Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1992

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
AK_20_1052
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom bedrijfsactiviteiten bestaande uit op- en overslag en het zeven van grind, alsmede de grindwasserij direct te beëindigen; inmiddels aan deel lastgevingen voldaan; begunstigingstermijn voor verwijderen betonverharding in redelijkheid op 24 juni 2020 kunnen stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1052

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster 1] ., [verzoekster 2] ., [verzoekster 3] en [verzoeker] , allen te [plaats] , verzoekers,

gemachtigde: [naam]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Kruisselbrink.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers lasten onder dwangsom opgelegd, welke kort gezegd inhouden dat verzoekers de op het perceel [naam perceel] te [plaats] gebezigde bedrijfsactiviteiten, bestaande uit de op- en overslag en het zeven van grind, alsmede de grindwasserij dienen te beëindigen en beëindigd te houden. Tevens dienen de bouwwerken en verharding welke dienstig zijn aan die activiteiten te worden verwijderd.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter, is na kennisneming van het bezwaar, het verzoek om voorlopige voorziening, de door verweerder ingezonden stukken en het verweerschrift, tot de conclusie gekomen dat de standpunten van partijen duidelijk zijn, nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen niet in hun belangen worden geschaad indien gelet op het aanwezige spoedeisend belang bij het afkomen van een uitspraak, op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak wordt gedaan zonder zitting.

2. De voorzieningenrechter merkt voorts op dat het gelet op het belang van verzoekers bij een spoedige uitspraak niet wenselijk was om verdere vertraging op te lopen door derde belanghebbenden, die hebben aangedrongen op de handhaving, maar die nog niet als belanghebbenden in deze procedure zijn aangemerkt en zich ook overigens niet zelf als zodanig hebben gemeld, in dit stadium nog te vragen of men als partij wil deelnemen aan het geding en een reactie wenst te geven. Partijen zijn hierdoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet benadeeld.

3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4. Verzoekers voeren sinds 2012 op het perceel [naam perceel] te [plaats] bedrijfsactiviteiten uit, bestaande uit de op- en overslag en het zeven van grind, alsmede een grindwasserij, welke bedrijfsactiviteiten in strijd waren met het op 5 juli 2011 vastgestelde en destijds geldende bestemmingsplan “Buitengebied Avereest, locatie de Pol te Balkbrug”. Verweerder heeft geprobeerd die activiteiten te legaliseren middels de vaststelling van het bestemmingsplan “De Pol 1a te Balkbrug”.

5. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:372) zijn de raadsbesluiten van 4 juli 2017 en 21 mei 2019 tot vaststelling en de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “De Pol 1a te Balkbrug” vernietigd met als gevolg dat het bestemmingsplan “Buitengebied Avereest, locatie de Pol te Balkbrug” weer als het geldende bestemmingsplan moet worden aangemerkt.

6. Bij brief van 13 februari 2020 heeft verweerder, mede naar aanleiding van een verzoek van omwonenden om handhavend op te treden, verzoekers in kennis gesteld van die uitspraak en meegedeeld dat de bedrijfsactiviteiten, voor zover die bestaan uit de op- en overslag en het zeven van grind en de grindwasserij in strijd met dat bestemmingsplan zijn en niet kunnen worden voortgezet. Ook in een op 26 februari 2020 gehouden gesprek is verklaard dat de huidige bedrijfsvoering moet worden gestaakt.

7. Bij brief van 3 maart 2020 heeft verweerder verzoekers vervolgens meegedeeld voornemens te zijn om hun een vijftal lasten onder dwangsom op te leggen ten einde de strijdige bedrijfsactiviteiten te beëindigen en beëindigd te houden.

8. Na door verzoekers en omwonenden ingediende zienswijzen heeft verweerder verzoekers bij het bestreden besluit een vijftal lasten last onder dwangsom opgelegd, te weten:

1) om uiterlijk 31 maart 2020 de overtreding van artikel 3.1, sub a en 4.1, sub a van de planregels, juncto artikel 2.1, eerste lid, sub c van de van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), bestaande uit het aanvoeren van grind op het perceel, te staken en beëindigd te houden. Aan deze last is een dwangsom verbonden van € 25.000,- per week met een maximum van € 125.000,-;

2) om uiterlijk 31 maart 2020 de overtreding van artikel 3.1, sub a en 4.1, sub a van de planregels, juncto artikel 2.1, eerste lid, sub c en e van de Wabo, bestaande uit het in werking hebben van een grindwasbedrijf op het perceel en het gebruiken van de gronden daartoe, te staken en beëindigd te houden. Aan deze last is een dwangsom verbonden van € 25.000,- per week met een maximum van € 125.000,-;

3) om uiterlijk 25 mei 2020 de overtreding van artikel 3.1, sub a en 4.1, sub a van de planregels, juncto artikel 2.1, eerste lid, sub c en e van de Wabo, bestaande uit de op- en overslag van grind en de opslag van slib op het perceel te staken en beëindigd te houden. Aan deze last is een dwangsom verbonden van € 25.000,- per week met een maximum van

€ 125.000,-;

4) om uiterlijk 24 juni 2020 de overtreding van artikel 4.1, sub a van de planregels, juncto artikel 2.1, eerste lid, sub a en c van de Wabo, bestaande uit het aanleggen, plaatsen en gebruiken van een betonverharding met keerwanden (bestaande uit betonblokken) op de gronden met de bestemming “groen”, te staken en beëindigd te houden en die betonverharding, welke op de bij het besluit behorende plattegrondtekening 1 rood omlijnd en met rode arcering is weergegeven, en de keerwanden te verwijderen en verwijderd te houden.

