Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1994

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
ak_20_997
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag afgifte Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) in verband met registratie relevante justitiële gegevens in JDS; binnen terugkijktermijn tweemaal met justitie in aanraking geweest, onder andere voor afpersing in vereniging met (dreiging met) geweld; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/997

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. T.R. Oude Veldhuis,

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om afgifte van een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 4 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

2. Niet ter discussie staat dat dat verzoekers arbeidscontract met PostNL B.V. per 14 juni 2020 afloopt en uitsluitend in geval van tijdige overlegging van een VOG zal worden verlengd. Gelet daarop is er sprake van een spoedeisend belang van verzoeker.

3. Omdat de stukken in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad, zal de voorzieningenrechter, gelet op het aanwezige spoedeisend belang, op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder zitting.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

5. Verzoeker heeft op 15 november 2019 een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG ten behoeve van een functie als pakkettenbezorger bij Koninklijke PostNL B.V. (hierna: PostNL).

6. Bij het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat in de terugkijktermijn van vier jaar die in dit geval voor de beoordeling geldt, relevante justitiële gegevens over verzoeker zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: JDS).

Uit het JDS blijkt dat verzoeker bij strafbeschikking van 17 juni 2019 een geldboete van

€ 260, - is opgelegd wegens het besturen van een bromfiets terwijl de bromfiets de maximumconstructiesnelheid overschreed (artikel 5.6.8., eerste lid, van de Regeling voertuigen).

Op 22 maart 2019 is verzoeker veroordeeld voor afpersing in vereniging (artikel 312, tweede lid, aanhef en sub 2, juncto artikel 317, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht) tot een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen jeugddetentie waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is nog van kracht tot 5 april 2021.

Wat betreft de toetsing aan het objectieve criterium stelt verweerder dat uit het JDS blijkt dat verzoeker binnen de terugkijktermijn met justitie in aanraking is gekomen wegens afpersing in vereniging, een vermogensdelict dat gepaard gaat met geweld. Indien herhaald in de door verzoeker beoogde functie, bestaat een risico voor de veiligheid van contante en/of girale waarden en/of vertrouwelijk informatie en/of goederen. Dit risico is erin gelegen dat verzoeker waarden, informatie of goederen ontvreemdt of zijn functie misbruikt om zichzelf of anderen (financieel) te bevoordelen.

Daarnaast blijkt uit het JDS dat verzoeker met justitie in aanraking is gekomen wegens een verkeersdelict. Indien herhaald in de functie van pakkettenbezorger bestaat het risico dat verzoeker zich niet houdt aan de wegenverkeerswetgeving met alle risico’s van dien voor welzijn en veiligheid van medeweggebruikers.

Wat betreft de toetsing aan het subjectieve criterium, acht verweerder de verstreken periode sinds verzoeker voor het laatst met justitie in aanraking is gekomen, gelet op de terugkijktermijn, te kort om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG te rechtvaardigen.

Daarnaast is van belang dat bij verzoeker binnen de terugkijktermijn sprake was van een tweetal relevante antecedenten. Mede gelet op het beperkte tijdsverloop acht verweerder daarom de kans aanwezig dat verzoeker opnieuw met justitie in aanraking zal komen. Voor wat betreft de afdoening van de aangetroffen strafbare feiten concludeert verweerder uit de hoogte van de aan verzoeker bij de veroordeling van 22 maart 2019 opgelegde taakstraf dat dit vergrijp verzoeker door de rechter niet licht is aangerekend. Het Openbaar Ministerie heeft verzoeker het vergrijp overschrijding maximumsnelheid gezien de hoogte van de opgelegde strafbeschikking van 17 juni 2019 licht aangerekend.

Hieruit volgt dat sprake is van één niet licht vergrijp en één licht vergrijp. Verzoekers jeugdige leeftijd ten tijde van de justitiecontacten kan volgens verweerder niet in zijn voordeel worden meegenomen gelet op het tijdsverloop, de hoeveelheid strafbare feiten en het doel van de aanvraag.

Verweerder concludeert dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico’s zwaarder dient te wegen dan het belang dat verzoeker heeft bij afgifte van de VOG.

Verweerder stelt aan de omstandigheden waaronder de delicten zijn gepleegd niet toe te komen, nu verweerder na afweging van de subjectieve criteria tot de conclusie is gekomen dat er onvoldoende grondslag is om de VOG toe te wijzen.

Tot slot onderschrijft verweerder verzoekers standpunt niet dat hij door weigering van de VOG in zijn resocialisatie wordt belemmerd. In de toekomst kan verzoeker de gewenste functie alsnog gaan uitoefenen, indien hij gedurende de terugkijktermijn geen relevante justitie-contacten heeft. Bovendien betekent onderhavige weigering niet dat hij niet in aanmerking komt voor een VOG met een ander doel.

