Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1640

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
AK_ZWO_19_1402
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking basistoelage uitwonende scholieren; pleegoudervoogd terecht als TOS-ouder aangemerkt; eiseres had redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij op hetzelfde adres woont als haar TOS-ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. G.R. Dorhout-Tielken,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Rots.

Procesverloop

In de afzonderlijke besluiten van 17 december 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat in de te onderscheiden perioden de basistoelage uitwonend en de tegemoetkoming in de schoolkosten wordt ingetrokken. Verweerder heeft bepaald dat eiseres in deze perioden recht had op de basistoelage inwonend. Eiseres heeft in totaal € 6.180,05 te veel tegemoetkoming ontvangen en zij moet dit terugbetalen.

Bij besluit van 19 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ontleent aan het procesdossier de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres volgt een Havo-opleiding op scholengemeenschap De Grundel te Hengelo. In februari 2016 heeft zij de tegemoetkoming scholieren aangevraagd. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat zij uitwonend is en dat zij een basistoelage uitwonend en een aanvullende toelage (een tegemoetkoming in de schoolkosten) wil ontvangen.

Eiseres ontving daarop een basistoelage uitwonende en een tegemoetkoming in de schoolkosten.

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de basistoelage uitwonend over de perioden van juli 2016 tot en met december 2016, van januari 2017 tot en met december 2017 en van januari 2018 tot en met augustus 2018 wordt ingetrokken. Eiseres had volgens verweerder in deze perioden recht op een basistoelage inwonend. Daarnaast heeft eiseres in deze perioden te veel tegemoetkoming in de schoolkosten ontvangen. Eiseres heeft in totaal € 6.180,05 te veel tegemoetkoming ontvangen en zij moet dit terugbetalen.

3. Eiseres stelt – samengevat weergegeven – dat verweerder ten onrechte de tegemoetkoming heeft ingetrokken, omdat zij op instructie van verweerder in maart 2016 de basistoelage voor uitwonenden heeft aangevraagd. Verweerder meent ten onrechte dat haar pleegoudervoogd, de heer [naam] ( [naam] ), als ouder in de zin van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) moet worden aangemerkt (hierna: TOS-ouder). [naam] kan volgens eiseres niet als TOS-ouder worden aangemerkt, omdat hij in het laatste kwartaal waarin eiseres 17 jaar was, geen kinderbijslag voor haar ontving. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de Wtos. Hieruit volgt dat de thuiswonende leerling degene is die op het adres van de TOS-ouder woont. De TOS-ouders is de wettelijke vertegenwoordiger in het laatste kwartaal waarin de leerling nog 17 jaar was en kinderbijslag voor haar ontving. De uitwonende leerling is niet thuiswonend. Gelet op deze criteria heeft eiseres terecht een toelage voor uitwonenden aangevraagd. Zij was immers uitwonende, omdat zij niet op het adres van de TOS-ouder woonde. Eiseres verwijst verder naar een arrest van de Hoge Raad van 30 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA8447) waaruit volgt dat een pleegoudervoogd niet onderhoudsplichtig is voor het pleegkind en de Staat eindverantwoordelijk is, om ervoor te zorgen dat de pleegoudervoogd zijn opvoedingstaak goed kan vervullen. Eiseres stelt dat verweerder een eigen uitleg geeft aan de Wtos en dat deze uitleg niet strookt met de wettelijke bepalingen.

4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en daarin gesteld dat zij aanleiding gezien om het bestreden besluit te herstellen, in die zin dat de tegemoetkoming in de schoolkosten met toepassing van de hardheidsclausule wordt herzien. Die tegemoetkoming is namelijk inkomensafhankelijk en de pleegoudervoogd van eiseres heeft inderdaad geen onderhoudsplicht voor haar. Verweerder deelt mee dat eiseres daarover nader bericht ontvangt.

5. Nu verweerder in die zin terugkomt op het bestreden besluit, is dit besluit om deze reden niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal het beroep van eiseres daarom al gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

6. Verweerder stelt in het verweerschrift dat het besluit niet wordt niet herzien voor zover het gaat om de basistoelage uitwonende scholieren. Die toelage is niet inkomensafhankelijk, maar ziet op kosten zoals de huur. Partijen verschillen op dit punt nog van mening. De rechtbank zal daarom, in het kader van de finale geschillenbeslechting, beoordelen of het besluit op dit punt al dan niet kan standhouden.

7. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wtos is de TOS-ouder de wettelijke vertegenwoordiger in het laatste kwartaal waarin de leerling nog 17 jaar was.

Verder is thuiswonend de scholier die woont op het adres van de TOS-ouder of partner van de TOS-ouder.

