Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1668

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-05-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
08-997010-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een betonpompbedrijf uit Zoeterwoude krijgt een geldboete opgelegd van 60.000 euro, waarvan 20.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar na een dodelijk bedrijfsongeval op een bouwplaats in Heeten. Op 5 oktober 2016 overleed een medewerker nadat hij werd geraakt door de distributiemast en de eindslang van de betonpomp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHSE 2020/0
UDH:TvSO/16195 met annotatie van mr. F.A. Dudok van Heel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-997010-18 (P)

Datum vonnis: 4 mei 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf] B.V.

gevestigd aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2020.

[directeur verdacht bedrijf] , geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ( [land] ) en wonende aan de [adres 2] heeft de verdachte vertegenwoordigd in de zin van artikel 528 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: [verdacht bedrijf] ).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.H.E. Groeneboer, van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. A.R.A.L. Norenburg, advocaat te Alphen aan den Rijn, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: als uitvoerende partij geen coördinator heeft aangesteld die diende te bewerkstelligen dat maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van medewerkers op de bouwplaats op doeltreffende wijze werd toegepast, dat medewerkers op de bouwplaats werden voorgelicht en dat maatregelen werden genomen als deze verplichtingen niet werden nageleefd;

feit 2: met een betonpompwagen met distributiemast arbeid heeft laten verrichten voor funderingswerkzaamheden, waarbij die betonpompwagen op een natuurlijke ondergrond werd opgesteld zonder dat de het draagvermogen of de toegestane bodemdruk van die ondergrond bekend was en/of dat de betonpompwagen met geschikt materiaal was ondersteund, waardoor de betonpompwagen plotseling is weggezakt en [slachtoffer] dodelijk werd getroffen door de distributiemast, zodat diens overlijden aan de schuld van verdachte te wijten is.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

zij op of omstreeks 05 oktober 2016 te Heeten, gemeente Raalte, als uitvoerende partij in een bouwproces aan de [adres 3] , opzettelijk,

niet aan haar verplichting zoals bedoeld in artikel 2.29 van het arbeidsomstandighedenbesluit heeft voldaan,

om bij werkzaamheden in de uitvoeringsfase

te weten het storten van beton ten behoeve van funderingswerkzaamheden voor een agrarische stal, waarbij gebruik werd gemaakt van een door haar verdachte geleverde betonpompwagen met een distributiemast(die een lengte had van ongeveer 45 meter),

zijnde een bouwplaats als bedoeld in Bijlage I behorende bij de Richtlijn nr

92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992,

een coördinator voor die uitvoeringsfase aan te stellen met de taak/taken om namens haar verdachte als uitvoerende partij,

-te bewerkstelligen dat de maatregelen die werkgevers en/of zelfstandigen namen op die bouwplaats ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers en/of zelfstandigen, op doeltreffende wijze werden toegepast, (artikel 2.31 onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit), en/of

-de voorlichting van werknemers op die bouwplaats te bewerkstelligen, (artikel 2.31 onder c van het Arbeidsomstandighedenbesluit), en/of

-het nemen van doeltreffende maatregelen indien werkgevers of zelfstandigen naar het oordeel van die coördinator niet of in onvoldoende mate en/of op onjuiste wijze uitvoering gaven aan een samenhangende toepassing van hun verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 2.31 onder a en b van het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 2.31 onder f van het Arbeidsomstandighedenbesluit);

2

zij op of omstreeks 05 oktober 2016 te Heeten, gemeente Raalte, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, en/of onachtzaam, en/of onzorgvuldig en/of nalatig,

arbeid heeft verricht, althans laten verrichten door een of meer perso(o)n(en) op een bouwplaats aan de [adres 3] , te weten het storten van beton ten behoeve van funderingswerkzaamheden voor een agrarische stal, waarbij gebruik werd gemaakt van een door haar verdachte geleverde betonpompwagen met een distributiemast (die een lengte had van ongeveer 45 meter) terwijl, die betonpompwagen was opgesteld op een natuurlijke ondergrond zonder dat, voorafgaand aan die opstelling van die betonpompwagen, navraag was gedaan en/of een berekening was gemaakt en/of gevraagd over het draagvermogen van die ondergrond en/of de toegestane bodemdruk, en/of zonder dat die betonpompwagen met geschikt materiaal voor die ondergrond was ondersteund,

ten gevolge waarvan een steunvoet van die betonpompwagen (plotseling) wegzakte in die natuurlijke ondergrond waardoor de distributiemast van die betonpompwagen (die een lengte had van ongeveer 45 meter), naar beneden is geslagen en/of is gaan nadeinen en [slachtoffer] één of meerdere ke(e)r(en) is geraakt door die distributiemast en/of de daaraan bevestigde eindslang waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

