Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2159

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
8343255 \ EJ VERZ 20-67
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de Overijsselse Overlegrechter in een burengeschil. Het gaat om de vraag of een Zweedse meelbes geheel of gedeeltelijk moet worden verwijderd. Is er sprake van onrechtmatige hinder door vallende bladeren, takken en bessen? Of moeten alleen de overhangende takken weg? En wat betekent het als de overhangende tak een gesteltak is? Een foto in het vonnis laat duidelijk zien wat er moet gebeuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8343255 \ EJ VERZ 20-67

Vonnis van 23 juni 2020

in de zaak van

1 [X] ,
wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: [X] ,

gemachtigde: mr. N. Brand (ARAG Rechtsbijstand)

2 [Y] ,
wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: [Y] ,

gemachtigde: mr. M. Fehrman (DAS Rechtsbijstand)

1 De procedure

1.1.

Partijen hebben hun geschil samen aangemeld bij de Overijsselse Overlegrechter, een vorm van rechtspraak als bedoeld in artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.2.

Vlak voor aanvang van de mondelinge behandeling op 26 mei 2020 heeft [Y] een schriftelijke verklaring van haar voormalige buren overgelegd.

1.3.

De mondelinge behandeling van het geschil heeft op 26 mei 2020 via Skype plaatsgevonden. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden. Daarnaast was er aan de zijde van [Y] een boomdeskundige aanwezig, in de persoon van de heer [A] van boomverzorgingsbedrijf Jan [A] Boomverzorging.

1.4.

Partijen hebben ter zitting de mogelijkheid tot hoger beroep uitdrukkelijk uitgesloten.

1.5.

Partijen zijn er niet in geslaagd hun geschil in onderling overleg op te lossen. Daarom hebben zij de kantonrechter gevraagd om vonnis te wijzen. Afgesproken werd dat beide partijen nog foto’s over zouden kunnen leggen en indien gewenst een toelichting daarop, waarna beide partijen nog één week gelegenheid zouden hebben om op elkaars foto’s te reageren, voordat de kantonrechter vonnis zou wijzen.

1.6.

[Y] heeft direct na afloop van de zitting foto’s toegestuurd. Op woensdag 3 juni 2020 heeft [X] foto’s toegestuurd en een schriftelijke toelichting op zijn standpunt gegeven. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] is sinds medio 2016 eigenaar van een perceel met woning en tuin, gelegen aan [adres 2] in [plaats] . Daarvoor woonde hij ook al in dezelfde buurt, een paar huizen verderop.

2.2.

[Y] woont al 14 jaar in haar woning aan [adres 1] in [plaats] .

2.3.

De percelen van [X] en [Y] grenzen met hun tuinen aan elkaar. Op korte afstand van de grens tussen de beide percelen bevindt zich op het perceel van [Y] een boom (een Zweedse meelbes, ook wel Sorbus Intermedia genoemd).

3 Het geschil en de vorderingen

Het verhaal van de kant van [X]

3.1.

Toen [X] zijn woning kocht stond er een hoeveelheid groen tegen de erfgrens van het perceel aan. Met veel buren heeft [X] afspraken kunnen maken over het verwijderen van het groen, maar er is nog één boom blijven staan. Dat is de boom in de tuin van [Y] . [X] stelt dat hij hinder, schade en overlast van deze boom ondervindt. Er vallen veel bladeren en trosjes (rode) bessen op het perceel van [X] . Hierdoor raken onder andere afvoeren verstopt, ontstaat er gootlekkage en mosgroei en moet [X] zijn dakgoten minimaal 4 á 5 keer per jaar schoonmaken. Door het naar binnen waaiende blad en de bessen die onder de schoenen mee naar binnen worden gelopen, moet [X] bij openstaande deuren bijna dagelijks stofzuigen en (rode)bessensap van de vloer halen. Hierdoor gebruikt hij zijn serre deuren bijna niet meer. Ook wordt de nachtrust van [X] regelmatig verstoord door het vallen van de besjes op het dakvlak van zijn slaapkamer.