Op grond van artikel 1.1, tweede lid, van de Wtos, wordt in onderdeel b van de begripsbepaling TOS-ouder, indien 2 natuurlijke personen voldoen aan het begrip wettelijke vertegenwoordiger, daaronder verstaan:

a. wettelijke vertegenwoordiger die over het tweede kwartaal van het jaar waarin het schooljaar aanvangt, ten behoeve van de leerling kinderbijslag als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet heeft ontvangen,

b. indien onderdeel a niet van toepassing is: wettelijke vertegenwoordiger bij wie de leerling op 1 augustus blijkens de basisregistratie personen woont, of

c. indien de onderdelen a en b niet van toepassing zijn: wettelijke vertegenwoordiger die de wettelijke vertegenwoordigers gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wtos, vindt herziening plaats op grond van het feit dat een beschikking is genomen waarvan de aanvrager of de TOS-ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was.

7.1

Eiseres woont bij [naam] . Partijen zijn ten eerste verdeeld over de vraag of [naam] als TOS-ouder kan worden aangemerkt.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Het staat vast dat [naam] de wettelijke vertegenwoordiger was in het laatste kwartaal waarin de eiseres nog 17 jaar was. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat, om als TOS-ouder aangemerkt te worden, óók is vereist dat hij de kinderbijslag ontvangt en dat dit zou volgen uit artikel 1.1, tweede lid, van de Wtos. Het kinderbijslagvereiste is alleen van belang in de situatie dat er twee natuurlijke personen als wettelijke vertegenwoordiger zijn aan te merken. In dat geval is de TOS-ouder degene die de kinderbijslag ontving in het tweede kwartaal van het jaar dat het schooljaar aanvangt. Dit volgt uit artikel 1.1, tweede lid, van de Wtos. Deze situatie is bij eiseres niet aan de orde, omdat er geen sprake is van twee wettelijke vertegenwoordigers. Zowel in de Wtos als in de door eiseres aangehaalde brief van verweerder van 23 maart 2016 zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van eiseres dat om aangemerkt te worden als TOS-ouder in alle gevallen kinderbijslag moet zijn ontvangen. De rechtbank vindt deze aanknopingspunten ook niet in het advies van de Raad van State van 1 september 2000 voor deze wet, waar eiseres naar heeft verwezen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder [naam] terecht als TOS-ouder aangemerkt. Uit artikel 1.1 van de Wtos volgt dat de scholier die woont op het adres van de TOS-ouder, wat bij eiseres dus het geval is, thuiswonend is.

7.2

Verweerder heeft de tegemoetkoming herzien op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wtos. In dat artikel is bepaald dat herziening plaats vindt op grond van het feit dat een beschikking genomen is waarvan de aanvrager of de TOS-ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiseres redelijkerwijs had kunnen weten dat het besluit om haar als uitwonende aan te merken onjuist was. Het staat vast dat dit besluit is genomen op basis van gegevens over haar biologische vader die eiseres heeft verstrekt naar aanleiding van de brief van verweerder van 23 maart 2016. Uit de bewoordingen van deze brief blijkt dat eiseres zelf al eerder (dus voor de brief van 23 maart 2016) heeft aangegeven dat zij vanaf 1 juli 2016 als uitwonend moet worden aangemerkt. Dat de brief van 23 maart 2016 van verweerder zou zijn op te vatten als een advies van de zijde van verweerder, volgt de rechtbank dan ook niet.

In de brief staat dat: ‘Met ouder wordt de persoon bedoeld die in het laatste kwartaal waarin je nog zeventien was, jouw wettelijk vertegenwoordiger was.

Het gaat dan om degene die in het laatste kwartaal waarin jij nog 17 jaar was de kinderbijslag voor jou ontving’.

De rechtbank vindt dat de brief van 23 maart 2016 op dit punt niet erg duidelijk is. Dit laat onverlet dat het voor zowel eiseres als [naam] duidelijk dat [naam] de wettelijk vertegenwoordiger was van eiseres. Dat hebben zij ook niet betwist. Als er nog onduidelijkheid bestond over de invulling van het begrip (TOS)-ouder had het op de weg van eiseres gelegen om navraag te doen bij verweerder. Zij heeft dit niet gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij op hetzelfde adres woont als haar TOS-ouder, haar wettelijke vertegenwoordiger, en dat het besluit waarin haar een basistoelage uitwonend is toegekend, onjuist was.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de tegemoetkoming heeft kunnen herzien, voor zover deze zag op de basistoelage uitwonend.

8. Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat het beroep gegrond is en dat het besluit zal worden vernietigd, omdat partijen het erover eens zijn dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd voor zover dat besluit ziet op de herziening van de tegemoetkoming schoolkosten en daarom niet in stand kan blijven. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit wel juist is voor zover deze ziet op de herziening van de basistoelage uitwonend, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050 ,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van

A. van den Ham, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.