3 De voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van de rechtbank dient te worden beoordeeld op grondslag van de tenlastelegging. Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet op de economische delicten (WED) worden economische delicten behandeld en beslist door de economische kamer van de rechtbank. Nu feit 1 door de officier van justitie is gepresenteerd als een economisch delict (overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet jo artikel 1 sub 1 WED) is de rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om van dit feit kennis te nemen. Op grond van artikel 39, eerste lid, WED is de economische kamer ook bevoegd – voor zover hier van belang – tot behandeling en beslissing van strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met één of meer economische delicten en die samen met één of meer economische delicten ten laste zijn gelegd. In de onderhavige zaak is daarvan sprake. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij ook bevoegd is feit 2 te behandelen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Gelet op de bevindingen in het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden2 kunnen de volgende (mede tot een goed begrip van dit vonnis strekkende) feiten en omstandigheden, die ter terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan, als vaststaand worden aangemerkt.

Op 5 oktober 2016 heeft verdachte arbeid laten verrichten op een bouwplaats aan de [adres 3] in Heeten, gemeente Raalte. Met een door verdachte ter beschikking gestelde betonpompwagen, bediend door bij haar in dienst zijnde medewerkers, werd beton gestort voor de fundering van nieuw te bouwen agrarische stallen. Hiervoor was door de eigenaar van het perceel opdracht gegeven aan [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ). Door [bedrijf 1] werd beton besteld bij [bedrijf 2] , die haar opdracht heeft doorgezet naar verdachte. De betonpompwagen (met distributiemast) was van het merk Schwing, type/model S 52 SX. De betonpompwagen werd door de machinist [getuige 1] en bediener [getuige 2] geplaatst op een locatie die door [slachtoffer] , als werknemer in dienst van [bedrijf 1] , werd aangewezen. Dit betrof een natuurlijke ondergrond, voorzien van een recent opgebrachte en aangereden laag gebroken puin. Daarbij is het standaard ondersteuningsmateriaal van de betonpompwagen (kunststofplaten van 50 cm x 80 cm) gebruikt; per steunvoet drie platen en bij één minder zwaar te belasten steunvoet één plaat. Medewerkers van [bedrijf 1] en verdachte zijn beton gaan storten. [slachtoffer] bediende daarbij de eindslang van de betonpompwagen. Tijdens het storten – toen de distributiemast een lengte had van ongeveer 45 meter – zijn twee van de drie kunststof onderlegplaten onder één steunvoet gebroken en is die steunvoet plotseling weggezakt in de ondergrond. Daardoor is de betonpompwagen aan de achterzijde weggezakt en aan de voorzijde los van de grond gekomen, waarbij de distributiemast van de betonpompwagen plotsklaps met kracht naar beneden zakte, waarbij [slachtoffer] , die onder de distributiemast, de eindslang bediende, werd geraakt. [slachtoffer] is daarbij zodanig ernstig gewond geraakt dat hij ter plaatse aan zijn verwondingen is overleden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 is door de raadsman betoogd dat verdachte niet als uitvoerende partij als bedoeld in artikel 2.29 van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan worden aangemerkt, dan wel dat hetgeen verdachte is ten laste gelegd niet als een strafbaar feit kan worden gekwalificeerd.

