Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1563

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
08/952886-18 en 08/910007-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het onderzoek Liechtenstein gaat het om internationale drugshandel en witwassen via bitcoins. Via het Darkweb kwamen bestellingen binnen vanuit verschillende landen van Zweden tot Australië. Vanuit hun drugspand in Enschede verwerkten en verzonden de verdachten alle bestellingen. Toen de politie daar binnenviel, vonden zij daar amfetamine, MDMA, heroïne, cocaïne en LSD. Ook smokkelden de verdachten zo’n 15 kilo amfetamine naar Duitsland. Twee van de 6 verdachten planden meerdere aanslagen op Satudarah in Enschede. Zij dachten namelijk dat de voormalige motorclub hen had verraden bij de politie. Dit nadat de politie een inval had gedaan bij het Enschedese drugspand.

De 25-jarige M. W. is voor zijn betrokkenheid bij drugshandel, witwassen en het voorbereiden van een aanslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/952886-18 en 08/910007-19 (P)

Datum vonnis: 23 april 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de BRP aan de [adres 1] ,

nu verblijvende in het Justitieel Complex Zaanstad in Westzaan.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is in de zaak met parketnummer 08/952886-18 gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 januari 2019, 8 april 2019, 24 juni 2019, 16 september 2019, 3 december 2019, 28 januari 2020, 5 maart 2020 en 9 april 2020 en in de zaak met parketnummer 08/910007-19 de hiervoor genoemde zittingen met uitzondering van 14 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Veen en van hetgeen door verdachte en de raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er onder parketnummer 08/952886-18, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een of meer anderen het plegen van een aanslag of aanslagen heeft voorbereid;

feit 2 en feit 3: zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan grootschalige drugshandel.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte onder parketnummer 08/952886-18, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2018 tot en met 6 november 2018

te Enschede,'s-Gravenhage, Almelo en/of (elders) in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding

van het/de te plegen misdrijf/misdrijven van moord en/of het teweegbrengen van

een ontploffing, in ieder geval van een misdrijf waarop naar de

wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld,

opzettelijk (onder meer) informatiedragers waarop foto's/gegevens (over

adressen) van woningen/panden zijn opgeslagen, en/of een -handgeschreven-

papieren aantekening waarop -onder meer- [motorclub] , (een) adres(sen) en/of

een aantal met naam genoemde personen is vermeld, bestemd tot het in

vereniging begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft verworven en/of

vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te Enschede, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ):

-ongeveer 2758 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende amfetamine, en/of

-ongeveer 1530 gram MDMA brokken-gruis en/of ongeveer 31.921

xtc-tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

MDMA, en/of

-ongeveer 123,4 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne, en/of

-ongeveer 5 gram 4-MMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende 4-methylmethcathinon, en/of

-ongeveer 562 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, en/of

-ongeveer 5210 blotters / paperstrips LSD, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende d-lysergzuurdiethylamide (lysergide/LSD),

zijnde amfetamine en/of MDMA en/of heroïne en/of 4-methylmethcathinon en/of

cocaïne en/of d-lysergzuurdiethylamide (lysergide/LSD), (telkens) (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari

2018 tot en met 19 oktober 2018 te Enschede en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (in/naar/vanuit een pand aan de

[adres 2] te Enschede), in elk geval (telkens) opzettelijk (in een pand

aan de [adres 2] ) aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

een materiaal bevattende (onder meer) amfetamine en/of MDMA en/of heroïne

en/of 4-methylmethcathinon, en/of cocaïne en/of d-lysergzuurdiethylamide

(lysergide/LSD), althans (telkens) enig middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet.

De verdenking komt er onder parketnummer 08/910007-19, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte € 12.890,-- heeft witgewassen (primair). Subsidiair is dit ten laste gelegd als eenvoudig witwassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte onder parketnummer 08/910007-19, dat:

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 12.890, althans een -groot-

geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

en/of van genoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat genoemd

voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was

uit enig misdrijf;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

voorwerp, te weten een geldbedrag van 12.890 euro, althans een -groot-

geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij,

verdachte, wist dat genoemd voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen

misdrijf.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Hierna stelt de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast. De voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. De rechtbank overweegt verder, al dan niet in reactie op gevoerde verweren, waarom zij op basis van die feiten en omstandigheden tot conclusies en beantwoording van de bewijsvraag komt.

4.1.1

Achtergrond onderzoek

In november 2018 werd bekend gemaakt dat de politie Oost-Nederland en het Openbaar Ministerie (OM) er in waren geslaagd de versleutelde chatapplicatie Ironchat te ontsleutelen. Van die applicatie werd gebruik gemaakt op zogenoemde crypto(tele)foons of PGP- telefoons, waarbij PGP staat voor Pretty Good Privacy.

De berichten werden door de politie meegelezen in onderzoek Goliath, een onderzoek naar een mogelijke georganiseerd verband dat gebruikt maakte van de diensten van het bedrijf [bedrijf] in [plaats] .

Uit onderzoek Goliath kwam naar voren dat een aantal mensen via bepaalde Ironchataccounts met elkaar chatte over – kort gezegd – de bereiding en het voorhanden hebben van, de handel in en de export van harddrugs. Daarnaast werd gechat over het voorbereiden van een aanslag op personen en panden (mogelijk) gelieerd aan de voormalige motorclub [motorclub] .

Vervolgens is in het TGO (Team Grootschalige Opsporing) Oder/Liechtenstein onderzoek naar deze strafbare feiten verricht. De vervolging voor de strafbare feiten in deze zaak en die van verdachtes medeverdachten zijn daarvan het gevolg.

4.1.2

De rechtmatigheid van de verkrijging van de Ironchat-berichten

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie voor het bevel waarop de verkrijging van de versleutelde berichten is gebaseerd, onvoldoende is om een toereikende grondslag voor dat bevel te vormen, nu daaruit niets kan worden afgeleid met betrekking tot concrete misdrijven of concrete verdachten. De image van de server van [bedrijf] , en daarmee ook de berichten waarop het redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte is gebaseerd, zijn onrechtmatig verkregen en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer niet voldoet aan de eisen die aan een verweer op grond van artikel 359a Sv worden gesteld. Het verweer wordt verworpen.

