Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1611

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
ak_ 19 _ 1535
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidie voor project PEEVES.NL in redelijkheid vastgesteld op € 12.500,- ; verweerder bevoegd tot terugvordering van € 12.500; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1535

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] te [vestigingsplaats] eiseres,

gemachtigde: mr. K.T.E. Huisman,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende subsidie voor het project “het voorzien van producten aan de Voedselbank Deventer via PEEVES” vastgesteld op nihil en het verleende voorschotbedrag van € 25.000, - van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 10 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit herroepen in de zin dat de projectsubsidie wordt vastgesteld op € 12.500, - en een bedrag van € 12.500, - wordt teruggevorderd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigde voornoemd en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.R. Krol en D. Jonker.

Overwegingen

Subsidie-aanvraag

1. Eiseres heeft in het kader van de nadere subsidieregels “Meedoen” subsidie aangevraagd voor het project "PEEVES.NL". In het aanvraagformulier wordt voor de projectomschrijving verwezen naar het bijgevoegde ondernemingsplan “Project strategisch marketingplan PEEVES”. In het ondernemingsplan is opgenomen dat PEEVES.NL een online bestelplatform is waarbij maaltijden besteld kunnen worden en dat PEEVES.NL de rol van intermediair tussen de vraag en aanbodzijde van voedselbezorging vervult. Daarnaast maakt PEEVES.NL het voor de eindgebruiker mogelijk aan te geven verpakte voeding (voedingswaren die niet worden gebruikt en anders in de afvalbak zouden belanden) retour te zullen geven aan de bezorger van de horecaonderneming. De Voedselbank Deventer (hierna: de Voedselbank) zamelt deze producten via haar eigen logistieke kanalen in, in door PEEVES.NL beschikbaar gestelde kratten.

Subsidieverlening

2. Bij besluit van 26 juli 2017 heeft verweerder aan eiseres een eenmalige projectsubsidie verleend van maximaal € 25.000, - voor het voorzien van producten aan de Voedselbank via PEEVES vanaf 1 september 2017.

De te leveren prestaties zijn:

  • -

    eiseres werkt nauw samen met de Voedselbank;

  • -

    eiseres neemt contact op met de restaurants in de gemeente Deventer om deel te gaan nemen aan het project;

  • -

    met de deelnemende restaurants worden afspraken gemaakt over de wijze van productenverzameling (levering lege kratten/ophalen volle kratten);

  • -

    in november 2017 informeert eiseres verweerder over de voortgang van het project;

  • -

    eiseres draagt zorg voor de communicatie naar de klanten over hun bijdrage aan de Voedselbank bij een bestelling via PEEVES;

  • -

    in september 2017 wordt gestart met de opbouw van een app om als intermediair op te treden voor het uitvoeren van het project.

Subsidievaststelling

3. Bij besluit van 4 maart 2019 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op nihil, omdat er uiteindelijk geen enkel product bij de Voedselbank terecht is gekomen. Daarmee is het subsidiedoel niet bereikt.

Verweerder merkt op dat subsidieverstrekking door de gemeente in de eerste plaats een maatschappelijk doel dient, omdat het gaat om de besteding van schaarse gemeenschapsgelden. In het onderhavige geval is dat doel het voorzien van producten aan de Voedselbank geweest en is dat doel voor verweerder de doorslaggevende reden geweest voor subsidieverlening. Zonder dat doel zou verweerder de subsidie nimmer hebben verstrekt.

De subsidie is wat betreft het beoogde maatschappelijke resultaat volledig aan zijn doel voorbijgeschoten, nu er geen enkel product bij de Voedselbank is terecht gekomen.

Dat in voldoende mate is voldaan aan de in de verleningsbeschikking vermelde prestaties doet hier volgens verweerder niet aan af, omdat deze prestaties niet het doel zijn maar de noodzakelijke voorwaarden om het uiteindelijke doel van de subsidie te bereiken, namelijk het leveren van producten aan de Voedselbank.

