Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2151

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
08.243632.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 29-jarige man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar voor het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop. De man reed met zijn personenauto zonder te remmen of te stoppen een voorrangskruising op, terwijl hij de snelheidslimiet ruim overschreed, een rood verkeerslicht negeerde en geen voorrang verleende aan een voetganger die zich op de voorrangsweg bevond en de kruising overstak. De voetganger kwam door de aanrijding ten val en is aan zijn opgelopen verwondingen ter plekke overleden. Naast de voorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank de man een taakstraf op van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.243632.19 (P)

Datum vonnis: 18 juni 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 juni 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Leusink-van Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer;

Primair: dat verdachte als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) schuldig is aan het veroorzaken van een verkeersongeval als gevolg waarvan een ander is overleden;

Subsidiair: dat verdachte als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) gevaar op de weg heeft veroorzaakt of het verkeer heeft gehinderd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

Primair

hij op of omstreeks 27 januari 2019 te [plaats] in de gemeente Zwolle, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de [straat 1] en/of gaande in de richting van de [straat 2] , daarmede rijdende over de weg, de [straat 3] ), zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de [straat 3] en/of de aldaar in zijn, verdachte rijrichting rood uitstralende verkeerslichten en/of

aldaar heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 83 en 89 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de [straat 3] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

ter hoogte van de kruising van deze weg en de weg, de [straat 4] , terwijl de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig(personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de [straat 3] ) voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of

zonder te remmen die kruising is op- en over gereden en/of

zonder te stoppen, door rood is gereden en/of is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met een op die kruising, toen ter plaatse voor hem, verdachte dicht van links genaderd zijnde voetganger,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 januari 2019 te Zwolle in de gemeente Zwolle, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de [straat 1] en/of gaande in de richting van de [straat 2] , daarmede heeft gereden over de weg, de [straat 3] )

met een snelheid gelegen tussen de 83 en 89 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto ) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de

[straat 3] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

ter hoogte van de kruising van deze weg en de weg, de [straat 4] , terwijl de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, door

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de [straat 3] ) voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of

zonder te remmen die kruising is op- en over gereden en/of

zonder te stoppen, door rood is gereden en/of is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met een op die kruising, toen ter plaatse voor hem, verdachte dicht van links genaderd zijnde voetganger, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het primair tenlastegelegde is bewezen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte door niet te stoppen voor het verkeerslicht, maar juist met een te hoge snelheid de stopstreep te passeren en de kruising op te rijden terwijl het verkeerslicht voor verdachte eerst lange tijd geel en vervolgens rood uitstraalde, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden ten gevolge waarvan een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een overstekende voetganger zijnde de heer [slachtoffer] , is aangereden en is komen te overlijden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit, omdat volgens de raadsman niet is komen vast te staan dat verdachte de feitelijke gedragingen die in de tenlastelegging staan omschreven heeft begaan. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte door rood is gereden, omdat uit het Proces-Verbaal Verkeers Ongevals Analyse blijkt dat de voorzijde van de auto van verdachte ongeveer 1,5 meter voorbij de stopstreep was op het moment van het starttijdstip van de roodfase van het verkeerslicht. De raadsman heeft voorts gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte tussen de 83 en 89 km/u heeft gereden voorafgaand aan het ongeval, nu in het Proces-Verbaal Verkeers Ongevals Analyse staat dat de berekende waarden gemiddelde indicatieve snelheden betreffen waarbij geen rekening is gehouden met versnellen of vertragen. De voor een betrouwbare en bewijskrachtige snelheden noodzakelijke aanvullende analyse is niet uitgevoerd, hetgeen maakt dat de huidige berekende snelheden niet bewijskrachtig zijn, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman voor het primair tenlastegelegde feit vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat indien enige verkeersovertreding door verdachte zou zijn begaan, geldt dat niet bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval, omdat verdachte niet zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam heeft gereden. de raadsman heeft betoogd dat dient te worden gekeken naar de ernst van de gedraging in het licht van de omstandigheden van het geval. De omstandigheden, te weten een tijdstip van 00.40 uur op zondagochtend en een grote, brede, overzichtelijke weg binnen de bebouwde kom, op welke soort wegen regelmatig een snelheid geldt van 70 km/u, maken dat het rijden van een snelheid gelegen boven de maximumsnelheid van 50 km/u niet zonder meer zeer/aanmerkelijk onvoorzichtig of onachtzaam te noemen is. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de gedragingen en omstandigheden van het slachtoffer, zijnde dat hij in het donker een voor hem rood verkeerslicht negeerde, geen verlichting bij zich droeg, een donkere huidskleur had en tevens donker gekleed was, ook moeten worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van schuld bij verdachte. De raadsman heeft geconcludeerd dat op basis van de omstandigheden waaronder de eventuele verkeersovertreding is begaan en de omstandigheden rond het oversteken van het slachtoffer, niet kan worden bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden.