4.1.3

Identificatie gebruikers Ironchataccounts

Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen chatberichten. Er werd gebruik gemaakt van telefoons van met name het merk Wileyfox en laptops waarop de applicatie Ironchat was geïnstalleerd. Met die telefoons en laptops werden chatberichten verzonden met of aan onder meer de volgende accounts, alle eindigend op [mailadres] :

  • -

    [account 1] (hierna: [account 1] )

  • -

    [account 2] (hierna: [account 2] )

  • -

    [account 3] (hierna: [account 3] )

  • -

    [account 4] (hierna: [account 4] )

  • -

    [account 5] (hierna: [account 5] )

  • -

    [account 6] (hierna: [account 6] )

  • -

    [account 7] (hierna: [account 7] ) en

  • -

    [account 8] (hierna: [account 8] ).

De vraag die in alle zaken, en al dan niet in reactie op een verweer, allereerst moet worden beantwoord, is of de personen tegen wie door het OM in het onderzoek Liechtenstein vervolging is ingesteld, verdachten [medeverdachte 1] , verder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , verder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , verder [medeverdachte 3] , [verdachte] , verder [verdachte] en [medeverdachte 4] , verder [medeverdachte 4] , te identificeren zijn als de gebruikers van voornoemde accounts. Voor de feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd, is de vraag of [medeverdachte 5] , eveneens verdachte in onderzoek Liechtenstein, te identificeren is als gebruiker van het account [account 9] niet relevant en deze vraag zal om die reden in dit vonnis onbesproken blijven.

Als deze verdachten te identificeren zijn als de gebruikers van deze accounts, dan dienen vervolgens de vragen te worden beantwoord of zij betrokken zijn bij de aan hen ten laste gelegde strafbare feiten en hoe deze betrokkenheid gekwalificeerd kan worden.

Het antwoord op de eerste vraag is van belang voor het bewijs van alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal die vraag daarom hier eerst en voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke feiten beantwoorden.

De andere vragen beantwoordt de rechtbank hierna, daar waar de ten laste gelegde feiten afzonderlijk en meer in detail beoordeeld zullen worden.

4.1.3.1 Het account [account 1] [mailadres] ( [account 1] )

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen Identificatie [medeverdachte 3] – [account 1] ’ zijn opgenomen tot de conclusie dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het account [account 1] en dat hij tevens [naam 1] wordt genoemd. Alle berichten van dit account zijn aan [medeverdachte 3] toe te schrijven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [account 1] (ook) door een ander dan [medeverdachte 3] werd gebruikt. Weliswaar ontkent [medeverdachte 3] de gebruiker te zijn geweest van dit account, maar hij heeft niet of nauwelijks antwoord willen geven op vragen die hem daaromtrent zijn gesteld. Zijn verklaringen bevatten niet meer dan een kale ontkenning van een identificatie die op vele bewijsmiddelen is gestoeld. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen is de ontkenning van [medeverdachte 3] dan ook niet geloofwaardig. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account 1] aanduiden als [medeverdachte 3] .

4.1.3.2 Het account [account 2] [mailadres] ( [account 2] )

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal bevindingen m.b.t. vaststelling identificatie user [account 2] als gebruiker [medeverdachte 4] ’ zijn opgenomen tot de conclusie dat [medeverdachte 4] de gebruiker is geweest van het account [account 2] en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account 2] aanduiden als [medeverdachte 4] .

4.1.3.3 Het account [account 3] [mailadres] ( [account 3] )

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal identificatie gebruiker accounts [account 2] , [account 3] = [medeverdachte 4] ’ zijn opgenomen tot de conclusie dat [medeverdachte 4] de gebruiker is geweest van het account [account 3] en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account 3] aanduiden als [medeverdachte 4] .

4.1.3.4 De accounts [account 4] [mailadres] ( [account 4] ) en [account 5] [mailadres] ( [account 5] )

Tijdens een chatsessie op 19 en 20 oktober 2018 tussen [medeverdachte 4] en de gebruiker van het account [account 4] , neemt laatstgenoemde een tweede account in gebruik. Dit betreft het account [account 5] . [medeverdachte 4] geeft [account 4] daartoe de instructies. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de accounts [account 4] en [account 5] dezelfde gebruiker hebben.

Op 3 oktober 2018 heeft een chatsessie plaatsgevonden tussen [medeverdachte 4] en de gebruiker van het account [account 4] . Tijdens die chatsessie chat [account 4] dat hij ‘dat geld’ moeilijk thuis kan bewaren, omdat [medeverdachte 4] daar nog ingeschreven staat. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 4] staat ingeschreven op het adres [adres 3] . Op dat adres staat onder meer ook ingeschreven [medeverdachte 2] .

Op grond van de chatgesprekken tussen [medeverdachte 4] en [account 4] / [account 5] , die zij hebben gevoerd in oktober 2018, stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van het account [account 4] / [account 5] geen rijbewijs heeft en dat hij op 1 november 2018 theorie-examen moet doen. Op 8 november 2018 heeft [naam 2] bij de politie verklaard dat hij op 1 november 2018 zijn broer [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) naar het theorie-examen in Enschede heeft gebracht. Uit bevraging bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen blijkt dat [medeverdachte 2] geen rijbewijs heeft.

Op 7 oktober 2018 heeft [medeverdachte 4] gechat met de gebruiker van het account [account 4] . [medeverdachte 4] heeft binnenkort een leuke klus voor [account 4] . [account 4] moet naar Spanje vliegen en dan met de auto van [medeverdachte 4] terugrijden naar Nederland. [account 4] wil dit wel doen. Hij neemt dan wel iemand mee, want hij wil niet alleen van Spanje naar Nederland terugrijden met [naam 3] rijbewijs. Een van de broers van [medeverdachte 2] heet [naam 3] .

De rechtbank komt op grond van deze feiten en omstandigheden tot de conclusie dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van de accounts [account 4] en [account 5] en dat alle berichten van en aan deze accounts aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account 4] en [account 5] aanduiden als [medeverdachte 2] .

