Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1943

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
05.202089.19, 08.150931.19 (gevoegd ttz), 05.306137.19 (gevoegd ttz), 05.029104.20 (gevoegd ttz), 08.094347.20 (gevoegd ttz), 05.189274.18 (vordering TUL) en 08.078443.17 (vordering TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 18-jarige jongen tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De jongen heeft zich schuldig gemaakt aan in totaal 21 misdrijven, waarvan een grootdeel vermogens- en geweldsdelicten. Zo lichtte hij meerdere mensen op via Markplaats en WhatsApp. Naast de voorwaardelijke jeugddetentie moet hij zich houden aan bijzondere voorwaarden, waaronder zich ambulant laten behandelen. Ook moet hij de slachtoffers een schadevergoeding betalen van in totaal bijna 2000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd - Meervoudige Kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 05.202089.19, 08.150931.19 (gevoegd ttz), 05.306137.19 (gevoegd ttz), 05.029104.20 (gevoegd ttz), 08.094347.20 (gevoegd ttz), 05.189274.18 (vordering TUL) en 08.078443.17 (vordering TUL) (P)

Datum vonnis: 8 juni 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren van 25 mei 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.P. Dronkers en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

De rechtbank overweegt dat meerdere strafzaken tegen verdachte afzonderlijk zijn aangebracht op dezelfde zitting. Uitgangpunt is dat meerdere strafzaken van één verdachte gevoegd worden behandeld. Ook in de strafzaken tegen verdachte is voeging in het belang van het onderzoek ter zitting. Daarom beveelt de rechtbank dat de strafbare feiten gevoegd worden behandeld.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 25 mei 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

In de zaak met parketnummer 08.150931.19

feit 1: een creditcard heeft gestolen, verduisterd of bij zich heeft gehad terwijl hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was;

feit 2 en feit 3: zich (met anderen) schuldig heeft gemaakt aan Marktplaatsfraude met spellen voor een Nintendo Switch;

feit 4: zich schuldig heeft gemaakt aan Marktplaatsfraude met [pretpark] tickets;

feit 5: 1,15 gram cocaïne bij zich heeft gehad;

feit 6 en feit 7: zich (met anderen) schuldig heeft gemaakt aan WhatsApp-fraude;

In de zaak met parketnummer 05.202089.19:

met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen een persoon;

In de zaak met parketnummer 05.306137.19:

twee politiemedewerkers heeft beledigd;

In de zaak met parketnummer 05.029104.20:

feit 1: met anderen in totaal twaalf personen heeft opgelicht bij de aankoop van een luchtreiniger, spellen voor een Nintendo Switch of een PlayStation via Marktplaats, of subsidiair daaraan medeplichtig is geweest door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en pincode;

feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door geldbedragen op zijn bankrekening te ontvangen terwijl hij wist dat die van misdrijf afkomstig waren, of subsidiair daaraan medeplichtig is geweest door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en pincode;

In de zaak met parketnummer 08.094347.20:

iemand heeft bedreigd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

In de zaak met parketnummer 08.150931.19

1

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2019 tot en met 15 april 2019 te Zwolle, althans in Nederland, één creditcard (t.n.v. [aangever 1] , bank ING), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2019 tot en met 15 april 2019 te Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk één creditcard (t.n.v. [aangever 1] , bank ING), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp/onderpand, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2019 tot en met 15 april 2019 te Zwolle, althans in Nederland een goed te weten één creditcard (t.n.v. [aangever 1] , bank ING) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2

hij op of omstreeks 28 juni 2018 te Zwolle en/of IJmuiden, gemeente Velsen, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige

kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 35 euro, door

- gebruik te maken van een valse naam, te weten [alias 1 verdachte] en/of

- ( vervolgens) met gebruikmaking van deze naam op het internet, te weten op de website [website] een advertentie te plaatsen waarin een computerspellen werden aangeboden,

- via e-mail contact te onderhouden en/of overleg te voeren en/of informatie te verschaffen over de wijze van en/of het tijdstip van levering en/of betaling van die aangeboden computerspellen en/of

- daarbij toe te zeggen dat deze goederen na ontvangst van betaling zouden worden toegezonden en/of geleverd en/of

- daarbij een bankrekening, te weten [rekeningnummer 1] op/door te geven, waarop het te betalen aankoopbedrag (inclusief verzendkosten) kon worden overgeboekt en/of gestort en over welke rekening hij, verdachte, de beschikking had en/of

- daarbij zich voor te doen als eigenaar/bezitter en/of als bonafide/betrouwbare verkoper van die computerspelen en/of

- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij die [aangever 2] dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden/leveren;

3

hij op of omstreeks 28 juni 2018 te Zwolle en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 35 euro, door

- gebruik te maken van een valse naam, te weten [alias 1 verdachte] en/of

- ( vervolgens) met gebruikmaking van deze naam op het internet, te weten op de website [website] een advertentie te plaatsen waarin een computerspellen werden aangeboden,

- via e-mail contact te onderhouden en/of overleg te voeren en/of informatie te verschaffen over de wijze van en/of het tijdstip van levering en/of betaling van die aangeboden computerspellen en/of

- daarbij toe te zeggen dat deze goederen na ontvangst van betaling zouden worden toegezonden en/of geleverd en/of

- daarbij een bankrekening, te weten [rekeningnummer 1] op/door te geven, waarop het te betalen aankoopbedrag (inclusief verzendkosten) kon worden overgeboekt en/of gestort en over welke rekening hij, verdachte, de beschikking had en/of

- daarbij zich voor te doen als eigenaar/bezitter en/of als bonafide/betrouwbare verkoper van die computerspelen en/of

- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij die [aangever 3] dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daandwerkelijk zou toezenden/leveren;

4

hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Zwolle en/of Lopik, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 60 euro, door

- gebruik te maken van een valse naam, te weten [alias 2 verdachte] en/of

- ( vervolgens) met gebruikmaking van deze naam op het internet, te weten op de website [website] een advertentie te plaatsen waarin één of meer [pretpark] tickets werden aangeboden,

- via e-mail contact te onderhouden en/of overleg te voeren en/of informatie te verschaffen over de wijze van en/of het tijdstip van levering en/of betaling van die aangeboden [pretpark] tickets en/of

- daarbij toe te zeggen dat deze goederen na ontvangst van betaling zouden worden toegezonden en/of geleverd en/of

- daarbij een bankrekening, te weten [rekeningnummer 1] (ten name van: [medeverdachte] ) op/door te geven, waarop het te betalen aankoopbedrag (inclusief verzendkosten) kon worden overgeboekt en/of gestort en over welke rekening hij, verdachte, de beschikking had en/of

- daarbij zich voor te doen als eigenaar/bezitter en/of als bonafide/betrouwbare verkoper van die [pretpark] tickets en/of

- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij die [aangever 4] dat hij, verdachte, de te koop

aangeboden goederen na betaling daandwerkelijk zou toezenden/leveren;