De raadsman heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

- de redengevende feiten en omstandigheden

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.1

Verdachte reed op 27 januari 2019 als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) over de [straat 3] in de gemeente Zwolle. Verdachte kwam met zijn personenauto uit de richting van de [straat 1] en reed in de richting van de [straat 2] . Op het moment dat verdachte in zijn personenauto de kruising van de [straat 3] met de [straat 4] naderde rond 00.40 uur, stak een voetganger, zijnde de heer [slachtoffer] , lopend over de [straat 4] voor verdachte van links komend, deze kruising over.2

De betreffende [straat 3] en de kruising bevinden zich binnen de bebouwde kom van [plaats] en ter plaatse geldt een maximum snelheid van 50 km per uur. Ten tijde van het ongeval was het nacht, donker en regenachtig.3

De kruising van de [straat 3] met de [straat 4] is voorzien van verkeerslichten die werken middels een verkeersregelinstallatie (VRI) die op het moment van de aanrijding in werking was. Alle lampen van de relevante verkeerslantaarns werkten naar behoren en waren goed zichtbaar geweest voor de bij het ongeval betrokken bestuurders. Er zijn geen aanwijzingen dat de verkeersregelinstallatie niet naar behoren heeft gewerkt ten tijde van het ongeval.4

Verdachte is bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en wist van de geldende maximumsnelheid van 50 km per uur. Verdachte was voornemens om de kruising van de [straat 3] met de [straat 4] rechtdoor over te steken. Verdachte reed naar eigen zeggen harder dan de toegestane snelheid, namelijk tussen de 50 en de 60 kilometer per uur. Verdachte is met zijn personenauto zonder tijdig te stoppen voor de stopstreep de kruising van de [straat 3] met de voorrangsweg de [straat 4] opgereden. Verdachte heeft de aldaar aanwezige voetganger, de heer [slachtoffer] , niet gezien.5

Verdachte is op de kruising met de voorzijde van zijn personenauto tegen de hem kruisende voetganger, de heer [slachtoffer] , aangereden.6 Ten gevolge van de aanrijding heeft de heer [slachtoffer] ernstig hersen/schedel letsel opgelopen, aan welk letsel hij vervolgens ter plekke is overleden.7

4.3.1

het primair tenlastegelegde

Voor bewezen verklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet sprake zijn van schuld aan het verkeersongeval. Of er sprake is van schuld in de zin van dit artikel hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.8 Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank zal hieronder de aan verdachte tenlastegelegde gedragingen afzonderlijk bespreken.

- de gereden snelheid

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij over de [straat 3] heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 83 en 89 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, en/of dat hij in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van de door hem bestuurde personenauto zodanig heeft geregeld, dat hij in staat was de auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.

Op de plek van het ongeval, de [straat 3] , gold een maximumsnelheid van 50 km per uur. Blijkens het proces-verbaal ‘Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ heeft verdachte over de [straat 3] gereden met een snelheid gelegen tussen de 83 en 89 km per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatste toegestane maximum snelheid van 50 km per uur. Door middel van analyse van de logbestanden uit de verkeersregelinstallatie zijn met de afstanden tussen drie verschillende detectielussen in het wegdek en de geregistreerde verschiltijden de minimale en maximale gemiddelde indicatieve snelheden van verdachte op de verschillende wegvlakken berekend. Daarbij zijn de berekende snelheden bepaald over een afstand van in totaal ruim 83 meter op het traject gelegen voor de stopstreep. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat op de gemeten vlakken is gereden met een snelheid van minimaal 78.8 km per uur en maximaal 92.6 km per uur.9Zoals ook door de raadsman gesteld staat in voornoemd proces-verbaal dat rekening moet worden gehouden met het gegeven dat de berekende waarden gemiddelde indicatieve snelheden betreffen waarbij geen rekening is gehouden met versnellen of vertragen. Daarnaast staat in voornoemd proces-verbaal dat, om tot betrouwbare snelheden te komen, een kalibratie van de tijdsafwijking van het verkeersregeltoestel plaats zou moeten vinden op basis van rijproeven over de betreffende verkeers(detectie)lussen.