4.1.3.5 Het account [account 6] [mailadres] ( [account 6] )

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal identificatie gebruiker account [account 6] is [medeverdachte 1] ’ zijn opgenomen tot de conclusie dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het account [account 6] , en dat hij [bijnaam 1] , [bijnaam 1] of [bijnaam 1] wordt genoemd. Alle berichten van dit account zijn aan [medeverdachte 1] toe te schrijven. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen dat [account 6] (ook) door een ander dan [medeverdachte 1] gebruikt werd. Weliswaar ontkent [medeverdachte 1] de gebruiker te zijn geweest van het [account 6] -account, maar hij heeft niet of nauwelijks antwoord willen geven op vragen. Zijn verklaringen bevatten niet meer dan een kale ontkenning van een identificatie die op vele bewijsmiddelen is gestoeld. Tegen de achtergrond van de onderzoeksbevindingen is de ontkenning van [medeverdachte 1] niet geloofwaardig. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account 6] aanduiden als [medeverdachte 1] .

4.1.3.6 De accounts [account 8] [mailadres] ( [account 8] ) en [account 7] [mailadres] ( [account 7] )

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal identificatie gebruikersaccount [account 8] ’ en in het ‘proces-verbaal identificatie gebruiker account [account 7] is [verdachte] ’ zijn opgenomen tot de conclusie dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de accounts [account 8] en [account 7] en dat hij [bijnaam 2] wordt genoemd. Alle berichten van deze accounts zijn aan hem toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account 8] en [account 7] aanduiden als [verdachte] .

4.2

Parketnummer 08/952886-18 Feit 1

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en heeft daartoe samengevat het volgende aangevoerd.

Uit de chats tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] kan worden afgeleid dat [medeverdachte 4] vanaf 20 oktober 2018 de intentie heeft gehad en geuit om aanslagen te plegen op huizen en zaken van personen die gelieerd zijn aan [motorclub] . Daarvoor heeft hij adressen van die huizen en zaken nodig. In dat kader heeft [verdachte] papiertjes voorhanden waar de betreffende adressen op vermeld zijn. Ook heeft hij een telefoon voorhanden waar foto’s van adressen op staan, die hij ook aan [medeverdachte 4] heeft verstrekt. Deze papieren en de telefoon met adressen, zijn te kwalificeren als informatiedragers en zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf van artikel 46 Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarbij is de al dan niet alledaagse aard van een voorwerp op zich niet doorslaggevend, maar weegt de intentie van de dader/verdachte en/of van de medeverdachte mee bij het bewijs van de kennelijke bestemming. De intentie van [medeverdachte 4] is duidelijk uit de chats af te leiden. [verdachte] neemt daarvan geen afstand, maar levert juist informatie aan, zodat hij nauw en bewust samenwerkt en medepleger is in het zelfstandige delict ‘voorbereiding’.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van feit 1 bepleit. Daartoe heeft de verdediging samengevat het volgende aangevoerd.

Uit de bewijsmiddelen kan niet althans in onvoldoende mate het vereiste opzet worden afgeleid. Van belang voor het ontbreken van het opzet ten aanzien van de ten laste gelegde moord is dat op basis van letterlijke interpretatie van deze berichten niet althans niet in voldoende mate kan worden afgeleid dat het opzet was gericht op het vermoorden van concrete personen. Ontlastend is ook dat uit het vergelijkend handschriftonderzoek is gebleken dat het briefje met de schematische weergave van de namen en adressen van leden van [motorclub] niet door verdachte is geschreven. Daarnaast is het enkele versturen van twee foto’s onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het feit.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

4.2.3.1 De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Voor zover de rechtbank zich daarbij baseert op de inhoud van chatgesprekken zijn die gesprekken letterlijk in de bewijsmiddelen opgenomen.

Achtergrond voorbereidingshandelingen

Nadat de politie op 20 oktober 2018 de woning aan de [adres 2] in Enschede is binnengevallen, wordt daar in chatgesprekken over gesproken. [medeverdachte 4] is boos en verdenkt [motorclub] ervan de politie te hebben getipt. Op basis van de chatgesprekken die [medeverdachte 4] daarna voert, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 4] voorbereidingen trof om twee aanslagen uit te voeren.

Ontploffing teweeg brengen

Op 21 oktober 2018 overlegt [medeverdachte 4] eerst met [medeverdachte 1] . Hij vraagt of [medeverdachte 1] geld wil verdienen. [medeverdachte 1] moet auto’s opblazen, door zaken heen schieten en handgranaten naar binnen gooien. [medeverdachte 4] zal daarvoor een gestolen auto (ganqkte waggie/ mwt genqkte wqggie), een AK47 (ak) en granaten (en granatwn) regelen. [medeverdachte 1] krijgt daarvoor een paar kop per klus (de rechtbank begrijpt: “een paar duizend euro per klus”). [medeverdachte 4] zegt nog dat het om [motorclub] ( [motorclub] ) gaat. Er moeten twee acties plaatsvinden op panden van [motorclub] : één op hun growshop en één op hun nieuwe café. [medeverdachte 1] stelt voor dat hij er in een auto met iemand anders naartoe rijdt, daar dan naartoe loopt, op de zaak schiet en een granaat gooit. Daarna moet de auto in brand worden gestoken, chat [medeverdachte 4] .

Terwijl [medeverdachte 4] hierover met [medeverdachte 1] overlegt, chat hij ook met [naam 4] over de wapens. Hij had de dag ervoor [naam 4] al meermalen om een wapen (pang pang) gevraagd en [naam 4] had beloofd hem foto’s daarvan te sturen. Op 21 oktober 2018 herinnert [medeverdachte 4] [naam 4] daaraan: “Nicht vergessem pang pang” en “Ixh muss pang pamg hqben”, “und granate”. [naam 4] stuurt hem eerst een foto van een Walther P22. Vervolgens wordt over diverse soorten (automatische) wapens al dan niet met “Schalldampfer” (geluidsdemper) gesproken, over kalibers en granaten en worden prijzen genoemd. Dan stuurt [naam 4] [medeverdachte 4] nog een foto van een Uzi die 2500 kost. [medeverdachte 4] is akkoord en bestelt er twee: “Oke 2 van diessie”. [medeverdachte 4] laat weten dat hij de wapens snel nodig heeft.

