Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1861

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
28-05-2020
Zaaknummer
08-994569-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft de Arbowet overtreden en heeft zich niet gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepalingen omtrent de veiligheid van de werknemers. Verdachte heeft de op haar rustende zorgplicht verzaakt. Daardoor is een werknemer van verdachte dodelijk gewond geraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-994569-18 (P)

Datum vonnis: 28 mei 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 januari 2020 en 14 mei 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Buist en van hetgeen door verdachte, vertegenwoordigd door de persoon van [naam 1] , en haar raadsman mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 9 april 2018 te Culemborg, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n) rechtspersonen en/of natuurlijke personen, althans alleen,

als werkgeefster handelingen heeft verricht of heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan of te verwachten was,
immers heeft zij voor één of meerdere werknemers, voordat er werd aangevangen met en/of tijdens het verrichten van arbeid/werkzaamheden waarbij valgevaar bestond, namelijk het verwijderen van golfplaten en/of (een) lichtpla(a)t(en) van een dak van een (bestaande) schuur (welke een hoogte had van ongeveer 6.6 meter)

 niet of onvoldoende doeltreffende maatregelen gesteld in een schriftelijk opgesteld werkplan welke doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste maatregelen bevatte ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de (betrokken) werknemer(s), en/of

 niet of onvoldoende toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van (mogelijk) gevaar en risico's alsmede op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, arbeidsmiddelen of anderszins beveiligingen zoals het aanbrengen van veilige en doelmatige steiger(s), stelling(en) of andere dergelijke voorzieningen (zoals een hoogwerker en/of vang-/veiligheidsnetten en/of een harnas), en/of

 de (betrokken) werknemer(s) (te) vrij te gelaten in het bepalen van de (al dan niet) te nemen veiligheidsmaatregelen,

door welk nalaten een arbeidsongeval is ontstaan waarbij één werknemer, te weten de heer [naam 2] , tijdens zijn werkzaamheden in een bedrijf en/of inrichting en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, namelijk een bouw- c.q. arbeidsplaats gelegen aan de [adres 2] , door een (licht)plaat van voornoemd dak is gezakt en (ongeveer) 6.6 meter lager op een onderliggende ligbox waarin koeien stonden, althans op de bodem van die schuur, is gevallen,

ten gevolge waarvan [naam 2] voornoemd, zwaar lichamelijk letsel de dood ten gevolge hebbend, heeft opgelopen,

zulks terwijl verdachte en/of haar mededader(s) tot dat feit opdracht heeft gegeven, althans feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte niet in strijd met het voorschrift van artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft gehandeld en vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 9 april 2018 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden op het terrein van een landbouwbedrijf gelegen aan de [adres 2] . Op dit terrein waren twee mannen aan het werk in opdracht van verdachte, te weten [naam 3] in vaste dienst en [naam 2] als uitzendkracht. De arbeid bestond uit het verrichten van herstelwerkzaamheden aan een bestaand hellend dak op een boerenschuur. Zij werkten daarbij samen op het dak om golfplaten en een lichtplaat te vervangen.

[naam 2] en [naam 3] verrichtten hun werkzaamheden op het hellende dak zonder gebruik te maken van randbeveiliging ter plaatse van de dakrand. Evenmin waren (andere) voorzieningen die het vallen van het dak of het vallen door een dakplaat en of een lichtplaat moesten beperken aangebracht. Tevens werd er geen gebruik gemaakt van collectieve beschermingsmiddelen, zoals een vangnet of persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen. Wel werd gebruik gemaakt van één loopplank welke op het dak bevestigd was halverwege de dakrand en de plaats van de werkzaamheden. [naam 2] was bezig met het losdraaien van schroeven van een lichtplaat. Hij stond wijdbeens over de lichtplaat. Hij verloor zijn evenwicht waardoor hij door de lichtplaat van het dak naar beneden viel. Hij kwam terecht in de ondergelegen ligbox met koeien. Hij viel ongeveer 6,6 meter naar beneden. Hij is met verwondingen afgevoerd naar ziekenhuis. Op 14 april 2018 is hij aan zijn verwondingen overleden.2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij als werkgeefster de voorschriften gesteld bij en/of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) heeft overtreden, terwijl daardoor, naar zij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers is ontstaan of te verwachten was.

