Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1894

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
8143275 CV EXPL 19-6347
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over internetabonnement. T-Mobile vordert resterende termijnen abonnementsgeld. Kantonrechter wijst de vorderingen toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 8143275 CV EXPL 19-6347

Vonnis van 2 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid T-MOBILE NETHERLANDS B.V., krachtens juridische fusie opvolger onder algemene titel van TELE2 NEDERLAND B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres, hierna te noemen T-Mobile,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde, hierna te noemen [gedaagde],

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 oktober 2019;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.2.

[gedaagde] en de aanvankelijke eiseres Tele2 Nederland B.V. (hierna: Tele2) zijn met ingang van 15 oktober 2014 onder klantnummer B0006899172 een overeenkomst ter zake vaste telecommunicatiediensten aangegaan (hierna: de Overeenkomst). De Overeenkomst is via de website van Tele2 tot stand gekomen. In het kader van het aangaan van de Overeenkomst is aan [gedaagde] geen mobiele telefoon verstrekt. Op de Overeenkomst zijn de algemene voorwaarden “Tele2 Multimediadiensten versie 13 juni 2014” van toepassing.

2.3.

De Overeenkomst betreft een internetabonnement, op grond waarvan Tele2 onder meer verplicht was internet tot 20 Mb/s te leveren, en [gedaagde] onder meer gehouden was maandelijkse abonnementskosten van € 23,67 te betalen.

2.4.

Naar aanleiding van een opzegging door [gedaagde] is de Overeenkomst in 2018 door Tele2 beëindigd.

2.5.

Op 7 januari 2020 is Tele2 gefuseerd met de verkrijgende rechtspersoon T-Mobile Netherlands B.V. Als gevolg van deze fusie is de vordering van Tele2 Nederland B.V. onder algemene titel overgegaan op thans eiseres T-Mobile.

3 Het geschil

3.1.

T-Mobile vordert – samengevat – de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 148,64 aan openstaande facturen en een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, dus tezamen € 188,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding over € 148,64. T-Mobile vordert ook de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten.

3.2.

Aan haar vorderingen heeft T-Mobile ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op basis van de Overeenkomst verplicht is om het abonnementsgeld (over de periode van 1 maart 2018 tot en met 3 augustus 2018) dat hem in rekening is gebracht te betalen, evenals heraansluitingskosten die [gedaagde] (eenmalig) op grond van de algemene voorwaarden bij de Overeenkomst in rekening zijn gebracht. Door deze gefactureerde bedragen onbetaald te laten is [gedaagde] in verzuim geraakt, en is hij de wettelijke rente verschuldigd geworden. Daarnaast heeft T-Mobile [gedaagde] op 7 mei 2019 een zogenoemde 14-dagen-brief gestuurd. Ook daarna is niet betaald, zodat [gedaagde] ook aansprakelijk is voor de buitengerechtelijke incassokosten, aldus T-Mobile.

3.3.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van T-Mobile moeten worden afgewezen. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de heraansluitingskosten en voert daarnaast twee (zelfstandige) verweren aan die volgens hem meebrengen dat hij niet gehouden is (al) de facturen te betalen. Ten eerste zou hij in de relevante periode onterecht zijn afgesloten van het internet van Tele2. Dat brengt volgens [gedaagde] mee dat hij geen abonnementsgeld hoeft te betalen voor een dienst – internet – die na het moment van afsluiten niet meer geleverd is. [gedaagde] voert daarnaast aan dat hij de Overeenkomst op 29 mei 2018, althans op een andere datum gelegen vóór 4 augustus 2018, heeft opgezegd, en dat hij geen abonnementskosten verschuldigd is voor de periode na opzegging. [gedaagde] concludeert ten slotte dat T-Mobile veroordeeld moet worden in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.

4 De beoordeling

Facturen periode 1 maart 2018 tot en met 3 augustus 2018 (€ 148,64)

4.1.

T-Mobile heeft voldoende onderbouwd gesteld, en [gedaagde] heeft als zodanig niet betwist, dat [gedaagde] op grond van de Overeenkomst verplicht was de maandelijkse abonnementskosten te betalen en dat [gedaagde] de facturen die zien op de periode van 1 maart 2018 tot 3 augustus 2018 niet heeft betaald. T-Mobile heeft eveneens voldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde] in de maand februari 2018 tijdelijk afgesloten is geweest en dat hem op grond van de algemene voorwaarden heraansluitingskosten van € 28,00 in rekening gebracht mochten worden. [gedaagde] heeft dit weliswaar onterecht en “niet reglementair” genoemd (conclusie van antwoord, p. 2), maar verder niet voldoende duidelijk aangegeven waarom dat zo is. Zo heeft hij wel aangegeven dat zijn afsluiting een vergissing was, en dat achteraf is gebleken dat hij nooit een betalingsachterstand had die zijn afsluiting kon rechtvaardigen, maar is hij tegelijkertijd vaag gebleven over de concrete feiten en omstandigheden waar dit dan uit zou blijken. Tegenover de onderbouwde stelling van T-Mobile is de betwisting van [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende gemotiveerd, zodat daaraan voorbij zal worden gegaan. Het voorgaande betekent dat de vordering van T-Mobile tot betaling van de facturen geheel kan worden toegewezen. Dat kan anders zijn als de verweren van [gedaagde] slagen.

4.2.

De kantonrechter zal hierna dan ook beoordelen óf die verweren van [gedaagde] slagen. Daarbij wordt vooropgesteld dat op [gedaagde] de stelplicht en bewijslast van die verweren rusten, omdat [gedaagde] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stellingen – namelijk dat hij om door hem gestelde redenen de facturen alsnog niet (alle) hoeft te betalen. Dit volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv. De twee verweren van [gedaagde] zullen hierna worden nagelopen.