[medeverdachte 4] overlegt ook met [medeverdachte 2] en vraagt hem om adressen te regelen. Het plan van [medeverdachte 4] is om met een wapen met demper ’s nachts op de zaken van [motorclub] te laten schieten en dan zelf de politie te bellen, waarna de burgemeester de zaken drie maanden zal sluiten, of voorgoed. Hij noemt op een vraag van [medeverdachte 2] als hun (de rechtbank begrijpt: van [motorclub] ) zaken: [naam zaak 1] , growshop, cafetaria, autobedrijf en [naam zaak 2] .

Informatiedragers

Op 22 oktober 2018 vraagt [medeverdachte 4] aan [verdachte] namen en adressen van zaken, woningen en personen van [motorclub] , want hij gaat een paar kogels afschieten door die zaken. Intussen chat hij ook met [naam 4] en vraagt om het wapen of de wapens: “Freund hast du das pang pang?”
Op 22 oktober 2018 stuurt [verdachte] twee screenshots naar [medeverdachte 4] . Op de ene foto zijn naam en adres van Cafetaria [naam zaak 3] , [adres 4] te zien, op de andere naam en adres van Pizzeria [naam zaak 1] , [adres 5] . Blijkens het proces-verbaal is ambtshalve bekend dat deze twee zaken gerelateerd zijn aan leden van [motorclub] . Dezelfde screenshots worden op de Wileyfox aangetroffen die op 6 november 2018 onder [verdachte] in beslag is genomen.

Op 6 november 2018 doorzoekt de politie de slaapkamer in de woning aan de [adres 6] , waar [verdachte] diezelfde dag werd aangehouden. Daar wordt een verscheurde notitie gevonden die door de politie aan elkaar is gepuzzeld tot een handgeschreven overzicht. Bovenaan staat vermeld “ [naam 5] ” en “1e man [motorclub] ”. Daarna worden andere personen, bezigheden en plaatsen genoemd, zoals “ [naam 6] , 2e mannetje van [motorclub] ” en worden verbanden met “ [naam 5] ” gelegd. Het is, zeker in Twente, een feit van algemene bekendheid dat [naam 5] een van de oprichters is van [motorclub] en dat hij binnen die gelederen een belangrijke positie innam.

4.2.3.2 Het beoordelingskader

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 46, eerste lid, Sr, strafbare voorbereiding. De voorbereiding zou gericht zijn geweest op het misdrijf moord of het misdrijf teweegbrengen van een ontploffing (de rechtbank begrijpt: als bedoeld in artikel 157 Sr). Impliciet subsidiair is een misdrijf waarop meer dan acht jaar gevangenisstraf is gesteld tenlastegelegd. Die laatste variant laat de rechtbank buiten beschouwing omdat niet nader is gespecificeerd op welk misdrijf de officier van justitie daarbij het oog heeft gehad.

De tenlastelegging vermeldt als (enig) voorbereidingsmiddel informatiedragers. Die informatiedragers worden feitelijk omschreven als:

- foto’s/gegevens (over adressen) van woningen/panden en/of

- een - handgeschreven - papieren aantekening waarop - onder meer -

[motorclub] , (een) adres(sen) en/of een aantal met name genoemde personen is vermeld.

De tenlastelegging heeft bij de informatiedrager die is omschreven als ‘foto’s/gegevens (over adressen) van woningen/panden’ betrekking op gegevens die in mobiele telefoons zijn aangetroffen.

4.2.3.3 Overwegingen en conclusie

Volgens vaste rechtspraak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de in de tenlastelegging omschreven informatiedragers bestemd waren tot het begaan van de misdrijven zoals in de tenlastelegging nader omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen – afzonderlijk dan wel gezamenlijk – naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten als volgt zijn te kwalificeren. [medeverdachte 4] had het plan om aanslagen op zaken van [motorclub] te plegen door daar granaten naar binnen te gooien en met automatische wapens (Scorpion, AK 47, Uzi) door de zaken te schieten. Daarbij betrok hij [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 4] . De uiteindelijke voorbereidingshandelingen werden door [medeverdachte 4] en [verdachte] verricht. [verdachte] was op de hoogte van deze plannen van [medeverdachte 4] en heeft zich daarvan niet gedistantieerd. Integendeel, hij heeft op verzoek van [medeverdachte 4] screenshots van aan [motorclub] toegeschreven horecazaken naar [medeverdachte 4] gestuurd. [verdachte] had daarnaast aantekeningen met een overzicht van namen, adressen en verdere informatie van – volgens die notities – aan [motorclub] gelieerde personen voorhanden. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] aldus opzet had op de voorbereiding van het te plegen misdrijf.

[verdachte] heeft die gegevensdragers verworven, vervaardigd en voorhanden gehad. [medeverdachte 4] kreeg de foto’s toegestuurd, verwierf ze en had ze daarmee voorhanden.

Die foto’s en notities bevatten zodanige gegevens dat, beoordeeld naar hun uiterlijke verschijningsvorm, het gebruik ervan tot het doel: het beschieten en met handgranaten bestoken van die panden, kon leiden. Het beoogde misdrijf was het gooien van handgranaten en het beschieten van de panden. Dat kwalificeert de rechtbank als het in artikel 157, aanhef en sub 1º, Sr bedoelde misdrijf: het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen. Op dit strafbare feit staat een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. Hiermee is ten slotte ook voldaan aan het vereiste van voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.

Het onder 1 tenlastegelegde feit zal de rechtbank daarom bewezen verklaren.

4.3

Parketnummer 08/952886-18 De feiten 2 en 3

4.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard en heeft daartoe samengevat het volgende aangevoerd.