De Arbowet geeft in artikel 1 onder a een definitie van werkgever die als volgt luidt:

1°.

degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°.

degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.

Verdachte kan ten aanzien van de werkzaamheden aan de [adres 2] aangemerkt worden als werkgever in de zin van artikel 1 onder a sub 1° van de Arbowet met betrekking tot de aldaar voor haar werkzame persoon [naam 3] en in de zin van artikel 1 onder a sub 2° van de Arbowet met betrekking tot de aldaar voor haar werkzame persoon [naam 2] .

In artikel 3 lid 1 van de Arbowet is een zorgplicht opgenomen die de werkgever verplicht een beleid te voeren, waarin de werkgever de arbeid zodanig organiseert dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.

In artikel 8 van de Arbowet is de inlichtingenplicht van de werkgever jegens de werknemers omtrent arbeidsmiddelen en beveiliging opgenomen, alsmede de plicht van de werkgever om toe te zien op het naleven van de in verband daarmee te geven instructies.

Artikel 32 van de Arbowet luidt:

Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.

Vorenbedoelde plichten van de werkgever zijn in artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna Arbobesluit) specifiek uitgewerkt ten aanzien van valgevaar. Dit artikel luidt als volgt:

1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

2. Er is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

3. Hekwerken en leuningen worden als doelmatig aangemerkt indien zij tenminste tot 1 meter boven het werkvlak beveiliging bieden tegen vallen, dan wel voldoen aan het voor vloerafscheiding bepaalde bij of krachtens het Bouwbesluit 2012 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030461&g=2020-05-14&z=2020-05-14).

4. Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid onder omstandigheden waarin het gebruik van ladders en trappen is toegestaan als bedoeld in artikel 7.23, tweede lid.

5. Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

De rechtbank stelt vast dat gewerkt werd op een hoogte van ongeveer 6,6 meter, welke hoogte in ieder geval hoger is dan 2,5 meter, waardoor er sprake is van valgevaar in de zin van artikel 3.16 van vorenbedoeld besluit. Een situatie als bedoeld in artikel 7.23 is op het onderzochte bedrijfsongeval niet van toepassing nu het onderzochte bedrijfsongeval weliswaar een korte gebruiksduur kende, maar geen gering risico.

Werkzaamheden met valgevaar mogen alleen worden uitgevoerd vanaf een veilige en ergonomisch verantwoorde steiger, stelling, bordes of werkvloer. Als dat niet mogelijk is, dan moet het meest geschikte arbeidsmiddel gekozen te worden om het werk zo veilig mogelijk uit te voeren.

Veilig werken begint met een risicoanalyse van de werksituatie. Dit is de verantwoordelijkheid van de werkgever. Deze dient voor aanvang van de werkzaamheden een inschatting te maken van bijvoorbeeld de omgeving en bereikbaarheid, de ondergrond en de aard van de toe te passen werkmaterialen. Met een dergelijke risicoanalyse kan de werkgever de juiste maatregelen treffen, zodat iedereen veilig kan werken.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier dat een dergelijke risicoanalyse niet is gemaakt door de werkgever en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de specifieke risico’s van het vervangen van enkele niet beloopbare dakplaten op het hellend dak op grote hoogte. Er was geen beleid ten aanzien van dergelijke werkzaamheden en er is geen toezicht of inspectie uitgevoerd. Het werd aan de werknemers zelf overgelaten hoe zij dit werk aanpakten.