Bestreden besluit

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen, in de zin dat de projectsubsidie wordt vastgesteld op € 12.500, - en een bedrag van € 12.500, - wordt teruggevorderd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat aan de zijde van eiseres sprake is van verminderde verwijtbaarheid, te weten de verwarring die blijkbaar bij eiseres is ontstaan omtrent de aard van de subsidiegelden (subsidie Meedoen versus Klijnsmagelden) en de wisseling in de directie van de Voedselbank tijdens de pilot. Om deze redenen is niet gekozen voor nihil vaststelling van de subsidie door verweerder.

Beroepsgronden

5. Eiseres stelt dat verweerder in het besluit tot subsidieverlening ten onrechte de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door in de aanvraag de nadruk te leggen op het leveren van producten aan de Voedselbank. Eiseres mocht er op vertrouwen dat de verlening een besluit op en conform de aanvraag was. De in de subsidieverlening opgenomen prestaties waren immers in lijn met de aanvraag en verweerder wist wat de pilot zou inhouden. Voor eiseres was er dan ook geen aanleiding om tegen de omschrijving van het project in het besluit tot subsidieverlening bezwaar te maken.

Pas in het stadium van subsidievaststelling is door verweerder gesteld dat het leveren van producten aan de Voedselbank een zeer essentieel onderdeel van de subsidieverlening was. Dit is onbegrijpelijk stelt eiseres, omdat het voor verweerder duidelijk was dat het slechts ging om het opzetten van het online platform voor het tegengaan van foodwaste en omdat eiseres daarvoor afhankelijk is van derden.

Eiseres heeft er in de samenwerking met de Voedselbank alles aan gedaan om de Voedselbank de activiteiten die zij zou uitvoeren te laten verrichten, onder andere door het opstellen van een concept-samenwerkingsovereenkomst met de Voedselbank.

Dat er geen producten bij de Voedselbank zijn terecht gekomen ligt aan de logistiek van de Voedselbank.

Nu, zoals ook verweerder in navolging van de bezwaarcommissie stelt, het merendeel van de prestaties door eiseres is geleverd en ook andere betrokken partijen (te weten verweerder, de Voedselbank en de media), verwijtbaar hebben gehandeld zou de vaststelling in elk geval meer dan 50% moeten bedragen.

Dat het project is toegekend uit de zogenaamde Klijnsmagelden (die betrekking hebben op bestrijding van armoede) is nooit met eiseres gecommuniceerd.

Tot slot stelt eiseres dat verweerder de grondslag ten onrechte heeft aangevuld met artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Wettelijk kader

6. Artikel 4:46, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vaststelt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien

de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

Artikel 4:57, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen kan terugvorderen.

Beoordeling

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

De rechtbank stelt voorop dat verweerder, anders dan eiseres meent, uitsluitend artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd en niet tevens artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb. Laatstgenoemd artikellid heeft verweerder weliswaar in zijn verweerschrift ten behoeve van de behandeling van het bezwaar door de bezwaarschriftencommissie aangevoerd als aanvullende grondslag, maar uiteindelijk heeft verweerder die bepaling niet als onderdeel van de beslissing op bezwaar aan de vaststelling ten grondslag gelegd.

7.2

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat subsidie is verleend voor de activiteit: het voorzien van producten aan de Voedselbank Deventer middels het online bestelplatform PEEVES.NL.

Dit blijkt uit de verleningsbeschikking van 26 juli 2017 waarin als onderwerp staat vermeld “Verlening projectsubsidie voorziening producten Voedselbank Deventer 2017”, en onder het kopje ”Uw subsidieaanvraag” dat subsidie is aangevraagd voor ”het voorzien van producten aan de Voedselbank Deventer, via PEEVES”.

7.3

Gezien het vorenstaande kan eiseres niet worden gevolgd in haar standpunt dat

verweerder pas in het stadium van subsidievaststelling heeft gesteld dat het leveren van producten aan de Voedselbank essentieel voor de subsidieverlening was.

De verleningsbeschikking is hierover duidelijk. Dat in de verleningsbeschikking bij de te leveren prestaties geen aantallen aan de Voedselbank te leveren producten zijn genoemd, maakt dit niet anders.

