Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1602

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
ak_19_1551
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming in planschade in verband met aanwezigheid paardenhouderij op zelfde perceel; terecht overgangsrecht niet betrokken in planvergelijking; vergelijking dient te worden gemaakt tussen een illegale (bedrijfs)woning onder het oude bestemmingsplan met een legale bedrijfswoning met de mogelijkheid van bewoning door derden onder het nieuwe bestemmingsplan;beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1551

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten, verweerder

gemachtigde: C. van Bart.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2018 heeft verweerder het door eisers ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 31 januari 2019 (zaaknummer AWB 18/1483) is het door eisers ingestelde beroep gegrond verklaard en is het besluit op bezwaar van 2 juli 2018 vernietigd. Verweerder is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Bij besluit van 8 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Eisers zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1.1

Eisers zijn eigenaar van de woning aan de [adres 1] te Holten. Zij hebben deze woning in mei 2007 in eigendom verkregen.

1.2

De woning van eisers is gelegen op een perceel waarop eveneens een paardenhouderij met bijbehorende bedrijfswoning ( [adres 2] is gelegen (hierna: het perceel). Op het perceel werd voorheen door de familie [naam 1] een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Bij dit agrarisch bedrijf behoorden twee bedrijfswoningen: de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] . De (bouw)vergunning voor het oprichten van de tweede bedrijfswoning (zijnde de woning aan de [adres 1] ) is op 16 juli 1971 verleend. In juni 1991 is deze tweede bedrijfs-woning voor het eerst betrokken door een derde die geen binding had met het op het perceel aanwezige agrarische bedrijf.

1.3

Eisers hebben de woning aan de [adres 1] gekocht en zijn deze in mei 2007 gaan bewonen. De familie [naam 2] heeft in januari 2009 het perceel gekocht en exploiteert daar onder de naam v.o.f. [naam 3] een paardenhouderij. De familie [naam 2] bewoont de eerste bedrijfswoning (aan de [adres 2] .

1.4

Bij besluit van 19 december 2017 heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen hinder in de vorm van geur, stof en geluid, veroorzaakt door de inrichting van v.o.f. [naam 3] op het perceel [adres 2] te Holten afgewezen.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 juni 2018 ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 31 januari 2019 (zaaknummer 18/1484) het door eisers ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 13 november 2019 in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; zaaknummer 201902065/1/A1) bevestigd. In de kern is daarbij overwogen dat de woning van eisers aan de [adres 1] een plattelandswoning bij de landbouwinrichting op het perceel [adres 2] is. Dit betekent dat aan de woning dezelfde bescherming toekomt als aan een agrarische bedrijfswoning.

Wettelijk kader

2. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) bepaalt dat burgemeester en wethouders op aanvraag een tegemoetkoming toekennen aan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Het tweede lid van dit artikel, onder a, bepaalt dat een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid, een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is.

Besluitvorming

3.1

Bij aanvraag, door verweerder ontvangen op 28 december 2017, hebben eisers verweerder verzocht hen een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) toe te kennen. Hierbij hebben zij aangegeven dat zij schade hebben geleden door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied Rijssen-Holten” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) in combinatie met de inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen en het (afwijzende) besluit op het verzoek om handhaving van
19 december 2017. De door hen geleden schade bestaat uit de waardevermindering van hun woning door:

- de wijziging van de status van de woning van burgerwoning met bescherming naar bedrijfswoning zonder bescherming;

- hinder door de vestiging van een agrarisch bedrijf op minder dan 50 meter van de woning;

- verlies van vrij uitzicht;

- verlies van privacy;

- vermindering van algemeen woongenot.

Daarnaast zijn medische klachten ontstaan en is er financiële schade geleden door het inschakelen van een advocaat. De door eisers geleden schade hebben zij begroot op
€ 100.000,-.

3.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om tegemoetkoming in de planschade afgewezen. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat een causaal verband ontbreekt tussen de gestelde schade en de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. Volgens verweerder is de verminderde bescherming van de woning van eisers ten opzichte van de inrichting op het perceel veroorzaakt door de inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen op 1 januari 2013. Dit is geen oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro zodat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerder heeft dit standpunt in het besluit op bezwaar van 21 juni 2018 gehandhaafd.