Het verhaal van de kant van [Y]

3.2.

[Y] vindt het erg vervelend dat er last ondervonden wordt van haar boom. In de afgelopen twee jaar heeft [Y] er veel aan gedaan om [X] tegemoet te komen. Zo heeft zij de boom laten beoordelen door het boomverzorgingsbedrijf [A] Boomverzorging (hierna: [A] ). [A] heeft een boomrapport opgesteld en de boom gekeurd. [Y] heeft met [A] een onderhoudscontract voor de boom gesloten. Ook is er al eens een gesteltak van de boom afgezaagd en is er een anker in de boom geplaatst om te voorkomen dat de boom bij storm schade aan de woning van [X] veroorzaakt. [Y] zou het erg zonde vinden als de boom weg moet. Haar boom is het laatste groen in de erfafscheiding met de buren. Als de boom verwijderd wordt kijkt [Y] alleen nog maar tegen daken aan. Bovendien zit [Y] in de zomer met veel plezier onder de boom. De boom zorgt dan voor schaduw. Tot slot wijst [Y] erop dat de boom voor de natuur van belang is.

Wat willen partijen?

3.3.

[X] heeft op de zitting aangegeven dat hij primair verwijdering van de boom wil. Dan zijn alle problemen, die hij door de boom ondervindt, in één keer opgelost. Mocht verwijdering echter niet gaan, dan wil hij (subsidiair) graag dat de overhangende tak wordt verwijderd en jaarlijks wordt gesnoeid.

3.4.

[Y] wil de boom behouden, omdat zij daar veel plezier van heeft. Ze wil de tak niet van de boom af laten zagen, omdat de boom dat volgens boomdeskundige [A] mogelijk niet zal overleven.

4 De beoordeling

De boom hoeft niet te worden verwijderd

4.1.

Hoewel [X] het liefst zou willen dat de boom in z’n geheel verwijderd wordt, zal de kantonrechter daaraan geen gehoor geven. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat [X] hierin zijn zin moet krijgen. Dat wordt hierna verder uitgelegd.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat de Zweedse meelbes in de tuin van [Y] te dicht bij de erfgrens van [X] staat. Gelet op het bepaalde in artikel 5:42 lid 1 BW1 heeft [X] er in dat geval in beginsel recht op dat de boom door [Y] wordt verwijderd. Maar op grond van het bepaalde in artikel 3:314 BW in verband met artikel 3:306 BW verjaart de vordering tot verwijdering van de boom, kort gezegd, twintig jaren nadat deze boom ter plaatse is komen te staan. [Y] heeft een verklaring van haar voormalige buren overgelegd, waarin te lezen staat, dat de boom er al ruim 40 jaar staat. [X] heeft deze verklaring niet tegengesproken. Dit betekent dat de vordering tot verwijdering van de boom, voor zover [Y] al een beroep op artikel 5:42 BW heeft willen doen, is verjaard en dat verwijdering van de boom niet om die reden kan plaatsvinden.

4.3.

Een andere juridische grondslag voor verwijdering van de boom zou gezocht kunnen worden in art. 5:37 BW, waarin is bepaald – kort gezegd – dat de eigenaar van een erf niet op onrechtmatige wijze aan de eigenaren van andere erven hinder mag toebrengen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 3 mei 1991, NJ 1991, 476) is het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Mede van belang is of degene die zich over hinder beklaagt, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinderveroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal hij een zeker mate van hinder hebben te dulden (HR 18 september 1998, NJ 1999, 69).