[naam 1] heeft verklaard dat hij noch een ander van de verantwoordelijke personen werkzaam bij verdachte voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden waar [naam 2] aan werkte, een startwerkplan heeft opgemaakt of laten opmaken. Het was een bijkomend klusje. De hoofdtaak was de nieuwbouw van een schuur waar wel een plan voor was gemaakt, ook ten aanzien van de veiligheid. Er was wel een zogenaamde 'werkbon' waarop stond wat er moest gebeuren en daarop stond handgeschreven de aantekening 'loopplank'. Dit betekent dat door de aangewezen werknemers een 'loopplank' meegenomen moest worden voor de betreffende werkzaamheden, aldus [naam 1] .3 Blijkens de aangetroffen situatie ter plaatse en de verklaring van getuige [naam 3] is er op het dak één loopplank gebruikt door [naam 2] en [naam 3] en zijn er verder geen veiligheidsmaatregelen genomen. Er werden geen instructies gegeven of toezicht gehouden. Het was aan de werknemers zelf om te bepalen welke veiligheidsmaatregelen zij wilden toepassen.4

Uit het vorenstaande blijkt dat [naam 2] en [naam 3] hun werkzaamheden op het hellende dak verrichtten zonder gebruik te maken van randbeveiliging ter plaatse van de dakrand en voorzieningen die het vallen door een dakplaat en of een lichtplaat moesten beperken. Tevens werd er geen gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zoals doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen. Het nalaten van het treffen van de nodige veiligheidsmaatregelen heeft geleid tot het ongeval.

De verdediging heeft aangevoerd dat in de situatie ter plekke het gebruiken van een loopplank (zoals ook is gebeurd) de beste beveiligingsoptie was, want een vangnet kon niet worden aangebracht in een stal met koeien (die bovendien onderkelderd was waardoor een zware machine, die nodig was voor het aanbrengen van een net, niet de stal in kon). Er was geen zekeringspunt om een lijn van een harnasgordel aan te bevestigen. Een lijn over het dak heen was te ingewikkeld omdat steeds op een andere hoogte gewerkt moest worden. Bovendien is wettelijk bepaald dat een collectieve beveiliging als een loopplank voorrang heeft boven het gebruik van een persoonlijk beschermingsmiddel als een vanglijn.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Nog daargelaten dat de onuitvoerbaarheid van werkzaamheden voor een werkgever geen excuus kan zijn om werknemers aan levensgevaar bloot te stellen, stelt de rechtbank vast dat het gebruik van een enkele loopplank in dit geval geen adequate beveiliging is gebleken. [naam 2] is bij het verlies van zijn evenwicht direct 6,6 meter naar beneden gevallen en daardoor dodelijk gewond geraakt. Dit gevaar om door de lichtplaat heen te vallen kon niet door een enkele loopplank worden voorkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte als werkgever de werknemers kunnen instrueren in een dergelijke situatie gebruik te maken van een hoogwerker en/of vanglijnen met een (ander) mobiel ophangpunt (en daar ook in te voorzien) waardoor de situatie wel voldoende veilig was geweest.

Het verweer van de raadsman dat uit de wet- en regelgeving volgt dat collectieve veiligheidsmaatregelen dwingend voorrang hebben boven individuele maatregelen wordt verworpen. Uit de wettekst, bezien in het licht van de ratio van de bepalingen, vloeit voort dat het gaat om adequate maatregelen om valgevaar te voorkomen. Er is weliswaar op onderdelen een voorrangsregeling, maar dat neemt niet weg dat er sprake moet zijn van effectieve beveiliging.

Voor zover beveiliging door middel van een loopplank al als collectieve veiligheidsmaatregel in de zin van de wet is aan te merken, is deze maatregel niet adequaat gebleken. Het gevaar om door de lichtplaat te vallen, welke plaat – zoals de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting heeft erkend5 – niet dragend is, wordt daardoor niet weggenomen zeker niet in het geval de werknemer over die lichtplaat heen moet buigen om schroeven los te draaien. Er hadden dus door verdachte (tevens) andere al dan niet collectieve maatregelen genomen moeten worden.