Uit de chats tussen [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 3] volgt de betrokkenheid van [verdachte] bij de partij drugs die op 20 oktober 2018 aan de [adres 2] in beslag is genomen. Uit de inhoud van de chats kan recente aanwezigheid in het pand in combinatie met een beschikkingsmacht worden afgeleid. Daarnaast zijn de chats voldoende bewijs voor de betrokkenheid bij de drugshandel vanuit de [adres 2] voorafgaand aan het aantreffen van de drugs op 20 oktober 2018. Ten aanzien van de periode van feit 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat die op basis van de aangetroffen foto’s op de Wileyfox van [medeverdachte 3] in ieder geval bewezen kan worden verklaard vanaf juli 2018, maar op basis van de verklaring van getuige Hein kan ook bewezenverklaring volgen voor de periode vanaf 1 januari 2018.

4.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van deze feiten bepleit en heeft daartoe samengevat het volgende aangevoerd. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk voorhanden hebben, is vereist dat verdachte de middelen fysiek in zijn machtssfeer aanwezig heeft gehad. Daar ontbreekt het bewijs voor. Voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen moet sprake zijn van een gezamenlijke machtsuitoefening. Ook hiervoor ontbreken de bewijsmiddelen. Het dossier bevat verder geen steunbewijs voor de chatgesprekken – waarbij sprake is van een subjectieve interpretatie van schriftelijke berichten – zodat geen sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring.

Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat uit de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) voortvloeit dat het middel 3-MMC – een middel dat niet vermeld staat op de lijsten van de Opiumwet – aan de [adres 2] is aangetroffen, terwijl het middel 4- MMC is ten laste gelegd. In zoverre dient vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging te volgen.

4.3.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.3.1 De vaststelling van de feiten en omstandigheden

De inhoud van de chatberichten

De rechtbank stelt vast dat de gang van zaken als volgt is geweest.

[medeverdachte 4] heeft samen met onbekend gebleven personen de leiding over een groep mensen. [medeverdachte 4] is degene die deze groep rechtstreeks aanstuurt. De groep houdt zich sinds geruime tijd bezig met de verkoop van drugs via sites, zoals Rolex, Flamingo, Snapdrugz, AliExpress en Vendor op het Darkweb. Via die sites worden drugsorders uit onder meer Polen, Zweden, Duitsland en Australië bij de groep geplaatst. De orders worden door onder andere [verdachte] en [medeverdachte 4] van de sites binnengehaald en op lijsten bijgehouden en verwerkt. Deze bestellijsten worden vervolgens aan [medeverdachte 3] verstrekt. Zijn woning aan de [adres 2] in Enschede is het zogenoemde ‘werkhuis’. [medeverdachte 3] is daar niet alleen verantwoordelijk voor het in strijkzakken verpakken van de bestelde drugs en het verzendklaar maken van die bestellingen, maar ook voor het vermengen/aanmaken van de drugs volgens receptuur die hij van [medeverdachte 4] heeft gekregen. [medeverdachte 4] informeert met enige regelmaat bij [medeverdachte 3] naar de bedrijfsvoorraad. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zorgen er voor – na opdracht van [medeverdachte 4] – dat [medeverdachte 3] voldoende bedrijfsvoorraad heeft aan de [adres 2] om de bestellingen verzendklaar te kunnen maken. Daarbij gaat het dan onder meer om strijkzakken, postzegels, luchtkussenenveloppen, speed, methamfetamine (‘ice’), MDMA (‘snoepjes’, ‘pillen’, ‘molly’), cafeïne (‘caf’), olie, ketamine (‘keta’) en LSD. Verder wordt in de chats gesproken over heroïne (‘bruin’, ‘h’), mmc en cocaïne (‘sani’,‘c’). [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zorgen er ook voor dat de bestellingen bij [medeverdachte 3] opgehaald en ‘gedropt’ – de rechtbank begrijpt: afgeleverd, vervoerd – worden. Ook haalt [medeverdachte 2] geld op voor [medeverdachte 4] en hij betaalt daarvan zichzelf, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en ‘ [alias 1] ’ uit voor [medeverdachte 4] .

Op 18 oktober 2018 bespreekt [medeverdachte 4] zijn plannen om het werkhuis aan de [adres 2] op pauze te zetten, omdat teveel bestellingen niet aankomen bij de afnemers. Volgens [medeverdachte 4] draaide het werkhuis al één jaar non-stop. 19 oktober 2018 is de laatste werkdag en daarna wordt het werkhuis leeggehaald. Binnen de groep mensen worden daarom wat taken verschoven. [medeverdachte 1] krijgt te horen dat voor hem even geen werk meer is, maar dat hij wel elke week betaald krijgt. Het werk van [medeverdachte 2] (materiaal kopen en opslaan) wordt door

[medeverdachte 3] overgenomen. [medeverdachte 2] gaat het bijhouden van de bestellingen op de laptop voor zijn rekening nemen, omdat [medeverdachte 4] niet tevreden is over het werk van [verdachte] . In de nacht van 19 op 20 oktober 2018 legt [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] uit hoe dit precies in zijn werk gaat. Op datzelfde moment vindt een inval door de politie in het pand aan de [adres 2] in Enschede plaats.

De inval aan de [adres 2] en het daaropvolgend forensisch onderzoek

Op 19 oktober 2018 is bij de politie via het Team Criminele Inlichtingen de volgende informatie binnen gekomen:

In de woning gelegen aan de [adres 2] te Enschede ligt een flinke partij

harddrugs.

Hierop wordt door de politie onderzoek Oder gestart. In de vroege ochtend van 20 oktober 2018 wordt in de woning en schuur binnengetreden en vindt een doorzoeking plaats. Op dat moment is de bewoner, [medeverdachte 3] , in de woning aanwezig. Hij wordt aangehouden. Bij die doorzoeking wordt het volgende aangetroffen en in beslag genomen:

  • -

    2,758 kilogram vermoedelijk amfetamine

  • -

    1,530 kilogram MDMA brokken-gruis

  • -

    123,4 gram vermoedelijk heroïne

  • -

    5 gram vermoedelijk 3-MMC

  • -

    562 gram vermoedelijk cocaïne

  • -

    31.921 tabletten

  • -

    5.210 blotters/LSD.