5

hij op of omstreeks 15 april 2019 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,15 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6

hij op of omstreeks 28 oktober 2018 te Zwolle en/of Alkmaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten één geldbedrag van 871,87 euro en/of een geldbedrag van 761,99 euro, door

- zich (valselijk) via telefoonnummer: [telefoonnummer 1] op whatsapp uit te geven als [naam 1]

(stiefmoeder van aangeefster) waarbij ook een profielfoto van [naam 1] was geplaatst en/of

(vervolgens)

- via whatsapp een gesprek te starten met -zakelijk weergegeven- de volgende inhoud:

* dat ze een nieuw telefoonnummer heeft en/of

* dat ze van provider is gewisseld en/of

* dat er nog één of meer rekeningen met spoed betaald moesten worden en/of

* dat er een storing was met internetbankieren en nu (dus) geen betalingen kan doen en/of

* dat zij verzocht om de volgende geldbedragen 871,81 euro en/of 761,99 euro over te maken op rekeningnummer: [rekeningnummer 2] ten name van [medeverdachte]

* dat ze die geldbedragen de volgende dag dan wel zo snel mogelijk (als de storing met

internetbankieren weer was verholpen) zou terugstorten;

7

hij op of omstreeks 24 oktober 2018 te Zwolle en/of Twello, gemeente Voorst, althans in

Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige

kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten één geldbedrag van 461,99 euro en/of één geldbedrag van 411,71 euro, door

- zich (valselijk) via telefoonnummer: [telefoonnummer 2] op whatsapp uit te geven als [naam 2] (zus van aangeefster) waarbij ook een profielfoto van die [naam 2] was geplaatst en/of (vervolgens)

- via whatsapp een gesprek te starten met -zakelijk weergegeven- de volgende inhoud:

* dat ze een nieuw telefoonnummer heeft en/of

* dat ze van provider is gewisseld en/of

* dat er nog één of meer rekeningen met spoed betaald moesten worden en/of

* dat er een storing was met internetbankieren en nu (dus) geen betalingen kan doen en/of

* dat zij verzocht om de volgende geldbedragen 461,99 euro en/of 411,71 euro over te maken op rekeningnummer: [rekeningnummer 3] ten name van [naam 3] en/of

* dat ze die geldbedragen de volgende dag dan wel zo snel mogelijk (als de storing met

internetbankieren weer was verholpen) zou terugstorten;

In de zaak met parketnummer 05.202089.19:

hij op of omstreeks 2 juni 2019 te Zwolle, openlijk, te weten, [slachtoffer 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [slachtoffer 1] door

- meerdere malen, althans éénmaal (met gebalde vuist) op/tegen/in het gezicht, althans hoofd te slaan en/of

- meerdere malen, althans éénmaal (met gebalde vuist) op/tegen het lichaam te slaan en/of

- meerdere malen (met geschoeide voet) op/tegen het lichaam te schoppen/trappen en/of

- ( terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag) (met geschoeide voet) te schoppen/trappen op/tegen het hoofd en/of het lichaam en/of

- ( terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag) een kopstoot te geven;

In de zaak met parketnummer 05.306137.19:

hij op of omstreeks 27 december 2019 te Apeldoorn, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en),te weten de hoofdagent(en) van Politie Eenheid Oost-Nederland genaamd [verbalisant 1] en/of
[verbalisant 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Sukkeltjes", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

In de zaak met parketnummer 05.029104.20

1

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens)

- [aangever 7] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van enig (onbekend gebleven) (giraal) geldbedrag, en/of

- [aangever 8] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 150 euro, en/of

- [aangever 9] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 31,45 euro, en/of

- [aangever 10] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 33,95 euro, en/of

- [aangever 11] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 65 euro, en/of

- [aangever 12] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 30 euro, en/of

- [aangever 13] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 150 euro, en/of

- [aangever 14] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 33,80 euro, en/of

- [aangever 15] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 40 euro, en/of

- [aangever 16] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 150 euro, en/of

- [aangever 17] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 120 euro, en/of

- [aangever 18] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 33,80 euro, en/of

- een of meer (andere) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) heeft bewogen tot een afgifte van een of meer (girale) geldbedrag(en),

door met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- via webshops, (telkens) aan voornoemd(e) perso(o)n(en) (een) goed(eren) aan te bieden, te weten een of meerdere (computer)spel(len) en/of een Playstation 4 en/of een luchtreiniger van het merk/type Dyson, terwijl hij, verdachte, dit/deze goed(eren) niet in zijn bezit had, en/of

- voornoemd(e) goed(eren) (telkens) aan te bieden handelend onder een valse naam, te weten (onder meer) [alias 3 verdachte] , [alias 4 verdachte] , [alias 5 verdachte] en/of [alias 6 verdachte] , als ware dit zijn eigen naam, en/of onder een valse hoedanigheid, te weten als vrouw en/of als de vader van [verdachte] , en/of

- ( daarbij) aan voornoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) een vals/valselijk woonadres op te geven als ophaaladres en/of als zijn eigen woon-/verblijfplaats, te weten in Den burg, Maastricht, Schaijck en/of Rijswijk

- ( vervolgens) een of meer bestellingen van voornoemd(e) goed(eren) te accepteren en/of

- ( vervolgens) af te spreken dat voornoemd(e) perso(o)n(en) de koopsom (of een deel daarvan) moest(en) overmaken naar een door hem, verdachte, opgegeven en aan hem, verdachte, toebehorend rekeningnummer, en/of

- ( daarbij) aan voornoemd(e) perso(o)n(en) toe te zeggen dat hij, verdachte, (het) betreffende goed(eren) zou toezenden, waardoor die perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of

- ( vervolgens) voornoemd(e) goed(eren) niet aan voornoemde betrokken(e) te leveren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (onbekend gebleven) dader(s), op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018 te Zwolle, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens)

- [aangever 7] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van enig (onbekend gebleven) (giraal) geldbedrag, en/of

- [aangever 8] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 150 euro, en/of

- [aangever 9] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 31,45 euro, en/of

- [aangever 10] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 33,95 euro, en/of

- [aangever 11] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 65 euro, en/of

- [aangever 12] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 30 euro, en/of

- [aangever 13] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 150 euro, en/of

- [aangever 14] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 33,80 euro, en/of

- [aangever 15] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 40 euro, en/of

- [aangever 16] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 150 euro, en/of

- [aangever 17] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 120 euro, en/of

- [aangever 18] via een webshop, te weten Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal ongeveer) 33,80 euro, en/of