4.3.

[gedaagde] heeft allereerst gesteld dat hij onterecht is afgesloten door Tele2 en daardoor in de gefactureerde periode geen gebruik heeft kunnen maken van internet; daarom hoeft hij er naar zijn mening ook niet voor te betalen. Het is bij de beoordeling van dit verweer van belang eerst af te bakenen om welke periode het gaat. Waar de conclusie van antwoord van [gedaagde] nog leek te suggereren dat hij vanaf februari 2018 – permanent – van internet afgesloten is geweest, maakt [gedaagde] in zijn conclusie van dupliek (met name onder 3, 4 en 10) duidelijk dat dit verweer zich toespitst op 29 mei 2018; vanaf die datum zou hij geen gebruik meer hebben kunnen maken van internet van Tele2. Dit – door T-Mobile betwiste – verweer kan niet slagen omdat [gedaagde] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, ook in het licht van de gedingstukken. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat daaruit blijkt dat [gedaagde] in de periode na 29 mei 2018 nog van internet gebruik heeft gemaakt, ook om contact te hebben met Tele2. [gedaagde] heeft volstaan met het enkele stellen dat hij op 29 mei 2018 is afgesloten, zonder duidelijk te onderbouwen: of deze afsluiting inderdaad de gehele periode tot het einde van de Overeenkomst betrof; uit welke omstandigheden hem bleek dat hij daadwerkelijk was afgesloten (en niet bijvoorbeeld sprake was van een storing van (zijn) apparatuur of (Tele2’s) netwerk); of hij Tele2 daarop heeft geattendeerd; en hoe deze storing zich verhoudt tot zijn gebruik van internet in de relevante periode. [gedaagde] heeft zijn verweer dan ook onvoldoende substantie gegeven, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

4.4.

[gedaagde] heeft in de tweede plaats gesteld dat hij de Overeenkomst al vóór 4 augustus 2018 – de einddatum waar T-Mobile vanuit gaat – heeft opgezegd. Hij noemt daarbij drie momenten en manieren van opzegging die wat hem betreft per direct hadden moeten leiden tot beëindiging van de Overeenkomst en daarmee zijn betalingsverplichtingen jegens Tele2: (i) opzegging op 29 mei 2018 per handgeschreven brief; (ii) opzegging op 25 juli 2018 via de website van Tele2; (iii) opzegging op 30 juli 2018 per telefoon. Voor al deze drie gestelde opzeggingsmomenten geldt dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat dit verklaringen zijn geweest die Tele2 als opzegging heeft moeten begrijpen, en/of dat deze Tele2 ook daadwerkelijk hebben bereikt. Voor wat betreft de handgeschreven brief van 29 mei 2018 geldt dat [gedaagde] geen enkel feit of omstandigheid aandraagt waaruit kan worden afgeleid dat Tele2 die brief, die naar [gedaagde] stelt dat een opzeggingsverklaring bevat, ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Datzelfde geldt voor de gestelde opzegging via de website; de screenshot van een niet ingevuld webformulier (productie 5 van [gedaagde] ) is daarvoor onvoldoende, temeer aangezien T-Mobile nu juist heeft betwist dat deze opzegging correct (via de website) is verstuurd en ontvangen. Ten slotte geldt voor de telefonische poging op 30 juli 2018 dat onvoldoende is onderbouwd dat deze, op zichzelf genomen, een opzegging inhield. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat uit de stellingen van partijen volgt dat dit telefoongesprek de aanleiding was voor Tele2 om [gedaagde] een weblink ter beschikking te stellen waarmee hij op 4 augustus 2018 ook daadwerkelijk de Overeenkomst heeft beëindigd. In het licht daarvan heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd aangegeven dat het telefoongesprek van 30 juli 2018 al op zichzelf door Tele2 begrepen had moeten worden als opzegging.

4.5.

Het voorgaande betekent dat de verweren van [gedaagde] niet opgaan, en dat de gevorderde betaling van de facturen dus geheel zal worden toegewezen.

Wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, proces- en nakosten

4.6.

[gedaagde] heeft niet betwist dat hij op 7 mei 2019 een zogenoemde 14-dagen-brief heeft ontvangen. Daarin is hij aangemaand het factuurbedrag te betalen en is hij erop gewezen dat hij € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou worden, als hij niet binnen 15 dagen nadat de brief bij hem is bezorgd alsnog geheel zou betalen. [gedaagde] heeft vervolgens niet betaald. Na ommekomst van de in de brief gegeven termijn was [gedaagde] dus (in ieder geval) in verzuim. T-Mobile vordert de wettelijke rente over het niet betaalde factuurbedrag vanaf de (latere) datum van de dagvaarding. Deze vordering zal dus worden toegewezen.

4.7.

Datzelfde geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00. T-Mobile heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, en [gedaagde] is daar gelet op het voorgaande voor aansprakelijk. De gevorderde kosten zijn in lijn met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, en zullen worden toegewezen.

4.8.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van T-Mobile worden begroot op € 72,00 (2 punten x liquidatietarief van € 36,00) aan salaris gemachtigde, € 121,00 aan griffierecht en € 85,18 aan exploitkosten.

4.9.

De nakosten, waarvan T-Mobile betaling vordert, zullen worden toegewezen zoals hieronder in het dictum onder 5.3. zal worden bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan T-Mobile te betalen een bedrag van € 188,64 (honderdachtentachtig euro en vierenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 148,64 met ingang van 11 oktober 2019 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van T-Mobile vaststelt op € 72,00 aan salaris gemachtigde, € 121,00 aan griffierecht en € 85,18 aan exploitkosten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 18,00;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderd af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Essed, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.