Daarnaast worden in de woning en de schuur nog een revolver, munitie, enveloppen, adres-etiketten, DHL-verzendbewijzen, postzegels van de Duitse Post, adresstickers op een rol van Dymo, een Dymo Label Writer en een mobiele telefoon, Wileyfox Swift2, aangetroffen. Ook worden in de schuur amfetamine base, zwavelzuur, methanol, zakken met amfetamine pasta of restanten daarvan, lege bussen met het opschrift cafeïne en sealzakken, een spatel, bakken en een balans gevonden. Deze goederen en chemicaliën worden gebruikt voor de kristallisatie van amfetaminebase in amfetamine-sulfaat en het versnijden daarvan. Onder de overkapping bevinden zich nog een groot aantal lege verpakkingen, zoals flessen met het opschrift zwavelzuur, jerrycans met restanten amfetaminebase, lege bussen met het opschrift cafeïne, lege sealzakken met restanten amfetaminepasta en een aantal adresstickers met geprinte adressen.

De door de medewerkers van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) genomen monsters van de inbeslaggenomen drugs zijn voor nader onderzoek overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Het NFI heeft gerapporteerd dat in het onderzoeksmateriaal MDMA, cocaïne, heroïne, amfetamine en LSD (lysergide) is aangetoond.

Ook heeft het NFI gerapporteerd dat in het onderzoeksmateriaal 3-MMC is aangetroffen. 3-MMC is een niet-gereguleerde psychoactieve stof. 3-MMC is niet vermeld op een van de lijsten van de Opiumwet of de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

4.3.3.2 De tussenconclusie van de rechtbank

Op basis van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 3] op 20 oktober 2018 2,758 kilogram amfetamine, 1,530 kilogram MDMA brokken-gruis, 123,4 gram heroïne, 562 gram cocaïne, 31.921 xtc-tabletten en 5.210 blotters/LSD in het pand aan de [adres 2] aanwezig heeft gehad.

De conclusie van de rechtbank is verder dat, gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen drugs, drugs(handel/bereiding)gerelateerde goederen en een Wileyfoxtelefoon voor versleutelde communicatie, bezien in samenhang met de inhoud van de chatgesprekken, wettig en overtuigend bewezen is dat in, naar of vanuit het pand aan de [adres 2] in Enschede ook harddrugs werden bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd en vervoerd.

4.3.3.3 Medeplegen

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte zich als medepleger aan deze feiten heeft schuldig gemaakt.

Alleen al de omstandigheden waaronder [medeverdachte 3] op 20 oktober 2018 werd aangetroffen in het zogenoemde werkhuis aan de [adres 2] in Enschede wijzen naar het oordeel van de rechtbank op het gezamenlijk uitoefenen van wat zonder meer als een bedrijf kan worden beschouwd. Zoals hiervoor is uiteengezet, werden in het pand een grote hoeveelheid drugs en drugs(handel/bereiding) gerelateerde goederen en een Wileyfoxtelefoon aangetroffen. De chatgesprekken tussen de verschillende verdachten in het onderzoek Oder/Liechtenstein waarin over drugs, de bestellingen daarvan, de inkomsten, de voorraad in het werkhuis, de taakverdeling en de winstgevendheid van de verschillende verkoopsites op het Darkweb werd gesproken, bevestigen de bedrijfsmatige samenwerking tussen de verschillende verdachten. [medeverdachte 4] stuurde de andere verdachten aan en haalde samen met [verdachte] de op het Darkweb geplaatste orders binnen, [medeverdachte 3] werd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorzien van de bedrijfsvoorraad. Hij verpakte en bewerkte de drugs, die vervolgens weer door [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] bij hem werden opgehaald en verzonden.

Uit de chatgesprekken komt naar voren dat [verdachte] binnen dit postorderbedrijf voor drugs verantwoordelijk was voor het op bestellijsten verwerken van de orders die op het Darkweb werden geplaatst. Deze lijsten werden dagelijks naar [medeverdachte 3] aan de [adres 2] gebracht, zodat hij de bestellingen kon inpakken en verzendklaar kon maken. Ook werd

[verdachte] door [medeverdachte 4] naar de [adres 2] in Enschede gestuurd om te controleren of

[medeverdachte 3] achterliep met het verpakken en versturen van de bestellingen. Daar komt bij dat [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 4] na een drugstransport eerder die week de betaling voor die drugs in ontvangst neemt en door [medeverdachte 4] geïnstrueerd wordt dat hij dat geld bij ‘ [alias 2] ’ neerlegd.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] een materiële en intellectuele bijdrage van substantiële aard heeft geleverd in de gezamenlijke uitvoering en dat hij daartoe bewust en nauw heeft samengewerkt met de medeverdachten, zodat sprake is van medeplegen van zowel het onder 2 als het onder 3 ten laste gelegde.

4.3.3.4 De ten laste gelegde periode van feit 3

De rechtbank gaat bij het vaststellen van de pleegperiode uit van de berichten die [medeverdachte 4] , leidinggevende binnen de groep, daarover op 20 oktober 2018 heeft gestuurd, namelijk dat het werkhuis aan de [adres 2] op dat moment al een jaar non-stop draait. De rechtbank concludeert daaruit dat het werkhuis aan de [adres 2] in ieder geval vanaf 20 oktober 2017 in bedrijf was. De ten laste gelegde periode van 1 januari 2018 tot 19 oktober 2018 valt ruim binnen het jaar waarover [medeverdachte 4] met [medeverdachte 2] gechat heeft. De rechtbank zal de pleegperiode dan ook vaststellen van 1 januari 2018 tot en met 19 oktober 2018.

4.3.3.5 De conclusie van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten 2 en 3 heeft begaan maar spreekt verdachte vrij, zowel onder feit 2 als onder feit 3, van het ten laste gelegde middel 4-MMC, nu dit middel niet aan de [adres 2] in Enschede is aangetroffen.

4.4

Parketnummer 08/910007-19

4.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Verdachte heeft op geen enkele wijze een aannemelijke verklaring kunnen geven voor het aangetroffen geld, zodat kan worden gesteld dat ‘het niet anders kan dan dat’ het geld van misdrijf afkomstig is. Het bewijs voor witwassen kan worden aangenomen en een veroordeling kan volgen.