- een of meer (andere) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) heeft bewogen tot een afgifte van een of meer (girale) geldbedrag(en),

door met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- via webshops, (telkens) aan voornoemd(e) perso(o)n(en) (een) goed(eren) aan te bieden, te weten een of meerdere (computer)spel(len) en/of een Playstation 4 en/of een luchtreiniger van het merk/type Dyson, terwijl hij, verdachte, dit/deze goed(eren) niet in zijn bezit had,

en/of

- voornoemd(e) goed(eren) (telkens) aan te bieden handelend onder een valse naam, te weten (onder meer) [alias 3 verdachte] , [alias 4 verdachte] , [alias 5 verdachte] en/of [alias 6 verdachte] , als ware dit zijn eigen naam, en/of onder een valse hoedanigheid, te weten als vrouw en/of als de vader van [verdachte] , en/of

- ( daarbij) aan voornoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) een vals/valselijk woonadres op te geven als ophaaladres en/of als zijn eigen woon-/verblijfplaats, te weten in Den burg, Maastricht, Schaijck en/of Rijswijk

- ( vervolgens) een of meer bestellingen van voornoemd(e) goed(eren) te accepteren en/of

- ( vervolgens) af te spreken dat voornoemd(e) perso(o)n(en) de koopsom (of een deel daarvan) moest(en) overmaken naar een door hem, verdachte, opgegeven en aan hem, verdachte, toebehorend rekeningnummer en/of

- ( daarbij) aan voornoemd(e) perso(o)n(en) toe te zeggen dat hij, verdachte, (het) betreffende goed(eren) zou toezenden, waardoor die perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of

- ( vervolgens) voornoemd(e) goed(eren) niet aan voornoemde betrokken(e) te leveren

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018 te Zwolle althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn, verdachtes, bankrekening en/of (bijbehorende) pincode ter beschikking te stellen aan een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en);

2

hij in of omstreeks de periode van 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018, te Zwolle, althans in Nederland, (telkens)

- een voorwerp, te weten een geldbedrag (in totaal ongeveer 1325,85), heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag voorhanden heeft gehad, en/of

- een voorwerp, te weten een geldbedrag (in totaal ongeveer 1325,85, althans ten minste 100 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, omgezet en/of van voornoemd geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (onbekend gebleven) dader(s) in of omstreeks de periode van 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018 te Zwolle, althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag (in totaal ongeveer 1325,85, althans ten minste 100 euro), heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018 te Zwolle althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn, verdachtes, bankrekening en/of (bijbehorende) pincode ter beschikking te stellen aan een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en);

In de zaak met parketnummer 08.094347.20:

hij op of omstreeks 21 maart 2020 te Zwolle [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een bijl in de hand voor/nabij die [slachtoffer 2] te staan en/of (vervolgens) daarbij/voorafgaand/daarna dreigend de woorden toe te voegen "Jij wilde de deur niet open doen, ik sla je bek in", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

In de zaak met parketnummer 08.150931.19

4.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt de feiten 2, 3, 4, 5, 6 en 7 te bewijzen. Ten aanzien van de feiten 6 en 7 heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte als medepleger van deze feiten kan worden aangemerkt omdat de modus operandi bij deze feiten dezelfde is, dat verdachte mee is geweest met het pinnen en heeft meegedeeld in de opbrengst. Van feit 1 wordt verdachte wat de officier van justitie betreft vrijgesproken.

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat verdachte van de feiten 1, 6 en 7 moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 6 zou verdachtes betrokkenheid hooguit als medeplichtigheid kunnen worden aangeduid, maar dat wordt hem niet verweten. Ten aanzien van de andere feiten heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoegd.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Met de officier van justitie en raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend is dat verdachte zich aan dit feit schuldig heeft gemaakt. Daarom zal de rechtbank hem van dit feit vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , pagina 155 tot en met 157;

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte] , pagina 94 en 95;

  • -

    De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 25 mei 2020.

Feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , pagina 160 tot en met 162;

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte] , pagina 94 en 95 (met bijlage);

  • -

    De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 25 mei 2020.

Feit 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] , pagina 165 tot en met 167;

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte] , met bijlage, pagina 94 tot en met 98;

  • -

    De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 25 mei 2020.

Feit 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal, onderdeel ‘incidenten verdachte [verdachte] ’, pagina 4;

  • -

    Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, pagina 40;

  • -

    Het proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 202;

  • -

    Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 208 tot en met 210;

  • -

    De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 25 mei 2020.

Feit 6

Door [aangever 5] is in haar aangifte2 onder meer het volgende verklaard: ‘Op zondag 28 oktober 2018, omstreeks 18:06 uur, ontving ik via whatsapp vanaf telefoonnummer [telefoonnummer 1] een bericht met daarin de volgende tekst: Hoi [aangever 5] ik ben overgestapt van provider bij deze is dus het nummer gewijzigd hierbij stonden twee emoji's duimpje en kusje. Hierna meteen nog een appje met daarin het oude kan weg. Ik zag als profilefoto de foto van mijn stiefmoeder genaamd [naam 1] . De naam stond er niet bij maar wel haar profilefoto. (..) Ik kreeg een verzoek of ik wegens een storing twee rekeningen wilde betalen. Ik zou deze de volgende dag terug krijgen. (..) Ik heb op zondag 28 oktober 2018 omstreeks 18:30 uur twee bedragen overgemaakt (..) naar: Naam: [medeverdachte] Ibannummer [rekeningnummer 1] ’. Later heeft [aangever 5] haar stiefmoeder gebeld, die wist van niets.

Op 29 oktober 2018 is € 762,99 en € 871,87 van [aangever 5] ontvangen op deze bankrekening.3

Tijdens de zitting van 25 mei 2020 heeft verdachte verklaard dat via Telegram werd gevraagd of iemand een bankrekening en pinpas van ABN-AMRO kon regelen, van iemand die 18+ was. Op die rekening zou € 20.000,-- gestort worden en degene die dat kon regelen zou de helft van dat geld krijgen. Verdachte heeft de gegevens van de bankrekening van [medeverdachte] doorgegeven en het geld vervolgens van deze rekening gepind. Hiervoor heeft verdachte € 300,-- gekregen.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte degene is die aangever [aangever 5] heeft benaderd en zich daarbij heeft voorgedaan als haar stiefmoeder. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachtes bijdrage aan het delict van zodanig gewicht is dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, en dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Verdachte heeft immers een bankrekening geregeld bij ABN-AMRO van iemand van 18+. Vervolgens is aangeefster, door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, bewogen om geld over te maken naar deze bankrekening. Vervolgens heeft verdachte dit geld gepind en afgegeven. Daarmee heeft verdachte een essentiële en onmisbare rol vervuld bij en daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd aan de oplichting. Bovendien heeft verdachte hiervoor geld ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat ook het vereiste opzet bij verdachte aanwezig was. Via Telegram werd immers gevraagd – door een voor verdachte onbekend persoon – om een bankrekening van ABN-AMRO van iemand van 18+. Op die rekening zou € 20.000,-- worden gestort en daarvoor werd verdachte € 10.000,-- in het vooruitzicht gesteld. De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat onder die omstandigheden geen sprake kan zijn van legale transacties. Het kan daarom niet anders of verdachte wist ook, of heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard, dat deze bankrekening zou worden gebruikt voor het plegen van de oplichting.