Door de raadsman is ten aanzien van feit 2, kort samengevat, betoogd dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden, dan wel dat verdachte van de gedraging, indien bewezen, geen verwijt gemaakt kan worden. Verdachte hanteerde immers de in de praktijk gebruikelijke werkwijze en mocht er vanuit gaan dat de onderlegplaten deugdelijk waren en niet konden breken. Indien nodig zou dan bij verzakking, die zonder breuk van de platen nooit zo abrupt zou plaatsvinden, tijdig gecorrigeerd kunnen worden. Het gedrag van verdachte kan daarom niet als (zeer of aanmerkelijk) onvoorzichtig worden aangemerkt, zodat verdachte daardoor dood door schuld in de zin van artikel 307, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden verweten. Het breken van de onderlegplaten was immers een geheel onvoorzienbare, unieke gebeurtenis, die enkel is terug te voeren op een niet eerder voorgekomen gebrek in de bij de betonpompwagen geleverde onderlegplaten. Het breken van de onderlegplaten was zo onverwacht, dat verdachte dit, en de gevolgen ervan, niet had kunnen of moeten voorzien. Daarom dient zij van dit feit te worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van de strafbaarheid van dit feit zal de rechtbank hierna (onder 5) tot de conclusie komen dat niet voldoen aan artikel 2:29 van het Arbeidsomstandighedenbesluit geen strafbaar feit kan opleveren. De rechtbank zal zich daarom ten aanzien van dit feit niet uitlaten over het bewijs.

4.4.2.

Ten aanzien van feit 2

Als feit 2 wordt verdachte verweten dat zij schuld heeft aan de dood van [slachtoffer] in de zin van artikel 307, lid 1 Sr, doordat de betonpompwagen van verdachte, die was opgesteld op een natuurlijke ondergrond (1) zonder dat navraag was gedaan naar, of een berekening was gemaakt of gevraagd van, het draagvermogen of de toegestane bodemdruk van die ondergrond en/of (2) zonder dat de betonpompwagen met voor die ondergrond geschikt materiaal was ondersteund, waardoor die betonpompwagen is weggezakt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] dodelijk is getroffen door de distributiemast.

De rechtbank overweegt dat evident is dat [slachtoffer] niet is komen te overlijden doordat geen navraag was gedaan naar, of een berekening was gemaakt of gevraagd van, het draagvermogen of de toegestane bodemdruk van de ondergrond waarop de betonpompwagen was opgesteld. Reeds omdat er tussen het intreden van de dood en deze eerste ten laste gelegde feitelijke gedraging op zichzelf geen oorzakelijk verband kan bestaan, zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de tweede ten laste gelegde gedraging blijkt uit het dossier dat in de bedieningshandleiding over het plaatsen van de betonpompwagen is opgenomen: ‘levensgevaar voor de operator en de personen in zijn omgeving. Machine’s op geschikte ondergrond ondersteunen! (..) Informeer u over het draagvermogen van de ondergrond (toegestane bodemdruk kN/m2). Wanneer het draagvermogen niet bekend is, dient u steeds van de meest ongunstige situatie uit te gaan’.3 Daarnaast wordt in een tabel vermeld voor welke ondergrond de standaard onderlegplaten wel en niet geschikt zijn. Uit die tabel blijkt dat de standaard onderlegplaten ongeschikt zijn voor een natuurlijke ondergrond.4 Dezelfde tabel is ook aangebracht op de betonpompwagen.5

In de bedieningshandeling wordt verder aangegeven dat het Veiligheidshandboek in acht moet worden genomen.6 In het ‘Veiligheidshandboek voor pomp- en distributiemachines voor beton’ is opgenomen ‘stel u op de hoogte van de draagkracht van de ondergrond (..) Ga bij onbekende draagkracht van de ongunstigste situatie uit’.7

De bedieningshandleiding was aanwezig in de cabine van de betonpompwagen8 en is een integraal onderdeel van de betonpompwagen.9 Over de bedieningshandleiding is door [getuige 1] verklaard ‘mijn baas heeft mij niet verteld dat ik dit boek moest lezen’.10 [getuige 2] heeft verklaard dat hij de bedieningshandleiding wel heeft gezien maar niet heeft gelezen.11 De vertegenwoordiger van [verdacht bedrijf] heeft verklaard dat het inderdaad niet gebruikelijk is binnen het bedrijf dat de bedieningshandleiding tevoren door de bedienaars wordt gelezen. Lezing ervan wordt door de bedrijfsleiding niet gestimuleerd of voorgeschreven.12

