie bij Logistance aan te leveren en heeft zij niet duidelijk gesteld op welke informatie Logistance precies ten onrechte aanspraak heeft gemaakt.

4.5.

Bij al het voorgaande komt nog dat SCW onvoldoende heeft toegelicht waarom de door haar gestelde verwijten en gedragingen het belang van JOUW zodanig schaden dat het voortduren van het aandeelhouderschap van Logistance in redelijkheid niet kan worden geduld. SCW stelt bijvoorbeeld wel dat de weigering om afspraken op aandeelhoudersniveau in JOUW vast te leggen de belangen van JOUW schaadt, maar verzuimt vervolgens om die stelling nader toe te lichten. Overigens lijkt die stelling ook onjuist te zijn, nu uit de overgelegde stukken volgt dat Logistance wel degelijk bereid was de afspraken vast te leggen, maar partijen het over hun samenwerkingsvoorwaarden uiteindelijk niet eens konden worden.

4.6.

Nu SCW geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd voor haar stelling dat Logistance de belangen van JOUW ernstig heeft geschaad en daardoor in redelijkheid niet langer als aandeelhouder kan aanblijven en zij die stelling bovendien onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd, zullen haar vorderingen worden afgewezen.

4.7.

SCW zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Logistance worden begroot op:

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.742,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt SCW in de proceskosten, aan de zijde van Logistance tot op heden begroot op € 1.742,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020.

(md)