Feit 7

Ten aanzien van dit feit vindt de officier van justitie dat verdachte als medepleger moet worden aangemerkt. De rechtbank overweegt dat er aanwijzingen zijn voor een bepaalde betrokkenheid van verdachte bij dit feit, echter is medeplegen (evenals medeplichtigheid) hem niet ten laste gelegd. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte alle bestanddelen van de tenlastelegging zelf heeft vervuld. Dat betekent dat hij niet als pleger kan worden aangemerkt. Daarom dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

4.2

In de zaak met parketnummer 05.202089.19

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dit feit te bewijzen.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte slechts een beperkte rol bij het gepleegde geweld heeft gehad.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 101 en 102;

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 91 en 92;

  • -

    De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 25 mei 2020.

Bewijsoverwegingen

Voor de bewezenverklaring van het openlijk in vereniging plegen van geweld is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking binnen een groep waarvan geweld uitgaat. Het opzet van de dader moet gericht zijn op het geweld en zijn bijdrage daaraan. Ook moet hij materieel aan het geweld hebben bijgedragen door zelf geweld te gebruiken, of een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het geweld van anderen. Daarbij is alleen het deel uitmaken van een groep waarvan geweld uitgaat op zichzelf niet voldoende. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte zelf geleverde bijdrage aan het geweld van voldoende gewicht is.

De rechtbank overweegt dat uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat op [plein] in Zwolle door een in homogeen verband opererende groep personen openlijk geweld is gepleegd tegen aangever [slachtoffer 1] . Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat dit geweld heeft plaatsgevonden van 03:27 tot en met 03:29 uur, steeds op dezelfde locatie op [plein] . Ondanks dat verdachte op enig moment zelf bewusteloos zou zijn geraakt, kan dit openlijk geweld naar het oordeel van de rechtbank daarom als één gebeurtenis worden aangemerkt.

Verdachte heeft daarin een actief en wezenlijk aandeel gehad. Hij is naar aangever toegelopen. Door [slachtoffer 1] de eerste klap te geven (zo blijkt zijn eigen verklaring) en vervolgens meerdere vuistslagen in zijn gezicht te geven (zo blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden) heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen – met name door de eerste klap te geven – bijgedragen aan een sfeer van ontremming waarin anderen ook zijn overgegaan tot het plegen van geweld. Hieruit volgt dat verdachtes opzet zich ook uitstrekte tot het geweld dat anderen tijdens deze gebeurtenis pleegden. Ook dat geweld kan verdachte daarom worden toegerekend. Dat verdachte op enig moment bewusteloos is geraakt en (daardoor) wellicht niet de meeste geweldshandelingen heeft verricht is in dat verband niet relevant voor het bewijs.

4.3

In de zaak met parketnummer 05.306137.19

4.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dit feit te bewijzen.

4.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van dit feit geen bewijsverweer gevoerd.

4.3.3

Het oordeel van de rechtbank 5

Door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van de Politie Eenheid Oost-Nederland, is een proces-verbaal opgemaakt6 waarin zij verklaren dat zij zich op
27 december 2019 op het Beekpark in Apeldoorn bevonden. Daar hoorden ze verdachte – nadat ze zijn verklaring hadden opgenomen in verband met een proces-verbaal voor openbare dronkenschap – ‘sukkeltjes’ zei. Op dat moment stonden er meerdere personen om hen heen die dat konden horen en verbalisanten voelden zich in hun goede eer (de rechtbank begrijpt: eer en goede naam) aangetast.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van het ambtsedige proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die relateren wat zij zelf hebben waargenomen en ondervonden. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit proces verbaal.

4.4

In de zaak met parketnummer 05.029104.20

4.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt feit 1 subsidiair en feit 2 te bewijzen. Van feit 1 primair wordt verdachte wat de officier van justitie betreft vrijgesproken.

4.4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat verdachte van feit 1 primair moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat het witwassen van € 1.325,-- niet kan worden bewezen. Verder heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

4.4.3

Het oordeel van de rechtbank 7

Feit 1

Met de officier van justitie en raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich aan het primair ten laste gelegde feit schuldig heeft gemaakt. Daarom zal de rechtbank hem van dit feit vrijspreken.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal aangifte door [aangever 7] , pagina 16 en 17;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 8] , pagina 21 en 22;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 9] en de bijlage, pagina 30 tot en met 33;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 10] en de bijlage, pagina 36 tot en met 39;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 11] , pagina 42 tot en met 45;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 12] , pagina 48 tot en met 50;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 13] en de bijlage, pagina 53 tot en met 57;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 14] , pagina 60 tot en met 62;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 15] , pagina 65 tot en met 67;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 16] , pagina 75 tot en met 77;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 17] , pagina 80 tot en met 82;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 18] en de bijlage, pagina 86 tot en met 89;

  • -

    De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 25 mei 2020.

Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen van het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting, pagina 90 tot en met 95;

  • -

    De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 25 mei 2020.

De rechtbank acht daarbij bewezen dat verdachte door – na het uitlenen van zijn pinpas voor de oplichtingen – € 100,-- te pinnen, dit geld heeft witgewassen door het om te zetten van banktegoed in contant geld.

4.5

In de zaak met parketnummer 08.094347.20

4.5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat er onvoldoende bewijs is dat hij bij dit feit betrokken is.

4.5.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman vindt dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Verdachte voldoet niet aan het signalement waarover de aangever heeft verklaard en de camerabeelden zijn zo slecht, dat op basis daarvan geen conclusies kunnen worden getrokken.

4.5.3

Het oordeel van de rechtbank 8

Uit de verklaring9 van [slachtoffer 2] blijkt dat een forse jongen op 21 maart 2020 in Zwolle met in zijn rechterhand een handbijl tegen hem zei: ‘jij wilde de deur niet open doen, ik sla je bek in’. Deze jongen had even daarvoor gezegd dat hij naar de bovenbuurman van aangever wilde en de jongen stond op het dak van een auto. Deze jongen was in het donker gekleed en had een opvallend grote opdruk op zijn jas of trui ter hoogte van zijn borst. Aangever voelde zich bedreigd door die jongen en was bang dat hij het niet zou overleven omdat de jongen bewapend was met een bijl.