De rechtbank is op grond het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het de tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 9 april 2018 te Culemborg, als werkgeefster, handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan of te verwachten was,
immers heeft zij voor meerdere werknemers, voordat er werd aangevangen met en tijdens het verrichten van arbeid/werkzaamheden waarbij valgevaar bestond, namelijk het verwijderen van golfplaten en een lichtplaat van een dak van een bestaande schuur, welke een hoogte had van ongeveer 6.6 meter

 onvoldoende doeltreffende maatregelen gesteld in een schriftelijk opgesteld werkplan welke doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste maatregelen bevatte ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers, en

 niet of onvoldoende toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van (mogelijk) gevaar en risico's alsmede op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, arbeidsmiddelen of anderszins beveiligingen zoals het aanbrengen van veilige en doelmatige steiger(s), stellingen(en) of andere dergelijke voorzieningen (zoals een hoogwerker en/of vang-/veiligheidsnetten en/of een harnas), en

 de betrokken werknemers te vrij gelaten in het bepalen van de al dan niet te nemen veiligheidsmaatregelen,

door welk nalaten een arbeidsongeval is ontstaan waarbij één werknemer, te weten de heer [naam 2] , tijdens zijn werkzaamheden in een bedrijf, namelijk een bouw- c.q. arbeidsplaats gelegen aan de [adres 2] , door een lichtplaat van voornoemd dak is gezakt en ongeveer 6.6 meter lager op een onderliggende ligbox waarin koeien stonden is gevallen,

ten gevolge waarvan [naam 2] voornoemd, zwaar lichamelijk letsel de dood ten gevolge hebbend, heeft opgelopen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 1 onder 1o van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

de overtreding:

overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon .

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00 waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zitting van 14 mei 2020 naar voren gebracht dat er nooit eerder een ongeval binnen het bedrijf heeft plaatsgevonden en dat verdachte het belangrijk vindt dat er binnen het bedrijf veilig wordt gewerkt.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft de Arbowet overtreden en heeft zich niet gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepalingen omtrent de veiligheid van de werknemers. Verdachte heeft de op haar rustende zorgplicht verzaakt. Daardoor is een werknemer van verdachte dodelijk gewond geraakt hetgeen – naar mag worden aangenomen – veel leed heeft veroorzaakt bij de nabestaanden.

De Arbowet en bijbehorende regelgeving beogen dit soort ongevallen op de werkvloer te voorkomen. Daartoe worden werkgevers verplicht een adequaat veiligheidsbeleid te voeren en concrete maatregelen te nemen. Het veiligheidsbeleid van verdachte is tekortgeschoten. Het risico van gevaar voor haar werknemers is niet voldoende onderkend. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat de verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 mei 2020, in het verleden niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van enig strafbaar feit. Ook is op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk dat de verdachte in het algemeen de vereiste aandacht besteedt aan aspecten van veiligheid op de werkplek. In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de helft van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Al het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 40.000,00 waarvan € 20.000,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, een passende straf is.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

de overtreding:

overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 40.000,00 (zegge: veertigduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. D. ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2020.

Mrs. J. Wentink en D. ten Boer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Inspectie SZW, onderzoek De Hazelaar, met nummer 1805562. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 P.v. bevindingen 1e bezoek aan ongevalslocatie, pagina 44 t/m 46.
P.v. overlijdensonderzoek en lijkschouw, pagina 49 t/m 50.
P.v. verhoor getuige [naam 3] , pagina 63 t/m 65.

3 Verklaring [naam 1] afgelegd ter zitting van de rechtbank op 14 mei 2020.

4 P.v. bevindingen 1e bezoek aan ongevalslocatie, pagina 44 t/m 46.
P.v. verhoor getuige [naam 3] , pagina 63 t/m 65.

5 Verklaring [naam 1] afgelegd ter zitting van de rechtbank op 14 mei 2020.