Tijdens de opleiding Machinist Mobiele Betonpomp van [opleidingscentrum] – die door alle betonpompmachinisten van verdachte wordt gevolgd13 – komt ook aan de orde dat de betonpompmachinist de draagkracht van de ondergrond moet controleren, dat de bodemdruk bekend moet zijn bij de aannemer/bouwmaatschappij en dat deze anders berekend moet worden door de machinist, dat de verantwoordelijkheid voor een veilige opstelling bij de machinist ligt en dat de machinist de opstelplaats moet controleren en afwijzen wanneer er uit veiligheid-technisch oogpunt twijfels bestaan.14

Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij de ondergrond visueel heeft beoordeeld – zoals altijd – en geen berekening heeft gezien of gevraagd over de ondergrond.15 Ook [getuige 2] heeft verklaard dat de ondergrond visueel wordt beoordeeld.16 [verdacht bedrijf] heeft verklaard dat – tenzij wordt gewerkt in veengebied – door medewerkers van verdachte altijd visueel wordt beoordeeld of de standaard onderlegplaten geschikt zijn voor de ondergrond.17 Wanneer de betonpompwagen bij toenemende druk tijdens het werk langzaam begint te verzakken neemt de betonpompmachinist maatregelen.18 Dan worden bijvoorbeeld dragline-schotten als ondersteuning gebruikt.19 De bedieningshandleiding van de betonpompwagen gaat uit van het meest voorzichtige scenario, aldus [verdacht bedrijf] , en in de praktijk is die meest voorzichtige opstelling niet nodig. Ook als de bedieningshandleiding [verdacht bedrijf] bekend was geweest, zou [verdacht bedrijf] niet van de betonpompmachinist hebben gevraagd om de machine te ondersteunen conform de in de bedieningshandleiding opgenomen instructie.

Verder is door [getuige 2] verklaard dat hij de betonpompwagen op dezelfde wijze als [getuige 1] zou hebben geplaatst.20 [getuige 3] , hoofd-betonpompenspecialist van verdachte die na het ongeval ter plaatse kwam, heeft verklaard: ‘ik had de betonpompwagen net zo geplaatst als [getuige 2] en [getuige 1] hadden gedaan. Als ik hier zou moeten storten zou ik geen info aan de boer vragen over de ondergrond’.21 Ook [getuige 4] , kwaliteitsmanager van verdachte, heeft verklaard dat hij de tabel uit de gebruikshandleiding niet kent en dat ook door hem altijd visueel wordt beoordeeld of de maximale bodemdruk van de machine groter is dan de toegestane bodemdruk.22

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt dat verdachte zich heeft gespecialiseerd in specifieke werkzaamheden in de bouw. Zij heeft daarmee sinds 1992 ervaring en levert daarvoor speciaal, zwaar materieel met de daarbij horende gespecialiseerde medewerkers. Gezien haar expertise dient verdachte als specialist op het gebied van betonstorten te worden aangemerkt, en is zij verantwoordelijk voor het veilig functioneren van de betonpompwagen. Civielrechtelijke uitsluitingen in overeenkomsten en in de algemene voorwaarden en vermeldingen op een eigen website zijn in een strafrechtelijk kader niet van doorslaggevende betekenis.

Op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon. Hiertoe is van belang of de verboden gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het antwoord op deze vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hierna volgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat de betonpompwagenmachinist conform de werkwijze van verdachte heeft gewerkt, waarbij visueel wordt beoordeeld of het ondersteuningsmateriaal geschikt is voor de ondergrond. [directeur verdacht bedrijf] heeft ter zitting verklaard dat deze werkwijze ‘in de branche’ gebruikelijk en dat verdachte deze werkwijze ook na het ongeval nog steeds hanteert. Verder is komen vast te staan dat door medewerkers van verdachte geen navraag is gedaan naar de bodemdruk, er geen berekening is uitgevoerd en dat de gebruikshandleiding van de betonpompwagen niet is gelezen. Ten tijde van het ongeval was de betonpompwagen geplaatst op een natuurlijke ondergrond. Daarbij werd het standaard ondersteuningsmateriaal gebruikt, terwijl uit de gebruikshandleiding en de op de betonpompwagen aangebrachte tabel blijkt dat het standaard ondersteuningsmateriaal ongeschikt is voor een natuurlijke ondergrond en dat bij het gebruik van verkeerd ondersteuningsmateriaal levensgevaar voor personen ontstaat. Uit het Veiligheidshandboek en hetgeen tijdens de opleiding Machinist Mobiele Betonpompwagen van [opleidingscentrum] naar voren komt, blijkt dat de betonpompwagenmachinist het draagvermogen van de ondergrond moet weten en anders moet uitgaan van de meest ongunstige situatie. Met het gebruik van het standaard ondersteuningsmateriaal is, anders dan voorgeschreven in bedieningshandleiding, veiligheidshandboek en het geleerde tijdens de opleiding, niet uitgegaan van de meest ongunstige situatie.