3.3

Bij uitspraak van 31 januari 2019 heeft de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 21 juni 2018 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het van toepassing zijn van het verminderde beschermingsregime een rechtstreeks gevolg is van de inwerkingtreding van artikel 4.4.2, aanhef en onder b, van de planregels in het nieuwe bestemmingsplan. Door deze bepaling in het nieuwe bestemmingsplan is de Wet plattelands-woningen immers van toepassing geworden op de woning van eisers. De rechtbank heeft overwogen dat verweerder het verzoek om planschade ten onrechte niet heeft voorgelegd aan de gemeentelijke planschadecommissie en heeft bepaald dat dit alsnog moet gebeuren. Tegen de uitspraak van de rechtbank zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.

3.4

Verweerder heeft het verzoek van eisers vervolgens ter onafhankelijke advisering voorgelegd aan de schadebeoordelingscommissie (hierna: de commissie). Deze commissie heeft partijen op 11 maart 2019 gehoord, waarna op 12 maart 2019 de situatie ter plekke opgenomen is. Op 13 mei 2019 heeft de commissie advies uitgebracht. In dit advies is geconcludeerd dat er met de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan op
23 januari 2013 geen sprake is van een planologische verslechtering, zodat het verzoek om tegemoetkoming in planschade moet worden afgewezen.

3.5

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit, in navolging van het advies van de commissie, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om planschade in stand gelaten. Verweerder heeft overwogen dat het overgangsrecht bij de planologische vergelijking buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat betekent in deze zaak dat bij de vergelijking uitgegaan moet worden van een - onder het bestemmingsplan “Buitengebied Holten 1992” (hierna: het oude bestemmingsplan) - illegale (bedrijfs)woning die in het nieuwe bestemmingsplan is omgezet in een legale bedrijfswoning met de mogelijkheid van bewoning door derden. Er is derhalve geen sprake van planologisch nadeel, maar zelfs van voordeel, aldus verweerder.

Beroepsgronden en beoordeling daarvan door de rechtbank

4. Eisers voeren in beroep aan - voor zover hier van belang - dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het overgangsrecht van het oude bestemmings-plan buiten de planvergelijking moet worden gehouden. Niet ter discussie staat dat de woning onder het overgangsrecht van het oude bestemmingsplan viel en burgerbewoning dus legaal was. Eisers zijn van mening dat legaal gebruik in principe als zodanig in het nieuwe bestemmingsplan dient te worden bestemd. De woning had dus in het nieuwe bestemmingsplan de bestemming ‘burgerwoning’ moeten krijgen. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2019 in de gevoerde handhavingsprocedure tussen partijen blijkt dat de woning onder het nieuwe bestemmings-plan als plattelandswoning moet worden aangemerkt. Een plattelandswoning geniet minder bescherming dan een burgerwoning. Er is derhalve wel degelijk sprake van een planologische verslechtering, zo begrijpt de rechtbank het betoog van eisers.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Op grond van het oude bestemmingsplan, vastgesteld in augustus 1992, vigeerde op het perceel [adressen] de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden”. Binnen deze bestemming was gebruik toegestaan ten behoeve van de uitoefening van het agrarische bedrijf. Er was per perceel één bedrijfswoning toegestaan. Een bedrijfswoning werd gedefinieerd als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bestemd voor de huisvesting van een persoon (en diens/haar gezin of naar de aard daarmee gelijk te stellen samenlevingsvorm) wiens huisvesting daar, met het oog op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is. Uit artikel 32, onder b, van de planregels (hierna: de overgangsbepaling) volgde dat het gebruik van gronden en opstallen strijdig met het plan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, mocht worden gehandhaafd.

