Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2158

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
249453 KG ZA 20-111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Deurwaardersrenvooi op grond van artikel 438 lid 4 Rv

toestemming openbare verkoop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : 249453 KG ZA 20-111

Vonnis in kort geding van 26 juni 2020

in de zaak die door:

[naam deurwaarder] ,

gerechtsdeurwaarder,

kantoorhoudende te Delft ,

optredend als executerend deurwaarder,

op grond van artikel 438 lid 4 Rv aanhangig is gemaakt tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hazemeijer Hengelo B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hoevelaken,

executant, hierna te noemen: Hazemeijer,

advocaat: mr. S.T.J. van der Weiden, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het proces-verbaal ex art. 438 lid 4 Rv van 8 juni 2020 van de deurwaarder;

- de oproepingsexploten van 10 en 11 juni 2020;

- de namens Hazemeijer ingezonden producties;

- de schriftelijke pleitnotities van mr. Van der Weiden;

- de schriftelijke pleitnotities van [gedaagde] .

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 19 juni 2020 via een Skype- en/of telefonische verbinding in verband met de overheidsmaatregelen als gevolg van de uitbraak van het Coronavirus. Verschenen zijn de deurwaarder, mr. S. van der Weiden, mevrouw [A] (werkzaam bij Hazemeijer) en de [gedaagde] . Partijen hebben hun standpunt mondeling nader toegelicht. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Op 22 juni resp. 25 juni 2020 is ter griffie van de rechtbank een tweetal brieven van [gedaagde] ontvangen, gedateerd 20 juni resp. 23 juni 2020 en waarin onder meer is verzocht om het horen van getuigen.

2 De feiten

2.1.

Tussen Hazemeijer en [gedaagde] heeft een gebruikersovereenkomst bestaan met betrekking tot de (opslag)ruimte, staande en geleden aan de Tuindorpstraat 61 te Hengelo, zijnde een kelder van het gebouw BO4 (het zogeheten Hazemeijercomplex).

2.2.

In de betreffende kelder heeft [gedaagde] een aanzienlijke hoeveelheid meet-,
radio-, zend- ontvangst en ijkapparatuur opgeslagen.

2.3.

In een eerdere procedure tussen partijen heeft de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, onder zaaknummer 7678983 CV EXPL 19-2097 op

10 september 2019 vonnis gewezen. In het vonnis is -voor zover thans van belang- voor recht verklaard dat de gebruikersovereenkomst per 1 maart 2019 is geëindigd en is [gedaagde] veroordeeld om binnen zes weken na betekening van het vonnis de kelder te ontruimen. De veroordelingen in het vonnis zijn door de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4.

Bij exploot van 18 september 2019 is het vonnis aan [gedaagde] betekend, met de aanzegging tot de ontruiming van de kelder op -uiterlijk- 30 oktober 2019.

[gedaagde] heeft daaraan niet voldaan.

2.5.

Bij exploot van 22 november 2019 is het vonnis voor de tweede maal aan [gedaagde] betekend evenals de aanzegging tot ontruiming van de kelder op -uiterlijk-

27 november 2019. [gedaagde] heeft daaraan niet voldaan.

2.6.

Op 27 november 2019 heeft de deurwaarder executoriaal beslag tot verhaal gelegd op de in de kelder aanwezige apparatuur. De feitelijke ontruiming kon vanwege de grote hoeveelheid apparatuur niet op voornoemde datum plaatsvinden.

2.7.

Vervolgens is tussen partijen gecorrespondeerd teneinde te komen tot een minnelijke regeling omtrent de feitelijke ontruiming van de kelder. De gemachtigde van Hazemeijer heeft onder meer een voorstel gedaan aan [gedaagde] , dat is vervat in een concept vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft dat voorstel niet geaccepteerd.

2.8.

Bij exploot van 28 maart 2020 is [gedaagde] verzocht bedoelde apparatuur af te voeren bij gebreke waarvan tot openbare verkoop zal worden overgegaan door de deurwaarder. Aan dat verzoek is niet voldaan.

2.9.

De deurwaarder is voornemens om tot openbare verkoop over te gaan van de in beslag genomen apparatuur. Die verkoop staat gepland op 3 juli 2020 om 15.00 uur, ten overstaan van de deurwaarder en zal vooraf worden gepubliceerd in een dagblad, een en ander overeenkomstig de wettelijke voorschriften.

3 Het geschil

3.1.

De deurwaarder, belast met de executie van het vonnis van 10 september 2019, vraagt de voorzieningenrechter toestemming voor de voorgenomen openbare verkoop op

3 juli 2020 om 15.00 uur van de in de betreffende opslagruimte/kelder opgeslagen goederen (de apparatuur), een en ander onder verwijzing naar het bepaalde in art. 438 lid 4 Rv.

3.2.

Samengevat weergegeven is daartoe het volgende aangevoerd.