De rechtbank constateert dat met de werkwijze van verdachte veiligheidsnormen werden geschonden waarvan verdachte zich bewust had kunnen en moeten zijn gelet op de gebruikershandleiding, de op de betonpompwagen aangebrachte tabel, het veiligheidshandboek en hetgeen tijdens de opleiding Machinist Mobiele Betonpomp van [opleidingscentrum] wordt onderwezen. Daarbij kent de rechtbank gewicht toe aan het feit dat verdachte als specialist op het gebied van betonstorten dient te worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat de verboden gedraging onderdeel is van de vaste werkwijze van verdachte. Met het negeren van de door de fabrikant, het veiligheidshandboek en het opleidingsinstituut voorgeschreven en onderwezen veiligheidsnormen heeft verdachte bewust het risico aanvaard dat de standaard ondersteuningsplaten onvoldoende waarborg zouden zijn voor een stabiele en veilige plaatsing van de betonpompwagen. De vraag of het breken van de gebruikte stempelplaten al dan niet voorzienbaar was, is tegen die achtergrond niet meer van belang. Met de ondersteuning van de gebruikte meegeleverde standaard stempelplaten had in de gegeven situatie immers niet mogen worden volstaan. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, uit de specificaties van de standaard bijgeleverde kunststofplaten niet volgt dat deze onbreekbaar zijn. Uit de specificaties volgt enkel dat bij een slagvastheidstest geen breuk is opgetreden, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat de kunststofplaten onbreekbaar zijn. Datzelfde geldt overigens voor de nadien door [verdacht bedrijf] gebruikte kunststofplaten afkomstig van een andere leverancier.

Door de vertegenwoordiger van [verdacht bedrijf] is nog verklaard dat een betonpompwagen in de praktijk regelmatig verzakt.23 Dat gebeurt in de regel geleidelijk. Dan verplaatst de betonpompwagenmachinist bijvoorbeeld de betonpompwagen, stelt de hydraulische steunen bij, of gebruikt ander ondersteuningsmateriaal. Een mogelijkheid tot corrigeren lijkt de betonpompwagenmachinist in deze zaak niet te hebben gehad: een deel van het ondersteuningsmateriaal is gebroken en één van de stempelpoten is van het ene op het andere moment 75 centimeter weggezakt. De vaste praktijk van verdachte bij het opstellen van de betonpompwagens, inhoudende dat de betonpompwagen wordt opgesteld en dat tijdens het storten goed in de gaten wordt gehouden of de betonpompwagen verzakt, biedt onvoldoende bescherming tegen een plotselinge verzakking, door breuk of anderszins, zoals zich hier heeft voorgedaan.