Deze omstandigheden zijn voor de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de voornoemde, in het proces-verbaal berekende gemiddelde indicatieve snelheden aanzienlijk afwijken van de werkelijk door verdachte gereden snelheid. Daartoe overweegt de rechtbank dat de gebruikte afstanden in de berekening zijn vastgesteld tijdens het onderzoek van de plaats delict, op welke afstanden in de berekening blijkens het proces-verbaal reeds een correctie is toegepast. Ook is een correctie toegepast op de tijdstippen tussen de verschillende detectorregistraties. Uit deze correcties leidt de rechtbank af dat een eventuele kalibratie van de tijdsafwijking minimale gevolgen zal hebben voor de berekening van de gereden snelheden. Daarnaast zijn verschillende wegdelen gemeten over relatief korte afstanden van totaal maximaal 83.8 meter voorafgaande aan de kruising, waarbij op ieder gemeten vlak een snelheid is gemeten van minimaal 78.8 km per uur. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de rechtbank de ruimte voor het standpunt dat verdachte aanzienlijk heeft versneld of vertraagd bijzonder klein en dragen daarentegen bij aan de betrouwbaarheid en bewijskracht van de berekende snelheden. Daar komt bij dat verdachte naar eigen zeggen harder reed dan de ter plaatse toegestane snelheid en ter zitting heeft verklaard dat hij dacht ‘vlot te kunnen doorrijden’ over de kruising. Daaruit maakt de rechtbank op dat geen sprake was van een relevante vertraging door verdachte van de gereden snelheid.

Uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat de heer [slachtoffer] al twee rijstroken had overgestoken en ter hoogte van de derde rijstrook door verdachte werd aangereden. Het slachtoffer bevond zich dus al enige tijd op het kruispunt waarop verdachte goed zicht had. Uit het plaatsvinden van het ongeval blijkt dat verdachte desondanks niet in staat was om zijn auto tot tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat uit voornoemd proces-verbaal ook volgt dat indien verdachte zich aan de ter plaatse geldende maximum snelheid had gehouden, het slachtoffer de heer [slachtoffer] , op het moment dat verdachte met zijn auto de kruising op zou rijden, reeds de overkant zou hebben bereikt.10

Op grond van het vorenstaande is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte met zijn personenauto over de [straat 3] , de kruising met de [straat 4] naderend, heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 83 en 89 km per uur en in ieder geval hoger dan de ter plaatse toegestane snelheid. De rechtbank verwerpt aldus het standpunt van de raadsman dat aan voornoemde berekende snelheden geen bewijskracht kan worden gegeven.

- het kleursignaal van het verkeerslicht

Aan verdachte is voorts tenlastegelegd dat hij niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken op het direct voor hem gelegen weggedeelte van de [straat 3] en de kruising van deze weg met de [straat 4] en de aldaar in zijn rijrichting rood uitstralende verkeerslichten, inhoudende: "Stop". Verdachte wordt verweten dat hij in strijd met het gestelde in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 (hierna: RVV1990) geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c RVV1990 gestelde gebod of verbod, door met de door hem bestuurde auto niet ingevolge het gestelde in artikel 79 RVV1990 voor de aldaar zich op het wegdek van de [straat 3] voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of zonder te remmen die kruising is op- en over gereden en/of zonder te stoppen, door rood is gereden.

In het proces-verbaal ‘Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ is geconcludeerd dat uit analyse van het faselog is gebleken dat verdachte, op zondag 27 januari 2019, omstreeks 00:40 uur, de stopstreep – de rechtbank begrijpt: de stopstreep voor de kruising [straat 3] met [straat 4] – was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 0,1 seconden rood licht uitstraalden.11 Meer specifiek volgt uit het proces-verbaal dat dat de detectielus D021, die zich bevindt vlak voor de stopstreep, werd geactiveerd op 00:39:19,4 en gedeactiveerd op 00:39:19,7. Ook staat vermeld dat het verkeerslicht gedurende 3,5 seconden geellicht uitstraalde van 00:39:16,1 tot 00:39:19.6, vanaf welk tijdstip het verkeerslicht rood uitstraalde. De rapporterend verbalisant leidt hieruit af, mede gelet op de minimale door verdachte gereden indicatieve snelheid, dat op het starttijdstip van de roodfase van het verkeerslicht de voorzijde van de auto (de kentekenplaat op de voorbumper) ongeveer 1.5 meter voorbij de stopstreep was.12

