Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2063

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
08-950468-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 19-jarige jongeman tot een gevangenisstraf van 3 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden voor afpersing in vereniging en verboden wapenbezit. De man heeft twee winkelovervallen gepleegd waarbij hij winkelmedewerkers heeft afgeperst. Vermomd met een bivakmuts en sjaal en met een vuurwapen in de hand ging hij de winkels in waar zich op dat moment ook klanten bevonden. Hij heeft het vuurwapen op medewerkers gericht en hen gedwongen het geld uit de kassa’s af te geven. Naast de gevangenisstraf moet de man een bedrag van ruim 900 euro aan schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-950468-19 (P)

Datum vonnis: 16 juni 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

nu verblijvende in JJI De Hunnerberg te Nijmegen

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 juni 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Hoekstra en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Rhenen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 7 november 2019 een filiaal van [bedrijf 1] in [plaats 1] heeft overvallen en daarbij medewerkers onder bedreiging met een vuurwapen heeft gedwongen om ongeveer 570 euro af te geven;

feit 2: op 11 november 2019 samen met een ander een filiaal van [bedrijf 2] in [plaats 2] heeft overvallen en daarbij medewerkers onder bedreiging met een vuurwapen heeft gedwongen om ongeveer 670 euro af te geven;

feit 3: op 7 november 2019 in [plaats 1] een verboden wapen en verboden munitie voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 7 november 2019 te [plaats 1] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 570 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] of aan een derde, te weten aan [eigenaar 1] en/of [bedrijf 1] (gevestigd aan [adres 2] ) toebehoorde, door:

- In het zwart gekleed en/of met een bivakmuts op en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand een winkel ( [bedrijf 1] ) binnen te gaan,

- tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te zeggen: "dit is een overval, ik wil geld",

- het vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten,

- tegen [slachtoffer 1] te zeggen: "ik wil al het geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

- ( vervolgens) naar kassa 1 te lopen en te zeggen: "ja deze kassa ook",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2

hij op of omstreeks 11 november 2019 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 670 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [eigenaar 2] of aan een derde, te weten aan [bedrijf 2] (gevestigd aan [adres 3] ) toebehoorde, door:

- in het zwart gekleed, met gezichtsbedekkende kleding en met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, de winkel ( [bedrijf 2] ) binnen te gaan en/of

- te roepen/schreeuwen: "dit is een overval", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] ,

- als hij bij de kassa staat te zeggen: "la open" en/of dat hij geld wil en de kassa geopend moet worden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

- op de kassa te slaan en te zeggen dat die [slachtoffer 4] op moet schieten, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 4] het geld in een tas te laten stoppen;

3

hij op of omstreeks 7 november 2019 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland,

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasrevolver, van het merk Umarex, type Detective Spec, kaliber 9 mm R zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 knalpatronen, van het merk Pobjeda, van het kaliber 9 mm R, voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1, te weten:

feit 1

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2020, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal van aangifte van 7 november 2019, pagina 1;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , pagina 4-5;

- het proces-verbaal van bevindingen van 19 november 2019, pagina 110.

feit 2

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2020, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal van aangifte van [eigenaar 2] van 11 november 2019, pagina 131-133;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 11 november 2019, pagina 135

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] van 11 november 2019, pagina 139;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] van 11 november 2019, pagina 141;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] van 11 november 2019, pagina 150.

feit 3

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2020, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal van onderzoek wapen van 9 december 2019, pagina 91-94.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 7 november 2019 te [plaats 1] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 570 euro) dat geheel aan een derde, te weten aan [bedrijf 1] (gevestigd aan [adres 2] ) toebehoorde, door:

- In het zwart gekleed en met een bivakmuts op en met een vuurwapen in de hand een winkel ( [bedrijf 1] ) binnen te gaan,

- tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te zeggen: "dit is een overval, ik wil geld",

- het vuurwapen op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te richten,

- tegen [slachtoffer 1] te zeggen: "ik wil al het geld",

- (vervolgens) naar kassa 1 te lopen en te zeggen: "ja deze kassa ook";

2

hij op 11 november 2019 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 670 euro), dat geheel aan een derde, te weten aan [bedrijf 2] (gevestigd aan [adres 3] ) toebehoorde, door:

- in het zwart gekleed, met gezichtsbedekkende kleding en met een vuurwapen de winkel ( [bedrijf 2] ) binnen te gaan en

- te roepen: "dit is een overval",

- een vuurwapen te richten op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] ,