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat [Y] in dit geval niet onrechtmatig handelt ten opzichte van [X] door de Zweedse meelbes te handhaven. Aannemelijk is wel dat de betreffende boom een zekere mate van ongemak oplevert doordat de boom, die betrekkelijk groot is voor een tuin in een woonwijk, een deel van zijn bessen en bladeren en mogelijk ook takken op het perceel van [X] laat vallen en dat dat daar leidt tot verstopping van de goten en een overvloed aan bessen in de tuin. De kantonrechter wil wel aannemen dat [X] dat ongemak als hinderlijk ervaart. Maar de kantonrechter is van oordeel dat deze hinder, en de mate waarin deze voorkomt, in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig is. Bij dat oordeel speelt een rol dat de boom er reeds stond toen [X] daar kwam wonen. [X] was er bovendien mee bekend, omdat hij, voordat hij het huis kocht, reeds in de buurt woonde. De kantonrechter gaat er, gelet op de ouderdom van de boom, vanuit dat de omvang van de boom, toen [X] de woning kocht, vergelijkbaar was met de huidige omvang. De gevolgen van de aanwezigheid van deze boom waren dus voorzienbaar, want dat er blad, takken en soms ook bessen uit een boom vallen is een natuurlijk verschijnsel. [X] had bij de aankoop van de woning met dit ongemak rekening moeten houden.

Verder speelt een rol dat het ongemak niet het hele jaar in alle hevigheid voortduurt. Zo doet het vallen van de bessen zich maar een beperkt deel van jaar voor. Ook is van belang dat [Y] al voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om het ongemak voor [X] zoveel mogelijk te beperken. Zo heeft zij de gesteldheid van de boom laten controleren door eerdergenoemde [A] en heeft zij met [A] onderhoudsafspraken gemaakt. Ook heeft [Y] , hoewel er volgens [A] geen veiligheidsrisico bestond, een kroonanker in de boom laten plaatsen om te voorkomen dat de boom bij een hevige storm schade aan de woning van [X] kan veroorzaken. De boom is door [A] goed gezond bevonden en er is geen sprake van enig gevaar.

Ten slotte weegt de kantonrechter in zijn oordeelsvorming mee dat schade als gevolg van verstopping van de dakgoot door relatief eenvoudige voorzorgsmaatregelen kan worden voorkomen. De desbetreffende dakgoten hangen ter hoogte van de eerste bouwlaag en zijn dus vrij eenvoudig bereikbaar en door het regelmatig reinigen van de goten kan lekkage worden voorkomen. Dat de boom ook mosgroei zou veroorzaken, heeft [X] onvoldoende onderbouwd.

Al met al komt de kantonrechter tot het oordeel dat de hinder die [X] ervaart onder de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig is en dat [X] die zal moeten dulden. De kantonrechter ziet onvoldoende zwaarwegende redenen om de boom te laten verwijderen.

Ook de gesteltak mag blijven

4.5.

Op de overgelegde foto’s is te zien dat de stam van de Zweedse meelbes op het erf van [Y] zich op een hoogte van circa één à anderhalve meter in tweeën splitst en dat één van de twee “sub-stammen” overhelt naar het perceel van [X] , waardoor een deel van deze stam en de takken zich – op grote hoogte weliswaar – boven de grond van [X] bevinden. Verder is te zien dat deze overhellende stam op ongeveer dezelfde hoogte van één à anderhalve meter ook zelf weer is gaan vertakken, maar dat die nieuwe tak eerder al is verwijderd. De stam van de Zweedse meelbes is nu op die plaats als het ware in tweeën gesplitst. De eerdergenoemde bomendeskundige [A] heeft de overhellende tak een “gesteltak” genoemd. Volgens Wikipedia wordt een gesteltak gevormd op de plaats waar de stam van de boom gaat vertakken. Daarvan is dus ook hier sprake. Hoewel uit art. 5:44 BW volgt dat overhangende takken moeten worden verwijderd en [X] het liefst zou zien dat die hele gesteltak weg moet, gaat dat laatste de kantonrechter te ver. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat met het verwijderen van de gesteltak niet slechts een overhangende tak, maar een substantieel deel van boom zelf zou worden verwijderd. Volgens [A] zou daarmee minstens 30% van de boom worden verwijderd, zou de vorm van de boom aanzienlijk worden aangetast en is niet met zekerheid te zeggen wat dat voor het voortbestaan van de boom zou gaan betekenen. De kantonrechter heeft in het voorafgaande juist uitgelegd waarom de boom zelf niet behoeft te worden verwijderd. Omdat deze overhellende gesteltak een zo belangrijk onderdeel vormt van de boom zelf, is de kantonrechter van oordeel dat ook deze gesteltak mag blijven zitten.