Vaststaand is dat verdachte dat verdachte met zijn personenauto zonder te stoppen voor de stopstreep en zonder te remmen de kruising van de [straat 3] met de [straat 4] is opgereden. Op grond van artikel 79 juncto 68 lid 1 sub c van het RVV 1990 moet een bestuurder bij rood licht stoppen voor de stopstreep. Nu het verkeerslicht rood werd op 00:39:19,6 en de detectielus werd gedeactiveerd op 00:39:19,7, staat ook vast dat het verkeerslicht rood werd terwijl verdachte de stopstreep passeerde. Met andere woorden: verdachte passeerde de stopstreep met zijn voorbanden bij een geel verkeerslicht, maar met zijn achterbanden bij een rood verkeerslicht. Daarmee staat vast dat verdachte door rood is gereden, ondanks dat hij dat mogelijk zelf niet heeft kunnen zien. Dat de voorzijde van de auto van verdachte, zoals gesteld door de raadsman, de stopstreep met 1,5 meter is gepasseerd op het moment van uitstralen van het rode signaallicht, doet hieraan niets af. Uit jurisprudentie volgt dat de verplichting om te stoppen voor een rood verkeerslicht zelfs niet vervalt als het verkeerslicht pas na het passeren van de stopstreep op rood springt.13 Bovendien is voor de rechtbank tevens komen vast te staan dat, voordat verdachte met zijn personenauto de in zijn richting gekeerde verkeerslichten passeerde, deze verkeerslichten voor verdachte zichtbaar reeds een aantal seconden een geel lichtsignaal hebben uitgestraald en vervolgens op rood zijn gesprongen. Verdachte had het geel uitstralende verkeerslicht zo tijdig kunnen opmerken dat hij nog voldoende tijd had om zijn voertuig tot stilstand te brengen. Verdachte heeft niet geremd en is doorgereden en aldus door rood gereden, terwijl hij had moeten stoppen. Hiermee staat tevens vast dat verdachte onvoldoende heeft gekeken en is blijven kijken op het direct voor hem gelegen weggedeelte van de [straat 3] en de kruising met de [straat 4] en de voor die kruising aanwezige, in verdachtes rijrichting rood uitstralende verkeerslichten.

- de verdere bewijsoverwegingen van de rechtbank

Iedere verkeersdeelnemer heeft de bijzondere zorgplicht te anticiperen op komende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer waaraan al dan niet voorrang moet worden verleend. In de huidige verkeerssituatie, waarin sprake is van het naderen van een voorrangskruising, die is gelegen binnen de bebouwde kom op een weg met een geldende maximum snelheid van 50 km per uur, terwijl het donker is en regenachtig, terwijl zich op die weg bovendien overstekende voetgangers kunnen bevinden, is extra voorzichtigheid geboden. Verdachte heeft zich onvoldoende vergewist van de mogelijke aanwezigheid van verkeersdeelnemers op de hem kruisende voorrangsweg. Verdachte reed (veel) harder dan de toegestane snelheid ter plaatse en hij heeft in de aanloop naar de voorrangskruising niet geremd, noch zijn voertuig tot stilstand gebracht. Verdachte is doorgereden terwijl het in zijn richting gekeerde verkeerslicht eerst geel licht en vervolgens rood licht uitstraalde. Verdachte is met een snelheid van ruim 80 km per uur het kruisingsvlak opgereden, terwijl de ter plaatse toegestane snelheid vijftig km per uur bedroeg en heeft vervolgens de heer [slachtoffer] geschept, die daar als voetganger aan het oversteken was. Verdachte heeft zowel het rood uitstralende verkeerslicht als de heer [slachtoffer] naar eigen zeggen niet gezien. Verdachte heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank in hoge mate en daarmee zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden en niet de bijzondere zorgplicht in acht genomen die van een verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat de gedragingen en omstandigheden van het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , zijnde dat hij in het donker, door rood liep, terwijl hij geen verlichting bij zich droeg, een donkere huidskleur had en tevens donker gekleed was, ook moeten worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van schuld bij verdachte, nu eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, de schuld aan de zijde van verdachte niet opheft.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van het handelen van verdachte sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.