4.4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen behelst voor de aanname dat de ten laste gelegde gelden onmiddellijk dan wel middellijk afkomstig zijn van enig misdrijf, zodat verdachte van het feit moet worden vrijgesproken.

4.4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.4.3.1 De vaststelling van de feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 6 november 2018 is tijdens een zoeking in de woning waar verdachte woonde met zijn oma [naam 8] , aan de [adres 7] , in een lade van een dressoir in de woonkamer een geldbedrag van € 11.000,-- aangetroffen in coupures van 50 euro. De oma van verdachte heeft verklaard dat dat geldbedrag niet van haar is.

Ook op 6 november 2018 is bij een zoeking in de woning van de moeder van de vriendin van verdachte aan de [adres 6] in de slaapkamer van die vriendin ( [naam 7] ) onder het matras van het bed waarin zij samen met verdachte sliep een geldbedrag van € 1.340,-- aangetroffen. In een sieradenkistje onder datzelfde matras werd nog een geldbedrag, van € 550,-- aangetroffen. [naam 7] heeft verklaard dat in haar slaapkamer € 1.200,-- spaargeld van haarzelf lag.

Uit een analyse van de bankgegevens van verdachte over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 oktober 2018 blijkt dat hij geen inkomsten had behalve de maandelijkse zorgtoeslag van € 95,--. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij niets van de aangetroffen geldbedragen van in totaal € 12.890,-- weet.

Uit een analyse van de bankgegevens van [naam 7] over de periode van 1 januari 2018 tot en met 6 november 2018 blijkt dat zij veelvuldig gebruik maakt van haar spaarrekening. [naam 7] heeft verder geen verklaring willen afleggen.

Uit een analyse van de bankgegevens van [naam 8] over de periode van 1 januari 2018 tot en met 6 november 2018 blijkt dat zij in totaal een bedrag van € 480,-- heeft opgenomen en een bedrag van € 11.787,-- aan contant geld op haar rekening heeft gestort.

4.4.3.2 De overwegingen over bewezenverklaring primair en subsidiair tenlastegelegde feit

In de woning waar verdachte verbleef bij zijn vriendin en in de woning waar hij woonde met zijn oma is een geldbedrag van totaal € 12.890,-- aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat het bewaren van een dergelijk geldbedrag in een woning op zich al vrij ongebruikelijk is. Daarnaast is het aangetroffen geldbedrag niet tot enig legaal inkomen en/of vermogen van verdachte te herleiden.

Ook acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat het geld op de slaapkamer afkomstig is uit een legale inkomstenbron van [naam 7] . Zij heeft er niet over willen verklaren, een dergelijk contant geldbedrag past niet bij haar normale spaargedrag en evenmin bij haar contante geldopnames.

Van [naam 8] is geen legale bron van inkomsten bekend waaruit de contante stortingen op haar bankrekening en het aangetroffen geldbedrag kunnen worden verklaard.

Voornoemde feiten en omstandigheden, in samenhang met de overige bevindingen uit het dossier over verdachtes betrokkenheid bij de handel in harddrugs via het Darkweb, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een vermoeden van witwassen van opbrengsten uit eigen misdrijf, te weten de handel in verdovende middelen.

4.4.3.3 De bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, maar de rechtbank zal verdachte daarvoor ontslaan van alle rechtsvervolging. De motivering daarvoor is te lezen in hoofdstuk 5 onder de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Het gevolg is dat geen veroordeling van verdachte volgt voor het primair ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat nu voor het primaire gedeelte van de expliciet primair/subsidiaire tenlastelegging geen veroordeling volgt, de rechtbank toekomt aan het subsidiair ten laste gelegde ‘eenvoudig witwassen’.

4.4.3.4 De bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

parketnummer 08/952886-18

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2018 tot en met 6 november 2018

te Enschede,'s-Gravenhage, Almelo en/of (elders) in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding

van het/de te plegen misdrijf/misdrijven van moord en/of het teweegbrengen van

een ontploffing, in ieder geval van een misdrijf waarop naar de

wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld,

opzettelijk (onder meer) informatiedragers waarop foto's/gegevens (over

adressen) van woningen/panden zijn opgeslagen, en/of een -handgeschreven-

papieren aantekening waarop -onder meer- [motorclub] , (een) adres(sen) en/of

een aantal met naam genoemde personen zijn vermeld, bestemd tot het in

vereniging begaan van dat misdrijf /die misdrijven, heeft verworven en/of

vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te Enschede, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ):

-ongeveer 2758 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende amfetamine, en/of

-ongeveer 1530 gram MDMA brokken-gruis en/of ongeveer 31.921

xtc-tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

MDMA, en/of

-ongeveer 123,4 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne, en/of

-ongeveer 5 gram 4-MMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende 4-methylmethcathinon, en/of

-ongeveer 562 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, en/of

-ongeveer 5210 blotters/paperstrips LSD, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende d-lysergzuurdiethylamide (lysergide/LSD),

zijnde amfetamine en/of MDMA en/of heroïne en/of 4-methylmethcathinon en/of

cocaïne en/of d-lysergzuurdiethylamide (lysergide/LSD), (telkens) (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari

2018 tot en met 19 oktober 2018 te Enschede en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (in/naar/vanuit een pand aan de

