Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2047

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
243739 KG RK 85-2020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in procedures betreffende het gezag niet in behandeling zal worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 243739 KG RK 85-2020

Beslissing van 11 maart 2020

in de zaak van

1 [verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [verzoeker 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [verzoeker 3] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

4. [verzoeker 4] ,

wonende te [woonplaats 4] ,

verzoekers tot wraking.

1 De procedure

1.1.

Op 10 februari 2020 hebben verzoekers het verzoek tot wraking gedaan van mr. J.H. Olthof, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaken die zijn geregistreerd onder:

[zaaknummer 1] ,

[zaaknummer 2] en

[zaaknummer 3] .

1.2.

Het wrakingsverzoek van verzoekers is op 4 maart 2020 met gesloten deuren behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekers 1 t/m 3;

- mw. [naam 1] , tante vaderszijde;

- dhr. [naam 2] (GI).

1.3.

Mr. Olthof heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

1.4.

Van het verhandelde ter mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de wrakingskamer de aanwezigheid van mw. [naam 1] niet toestaat omdat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek in vervolg op de behandeling van het onderliggend geschil door de kinderrechter, achter gesloten deuren plaatsvindt en mw. [naam 1] in deze procedure geen partij is. Verzoeker sub 2 heeft op die mededeling aanstonds de wrakingskamer gewraakt.

De wrakingskamer heeft medegedeeld dit wrakingsverzoek niet in behandeling te zullen nemen, omdat verzoeker sub 2 aldus misbruik maakt van het wrakingsrecht waardoor een ongerechtvaardigd oponthoud ontstaat. Verzoekers hebben vervolgens de zittingzaal verlaten.

1.5.

De beslissing is bepaald op vandaag.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekers leggen aan hun verzoek ten grondslag dat mr. Olthof in meerdere zittingen geen aandacht heeft besteed aan door verzoekers naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, waaruit volgens hen blijkt dat de GI (en Raad) niet naar feit en waarheid verklaart. Verzoekers willen en kunnen dit aantonen, doch daar hecht mr. Olthof geen belang aan en hij is hierin niet geïnteresseerd. Dat verzoekers een andere versie hebben en hun versie ook kunnen aantonen met bewijsvoering wordt telkenmale ten onrechte door mr. Olthof genegeerd en gepasseerd. Desondanks blijft mr. Olthof telkens en zonder enige (feiten) toetsing te hebben uitgevoerd van de door de GI/Raad naar voren gebrachte onjuiste gegevens uitgaan en past mr. Olthof meermaals de wet niet (conform) toe. Verzoekers kunnen dan ook niet anders concluderen dan dat mr. Olthof partijdig, niet onafhankelijk is, blindelings de kant van GI kiest en de wet niet (juist) toepast.

Hiermee wordt verzoekers hun recht op een eerlijk proces voor een onpartijdig en onafhankelijk rechter ontnomen. Verzoekers hebben getracht om te waarborgen dat ook zij een eerlijk proces krijgen voor een onpartijdig en onafhankelijk rechter, door mr. Olthof te verzoeken de inhoudelijke behandeling te laten plaatsvinden in een openbare zitting met getuigenverhoor van de Raad en GI in hun hoedanigheid van procespartijen. Zo wordt zeker gesteld en gewaarborgd dat de kinderrechter ter zitting door de GI (en Raad) eindelijk en enkel naar feit en waarheid wordt geïnformeerd.

Mr. Olthof kiest er echter voor het laten bestaan en laten voortbestaan van de bewezen knelpunten die juist in de weg staan aan een eerlijk proces voor alle procespartijen! Evenmin geeft mr. Olthof invulling aan zijn verantwoordelijkheid als rechter om zorg te dragen dat alleen naar de feiten wordt gekeken, dat hoor en wederhoor wordt toegepast, dat de beweringen van alle processpartijen - dus ook die van Raad/GI – worden getoetst op feit en waarheid en daarmee toont hij zich geen onpartijdig en onafhankelijk rechter.