- de conclusie

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot bewezen verklaring van het primair tenlastegelegde.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 januari 2019 te Zwolle in de gemeente Zwolle, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de [straat 1] en gaande in de richting van de [straat 2] , daarmede rijdende over de weg, de [straat 3] , zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de [straat 3] en de aldaar in zijn, verdachte rijrichting rood uitstralende verkeerslichten en aldaar heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 83 en 89 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de [straat 3] ) kon overzien en waarover deze vrij was en ter hoogte van de kruising van deze weg en de weg, de [straat 4] , terwijl de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de [straat 3] ) voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en zonder te remmen die kruising is op- en over gereden en zonder te stoppen, door rood is gereden en in aanrijding is gekomen met een op die kruising, toen ter plaatse voor hem, verdachte dicht van links genaderd zijnde voetganger en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, daarnaast een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor een jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat bij de strafmaatoverwegingen rekening moet worden gehouden met het gegeven dat verdachte een zogenoemd ‘first offender’ is en dat het ongeval op hem een grote indruk heeft gemaakt, ook gezien het feit dat verdachte zelf zijn vader is verloren. De raadsman acht de geëiste taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf, als ook de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid, gezien het tijdsverloop in deze zaak, buiten proportie.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten aanrijding veroorzaakt, als gevolg waarvan een dodelijk slachtoffer te betreuren valt. Verdachte is met zijn personenauto zonder te remmen of stoppen een voorrangskruising opgereden terwijl hij de ter plaatse geldende snelheidslimiet ruim overschreed, een rood verkeerslicht negeerde en voorts geen voorrang verleende aan de heer [slachtoffer] , die zich als voetganger op de voorrangsweg bevond en doende was de kruising over te steken. Door de hierop volgende aanrijding is de heer [slachtoffer] ten val gekomen en aan zijn opgelopen verwondingen ter plekke overleden.

Van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij of zij op de hoogte is van de gevaren in het verkeer, hierop anticipeert en het eigen verkeersgedrag daaraan aanpast. Verdachte is hierin ernstig tekort geschoten. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Het onomkeerbare gevolg van het overlijden van de heer [slachtoffer] heeft onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan zijn nabestaanden, zoals ook door de zoon van de heer [slachtoffer] treffend ter terechtzitting is verwoord. De rechtbank is zich ervan bewust dat strafoplegging in welke vorm dan ook dat leed nimmer ongedaan zal kunnen maken.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straftoemeting rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen ook het voor dit feit vastgestelde landelijk oriëntatiepunt straftoemeting betrokken. Dit geeft als uitgangspunt voor het, in geval van ernstige schuld, veroorzaken van een verkeersongeval met de dood van een slachtoffer als gevolg, terwijl geen sprake is van alcoholgebruik, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden onvoorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. De in deze zaak bewezen verklaarde schuld in de zin van artikel 6 WVW betreft eveneens een ernstige mate van schuld, te weten zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam, zijnde de middelzware vorm van schuld binnen dit kader.

Bij haar overwegingen neemt de rechtbank in aanmerking dat voor verdachte de wetenschap dat ten gevolge van zijn handelen een ander mens is komen te overlijden ook op hem een behoorlijke impact heeft, zoals hij ter terechtzitting ook te kennen heeft gegeven. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest. Tevens weegt de rechtbank mee dat er sprake is van enig tijdsverloop in deze zaak, waardoor verdachte langere tijd in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afdoening hiervan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak, anders dan in voornoemde oriëntatiepunten, niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren en daarbij een maximale taakstraf voor de duur van 240 uren op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarnaast de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor de duur van een jaar.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Sr en artikel 179 WVW.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

bijkomende straf

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van

1 (één) jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. A.M. van Diggele, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockotter, griffier, en is

in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2020.

Mr. Heijink en mr. Van Diggele zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aanrijding opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 2, 4.

3 Het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse (VOA), pagina 14 – 15.

4 Het proces-verbaal ‘Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] van 26 april 2019, pagina 65.

5 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 juni 2020, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

6 Het proces-verbaal van aanrijding opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 2.

7 Een deskundigenrapport, te weten een schouwverslag, opgemaakt door drs. [naam] , forensisch arts, op 27 januari 2019, pagina 2.

8 HR 5 april 2011, NJ 2011/172.

9 Het proces-verbaal ‘Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] van 26 april 2019, pagina 65, 75 – 76.

10 Het proces-verbaal ‘Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] van 26 april 2019, pagina 65.

11 Het proces-verbaal ‘Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] van 26 april 2019, pagina 65.

12 Het proces-verbaal ‘Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] van 26 april 2019, pagina 72.

13 Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4752 en daar genoemde jurisprudentie.