Na het vonnis van 10 september 2019 is [gedaagde] meerdere malen (onverplicht) in de gelegenheid gesteld om de kelder leeg te halen en feitelijk te ontruimen. [gedaagde] gaf steeds aan meer tijd nodig te hebben. Dat uitstel is hem gegund maar heeft geen resultaat gehad. Het vonnis is bovendien onherroepelijk geworden, nu daartegen geen rechtsmiddel meer open staat. [gedaagde] dient aan de inhoud van dat vonnis te voldoen maar weigert zorg te dragen voor de feitelijke ontruiming.

Hazemeijer en de deurwaarder hebben steeds meegedacht met [gedaagde] en uiteindelijk een redelijk voorstel gedaan dat in een vaststellingsovereenkomst is vervat. Kort gezegd houdt dat voorstel in dat [gedaagde] toegang krijgt tot de kelder gedurende een periode van twee weken en dat hij deze uiterlijk op 20 april 2020 ontruimt. Het voorstel is door [gedaagde] niet geaccepteerd. Omdat [gedaagde] persisteert in zijn weigering over te gaan tot de feitelijke ontruiming van de kelder en bezwaar maakt tegen de openbare verkoop van de in de opslagruimte/kelder opgeslagen goederen, is de deurwaarder onderhavige renvooiprocedure gestart.

Hazemeijer wil spoedig over een lege (ontruimde) kelder kunnen beschikken. Zij ziet zich in de gegeven omstandigheden genoodzaakt tot openbare verkoop van de in beslag genomen goederen over te gaan. De transport- en opslagkosten, verbonden aan de grote hoeveelheid goederen, kan op die manier ook voorkomen worden. Er heeft zich inmiddels een aspirant-koper gemeld die een reëel bod heeft gedaan.

3.3.

[gedaagde] voert hiertegen, zakelijk weergegeven, het navolgende aan.

Zolang de toegang tot de kelder aan [gedaagde] wordt ontzegd, is het voor hem niet mogelijk om over te gaan tot ontruiming. [gedaagde] krijgt geen toegang tot de ruimte, dat is hem steeds geweigerd. Zonder toegang kan hij niet ontruimen. Hij heeft bovendien meer tijd nodig voor de ontruiming, omdat een geschikte, vervangende opslagruimte voor de apparatuur gevonden moet worden. Het gaat hier deels om waardevolle, museale goederen. Daar moet een geschikte ruimte voor worden gevonden.

Verder voert [gedaagde] aan dat het vonnis van 10 september 2019 nietig en daarmee ongeldig is omdat aan hem niet de datum van het vonnis is medegedeeld. Verwezen wordt naar artikel 229 Rv. Daar komt bij, zo betoogt [gedaagde] , dat het vonnis is gewezen door een kantonrechter die ten tijde van de vonnisdatum (10 september 2019) door [gedaagde] was gewraakt en er nog geen beslissing in dat wrakingsverzoek was genomen.

Ten slotte voert [gedaagde] aan dat sprake is geweest van eigendomsoverdracht van het betreffende Hazemeijercomplex. Het complex blijkt onderhands te zijn verkocht, zo heeft [gedaagde] achterhaald. Het gevolg van die verkoop is dat Hazemeijer (en de rechtsopvolger, BOEi B.V.) [gedaagde] “niet kan wegsturen”. Volgens [gedaagde] had die nieuwe eigenaar bij de eigendomsoverdracht moeten aangeven dat zij de kelder leeg opgeleverd wilden hebben, hetgeen niet is gebeurd.

3.4.

Op hetgeen door partijen overigens is aangevoerd wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het vereiste spoedeisend belang is in deze zaak, gelet op de voorgenomen openbare verkoop op 3 juli 2020 en al hetgeen daaromtrent door de deurwaarder en Hazemeijer is gesteld en toegelicht, afdoende gebleken.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat zij kennis heeft genomen van de inhoud van de twee brieven van [gedaagde] , ontvangen ter griffie van de rechtbank op

22 juni resp. 25 juni 2020, gedateerd 20 juni resp. 23 juni 2020. [gedaagde] verzoekt in die brieven om, kort gezegd, het horen van getuigen. Vastgesteld wordt dat de beide brieven zijn verzonden en ontvangen na de mondelinge behandeling van deze zaak op 19 juni 2020. Bovendien had de voorzieningenrechter op 19 juni 2020 schriftelijk aan partijen bericht dat zij vonnis zal wijzen op 26 juni 2020.

Nog daargelaten dat de voorzieningenrechter geen toestemming aan partijen heeft gegeven om na de mondelinge behandeling aanvullende stukken aan de rechtbank te zenden - de zaak was toen immers gereed voor het wijzen van vonnis - wordt in dit verband vooropgesteld dat de onderhavige zaak een kort gedingprocedure betreft. Naar haar aard is dat een procedure waarin geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar de feiten en evenmin voor bewijslevering, daaronder ook begrepen getuigenbewijs.

Het verzoek van [gedaagde] tot het leveren van getuigenbewijs, zoals ook ter mondelinge behandeling naar voren gebracht, wordt dus om die reden gepasseerd.