7. Verzoeker stelt dat er op basis van het subjectieve criterium onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheden van het geval die ertoe dienen te leiden dat de gevraagde VOG wordt verstrekt.

Verzoeker wijst in dat verband op zijn persoonlijke omstandigheden en belangen bij verstrekking van de VOG. Verzoeker ziet de ernst van zijn daad in en heeft veel spijt van het voorval. Verzoeker doet er alles aan om zijn leven weer op de rit te krijgen, onder meer door zijn werk als pakkettenbezorger bij PostNL. Verzoeker heeft het naar zijn zin bij PostNL en zou daar graag werkzaam blijven gedurende het volgende schooljaar waarin hij, na het huidige tussenjaar, alsnog zijn Havodiploma wil halen.

Verder baseert verweerder het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt dat het tijdsverloop sinds het laatste contact met justitie te kort is om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. De weigering van de VOG is, zonder dat dit specifiek wordt aangegeven, feitelijk gebaseerd op het niet lichte vergrijp. Dit feit is reeds gepleegd op 27 april 2018.

Op dit moment is er ruim twee jaar verstreken na de pleegdatum van het niet-lichte vergrijp, de helft van de terugkijktermijn. Deze tijd is niet te kort om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG te rechtvaardigen, zeker nu deskundigen/professionals aangeven er sprake is van een kleine kans op recidive. Verzoeker verwijst hierbij naar een brief van 27 november 2019 van een jeugdreclasseerder van Jeugdbescherming Overijssel en een getuigschrift op zijn naam van New York Pizza Enschede, waar hij 2 jaar naar volle tevredenheid van de werkgever als pizzabezorger heeft gewerkt.

Dat het Openbaar Ministerie het niet-lichte vergrijp bijna 1 jaar na pleegdatum pas heeft beslecht kan niet voor rekening van verzoeker komen. Voor zover het feit eerder was beslecht was de proeftijd van verzoeker nagenoeg afgelopen.

Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de jeugdige leeftijd van verzoeker tijdens het plegen van de delicten niet in diens voordeel kan werken. Het is bovendien niet in overeenstemming met het pedagogische doel van het jeugdstrafrecht. De leeftijd van verzoeker heeft een aanzienlijke rol gespeeld bij het plegen van het delict.

Tot slot bestaat er voldoende aanleiding om te twijfelen aan de vraag of een VOG dient te worden afgegeven, zodat de omstandigheden waaronder het niet-lichte strafbare feit is begaan in de oordeelsvorming betrokken dienen te worden, aldus verzoeker.

8.1

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 25 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3614) heeft overwogen komt verweerder ingevolge artikel 35 van de Wjsg beoordelingsvrijheid toe bij de vraag of de VOG moet worden geweigerd.

Daarom dient de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend te toetsen. Beoordeeld moet worden of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de gevraagde VOG diende te worden geweigerd.

Het objectieve criterium

8.2

Zoals verzoeker in het aanvullend beroepschrift van 13 mei 2020 aangeeft is niet in geschil dat verzoeker voldoet aan het objectieve criterium voor weigering van een VOG.

Het subjectieve criterium

8.3

Naar voorlopig oordeel heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de belangenafweging op grond van het subjectieve criterium een groter gewicht moet worden toegekend aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van verzoeker bij afgifte van een VOG.

Daarbij is allereerst van belang dat verzoeker binnen de terugkijktermijn twee keer met justitie in aanraking is geweest, onder andere voor afpersing in vereniging met (dreiging met) geweld en dat sprake is van een kort tijdsverloop van maximaal 1 jaar sinds verzoeker voor het laatst met justitie in aanraking is gekomen.

8.4

Dat verweerder voor wat betreft het tijdsverloop uitgaat van het laatste contact van verzoeker met justitie, acht de voorzieningenrechter niet onredelijk. Het betreft de strafbeschikking van 17 juni 2019 waarbij verzoeker een geldboete van € 260, - is opgelegd wegens het besturen van een bromfiets, terwijl de bromfiets de maximumconstructiesnelheid overschreed.

Naar voorlopig oordeel staat vast dat in het kader van toetsing aan het objectieve criterium dit een relevant justitieel gegeven is. Verzoeker bestrijdt dat ook niet.