3 Het standpunt van mr. Olthof

3.1.

Mr. Olthof heeft niet in de wraking berust. Hij stelt dat eerder door de advocaat van grootouders [grootouders ] hem bij brief van 9 januari 2020 is verzocht om zich te verschonen, op welk verzoek hij schriftelijk afwijzend heeft gereageerd. Mr. Olthof stelt dat de inhoud van het wrakingsverzoek in essentie gelijk is aan dat van het verschoningsverzoek en dat die inhoud hem geen aanleiding geeft zijn mening en standpunt met betrekking tot het door verzoekers gestelde te wijzigen en of nader te onderbouwen.

In de brief van 28 januari 2020 aan de advocaat heeft mr. Olthof zijn mening en standpunt als volgt verwoord, voor zover hier van belang: ‘Op dit moment zie ik geen aanleiding [… .] om mij te verschonen. Evenmin acht ik een openbare zitting wenselijk en of noodzakelijk in deze zaak waar het gaat om kindbeschermende maatregelen. De kindbelangen bij in het jeugdrecht gebruikelijke behandeling met gesloten deuren prevaleren boven de door u genoemde belangen om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in het openbaar, mogelijk met aanwezigheid van de pers, te behandelen. Evenmin zie ik op dit moment redenen om te bepalen dat de door u genoemde partijgetuigen onder ede ter zitting worden gehoord’.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.2.

Verzoekers wraken mr. Olthof omdat mr. Olthof weigert het verzoek, geregistreerd onder [zaaknummer 1] , in het openbaar te behandelen en weigert de procespartijen GI en de Raad als getuigen onder ede/belofte te horen. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de stellingen van de GI en de Raad op leugens en onwaarheden berusten en dat mr. Olthof deze stellingen, in het belang van de kinderen geformuleerd, nimmer als waarheidsgetrouw had mogen accepteren. De vraag die ter beantwoording voorligt is of mr. Olthof als rechter processuele beslissingen heeft genomen, die objectief doen twijfelen aan zijn partijdigheid.

4.3.

Op basis van artikel 803, lid 1 Rv geschiedt de mondelinge behandeling, in verband met de belangen van de minderjarigen, met gesloten deuren. De rechter kan evenwel op verzoek van belanghebbenden bepalen, dat de mondelinge behandeling geheel of gedeeltelijk openbaar is, indien zwaarwegende belangen bij openbaarheid daartoe aanleiding geven en de belangen als bedoeld in het eerste lid zich daartegen niet verzetten. Het enkele feit dat mr. Olthof processueel heeft besloten de inhoudelijke behandeling te doen laten plaatsvinden met gesloten deuren, betekent niet dat er objectief kan worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van mr. Olthof. Hetzelfde geldt voor de processuele beslissing van mr. Olthof om geen reden te zien de GI/Raad onder ede te horen. Op geen enkele wijze hebben verzoekers aannemelijk gemaakt dat mr. Olthof als rechter, tegen beter weten in en overduidelijk in strijd met de waarheid, beslissingen is blijven nemen die (aantoonbaar) niet passen binnen de bandbreedte van een (kinder)rechter en die hij toetsend aan de waarheid, beslist anders had moeten nemen. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.

4.4.

Verzoekers hebben reeds verschillende wrakingsverzoeken in procedures betreffende het gezag van de minderjarigen [minderjarigen] gedaan zonder naar behoren concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit in redelijkheid zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Dat leidt tot de conclusie dat verzoekers het middel van wraking gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 39 lid 4 Rv/515 lid 4 Sv/ 8:18 lid 4 Awb bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

wijst het wrakingsverzoek af;

4.2.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in procedures betreffende het gezag van de minderjarigen [minderjarigen] niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. A.E. Zweers, M.M. Verhoeven en L.M. Rijksen in tegenwoordigheid van de griffier R.B.M. Pillen en in openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.