Maar overhangende takken moeten wel weg

4.6.

Dat de gesteltak mag blijven zitten, geldt niet voor de vertakkingen ervan aan de kant van het perceel van [X] , die boven diens erf hangen. Deze moeten op grond van artikel 5:44 BW zover worden teruggesnoeid, dat deze niet meer over het erf van [X] heen hangen. Dat geldt ook voor de takken van de andere hoofdstam van deze Zweedse meelbes. Voor zover die takken aan de zijde van het perceel van [X] over diens erf van hangen, moeten ook die takken zover worden teruggesnoeid, dat deze niet meer over het erf van [X] heen hangen. En vervolgens zal [Y] de Zweedse meelbes steeds zo dienen bij te houden, dat er niet opnieuw takken boven het erf van [X] komen te hangen.

Om één en ander te verduidelijken zal de kantonrechter aan dit vonnis een foto hechten (pag. 7). De rode lijn verloopt evenwijdig aan de gesteltak. De takken links van de rode lijn moeten worden teruggesnoeid. De takken rechts van de rode lijn mogen blijven zitten.

4.7.

[X] mag dit van [Y] verlangen, omdat uit niets blijkt dat [X] hierbij misbruik maakt van de rechten waarop hij op grond van art. 5:44 BW aanspraak kan maken. [X] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk last ondervindt van het blad, de takken en de bessen die onder andere uit deze overhangende takken naar beneden vallen. En [Y] heeft ook niet aangevoerd dat [X] misbruik van zijn recht zou maken. Ook blijkt uit niets dat het terugsnoeien van de overhangende takken [Y] op onevenredig hoge kosten zou jagen.

De conclusie

4.8.

De conclusie van al het voorgaande moet zijn dat de Zweedse meelbes mag blijven staan, inclusief de gesteltak, maar dat [Y] de takken zal moeten terugsnoeiden, die aan de zijde van het perceel van [X] over diens erf hangen (links van rode lijn op de foto die op pag. 7 aan dit vonnis is gehecht), zodat deze niet langer boven het erf van [X] hangen en voorts zal zij dit moeten onderhouden door eenmaal per twee jaar (nieuwe) overhangende takken terug te snoeien. [Y] krijgt hiervoor 3 maanden de tijd, zodat zij met [A] de meest geschikte tijd kan afspreken. Als [Y] de overhangende takken dan nog niet heeft teruggesnoeid mag [X] het zelf doen.

Wie betaalt de proceskosten?

4.9.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten aldus worden gecompenseerd dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Dat past bovendien ook bij het karakter van de procedure bij de Overijsselse Overlegrechter.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

bepaalt dat [Y] de takken (maar niet de gesteltak) van de Zweedse meelbes, die aan de zijde van het perceel van [X] over diens erf hangen (links van rode lijn op de foto die op pag. 7 aan dit vonnis is gehecht), binnen 3 maanden na heden zover dient terug te snoeien, dat deze niet langer over het erf van [X] hangen en dat, als [Y] dit binnen dit tijdsbestek niet heeft gedaan, [X] gerechtigd is om dit eigenmachtig te doen;

5.2.

bepaalt dat [Y] dit vervolgens zal moeten onderhouden, door nieuwe overhangende takken éénmaal per twee jaar zover terug te snoeien, dat deze niet meer over het erf van [X] hangen;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.4.

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Deze beslissing is genomen door mr. F. Koster, overlegrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020. (FK)

1 BW = Burgerlijk Wetboek