Aan deze last is een dwangsom verbonden van € 10.000,- per week met een maximum van

€ 100.000,-; en

5) om uiterlijk 25 mei 2020 de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, sub a en c van de Wabo, bestaande uit het zonder omgevingsvergunning oprichten van de ter plaatse aanwezige grindwasinstallatie inclusief aggregaat, drie transportbanden, drie containers, vier vultrechters/grindsilo’s en een bezinktrechter, een en ander als aangeduid op de bij het besluit behorende plattegrondtekening 2, te staken en gestaakt te houden. Daarbij is aangegeven dat dit voor de grindwasinstallatie inhoudt dat deze binnen de gestelde termijn moet worden gedemonteerd en ontmanteld. Aan deze last is een dwangsom verbonden van

€ 10.000,- per week met een maximum van € 100.000,-.

9. Blijkens het verzoekschrift hebben verzoekers, ondanks het feit dat zij in bezwaar vermelden dat zij menen dat bepaalde activiteiten deels wel zouden kunnen worden toegestaan, inmiddels voldaan aan de lastgevingen met betrekking tot de punten 1, 2, 3 en 5 en hopen zij tijdens de bezwaarfase met verweerder te overleggen omtrent de mogelijkheden op het perceel. De voorzieningenrechter constateert dat het verzoek om een voorlopige voorziening enkel en alleen ziet op de gestelde begunstigingstermijn ten aanzien van de last onder dwangsom genoemd onder punt 4.

10. Verzoekers stellen dat het voor 24 juni 2020 verwijderen van de betonverhardingen, het afvoeren van het betonpuin, naast de reeds voor het voldoen aan de onder 1, 2, 3 en 5 genoemde lasten gemaakte kosten, tot extra hoge kosten leidt en voorts tot onomkeerbare gevolgen zal leiden. Ook stellen zij dat het opbreken en afvoeren van het betonpuin in een periode van 4 weken, gerekend vanaf 25 mei 2020 (de datum van het verzoek en het aanvullende bezwaarschrift) onredelijk en onnodig kort en onevenredig bezwarend is. Zij hopen in overleg met verweerder duidelijkheid te verkrijgen over de toekomstige mogelijk-heden op het perceel, waarbij wellicht ook een mogelijkheid bestaat om de betonverharding te behouden en voor een ander doel te gebruiken.

11. In het verweerschrift stelt verweerder dat niet in geschil is dat de aanwezigheid van een betonverharding op gronden met de bestemming “Groen” in strijd is met het bestemmingsplan “Buitengebied Avereest, locatie De Pol 1a te Balkbrug” en er dus sprake is van overtreding van artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo. Voorts heeft verweerder gewezen op zijn handhavingsplicht en de jurisprudentie dat de begunstigingstermijn zo kort mogelijk dient te zijn. Verweerder stelt dat de gegeven begunstigingstermijn van 3 maanden ruimschoots voldoende is. Ter onderbouwing heeft verweerder een opgave van een professioneel sloopbedrijf meegezonden waaruit blijkt dat voor het verwijderen van de betonverharding 6 á 7 dagen nodig zijn en in geval van complicaties het dubbele.

Verder wijst verweerder erop dat verzoekers reeds vanaf de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2020 rekening konden houden met het moeten verwijderen van de betonverharding en ziet verweerder gelet op de bestemming “Groen” geen mogelijkheden tot legalisatie.

12. De voorzieningenrechter constateert dat verzoekers niet betwisten dat de aanwezigheid van een betonverharding op gronden met de bestemming “Groen” een overtreding oplevert van artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo. De voorzieningenrechter neemt dit als uitgangspunt en beoordeelt in deze procedure uitsluitend of de begunstigingstermijn voor de last onder punt 4 evident onrechtmatig is en of het besluit in de bodemprocedure naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op dat punt overeind zal blijven.

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de begunstigings-termijn in redelijkheid op 24 juni 2020 kunnen stellen. Een termijn van drie maanden moet in beginsel voldoende zijn om de betonverharding te verwijderen. Voor het opheffen van de door verweerder geconstateerde overtreding is naar voorlopig oordeel van de voorzieningen-rechter geen langere termijn noodzakelijk.

14. Ten aanzien van de in geding zijnde belangen stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder en de omwonenden belang hebben bij het voortzetten van het handhavingstraject. Voor verweerder is daarbij relevant dat hij een beginselplicht heeft om handhavend op te treden tegen de bestaande illegale situatie en dat hij wil voorkomen dat met het voortduren van de overtreding een precedent wordt gecreëerd. Daar tegenover staat het belang van verzoekers die juist gebaat zijn bij het laten voortduren van de huidige situatie. Daarmee wordt immers voorkomen dat zij op korte termijn aan de last van verweerder moeten voldoen of dat zij dwangsommen verbeuren.

Verweerder stelt zich voorts naar het oordeel van de voorzieningenrechter – gelet op de gestrande poging om de bedrijfsactiviteiten van verzoekers in een bestemmingsplan te vatten – in redelijkheid op het standpunt dat legalisatie van de betonverharding op gronden met de bestemming “Groen” niet tot de mogelijkheden behoort. Dat verzoekers eerst op 25 mei 2020 een verzoek hebben ingediend, waardoor de resterende tijd om de betonverharding te verwijderen korter is geworden, maakt niet dat de termijn van drie maanden onredelijk, onnodig kort en onevenredig bezwarend is.

Verzoekers konden hier al sedert de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2020 rekening mee houden. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het belang van verweerder om gehoor te geven aan zijn beginselplicht tot handhaving zwaarder weegt dan het belang van verzoekers om de onrechtmatige situatie nog langer te laten voortduren om met verweerder in gesprek te kunnen gaan.

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier, op

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.