Het toepasselijk wettelijk kader zoals uitgewerkt in de Beleidsregels biedt geen aanknopingspunten voor verzoekers standpunt dat voor wat betreft het tijdsverloop moet worden uitgegaan van het niet-lichte vergrijp, omdat de afwijzing van de VOG hoofdzakelijk daarop zou zijn gebaseerd. Zoals verweerder stelt is de afwijzing gebaseerd op alle relevante justitiële gegevens dus ook op het lichte vergrijp en wordt bij het vaststellen van het tijdsverloop uitgegaan van het laatste justitiecontact.

8.5

Verweerder heeft redelijkerwijs kunnen oordelen dat - afgezet tegen de terugkijktermijn van 4 jaar - het tijdsverloop van maximaal 1 jaar sinds de strafbeschikking te kort is om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen.

Aan de omstandigheid dat de jeugdreclasseerder van verzoeker de kans op herhaling laag inschat en de voormalig werkgever van verzoeker erg tevreden was over zijn functioneren en hem bij elke werkgever zou aanbevelen hoefde verweerder, gezien dat korte tijdsverloop, niet zodanig gewicht toe te kennen dat hij alsnog tot afgifte van de VOG diende over te gaan.

8.6

Voorts heeft verweerder in de door verzoeker gestelde onevenredige gevolgen van de weigering van de gevraagde VOG geen grond hoeven vinden om niettemin tot afgifte van een VOG over te gaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel hij het belang van verzoeker bij afgifte van de VOG erkent, verzoekers baan bij PostNL kan worden aangemerkt als bijbaan nu verzoeker, die nog bij zijn ouders woont, volgend jaar wil starten met een opleiding. Bovendien is het werk bij PostNL niet het enige werk dat verzoeker kan verrichten voorafgaand aan en tijdens zijn studie en is de VOG-aanvraag een momentopname, waarbij wordt uitgegaan van de op dat moment voorhanden zijnde gegevens en het door de werkgever aangegeven screeningsprofiel.

8.7

Aan de jeugdige leeftijd van verzoeker ten tijde van de afpersing in vereniging heeft verweerder, ondanks het gegeven dat dit feit verzoeker reeds door de rechter niet licht is aangerekend, geen doorslaggevende betekenis hoeven hechten gezien het geringe tijdsverloop, de ernst van het niet-lichte vergrijp en het feit dat er nog een proeftijd van kracht is tot 5 april 2021. Dat, zoals verzoeker stelt, hij thans volwassen is, hij heeft geleerd zijn grenzen aan te geven en zich niet meer zomaar laat meeslepen, acht verweerder terecht niet doorslaggevend. Tussen de datum waarop de VOG is aangevraagd en het laatste contact met justitie in 2019 is immers niet dusdanig veel tijd verstreken dat de huidige leeftijd en gestelde volwassenheid enig houvast biedt ten aanzien van verweerders beoordeling.

8.8

Verzoeker voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte niet de feiten en omstandigheden heeft onderzocht waaronder de strafbare feiten zijn begaan en stelt in dat verband dat hij zich heeft laten meeslepen door zijn vrienden en de spanning, zonder na te denken over de consequenties en dat hij zich op dat moment niet meer terug durfde te trekken.

8.9

De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat de feiten en omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan volgens paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels slechts in de beoordeling worden betrokken indien na weging van de subjectieve criteria niet tot een goede oordeelsvorming kan worden gekomen en twijfel bestaat of een VOG kan worden afgegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de VOG wordt geweigerd en dat bij verweerder geen twijfel bestaat over de vraag of de VOG kon worden afgegeven. Verweerder was dan ook niet gehouden om de omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden in de beoordeling te betrekken. Het betoog van verzoeker slaagt niet.

9. Het bestreden besluit is naar voorlopig oordeel rechtmatig.

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Artikel 36, eerste lid, van de Wjsg bepaalt, voor zover hier van belang, dat de minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis kan nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens worden als justitiële gegevens aangemerkt: alle beslissingen die door het openbaar ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van:

1. de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;

2. de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (Stcrt. 1 december 2017, nr. 68620 (hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels wordt, wanneer de aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: het JDS), de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een zogenoemde terugkijktermijn in acht genomen. De terugkijktermijn is in dit geval vier jaren.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd, indien aan

het objectieve criterium wordt voldaan. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of

de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.1 worden de relevante justitiële gegevens die voorkomen in het JDS op naam van de aanvrager, of die betrekking hebben op de betreffende rechtspersonen of daarmee gelijk gestelde organisaties meegewogen bij de beoordeling

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat

het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat aan het objectieve criterium wordt voldaan.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

Indien de aanvrager ten tijde van het plegen van een strafbaar feit minderjarig was, wordt dit in de beoordeling van de aanvraag betrokken.

In het geval dat na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en er twijfel is over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.