4.3.

In geschil is, kort gezegd, de vraag of de deurwaarder gerechtigd is om over te gaan tot de geplande openbare verkoop op 3 juli 2020 om 15.00 uur van de in de kelder aanwezige goederen/apparatuur, in eigendom toebehorend aan [gedaagde] .

4.4.

Het navolgende wordt overwogen.

[gedaagde] betoogt dat sprake is geweest van onderhandse verkoop van het Hazemeijercomplex. Overwogen wordt dat, zonder nadere toelichting, die door [gedaagde] niet is gegeven, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet valt in te zien waarom die eigendomsoverdracht gevolgen heeft voor de door Hazemeijer voorgestane feitelijke ontruiming van de kelder. Hazemeijer wenst immers, en dat is de inzet van deze procedure, te komen tot (verdere) executie van het vonnis van 10 september 2019.

De enkele eigendomsoverdracht staat daaraan in ieder geval niet in de weg, temeer nu, zoals door de gemachtigde van Hazemeijer terecht is opgeworpen, sprake is van een onherroepelijk geworden vonnis (waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat) en waarvan de executie is aangevangen. Dit verweer van [gedaagde] kan hem dan ook niet baten.

4.5.

Voorts heeft [gedaagde] het standpunt betrokken dat het vonnis nietig en daarmee ongeldig is. Nog daargelaten dat [gedaagde] dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd met schriftelijke stukken waaruit zijn wrakingsverzoek blijkt, de redenen daartoe en de datum waarop dat is gebeurd, heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk aangegeven dat zijn wrakingsverzoek was gericht tegen mr. A.M.S. Kuipers.

Het betreffende vonnis van 10 september 2019 is gewezen door mr. A.J. Louter (en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.S. Kuipers).

Nu het vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en niet is gebleken dat [gedaagde] mr. A.J. Louter heeft gewraakt slaagt ook dit verweer niet.

4.6.

Voor wat betreft het beroep van [gedaagde] op de nietigheid van het vonnis, omdat destijds aan hem niet de datum van het vonnis is medegedeeld overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Het niet meedelen van de vonnisdatum is een onzorgvuldigheid, maar dit brengt niet zonder meer de nietigheid van een vonnis met zich. Blijkens onder meer de toelichting bij artikel 230 Rv (T&C, pag. 670, aantekening 3) is een vonnis dat niet voldoet aan de daarin genoemde vereisten, waaronder het vereiste van mededeling van de datum waarop het vonnis zal worden gewezen, in beginsel bindend. Nietigheid van een vonnis kan worden bewerkstelligd door daartegen een rechtsmiddel aan te wenden (zie in dit verband ook de uitspraak HR 13 september 1991, NJ 1991/767).

Dat is in dit geval niet gebeurd, zodat de door [gedaagde] aangevoerde nietigheidsgrond moet worden verworpen. Het vonnis is met andere woorden bindend.

4.7.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat haar op basis van de processtukken en hetgeen daaromtrent ter zitting is toegelicht, is gebleken dat de deurwaarder en Hazemeijer voldoende hebben onderbouwd (en [gedaagde] heeft dat onvoldoende weersproken) dat aan [gedaagde] meermaals de kans is geboden om over te gaan tot de feitelijke ontruiming van de kelder. Het uitstel dat -steeds- aan hem is verleend, omdat hij naar eigen zeggen meer tijd nodig had voor die feitelijke ontruiming, heeft niet mogen baten nu, sinds de datum van het vonnis van 10 september 2019, er nog immer geen feitelijke ontruiming plaats heeft gevonden. Een verder uitstel is niet gerechtvaardigd.

4.8.

Alles overziend komt de voorzieningenrechter tot het eindoordeel dat de door de deurwaarder verzochte toestemming om over te gaan tot de openbare verkoop van de in de kelder aanwezige goederen/apparatuur, toewijsbaar is.

4.9.

Overwogen wordt dat de deurwaarder zijn bevoegdheid ex art. 438 Rv niet nodeloos heeft uitgeoefend, zodat geen aanleiding bestaat hem persoonlijk in de kosten te verwijzen. De proceskosten van Hazemeijer zullen voor rekening van Hazemeijer als executant worden gebracht, nu deze kosten voortvloeien uit de door haar aan de deurwaarder gegeven opdracht tot ontruiming. Daarna zullen die kosten tegenover [gedaagde] , als geëxecuteerde, mogen gelden als executiekosten. Die kosten worden als volgt begroot:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 633,00

Totaal € 1.289,00

5 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter

verleent toestemming aan de deurwaarder, [naam deurwaarder] , om de openbare verkoop op vrijdag 3 juli 2020 om 15.00 uur van de goederen/apparatuur opgeslagen in de kelder van gebouw B04, staande en geleden aan de Tuindorpstraat 61 te Hengelo, uit te voeren;

brengt de proceskosten, begroot op € 1.289,00, ten laste van Hazemeijer;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. U. van Houten op 26 juni 2020. (SA)