7.4

Overigens was de voedselverstrekking aan de Voedselbank ook volgens het aan de subsidieaanvraag ten grondslag gelegde ondernemingsplan essentieel. Op pagina 7 van het ondernemingsplan wordt het volgende opgemerkt:

“PEEVES.NL onderscheidt zich binnen deze markt door haar unieke eigenschap, de samenwerking met de Voedselbank. Deze samenwerking zal dus beschermd moeten worden, om zo de unieke positie te behouden. Door het introduceren van een nieuwe inzamelstroom voor de voedselbanken zal PEEVES als sympathiek worden ervaren. Het mogelijk maken van deze retourstroom is nieuw in de markt en geeft PEEVES een zeer onderscheidende positie.”

7.5

Ook het feit dat eiseres voor het leveren van producten aan de Voedselbank afhankelijk was van derden, van klanten voor het retourneren van bruikbare producten, van restaurants voor het inzamelen van producten en van de Voedselbank voor het ophalen van producten bij de restaurants, doet hieraan niet af. Verweerder is een subsidierelatie aangegaan met eiseres door middel van subsidieverlening. Het behoort dan ook tot de verantwoordelijkheid van eiseres om het doel waarvoor de subsidie is verleend, te realiseren. De samenwerking met derden waarvan eiseres zich afhankelijk heeft gemaakt zijn en blijven voor rekening en risico van eiseres.

7.6

Dat de Voedselbank heeft verzuimd producten bij de restaurants op te halen wordt overigens weersproken door de voorzitter van de Voedselbank. In zijn brief van 6 april 2019 heeft hij gesteld dat van logistieke problemen bij de Voedselbank nooit gebleken kan zijn omdat er geen producten voor de Voedselbank hebben klaar gelegen.

7.7

Indien eiseres van mening was dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend niet overeenkwam met de activiteit waarvoor subsidie is gevraagd, had eiseres tegen de verleningsbeschikking rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Eiseres heeft dat niet gedaan en het besluit tot subsidieverlening heeft daarmee formele rechtskracht. Verweerder heeft dan ook terecht dat besluit, mede gelet op het bepaalde in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb, als basis genomen voor het subsidievaststellingsbesluit. Dat wat eiseres heeft gesteld met betrekking tot het verlaten van de subsidieaanvraag bij het besluit tot subsidieverlening, wat daarvan ook moge zijn, leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

7.8

Niet in geschil is dat via PEEVES.NL geen producten bij de Voedselbank zijn terecht gekomen. Nu de activiteit waarvoor subsidie is verleend, en in ieder geval de activiteit die verweerder in het kader van het maatschappelijk belang bij verlening van de subsidie voor ogen stond, in het geheel niet is gerealiseerd was verweerder bevoegd de subsidie op nihil vast te stellen.

8.1

Verweerder is eiseres tegemoetgekomen door bij het bestreden besluit de subsidie vast te stellen op 50% van het verleende subsidiebedrag, omdat het merendeel van de aan de subsidieverlening verbonden prestaties wel is verricht.

8.2

Verweerder is daarbij uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres, ten gevolge van de verwarring die blijkbaar bij eiseres is ontstaan omtrent de aard van de subsidiegelden (subsidie Meedoen versus Klijnsmagelden) en de wisseling in de directie van de Voedselbank tijdens de pilot.

8.3

Niet kan worden gezegd dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen de subsidie in redelijkheid op meer dan 50% van het verleende bedrag had dienen vast te stellen.

8.4

Eiseres heeft gesteld dat de negatieve berichten in de media (extra) hebben bijgedragen aan het niet afleveren van producten aan de Voedselbank, deze negatieve berichten zijn eiseres niet te verwijten. Ook deze stelling van eiseres biedt geen aanknopingspunten dat verweerder de subsidie in redelijkheid op meer dan 50% van het verleende bedrag had dienen vast te stellen.

8.5

Dat eiseres, zoals zij heeft gesteld, door het mislopen van het gehele subsidiebedrag in financiële problemen is gekomen, heeft zij niet met stukken onderbouwd.

9. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten de verleende subsidie van € 25.000, - vast te stellen op € 12.500, -.

Daaruit volgt dat verweerder bevoegd was om € 12.500, - van eiseres terug te vorderen. Niet gebleken is dat verweerder in redelijkheid geen gebruik kon maken van die bevoegdheid.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en

mr. drs. F. Onrust, leden, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier de voorzitter is buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.