De bovenbuurman van aangever is [getuige 1] .10 In zijn woning werd een handbijl aangetroffen.11

Verdachte is korte tijd later aangetroffen in de nabijheid van de woning, is in het donker gekleed en droeg een opvallend Nike-logo op de trui onder zijn jas.12

Ter zitting van 25 mei 2020 heeft verdachte verklaard dat hij die nacht bij [getuige 1] zou blijven slapen, dat hij met een aantal andere jongens aan aangever heeft gevraagd om de deur te openen zodat zij naar de woning van [getuige 1] konden en dat hij op het dak van een auto heeft gestaan.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard dat hij met een aantal jongens bij aangever is geweest en dat hij heeft gevraagd om de deur te openen zodat hij naar de woning van [getuige 1] kon. In tegenstelling tot de andere jongens van de groep waarvan verdachte deel heeft uitgemaakt, past zijn signalement bij de persoon met de bijl over wie aangever heeft verklaard. In de woning van [getuige 1] – waar verdachte zou blijven slapen – is bovendien een handbijl aangetroffen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij op het dak van een auto heeft gestaan. Dit sluit aan bij de verklaring van aangever dat degene die op de auto stond hem heeft bedreigd. Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met de dood heeft bedreigd.

4.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

In de zaak met parketnummer 08.150931.19

2

hij op 28 juni 2018 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels,
[aangever 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, door - gebruik te maken van een valse naam, te weten [alias 1 verdachte] en

- met gebruikmaking van deze naam op het internet, te weten op de website [website] een advertentie te plaatsen waarin computerspellen werden aangeboden, en

- daarbij een bankrekening, te weten [rekeningnummer 1] door te geven, waarop het te betalen aankoopbedrag kon worden overgeboekt en over welke rekening hij, verdachte, de beschikking had en

- daarbij zich voor te doen als bezitter en als bonafide verkoper van die computerspelen en/of

- de indruk te wekken bij die [aangever 2] dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden;

3

hij op 28 juni 2018 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van 35 euro, door

- gebruik te maken van een valse naam, te weten [alias 1 verdachte] en

- met gebruikmaking van deze naam op het internet, te weten op de website [website] een advertentie te plaatsen waarin computerspellen werden aangeboden, en

- daarbij een bankrekening, te weten [rekeningnummer 1] door te geven, waarop het te betalen aankoopbedrag kon worden overgeboekt en over welke rekening hij, verdachte, de beschikking had en

- daarbij zich voor te doen als bezitter en als bonafide verkoper van die computerspelen en

- de indruk te wekken bij die [aangever 3] dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden;

4

hij op of omstreeks 27 oktober 2018 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] heeft bewogen tot de afgifte van 60 euro, door

- gebruik te maken van een valse naam, te weten [alias 2 verdachte] en

- met gebruikmaking van deze naam op de website [website] een advertentie te plaatsen waarin [pretpark] tickets werden aangeboden, en

- daarbij een bankrekening, te weten [rekeningnummer 1] (ten name van: [medeverdachte] ) door te geven, waarop het te betalen aankoopbedrag kon worden overgeboekt en over welke rekening hij, verdachte, de beschikking had en

- daarbij zich voor te doen als bezitter en als bonafide verkoper van die [pretpark] tickets en

- de indruk te wekken bij die [aangever 4] dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden/leveren;

5

hij op 15 april 2019 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,15 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6

hij op of omstreeks 28 oktober 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 5] heeft bewogen tot de afgifte van één geldbedrag van 871,87 euro en een geldbedrag van 761,99 euro, door

- zich valselijk via telefoonnummer: [telefoonnummer 1] op WhatsApp uit te geven als [naam 1] , de stiefmoeder van aangeefster, waarbij ook een profielfoto van [naam 1] was geplaatst en

- via WhatsApp een gesprek te starten met -zakelijk weergegeven- de volgende inhoud:

* dat ze een nieuw telefoonnummer heeft en

* dat ze van provider is gewisseld en

* dat er een storing was en dat ze geen betalingen kan doen en

* dat zij verzocht om 871,81 euro en 761,99 euro over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [medeverdachte]

* dat ze die geldbedragen de volgende dag zou terugstorten;

In de zaak met parketnummer 05.202089.19:

hij op 2 juni 2019 te Zwolle, op de openbare weg , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door

- meerdere malen, (met gebalde vuist) tegen hoofd te slaan en

- meerdere malen, (met gebalde vuist) tegen het lichaam te slaan en

- meerdere malen (met geschoeide voet) tegen het lichaam te schoppen en

- terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag (met geschoeide voet) te schoppen tegen het hoofd;

In de zaak met parketnummer 05.306137.19:

hij op 27 december 2019 te Apeldoorn, opzettelijk ambtenaren, te weten de hoofdagenten, van Politie Eenheid Oost-Nederland genaamd [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "Sukkeltjes";

In de zaak met parketnummer 05.029104.20

1, subsidiair:

een of meer onbekend gebleven dader(s), op een of meer tijdstippen, in de periode van 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018 in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels,

- [aangever 7] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van enig geldbedrag, en

- [aangever 8] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 150 euro, en

- [aangever 9] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 31,45 euro, en

- [aangever 10] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 33,95 euro, en

- [aangever 11] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 65 euro, en

- [aangever 12] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 30 euro, en

- [aangever 13] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 150 euro, en

- [aangever 14] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 33,80 euro, en

- [aangever 15] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 40 euro, en

- [aangever 16] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 150 euro, en

- [aangever 17] via Marktplaats heeft bewogen tot de afgifte van 120 euro, en

- [aangever 18] via Marktplaats, heeft bewogen tot de afgifte van 33,80 euro,

door met vorenomschreven oogmerk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid,

- aan voornoemde personen (een) goed(eren) aan te bieden, te weten een of meerdere spel(len) en/of een Playstation 4 en/of een luchtreiniger van het merk Dyson en

- voornoemd(e) goed(eren) aan te bieden handelend onder een valse naam, te weten [alias 3 verdachte] , [alias 4 verdachte] of [alias 5 verdachte] , als ware dit zijn eigen naam, en/of onder een valse hoedanigheid, te weten als de vader van [verdachte] , en

- ( daarbij) aan voornoemde persoon een valse woonplaats op te geven als zijn eigen woonplaats, te weten in Den Burg, Maastricht of Schaijk, en

- vervolgens af te spreken dat voornoemde personen de koopsom of een deel daarvan moesten overmaken naar een aan hem, verdachte, toebehorend rekeningnummer en

- vervolgens voornoemd(e) goed(eren) niet aan voornoemde betrokkenen te leveren,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018 in Nederland, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door zijn, verdachtes, bankrekening ter beschikking te stellen aan een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en);

2

hij in of omstreeks de periode van 2 juni 2018 tot en met 11 juni 2018, te Zwolle, - een voorwerp, te weten een geldbedrag (100 euro), heeft omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

In de zaak met parketnummer 08.094347.20:

hij op 21 maart 2020 te Zwolle [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door met een bijl in de hand nabij die [slachtoffer 2] te staan en daarbij dreigend de woorden toe te voegen "Jij wilde de deur niet open doen, ik sla je bek in";

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten, zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 48, 141, 266, 267, 285, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