- als hij bij de kassa staat te zeggen: "la open" en dat hij geld wil en de kassa geopend moet worden,

- op de kassa te slaan en

- die [slachtoffer 4] het geld in een tas te laten stoppen;

3

hij op 7 november 2019 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland,

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasrevolver, van het merk Umarex, type Detective Spec, kaliber 9 mm R zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 knalpatronen, van het merk Pobjeda, van het kaliber 9 mm R,

voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

afpersing

feit 2

het misdrijf:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

feit 3

de misdrijven:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Het gaat om ernstige feiten die verdachte op berekenende wijze heeft gepleegd vanuit winstbejag. Daarnaast is een hoge straf noodzakelijk om potentiële daders af te schrikken dit soort feiten te plegen. Verdachte kan gebaat zijn bij de door de reclassering genoemde interventies, maar daaraan kan in de periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling invulling worden gegeven.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt veroordeeld tot onvoorwaardelijke jeugddetentie dan wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarnaast voorwaardelijke jeugddetentie dan wel gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering in het reclasseringsrapport heeft genoemd. Een geheel onvoorwaardelijke straf acht de raadsman niet passend, omdat verdachte nog heel jong is, zich uit eigen beweging heeft gemeld, opening van zaken voor zijn aandeel heeft gegeven, first offender is en mee wil werken aan reclasseringstoezicht. Gelet op de leeftijd en het beeld van verdachte, zoals dat in de rapportages naar voren komt, heeft de raadsman verzocht het minderjarigenstrafrecht van toepassing te verklaren.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een twee winkelovervallen, waarbij hij winkelmedewerkers heeft afgeperst. Verdachte is vermomd met een bivakmuts of sjaal en met een vuurwapen in de hand winkels ingegaan waar zich op dat moment ook klanten bevonden. Hij heeft het vuurwapen op medewerkers gericht en hen gedwongen het geld uit de kassa’s af te geven. Daardoor is voor de medewerkers en de klanten in de winkel een angstige en bedreigende situatie ontstaan. Overvallen als deze dragen ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om op deze manier, ten koste van anderen, snel aan geld te komen. Integendeel, bij de tweede overval heeft verdachte zich laten bijstaan door een mededader, wat nog bedreigender moet zijn geweest voor de medewerkers en de klanten in de winkel.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het feit dat verdachte geen justitiële documentatie (strafblad) heeft.

In het rapport van GZ-psycholoog R. Steinmann (opgesteld onder supervisie van GZ-psycholoog N.A. Schoenmaker) van 12 maart 2020 wordt beschreven dat bij verdachte geen stoornis of gebrekkige ontwikkeling wordt geconstateerd, maar dat wel sprake is van antisociaal gedrag. Verdachte lijkt een soort kinderlijke en irreële fantasie over de criminele wereld te hebben. Nu hij over de justitiële grens heen is gegaan en de realiteit onder ogen ziet, voelt hij zich schuldig. Verdachte was zich ten volle bewust van zijn gedrag en was ook in staat daar sturing aan te geven. Ten tijde van het plegen van de delicten schoten zijn gewetensfuncties tijdelijk tekort. Hetgeen verdachte gedaan heeft, knaagt aan hem, omdat hij graag betrouwbaar en gewetensvol wil zijn en ervan houdt om afspraken na te komen. Dit past bij het beeld van verdachte dat tijdens het onderzoek naar voren komt.

Het risico op recidive wordt ingeschat als laag-matig. Zijn familierelaties zijn een belangrijke beschermende factor. Het is waarschijnlijk een grote stok achter de deur dat zijn familie hem nu vergeeft, maar dat hij bij recidive thuis niet meer welkom zou zijn. Ook is positief dat verdachte open staat voor behandeling en gemotiveerd is om zinvolle levensdoelen na te jagen. Het hebben van een studie, werk of geld ziet hij als vereisten om een zinvol leven op te kunnen bouwen. Als dat ontbreekt, is het recidiverisico verhoogd. De onderzoekers adviseren een reclasseringstoezicht voor praktische maatschappelijke hulpverlening gericht op het voltooien van een studie, een stage, werk en financiën.

In het rapport van de reclassering van 1 mei 2020, opgesteld door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, wordt beschreven dat verdachte de overvallen heeft gepleegd omdat hij veel waarde hecht aan dure spullen, maar deze niet kon bekostigen. Het idee is ontstaan omdat hij met vrienden op YouTube filmpjes heeft gekeken van geslaagde overvallen. Dit lijkt te stroken met een fantasierijk en onvoldoende correct beeld van de werkelijkheid. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld, omdat bij verdachte onvoldoende sprake lijkt te zijn van probleembesef. Het ontbreken van een zinvolle dagbesteding in combinatie met onvoldoende inkomsten wordt als risicofactor gezien.

