Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1972

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
7923338 \ CV EXPL 19-4200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisende partij spreekt bestuurders aan op betaling van de proceskostenveroordeling, waartoe de inmiddels ontbonden besloten vennootschap is veroordeeld. Hij baseert zijn vordering op bestuurdersaansprakelijkheid. De kantonrechter wijst de vordering af. Eisende partij was ten tijde van de vereffening nog geen schuldeiser. De bestuurders hebben niet onrechtmatig gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0188
OR-Updates.nl 2020-0238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 7923338 \ CV EXPL 19-4200

Vonnis van 9 juni 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. Y.H.P.M.J. Willems, advocaat in Etten-Leur, procederend op toevoeging, verleend door de Raad voor Rechtsbijstand op 18 februari 2019 met kenmerk 1IN7358,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [plaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats 3] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagden] ,

gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat in Deventer.

1 De procedure

1.1.

Eerder heeft de kantonrechter in deze zaak vonnis gewezen tussen partijen, dat is uitgesproken op 1 oktober 2019. In dat tussenvonnis heeft de kantonrechter besloten dat de zaak zich leent voor een mondelinge behandeling (comparitie van partijen).

1.2.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Daarna heeft de kantonrechter de zaak naar de rol verwezen, zodat partijen zich nog kunnen uitlaten over een onderdeel van het debat (de liquidatiebalans). De kantonrechter heeft vervolgens opnieuw kennisgenomen van de gedingstukken, waaronder nu ook:

- de akte van [eiser] van 24 december 2019

- de antwoordakte van [gedaagden] van 25 februari 2020

- de akte na productie van [eiser] van 10 maart 2020

- de antwoordakte van [gedaagden] daarop van 14 april 2020.

1.3.

De kantonrechter acht zich hiermee voldoende ingelicht om vonnis te wijzen. Dat is niet gelukt op de datum die eerder aan partijen is meegedeeld, maar wordt vandaag gewezen.

2 De beoordeling

2.1.

[gedaagden] zijn bestuurders (geweest) van Agricom Holding B.V., gevestigd in Breda. Agricom is in het verleden – vermoedelijk in 2014 – een gerechtelijke procedure begonnen tegen [eiser] . Zij stelde dat [eiser] een bedrag van € 33.000,00 aan haar verschuldigd was, omdat hij dat bedrag eerder van Agricom had geleend. In het eindvonnis van 20 juni 2018 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, is Agricom in het ongelijk gesteld. Agricom is in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft die kosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 77,00 voor griffierecht en € 4.053,00 wegens salaris gemachtigde, in totaal € 4.130,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 5 juli 2018.

2.2.

Agricom is ontbonden bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders met ingang van 1 maart 2017. De registratie van Agricom B.V. in het Handelsregister is met ingang van 31 mei 2017 geëindigd ‘in verband met het einde liquidatie met ingang van 24 mei 2017’.

Wat [eiser] wil.

2.3.

[eiser] heeft Agricom herhaaldelijk verzocht de proceskosten aan hem te vergoeden. Pas eind oktober 2018 is hem gebleken dat Agricom is opgehouden te bestaan. [eiser] wil nu dat [gedaagden] als haar voormalige bestuurders c.q. vereffenaars worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.130,00 aan schade-vergoeding. [eiser] vindt dat zij onrechtmatig hebben gehandeld. Daarnaast wil [eiser] dat [gedaagden] de buitengerechtelijke incassokosten (€ 538,00) en proceskosten aan hem vergoedt.

Het verweer daartegen.

2.4.

[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat zij niet onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Het is juist dat Agricom in het voorjaar van 2017 in liquidatie is gegaan. In de periode waarin het vermogen van Agricom is vereffend, had [eiser] zich niet gemeld als schuldeiser. Een spontane mededelingsverplichting, dat de besloten vennootschap tijdens de gerechtelijke procedure is ontbonden, bestaat niet, zo zeggen [gedaagden] . Verder menen [gedaagden] dat [eiser] geen schade heeft geleden. Op de eerste plaats heeft hij € 33.000,00 geleend van Agricom. Dat geld heeft hij niet terugbetaald. Op de tweede plaats, zo stellen [gedaagden] , heeft [eiser] geprocedeerd op basis van een toevoeging. Hij heeft geen salaris advocaat hoeven te betalen. Dat kan hij dus in deze procedure niet als schadevergoeding eisen.

Het oordeel van de kantonrechter.

2.5.

De kantonrechter wijst de vordering af. [eiser] wordt in het ongelijk gesteld. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van deze procedure, die aan de kant van [gedaagden] worden begroot op € 720,00. Hierna zal de kantonrechter zijn oordeel toelichten.

Is er sprake van onrechtmatig handelen?

2.6.