In de zaak met parketnummer 08.150931.19

feit 2, feit 3 en feit 4, telkens

het misdrijf: oplichting

feit 5,

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

feit 6,

het misdrijf: medeplegen van oplichting

In de zaak met parketnummer 05.202089.19

het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

In de zaak met parketnummer 05.306137.19

het misdrijf: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

In de zaak met parketnummer 05.029104.20

feit 1 subsidiair,

het misdrijf: medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd

feit 2,

het misdrijf: witwassen

In de zaak met parketnummer 08.094347.20:

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

Wat de officier van justitie betreft wordt verdachte een allerlaatste kans geboden. Daarom heeft hij een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden geëist, met een proeftijd van twee jaren. Daaraan dienen de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, met toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het voorstel van de officier van justitie getuigt van lef en dat het overduidelijk is dat dit een laatste kans is voor verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan in totaal 21 misdrijven, grotendeels vermogens- en geweldsdelicten. Zo heeft hij meerdere mensen via Marktplaats opgelicht, met een andere persoon samen iemand via WhatsApp opgelicht en heeft hij – door zijn bankpas ter beschikking te stellen – anderen in de gelegenheid gesteld om mensen via Marktplaats op te lichten. Met zijn handelen heeft verdachte er aan bijgedragen dat het vertrouwen van de slachtoffers op grove wijze is geschaad en dat misbruik kon worden gemaakt van het vertrouwen dat ten grondslag ligt aan het online verhandelen van goederen. Daarnaast heeft verdachte zich – tijdens de proeftijd van twee strafbare feiten – schuldig gemaakt aan de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] . Met een groep heeft verdachte hem meerdere malen geslagen en geschopt. Ook toen [slachtoffer 1] op de grond lag, is hij nog door een ander uit die groep tegen zijn hoofd geschopt. Verder heeft verdachte [slachtoffer 2] met de dood bedreigd. Door zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de integriteit van de slachtoffers en gevoelens van angst en onveiligheid bij hen en de maatschappij veroorzaakt. Tot slot heeft verdachte 1,15 gram cocaïne bij zich gehad en zich schuldig gemaakt aan het beledigen van twee agenten. De rechtbank overweegt dat deze professionals hun werk doen in het belang van de maatschappij en dit moeten kunnen doen zonder dat zij op een hinderlijke en respectloze manier worden behandeld.

Ten tijde van de strafbare feiten was verdachte (net) zestien of zeventien jaar. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank verder acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte van 25 mei 2020. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Naast een strafbeschikking voor openbare dronkenschap, betreffen dit de deels voorwaardelijke veroordelingen, waarvan de officier van justitie nu schriftelijk de tenuitvoerlegging heeft gevorderd.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 mei 2020. Daaruit blijkt dat verdachte vanwege zijn belaste verleden, zijn beperkte vaardigheden, een reactieve hechtingsstoornis en een normoverschrijdende gedragsstoornis kwetsbaar is in het contact met vrienden die

in aanraking komen met politie en justitie. Verdachte is impulsief, hij beschikt over

weinig zelfreflectie, probleembesef en inzicht in de gevolgen van bepaald gedrag

of keuzes. Verdachte is gebaat bij structuur en het maken van afspraken. Sinds 6 juni 2019 woont verdachte bij Stichting Lupos in Apeldoorn. In het belang bij het voorkomen van recidive is het zeer wenselijk dat de stijgende lijn die verdachte sindsdien heeft ingezet gecontinueerd wordt. Het vasthouden van zijn huidige woonsituatie en schoolgang zijn belangrijke beschermende factoren. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert dat verdachte een forse stok achter de deur moet ervaren, in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie. Als bijzondere voorwaarden zou verdachte wat de Raad voor de Kinderbescherming betreft dienen mee te werken aan een passende vorm van dagbesteding en/of onderwijs en aan een behandeling indien de jeugdreclassering dat nodig acht.

De heer [naam 4] , groepsleider van verdachte bij Lupos, heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij verdachte al sinds 2003 kent, toen hij als gezinsvoogd bij het gezin was betrokken. Wat zij van verdachte zien bij Lupos is boven hun verwachting. Hij toont goed gedrag op de groep en accepteert gezag.

Namens de jeugdreclassering heeft mevrouw [naam 5] tijdens de zitting naar voren gebracht dat er zorgen blijven over de invulling die verdachte aan zijn vrije tijd geeft, maar dat zijn situatie positief is veranderd sinds hij bij Lupos verblijft.

Mevrouw [naam 6] heeft namens de Raad voor de Kinderbescherming tijdens de zitting naar voren gebracht dat sprake is van een complexe situatie. De groei die verdachte heeft doorgemaakt wordt gesignaleerd, maar de invloed van alcohol op verdachte, zijn oude netwerk in Zwolle en het omgaan met autoriteit blijven zorgpunten.

Verdachte heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij in zijn jeugd veelvuldig gesloten heeft gezeten en graag zijn huidige traject bij Lupos wil voortzetten. De respectvolle omgang tussen begeleiders en bewoners is anders dan hij bij andere projecten gewend was. Sinds hij bij Lupos verblijft, gaat het stukken beter met hem. Verdachte wil graag aan zichzelf werken om een ander leven te leiden en is erg trots dat hij onlangs als eerste in zijn familie een opleiding heeft afgerond.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de oriëntatiepunten jeugd van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Tijdens de zitting van 25 mei 2020 is door alle betrokkenen naar voren gebracht dat verdachte een positieve ontwikkeling doormaakt. Gezien de bewezen verklaarde belediging op 27 december 2019 en bedreiging op 21 maart 2020 constateert de rechtbank dat dat kennelijk met vallen en opstaan gaat. Vanwege verdachtes motivatie om zijn leven te veranderen, zijn positieve gedrag bij Lupos, het belang om deze woonsituatie en verdachtes schoolgang vast te houden en de vordering van de officier van justitie daartoe ziet de rechtbank aanleiding om verdachte een laatste kans te geven om deze groei voort te zetten. Verdachte lijkt ervan doordrongen dat dit een laatste kans is.

Vanwege de ernst van en de hoeveelheid bewezen verklaarde feiten is jeugddetentie voor de duur van zes maanden passend en geboden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat deze straf geheel voorwaardelijk wordt opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Daaraan zullen de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Tot slot overweegt de rechtbank dat het nu aan verdachte is om de hem geboden kansen te grijpen en zijn leven een positieve wending te geven.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

8.1.1

De vordering van [aangever 6]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 873,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit bedrag is voor materiële schade, voor de betalingen waartoe zij als gevolgd van de oplichting werd bewogen.

8.1.2

De vordering van [slachtoffer 1]

heeft zich – via zijn gemachtigd raadsman mr. E. Tas, advocaat te Deventer – als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.564,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- € 20,-- voor taxikosten naar het ziekenhuis;

- € 159,-- voor een beschadigde bril;

- € 49,69 voor het opvragen van medische stukken;

- € 385,-- voor het eigen risico in verband met het bezoek aan het ziekenhuis.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.000,-- gevorderd.