Volwassenstrafrecht of jeugdstrafrecht

De rechtbank stelt voorop dat het feit is gepleegd nadat verdachte de leeftijd van achttien jaren had bereikt. Het volwassenstrafrecht is dan het uitgangspunt. Uit de rapportages komt naar voren dat verdachte welbewust gekozen heeft om overvallen te plegen voor financieel gewin. Van beïnvloeding, impulsiviteit of het niet kunnen overzien van de gevolgen van zijn handelen is niet gebleken. GZ-psycholoog Steinmann heeft, met toepassing van de wegingslijst minderjarigenstrafrecht, onvoldoende indicaties aanwezig geacht voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Daarbij heeft de psycholoog overwogen dat verdachte niet meer thuis woont en geen verstandelijke beperking heeft. Ook de reclassering heeft, in overleg met onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, geconcludeerd dat het volwassenenstrafrecht passend is en van belang geacht dat geen sprake is van pedagogische beïnvloedbaarheid of een noodzaak om de schoolgang te continueren.

De rechtbank zal, nu er geen specifieke interventie vanuit het jeugdstrafrecht is geïndiceerd, niet overgaan tot toepassing van het adolescentenstrafrecht maar het volwassenenstrafrecht toepassen. Wel zal de rechtbank voor wat betreft de strafduur rekening houden met de nog jeugdige leeftijd van verdachte op de wijze als hierna aangegeven.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en de aard van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en noodzakelijk is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het uitgangspunt voor één overval op een winkel, zonder (ernstig) geweld is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren.

De rechtbank ziet echter straf verminderende factoren. Verdachte was 18 ten tijde van het plegen van de feiten, waardoor de lagere oriëntatiepunten voor minderjarigen net niet meer op hem van toepassing zijn. Verdachte heeft een blanco strafblad, heeft zichzelf bij de politie gemeld en heeft berouw getoond. Hij wil meewerken aan reclasseringstoezicht. Een zinvolle dagbesteding – zoals werk of studie – is een bepalende factor bij het laag houden van het recidiverisico. Ter zitting is gebleken dat verdachte moeilijk onder woorden kan brengen hoe hij tot het strafbare handelen is gekomen.

De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een gepaste sanctie voor een jongvolwassen verdachte die is aangewezen op hulpverlening om zijn leven op de rit te krijgen. Om verdachte de noodzakelijke hulp en steun te bieden, zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden bepalen dat verdachte zich zal melden bij de reclassering, zich ambulant zal laten behandelen met als doel meer zicht te krijgen op zijn eigen (grensoverschrijdend) gedrag en houding en dat hij een opleiding zal volgen, zoals de reclassering heeft geadviseerd.

Dit alles maakt dat de rechtbank tot een lagere straf komt dan de in de oriëntatiepunten als uitgangspunt voor dergelijke feiten vermelde straf. De rechtbank komt tot het opleggen van een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

7.4

De in beslag genomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan en zij van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[bedrijf 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 921,88 (negenhonderdeenentwintig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- inhoud kassa 1 € 218,00;

- inhoud kassa 2 € 357,00;

- calamiteitenopvang [naam] € 346,88.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en geheel dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 921,88, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf:

afpersing

feit 2

het misdrijf:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

feit 3

de misdrijven:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich op eerste uitnodiging van IrisZorg reclassering, of een soortgelijke instelling, aldaar zal melden en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de forensische psychiatrie GGZ Transfore, of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, met als doel meer zicht te krijgen op zijn eigen (grensoverschrijdende) gedrag en houding. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van zorginstelling zullen worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- indien en zolang de reclassering dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht, een opleiding zal volgen tot verkoopmedewerker, of soortgelijke opleiding passend bij het vervolgberoep dat hij wil gaan doen, bij de onderwijsinstelling die deze opleiding in de regio van huisvesting aanbiedt of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, met als doel het behalen van een diploma en (vervolgens) het vinden van een betaalde baan. Dit kan tevens een deeltijdopleiding zijn;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] ., (feit 1): van een bedrag van € 921,88 (negenhonderdeenentwintig euro en achtentachtig cent) (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019) ;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 921,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 18 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen voorwerp, te weten het op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. K. Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van den Ham-Pool, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.