Vaststaat dat Agricom een bedrag aan proceskostenvergoeding moet betalen aan [eiser] , omdat het vonnis van 20 juni 2018 onherroepelijk is. [eiser] stelt in deze procedure dat [gedaagden] als bestuurders (persoonlijk) aansprakelijk kunnen worden gehouden voor deze betalingsverplichting, op de grond dat zij in hun hoedanigheid van bestuurders/vereffenaars onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] . [gedaagden] hebben nagelaten [eiser] in te lichten dat Agricom is ontbonden. Zij hebben het vermogen van die vennootschap vereffend, terwijl er nog een gerechtelijke procedure aanhangig was. Het gevolg is dat Agricom haar verplichting tot betaling van de proceskostenvergoeding niet kan nakomen. Van die handelwijze valt [gedaagden] een persoonlijk en ernstig verwijt te maken, aldus [eiser] . Daarom zijn zij nu gehouden tot het betalen van de schade die [eiser] heeft geleden, en dat is de niet-betaalde proceskostenvergoeding van € 4.130,00, zo stelt [eiser] .

2.7.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandig-heden van het geval. Die omstandigheden zijn hier de volgende. In 2014 is Agricom een gerechtelijke procedure tegen [eiser] begonnen teneinde betaling te verkrijgen van € 33.000,00. [eiser] heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat Agricom die procedure tegen beter weten in is begonnen. Het was met andere woorden geen bij voorbaat kansloze zaak. Agricom heeft haar zaak verloren omdat zij haar stellingen onvoldoende had bewezen. Er moest bewijs geleverd worden door getuigen, die in het buitenland verbleven, en daarbij stuitte Agricom op enkele moeilijkheden. Maar dat Agricom haar zaak heeft verloren, betekent nog niet dat [gedaagden] als bestuurders een persoonlijk en ook ernstig verwijt valt te maken van de daardoor veroorzaakte proceskosten aan de zijde van [eiser] .

2.8.

In de loop van deze gerechtelijke procedure heeft Agricom in 2017 het ontbindings-besluit genomen. [gedaagden] hebben opgetreden als vereffenaars van het vermogen van de vennootschap. Van het besluit tot ontbinding en van de vereffening van het vermogen van de vennootschap hebben [gedaagden] geen melding gemaakt in de gerechtelijke procedure tegen [eiser] . De kantonrechter overweegt dat die mededeling misschien wel had gemoeten, maar dat het achterwege laten daarvan niet kan worden aangemerkt als het schadeveroorzakend handelen. Daarvoor is van belang dat de procedure al enkele jaren in beslag nam en [eiser] gedaagde partij was. Agricom verwachtte dus een bate. Ook als Agricom, [gedaagde 1] of [gedaagde 2] melding hadden gemaakt van het ontbindingsbesluit was, naar mag worden aangenomen, die procedure voortgezet.

2.9.

Een ander verwijt dat [eiser] [gedaagden] maakt is dat er volgens hem geen vereffeningsprocedure heeft plaatsgevonden, althans dat de vereffenaars de mogelijke uitkomst van de gerechtelijke procedure daarin niet hebben meegewogen. Niet in positieve zin (een bate van € 33.000,00), maar ook niet in negatieve zin (een mogelijke proceskostenveroordeling). [eiser] was ten tijde van de vereffening van het vermogen van de besloten vennootschap echter nog geen schuldeiser. De proceskostenveroordeling volgde immers pas ruim een jaar later. [gedaagden] kan naar het oordeel van de kantonrechter geen persoonlijk en ernstig verwijt worden gemaakt van het voltooien van de vereffening, vooruitlopend op het eindvonnis. Daarover hebben [gedaagden] toegelicht dat het in stand houden van de vereffening voor enkel de procedure tegen [eiser] niet zinvol was, omdat dit de enige bate betrof. Dat heeft [eiser] weliswaar weersproken, omdat Agricom nog een vordering zou hebben op Cardioscan. [eiser] verwijst daarvoor naar een verklaring van [gedaagde 1] , die hij heeft afgelegd op 21 juni 2017 tijdens het getuigenverhoor. Maar [gedaagde 1] stelt nu dat hij zich destijds heeft vergist, de vordering is niet opgenomen op de liquidatiebalans en [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan blijken dat en hoe hoog deze vordering van Agricom op Cardioscan was. Bovendien gaat het bij de vereffening van het vermogen van een besloten vennootschap om het zoveel mogelijk voldoen van de schuldeisers. Die waren er ten tijde van de vereffening niet en dus mochten [gedaagden] de vereffening voltooien. De kantonrechter gaat ook aan dit verwijt van [eiser] voorbij.

2.10.

Al met al heeft [eiser] onvoldoende gesteld onderbouwd dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld en dat hen daarvan een persoonlijk en ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarom wordt de vordering afgewezen.

2.11.

Overigens is het in dit geval maar de vraag of Agricom niet in staat is om de proceskostenveroordeling aan [eiser] te voldoen. Op de liquidatiebalans is vermeld dat Agricom een ‘vordering op moedermaatschappij’ van € 11.727,00 heeft. Of de vereffenaars die vordering hebben geïnd, is onduidelijk. De (mogelijke) aanwezigheid van baten kan voor schuldeisers van Agricom aanleiding geven om de vereffening te laten heropenen. Die procedure is hier echter niet aan de orde.

2.12.

[eiser] is de verliezende partij en wordt daarom in de kosten van deze procedure veroordeeld. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 720,00 wegens salaris gemachtigde (3,0 punten maal tarief € 240,00). Die proceskosten-veroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagden] daarom niet hebben gevraagd.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 720,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni2020 (CT)