8.1.3

De vordering van [aangever 13]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit is voor materiële schade, voor de betaling waartoe hij als gevolg van de oplichting werd bewogen.

8.1.4

De vordering van [aangever 8]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit is voor materiële schade, voor de betaling waartoe zij als gevolg van de oplichting werd bewogen.

8.1.5

De vordering van [aangever 10]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 33,95 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit is voor materiële schade, voor de betaling waartoe hij als gevolg van de oplichting werd bewogen.

8.1.6

De vordering van [aangever 15]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 90,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit is voor materiële schade (€ 40,--), voor de betaling waartoe hij als gevolg van de oplichting werd bewogen, en proceskosten (€ 50,--), voor de tijd besteed aan het doen van aangifte en het indienen van de vordering benadeelde partij.

8.1.7

De vordering van [aangever 17]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 120,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit is voor materiële schade, voor de betaling waartoe hij als gevolg van de oplichting werd bewogen.

8.1.8

De vordering van [aangever 9]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 83,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit is voor materiële schade: € 27,-- voor de betaling waartoe zij als gevolg van de oplichting werd bewogen (een spel die zij na betaling niet heeft ontvangen) en € 56,-- voor de aanschaf van een nieuw spel.

8.1.9

De vordering van [slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 800,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit is voor immateriële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering van [slachtoffer 1] gematigd dient te worden, omdat de taxikosten niet zijn onderbouwd en omdat de vordering voor immateriële schade dient te worden gematigd tot € 1.000,--. De vordering van [slachtoffer 2] dient volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in verband met de door hem gevorderde vrijspraak in die zaak.

Voor het overige kunnen de vorderingen volgens de officier van justitie worden toegewezen en dienen zij te worden vermeerderd met de wettelijke rente, met uitzondering van de tijd besteed aan het doen van aangifte en het indienen van de vordering benadeelde partij ( [aangever 15] ) en de kosten voor aanschaf van een nieuw spel ( [aangever 9] ).

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] primair op het standpunt gesteld dat de rol van verdachte te beperkt is geweest om de vordering toe te wijzen, ook omdat de schade is ontstaan na de door verdachte geleverde bijdrage aan het geweld. Subsidiair dient het gevorderde bedrag te worden gematigd en hoofdelijk te worden toegewezen. De vordering van [aangever 6] dient volgens de raadsman niet-ontvankelijk te worden verklaard in verband met de door hem bepleitte vrijspraak.

Voor het overige heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1

Ten aanzien van de vordering van [aangever 6]

De vordering heeft betrekking op het als feit 7 in de zaak met parketnummer 08.150931.19 ten laste gelegde. Hiervoor is onder 4.1.3 overwogen dat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8.4.2

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank heeft benadeelde partij [slachtoffer 1] aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de in de zaak met parketnummer 05.202089.19 bewezen verklaarde openlijke geweldpleging.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het deelnemen aan de openlijke geweldpleging al op zichzelf onrechtmatig is tegenover de benadeelde partij. Daarom kan een groepslid aansprakelijk worden gehouden voor schade die hij wellicht zelf niet heeft toegebracht. Het (primaire) verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Materiële schade

Door de officier van justitie en raadsman is het standpunt ingenomen dat met de huidige onderbouwing niet genoegzaam is komen vast te staan dat de benadeelde partij taxikosten heeft gemaakt om naar het ziekenhuis te gaan. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij in zijn aangifte – afgenomen direct na de openlijke geweldpleging – heeft verklaard dat hij naar de huisartsenpost gaat om zich na te laten kijken (pagina 78). Uit het dossier blijkt verder dat de benadeelde partij met zijn fiets naar de Grote Markt kwam (pagina 101) en dat hij op 2 juni 2019 is behandeld op de afdeling spoedeisende hulp van het Isala (pagina 86). Uit de letselrapportage blijkt dat bij de benadeelde partij onder meer sprake was van een oogkasbreuk. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de benadeelde partij met de taxi naar het ziekenhuis is gegaan en daardoor € 20,-- schade heeft geleden voor taxikosten. Dit is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De overige materiële schadeposten zijn niet betwist. Ook deze posten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Wegens materiële schade (€ 613,69) zal de rechtbank de vordering daarom toewijzen en vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

Ten aanzien van de vordering voor immateriële schade overweegt de rechtbank dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 eerste lid, onder b, BW heeft een benadeelde partij immers recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als deze benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de letselrapportage blijkt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 500,-- redelijk en billijk, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die in vergelijkbare gevallen aan smartengeld worden toegekend. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Omdat is voldaan aan de vereisten voor hoofdelijke aansprakelijkheid zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.

8.4.3

Ten aanzien van de vordering van [aangever 13] , [aangever 8] , [aangever 10] , [aangever 15] [aangever 17] en [aangever 9]

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de benadeelde partijen [aangever 13] , [aangever 8] , [aangever 10] en [aangever 17] aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade (in alle gevallen) een rechtstreeks gevolg zijn van het in de zaak met parketnummer 05.029104.20 als feit 1 subsidiair bewezen verklaarde. Nu de vorderingen van deze benadeelde partijen niet gemotiveerd zijn betwist, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen zullen worden toegewezen.

Ook benadeelde partijen [aangever 15] en [aangever 9] hebben aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden, voor zover deze ziet op de betalingen waartoe zij als gevolg van de oplichting werden bewogen, en dat deze schade (in beide gevallen) een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 05.029104.20 als feit 1 subsidiair bewezen verklaarde. Nu hun vordering voor dat deel niet gemotiveerd is betwist, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden en zal de vordering voor dat deel worden toegewezen.

Dat geldt niet ten aanzien van de tijd besteed aan het doen van aangifte en het indienen van de vordering benadeelde partij ( [aangever 15] ) en de kosten voor aanschaf van een nieuw spel ( [aangever 9] ). Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

[aangever 15] heeft de tijd besteed aan het doen van aangifte en het invullen van de vordering benadeelde partij als proceskosten gevorderd. Van proceskosten in de zin van artikel 592a Sv – kosten die zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken – is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Tijd die wordt besteed aan het doen van aangifte en het invullen van de vordering benadeelde partij komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij daarvoor daadwerkelijk kosten zijn gemaakt. Daarvan is geen sprake. Voor zover de benadeelde partij heeft bedoeld dat hij met het doen van aangifte en het invullen van de vordering benadeelde partij inkomsten heeft misgelopen, zou sprake kunnen zijn van materiële schade. In dat geval zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat sprake is van misgelopen inkomsten. [aangever 15] heeft dat niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat de gevorderde kosten (waarbij [aangever 15] een uurtarief van € 100,-- heeft gehanteerd) niet redelijk zijn. Daarom zal de rechtbank dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

[aangever 9] heeft de kosten voor aanschaf van een nieuw spel als materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat kosten voor de aanschaf van een nieuw spel geen schade is en zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Omdat is voldaan aan de vereisten voor hoofdelijke aansprakelijkheid zal de rechtbank de vorderingen hoofdelijk toewijzen.