5.2

Uit het procesdossier blijkt dat de woning van eisers in 1971 is vergund als (tweede) bedrijfswoning en dat de woning sinds 1991 wordt bewoond door derden die geen binding hebben met het agrarische bedrijf. Deze bewoning door derden was in strijd met het oude bestemmingsplan, maar op grond van de overgangsbepaling mocht deze bewoning worden voortgezet. Zoals ook de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 november 2019 in de handhavingsprocedure tussen partijen is de woning van eisers op grond van dit overgangsrecht echter geen burgerwoning geworden. Slechts het gebruik van de woning door burgers mocht op basis van de overgangsbepaling worden voortgezet; dit gebruik bleef in strijd met de geldende bestemming.

5.3

In het nieuwe bestemmingsplan, in werking getreden op 24 januari 2013, vigeert op het perceel [adressen] de bestemming “Agrarisch - agrarisch bedrijf” met de aanduiding “2 bedrijfswoningen”. In artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, aanhef en onder k, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.2, aanhef en onder b, van het nieuwe bestemmingsplan is bepaald dat de bewoning van een agrarische bedrijfswoning door derden die is ontstaan voor de vaststelling van het bestemmingsplan niet langer in strijd is met het bestemmingsplan. Hiermee is de woning nog steeds niet bestemd tot burgerwoning, maar is de bewoning door derden - anders dan onder het oude bestemmingsplan - toegestaan. Dit brengt met zich dat artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op de woning van eisers van toepassing is en de woning derhalve dient te worden aangemerkt als een plattelandswoning.

5.4

De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eisers dat hun woning in het nieuwe bestemmingsplan ten onrechte niet als burgerwoning is bestemd in deze procedure niet aan de orde kan komen. Eisers hadden dit argument naar voren kunnen en moeten brengen in een procedure gericht tegen de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. In de onderhavige procedure dient uit te worden gegaan van de planologische status die in het nieuwe, onherroepelijke bestemmingsplan aan de woning van eisers is gegeven.

5.5

De rechtbank overweegt verder dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582).

5.6

In geschil is de vraag of verweerder bij de vaststelling van hetgeen was toegestaan op grond van het oude planologische regime ook de overgangsbepalingen van het oude bestemmingsplan had moeten betrekken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 11 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY9901, en 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2420) is het overgangsrecht bij een bestemmingsplan bedoeld voor een bestaande situatie die afwijkt van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de betreffende gronden. De omstandigheid dat de bestaande situatie niet past binnen deze bestemmingsregeling, betekent dat beoogd wordt om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode. Daarmee zijn de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan van een andere orde dan de planregels over de met het plan aan de gronden toegekende bestemmingen. Om deze reden dienen de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan buiten beschouwing te worden gelaten bij een planologische vergelijking.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 11 oktober 2006 is dit slechts anders indien de overgangsbepaling een zodanig verstrekkende werking heeft, dat dit vrijwel dezelfde mogelijkheid biedt als het als zodanig bestemmen van de situatie. Gesteld noch gebleken is dat deze situatie in de onderhavige zaak aan de orde is.

5.7

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen grond te vinden is voor het oordeel dat het overgangsrecht van het oude bestemmingsplan ten onrechte niet is betrokken in de planvergelijking met het nieuwe bestemmingsplan. De rechtbank vindt eveneens steun voor deze opvatting in recente uitspraken van de Afdeling van
9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3387, en 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:856.

5.8

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit op goede gronden overwogen dat een vergelijking dient te worden gemaakt tussen een illegale (bedrijfs)woning onder het oude bestemmingsplan, met een legale bedrijfswoning met de mogelijkheid van bewoning door derden onder het nieuwe bestemmingsplan. Daarmee is geen sprake van planologisch nadeel, zodat verweerder het verzoek om een tegemoetkoming in planschade op goede gronden heeft afgewezen.

5.9

Hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd met betrekking tot de vestiging van de paardenhouderij op het perceel en de wijze waarop verweerder hiermee om is gegaan valt buiten de omvang van het geding, zodat de rechtbank dit buiten bespreking laat. De door eisers aangehaalde situatie rondom de woning aan de [adres 3] is door de Afdeling reeds besproken in de meermaals aangehaalde uitspraak tussen partijen van 13 november 2019. Hieruit blijkt dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van Y. van Arnhem, als griffier. De beslissing is uitgesproken op

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd rechter

deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.