Met de door verdachte gehanteerde werkwijze heeft zij [slachtoffer] blootgesteld aan gevaren en risico’s, die hem fataal zijn geworden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door willens en wetens stelselmatig de door de fabrikant, het veiligheidshandboek en het opleidingsinstituut voorgeschreven en onderwezen veiligheidsnormen te negeren, aanmerkelijk onvoorzichtig, onzorgvuldig en nalatig gehandeld. Het negeren van deze veiligheidsnormen is immers niet geschied op grond van gedegen (wetenschappelijk) onderzoek naar de veiligheid van de door verdachte gehanteerde werkwijze, maar op grond van de gedachte dat “de praktijk nu eenmaal anders is dan de theorie” en de gedachte dat “er altijd zo gewerkt is en er zelden of nooit ernstige ongelukken zijn gebeurd”. Op basis van dergelijke niet onderbouwde en weinig zeggende aannames, kan en mag een professioneel bedrijf als dat van verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen door de fabrikant, voorgeschreven veiligheidsnormen negeren. De stelling van verdachte dat iedereen in de branche op deze manier werkt, indien en voor zover deze stelling al juist zou zijn, maakt dit niet anders. Wat voor verdachte geldt, geldt evenzeer voor alle andere branchegenoten die mogelijkerwijs op eenzelfde manier werken. De dood van [slachtoffer] had bij het aanhouden van de voorgeschreven veiligheidsnormen voorkomen kunnen worden en kan, gelet op het vorenstaande, redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend, nu zij heeft verzuimd datgene te doen wat vanuit haar zorgplicht als gespecialiseerd en professioneel betonpompenbedrijf van haar mocht worden verlangd.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen en bovenstaande bewijsoverwegingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het als feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 5 oktober 2016 te Heeten, gemeente Raalte, aanmerkelijk onvoorzichtig, onzorgvuldig en nalatig, arbeid heeft laten verrichten door personen op een bouwplaats aan de [adres 3] , te weten het storten van beton ten behoeve van funderingswerkzaamheden voor een agrarische stal, waarbij gebruik werd gemaakt van een door haar verdachte geleverde betonpompwagen met een distributiemast (die een lengte had van ongeveer 45 meter) terwijl die betonpompwagen was opgesteld op een natuurlijke ondergrond zonder dat die betonpompwagen met geschikt materiaal voor die ondergrond was ondersteund, ten gevolge waarvan een steunvoet van die betonpompwagen (plotseling) wegzakte in die natuurlijke ondergrond waardoor de distributiemast van die betonpompwagen (die een lengte had van ongeveer 45 meter), naar beneden is geslagen en [slachtoffer] is geraakt door die distributiemast en de daaraan bevestigde eindslang waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Als feit 1 wordt verdachte verweten dat zij artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden, door niet aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 2.29 van het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen.

De rechtbank overweegt dat overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet in artikel 1 onder 1e WED als een economisch delict wordt aangemerkt, voor zover het voorschrift is aangewezen als strafbaar feit. Volgens artikel 33, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is de niet-naleving van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet een strafrechtelijke overtreding, voor zover het niet naleven van een in artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet bedoeld voorschrift van het Arbeidsomstandighedenbesluit is aangemerkt als een strafbaar feit. In artikel 9.9a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is bepaald welke voorschriften en verboden uit het Arbeidsomstandighedenbesluit bij het handelen in strijd daarmee of het nalaten daarvan een strafbaar feit opleveren. Artikel 2.29 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt in dat artikel niet als strafbaar feit genoemd.

Dat betekent dat hetgeen als feit 1 aan verdachte is ten laste gelegd niet kan leiden tot kwalificatie van enig strafbaar feit. Daarom dient verdachte ten aanzien van dit feit van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat het bewezen verklaarde strafbaar is gesteld in de artikelen 51 en 307 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een geldboete geëist van € 60.000,--, waarvan € 20.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging zijn geen opmerkingen gemaakt over een op te leggen straf of maatregel.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de bedrijfsomstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft sinds 1992 ervaring met betonpompen en levert daarvoor speciaal, zwaar materieel met de daarbij behorende gespecialiseerde medewerkers. Verdachte moet dan ook verantwoordelijk worden gehouden voor het veilig functioneren van haar materieel, zoals in deze zaak de betonpompwagen. Zoals gebruikelijk is in de werkwijze van verdachte, is in deze zaak na alleen een visuele beoordeling gestart met betonstorten terwijl de betonpompwagen met ongeschikt ondersteuningsmateriaal werd geplaatst op een natuurlijke ondergrond. Met deze werkwijze zijn veiligheidsnormen geschonden waarvan verdachte zich bewust had moeten zijn gelet op de gebruikershandleiding van de betonpompwagen, de op de betonpompwagen aangebracht tabel, het veiligheidshandboek en hetgeen tijdens de opleiding Machinist Mobiele Betonpomp van [opleidingscentrum] wordt onderwezen.