8.4.4

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

De vordering van [slachtoffer 2] is niet gemotiveerd betwist, nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:106 eerste lid, onder a, BW een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Met de gepleegde bedreiging – het in de zaak met parketnummer 08.094347.20 bewezen verklaarde – had verdachte immers het oogmerk om de benadeelde partij angst aan te jagen. Als gevolg van de bedreiging heeft de benadeelde partij een grote mate van angst ontwikkeld, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 250,-- redelijk en billijk, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die in vergelijkbare gevallen aan smartengeld worden toegekend. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de psychische gevolgen volgens de onderbouwing van de vordering ook een gevolg zijn van ‘(vrienden van) verdachte’ die onlangs contact zouden hebben gezocht met de partner van de benadeelde partij. Deze schade is geen rechtstreeks gevolg van het in de zaak met parketnummer 08.094347.20 bewezen verklaarde en kan daarom niet worden toegewezen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

Wat betreft het al dan niet opleggen van vervangende hechtenis overweegt de rechtbank dat

artikel 36c Sr niet van toepassing is verklaard in artikel 77a Sr. Niet is vereist dat de rechtbank dient te bepalen dat gijzeling kan worden toegepast voor het geval verdachte niet aan de schadevergoedingsmaatregel voldoet. Gelet daarop zal de rechtbank, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, bepalen dat geen gijzeling kan worden toegepast. Dit is bovendien in overeenstemming met het standpunt dat de Kinderombudsman heeft ingenomen met betrekking tot het opleggen van (voorheen op te leggen) vervangende jeugddetentie bij de schadevergoedingsmaatregel (rapport: ‘laat mij niet zitten’ van 5 juli 2018).

9 De vorderingen tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde straffen in de zaken met parketnummers 08.078443.17 (een werkstraf van 100 uren) en 08.189274.18 (een werkstraf van 80 uren) ten uitvoer worden gelegd, omdat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, te weten het in de zaak met parketnummer 05.202089.19 ten laste gelegde.

Ter zitting van 25 mei 2020 heeft de officier van justitie gevorderd beide vorderingen af te wijzen, om verdachte een echte kans te geven en om hem de gelegenheid te geven betaald werk te doen zodat onder meer de vastgestelde vorderingen van de benadeelde partijen betaald kunnen worden.

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging.

De rechtbank overweegt dat is gebleken dat verdachte zich voor het einde van beide proeftijden aan het plegen van een nieuw strafbaar feit, de in de zaak met parketnummer 05.202089.19 ten laste gelegde openlijke geweldpleging, heeft schuldig gemaakt.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor bij 7.3 ten aanzien van de straf heeft overwogen, zal zij met het voorstel van de officier van justitie meegaan om verdachte een allerlaatste kans te geven.

Vanuit het oogpunt van speciale en generale preventie vindt de rechtbank het echter een verkeerd signaal naar verdachte en de maatschappij als het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd onbestraft blijft. Daarbij komt dat ook de Raad voor de Kinderbescherming adviseert de voorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer te leggen. Alles afwegende zal de rechtbank de vordering in de zaak met parketnummer 08.078443.17 deels toewijzen en bepalen dat in deze zaak de voorwaardelijk opgelegde werkstraf gedeeltelijk ten uitvoer zal worden gelegd, te weten voor de duur van 50 uren. De vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 05.189274.18 zal de rechtbank gelet op het voorgaande afwijzen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 49, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08.150931.19 als feit 1 en als feit 7 en het in de zaak met parketnummer 05.029104.20 feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08.150931.19 als feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6, het in de zaak met parketnummer 05.202089.19, het in de zaak met parketnummer 05.306137.19, het in de zaak met parketnummer 05.029104.20 als feit 1 subsidiair en feit 2 en het in de zaak met parketnummer 08.094347.20 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

In de zaak met parketnummer 08.150931.19

feit 2, feit 3 en feit 4, telkens

het misdrijf: oplichting

feit 5,

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

feit 6,

het misdrijf: medeplegen van oplichting

In de zaak met parketnummer 05.202089.19

het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

In de zaak met parketnummer 05.306137.19

het misdrijf: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

In de zaak met parketnummer 05.029104.20

feit 1, subsidiair,

het misdrijf: medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd

feit 2,

het misdrijf: witwassen

In de zaak met parketnummer 08.094347.20:

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor de bewezen verklaarde feiten;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat deze jeugddetentie in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- meewerkt aan een passende vorm van dagbesteding en/of onderwijs;

- zich ambulant laat behandelen, indien en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt de Jeugdbescherming Gelderland (instantiecode AST095) op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

Vordering benadeelde partij [aangever 6] (feit 7 in de zaak met parketnummer 08.150931.19)

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (in de zaak met parketnummer 05.202089.19)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 1.113,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2019, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.113,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2019, ten behoeve van de benadeelde, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering benadeelde partij [aangever 13] (feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 05.029104.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2018, ten behoeve van de benadeelde, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Vordering benadeelde partij [aangever 8] (feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 05.029104.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2018, ten behoeve van de benadeelde, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Vordering benadeelde partij [aangever 10] (feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 05.029104.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 33,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 33,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2018, ten behoeve van de benadeelde, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Vordering benadeelde partij [aangever 15] (feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 05.029104.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 40,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 40,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2018, ten behoeve van de benadeelde, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering benadeelde partij [aangever 17] (feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 05.029104.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 120,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 120,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2018, ten behoeve van de benadeelde, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Vordering benadeelde partij [aangever 9] (feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 05.029104.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 27,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 27,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2018, ten behoeve van de benadeelde, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (in de zaak met parketnummer 08.094347.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2020;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2020, ten behoeve van de benadeelde;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 08.078443.17

- gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2018 voorwaardelijk opgelegde werkstraf, te weten voor de duur van 50 (vijftig) uren (wanneer verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht te vervangen voor 25 dagen jeugddetentie);

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 05.189274.18

- wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter en tevens kinderrechter,
mr. C. Verdoold en mr. G.M.J. Vijftigschild, rechters en tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2020.

Mr. C. Verdoold is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2019165500. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Aangifte door [aangever 5] , pagina 120 tot en met 122.

3 Proces-verbaal van bevindingen met bijlage, pagina 94 tot en met 98.

4 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2019392996. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2019575665. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

6 Pagina 5 en 6.

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2019413792. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

8 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2020125800. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , pagina 36 tot en met 39.

10 Proces-verbaal aanhouding [getuige 1] , pagina 15 tot en met 17.

11 Proces-verbaal aanhouding [getuige 1] , pagina 15 tot en met 17.

12 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 49 tot en met 52.