Daardoor is [slachtoffer] – die onder de distributiemast beton aan het storten was – geraakt door de distributiemast en de daaraan bevestigde eindslang, waardoor hij is overleden. Met de werkwijze van verdachte heeft zij aanmerkelijk onvoorzichtig, onzorgvuldig en nalatig arbeid laten verrichten en is het overlijden van [slachtoffer] aan haar schuld te wijten.

Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank nadrukkelijk de omstandigheid dat verdachte haar werkwijze na het ongeval niet heeft veranderd en dat nog steeds op deze, onder dezelfde omstandigheden, onveilige wijze wordt gewerkt. Hoewel [directeur verdacht bedrijf] heeft verklaard dat verdachte verantwoordelijkheid neemt, neemt zij die verantwoordelijkheid naar het oordeel van de rechtbank niet ten volle, althans niet in voldoende mate, nu van haar verwacht mag worden dat zij de veiligheid voorop stelt van de mensen die werken in zones waarin haar materieel levensgevaar teweeg brengt. [verdacht bedrijf] heeft bij monde van haar vertegenwoordiger verklaard dat deze werkwijze in de branche gebruikelijk is en heeft het doen voorkomen dat een andere werkwijze alleen branche-breed zou kunnen worden doorgevoerd, omdat zij zichzelf anders prijstechnisch buiten spel zou zetten. Van verdachte had, zou dat daadwerkelijk het geval zijn, mogen worden verwacht dat zij zich zou hebben ingezet voor een branche-brede verandering, inhoudende dat de branche zich daadwerkelijk gaat houden aan de gebruikershandleidingen van de betonpompwagen, het veiligheidshandboek en hetgeen tijdens de opleiding Machinist Mobiele Betonpomp van [opleidingscentrum] wordt onderwezen, dan wel op een andere, door deskundigen en/of de fabrikant gevalideerde wijze, komt tot een 100% veilige wijze van ondersteuning van de betonpompwagens op iedere denkbare ondergrond. Daarvan is helaas niet gebleken.

Dat de werkwijze van verdachte volgens de verdediging gebruikelijk is in de branche, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden. Dat ook anderen wellicht dezelfde onveilig gebleken werkwijze hanteren, maakt immers nog niet dat aan verdachte ter zake geen verwijt kan worden gemaakt. In dat verband merkt de rechtbank nog op dat met strafoplegging ook de doelstelling van generale preventie wordt gediend, zodat ook anderen in de branche lering trekken uit het gebeurde. Het volgen van de redenering van verdachte zou aan die doelstelling afbreuk doen.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is de rechtbank gebonden aan de maximumstraf die in dit geval kan worden opgelegd. Ten tijde van het ongeval was dat een geldboete van ten hoogste € 20.500,--. Echter is in artikel 23, zevende lid, Sr bepaald dat als sprake is van een rechtspersoon en de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete kan worden opgelegd van de naast hogere categorie. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de ernst van de gevolgen, het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, de draagkracht van verdachte en de omstandigheid dat verdachte onvoldoende rekenschap en verantwoording heeft afgelegd, een geldboete van ten hoogte € 20.500,-- onvoldoende ruimte geeft voor een passende bestraffing. Daarom zal de rechtbank een geldboete van ten hoogte de naast hogere categorie opleggen. Ten tijde van het ongeval was dat een bedrag van € 82.000,--.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de uitspraken die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en, in voor de verdachte gunstige zin, met de omstandigheid dat uit zij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke zaken.

Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat sprake is van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter zitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na een handeling waaruit verdachte redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. Omdat na een dodelijk arbeidsongeval altijd onderzoek wordt gedaan door de Inspectie SZW moet deze termijn naar het oordeel van de rechtbank worden gerekend vanaf 4 april 2018, de dag waarop het proces-verbaal van de Inspectie SZW werd gesloten. Vervolgens is 25 maanden later, op 4 mei 2020, het eindvonnis uitgesproken. Nu het recht van verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven en de impact voor verdachte als rechtspersoon daarom beperkt is gebleven, en sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met één maand, volstaat de rechtbank met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Alles afwegende acht de rechtbank een geldboete van € 60.000,-- passend en geboden. Om verdachte er in de toekomst te van weerhouden strafbare feiten te plegen, in het bijzonder omdat de werkwijze van verdachte nog steeds hetzelfde is als tijdens het ongeval, zal de rechtbank bepalen dat daarvan € 20.000,-- voorwaardelijk wordt opgelegd, met een proeftijd van drie jaar. Omdat [directeur verdacht bedrijf] ter zitting heeft verklaard dat deze werkwijze in de branche gebruikelijk is, acht de rechtbank het van belang dat veiligheidsnormen, neergelegd in de gebruikershandleidingen van betonpompwagens, het veiligheidshandboek en hetgeen tijdens de opleiding Machinist Mobiele Betonpomp van [opleidingscentrum] wordt onderwezen (kort samengevat: ‘stel u op de hoogte van de draagkracht van de ondergrond (..) Ga bij onbekende draagkracht van de ongunstigste situatie uit’), branche-breed onder de aandacht zullen worden gebracht. Daarom zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden dat verdachte dit vonnis, binnen 12 maanden na de uitspraakdatum tijdens een officiële overlegvergadering van de Branchevereniging Betonpomp Bedrijven, nadrukkelijk aan de orde zal stellen. Verdachte dient hiervan en van de resultaten van het overleg verslag te doen.

De rechtbank hoopt en verwacht dat de brancheleden in gezamenlijkheid hun verantwoordelijkheid zullen nemen voor de veiligheid van de mensen die werken in een werkzone waar levensgevaar te duchten is, in het bijzonder de bedienaars van de eindslang. Verdachte dient vervolgens, maar uiterlijk binnen 14 maanden na datum vonnis, schriftelijk verslag te doen aan de officier van justitie, aan wie de rechtbank tevens opdracht geeft tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat zij niet hoeft te beslissen over de op de beslaglijst vermelde stempelplaten (4 stuks) nu [verdacht bedrijf] daarvan afstand heeft gedaan.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 24c Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart dat het onder 1 ten laste gelegde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid feit

- verklaart het als onder 2 bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het onder 2 bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 60.000,--, (zegge: zestigduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 20.000,-- (zegge: twintigduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van drie jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

- binnen 12 maanden na datum uitspraak, de inhoud van dit vonnis, tijdens een officiële vergadering van de Branchevereniging Betonpomp Bedrijven, nadrukkelijk aan de orde zal stellen. Verdachte zal hiervan en van de resultaten van dat overleg vervolgens, maar uiterlijk binnen 14 maanden na datum vonnis, schriftelijk verslag doen aan de officier van justitie;

- draagt de officier van justitie op om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. K. Haar en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Inspectie SZW met zaaknummer 411601852. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 14 tot en met 21.

3 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv, te weten de bedieningshandleiding, pagina 5058.

4 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv, te weten de bedieningshandleiding, pagina 5062.

5 De eigen waarneming van de rechtbank ter zitting van hetgeen te zien is op foto 14 op pagina 5020.

6 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv, te weten de bedieningshandleiding, pagina 5058.

7 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv, te weten de bedieningshandleiding, pagina 5087.

8 Bevindingen in het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden, pagina 18.

9 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv, te weten de bedieningshandleiding, pagina 5055.

10 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , pagina 2005.

11 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , pagina 2011.

12 Verklaring [directeur verdacht bedrijf] ter zitting van 20 april 2020.

13 Verklaring [verdacht bedrijf] ter zitting van 20 april 2020.

14 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1005 en 1006.

15 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , pagina 2005.

16 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , pagina 2011.

17 Verklaring [directeur verdacht bedrijf] ter zitting van 20 april 2020.

18 Verklaring [verdacht bedrijf] ter zitting van 20 april 2020.

19 Verklaring [verdacht bedrijf] ter zitting van 20 april 2020.

20 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , pagina 2012.

21 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , pagina 2024.

22 Proces-verbaal van verhoor [getuige 4] , proces-verbaalnummer 4100601852-11 (losse bijlage).

23 Verklaring [verdacht bedrijf] ter zitting van 20 april 2020.