[adres 2] te Enschede), in elk geval (telkens) opzettelijk (in een pand

aan de [adres 2] ) aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

een materiaal bevattende (onder meer) amfetamine en/of MDMA en/of heroïne

en/of 4-methylmethcathinon, en/of cocaïne en/of d-lysergzuurdiethylamide

(lysergide/LSD), althans (telkens) enig middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

parketnummer 08/910007-19

primair

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 12.890 Euro, althans een -groot-

geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

en/of van genoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat genoemd

voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was

uit enig misdrijf;

en

subsidiair

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

voorwerp, te weten een geldbedrag van 12.890 euro, althans een -groot-

geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij,

verdachte, wist dat genoemd voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen

misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

Parketnummer 08/952886-18

De bewezen verklaarde feiten zijn strafbaar gesteld in de artikelen 46, 47 Sr en in artikel 10 van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van voorbereiding van een ontploffing teweeg brengen;

feit 2 en feit 3

de eendaadse samenloop van

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.2

Parketnummer 08/910007-19 primair en subsidiair

De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat het aangetroffen geld afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf en primair bewezen verklaard dat verdachte dat geld heeft witgewassen door het voorhanden te hebben gehad. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte een of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geld. Dit betekent dat het primair bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen en daarom geen strafbaar feit oplevert. Verdachte dient derhalve ten aanzien van dat feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Dit maakt dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit, te weten het voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen geld. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 420bis.1 Sr.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

het misdrijf: eenvoudig witwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes en een half jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 12.890,-- verbeurd te verklaren, alsmede aan verdachte een geldboete op te leggen van € 5.000,--, die kan worden voldaan uit de opbrengst van de conservatoir beslagen Rolex. De beslagen briefjes moeten eveneens verbeurd worden verklaard, omdat de feiten met betrekking tot die goederen zijn gepleegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte first-offender is, zijn concrete aandeel in de feiten relatief beperkt is en hij feitelijk nog aan het begin van zijn leven staat.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan grootschalige wereldwijde handel in verdovende middelen in een periode van bijna een jaar. Verdachte en zijn mededaders verkochten anoniem en op professionele wijze drugs op het Darkweb. Bij het internetbedrijf met meerdere ‘medewerkers’, die ieder hun eigen taak hadden, kwamen iedere dag online bestellingen binnen, werden de bestellijsten gemaakt, werden drugs bereid, de bestellingen ingepakt, verzonden en geleverd, en werd de voorraad beheerd. Het assortiment bestond onder andere uit verschillende soorten XTC-pillen, methamfetamine, cocaïne, heroïne en LSD. Deze drugs waren snel te bestellen en te leveren, o.a. via DHL. Ongewild werd DHL zo een internationale distributeur van drugs.

Verdachte en zijn mededaders trachtten op een geraffineerde manier buiten beeld van justitie te blijven door gebruik te maken van de anonieme vrijplaats Darkweb, de betaling in bitcoins te laten plaatsvinden, de postpakketten/enveloppen te voorzien van valse retourgegevens en door te communiceren via de versleutelde chatapplicatie Ironchat op zogenoemde crypto(tele)foons of PGP-telefoons. Om in de vraag van de afnemers te kunnen voorzien, had verdachte samen met zijn mededaders een handelsvoorraad aan verdovende middelen aanwezig in een ‘werkhuis’: een woning waarvan de schuur hiervoor speciaal was ingericht.

De verdachten bekommerden zich bij hun handel niet om de gezondheidsrisico’s voor anderen en de schadelijke gevolgen voor de maatschappij en hebben kennelijk enkel uit winstbejag gehandeld. De verdachten hebben bijgedragen aan het in stand houden van de ondermijnende criminaliteit die rondom de handel en de productie van drugs de laatste jaren grote vormen aanneemt. De verdachten vormden een schakel in de drugsketen die veel rand- en gevolgcriminaliteit veroorzaakt. De internationale, bijna mondiale component en het betrekken van nietsvermoedende postbedrijven bij de handel, wegen in negatieve zin mee bij het bepalen van de hoogte van de straf. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het witwassen van de met drugshandel verdiende opbrengsten. Gelet op de wetsgeschiedenis weegt de rechtbank de bewezenverklaring voor het eenvoudig witwassen niet mee bij de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf.

Verdachte heeft zich daarnaast samen met een mededader schuldig gemaakt aan het voorbereiden van (een) aanslag(en) op leden en/of panden die mogelijk gelieerd zijn aan de voormalig motorclub [motorclub] . [medeverdachte 4] verkeerde in de veronderstelling dat zij de politie getipt hadden over zijn ‘werkhuis’ aan de [adres 2] in Enschede. [medeverdachte 4] heeft onder andere verdachte gevraagd om hem adressen en namen aan te leveren. Adressen van panden heeft hij ook ontvangen en verdachte was in het bezit van een relatieschema van mensen die mogelijk aan de voormalig motorclub [motorclub] gelieerd waren. Daarnaast heeft [medeverdachte 4] naar wapens en granaten en de prijzen daarvan geïnformeerd en had hij zelfs al iemand bereid gevonden die de aanslag(en) daadwerkelijk wilde plegen. Het veroorzaken van een ontploffing behoort tot een categorie ernstige strafbare feiten. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij kennelijk slechts een zeer lage drempel heeft hoeven te nemen voordat hij het pad in sloeg dat tot dit feit heeft geleid en dat hij zich gemakkelijk door anderen bij hun misdadige plannen liet betrekken. Wraakacties in het criminele milieu leiden vanwege het gevaarzettend karakter ervan bovendien tot hernieuwde gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 januari 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Voor de hoogte van de straf is aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor grootschalige uitvoer van drugs en bij uitspraken in soortgelijke zaken. Strafverzwarend daarbij is het gebruik van het Darkweb als internationale logistieke route voor deze illegale handel. De rechtbank houdt ook rekening met de verhoudingen tussen de verschillende verdachten. De rollen van verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn bij de handel in de drugs van gelijk gewicht. Voor [medeverdachte 4] , als organisator en leidinggevende van het bedrijf, is een hogere gevangenisstraf op zijn plaats.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden moet worden opgelegd.

7.4

De in beslag genomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft dat aan verdachte toebehoort en dat geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten is verkregen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a, 55 en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder parketnummer 08/952886-18 feit 1, feit 2 en feit 3 en het primair en subsidiair ten laste gelegde onder parketnummer 08/910007-19 heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart dat het onder parketnummer 08/910007-19 primair bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

- verklaart het overig bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 08/952886-18

feit 1

het misdrijf:

medeplegen van voorbereiding van een ontploffing teweeg brengen;

feit 2 en feit 3

de eendaadse samenloop van

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Parketnummer 08/910007-19

subsidiair

het misdrijf: eenvoudig witwassen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 08/952886-18 feit 1, feit 2 en feit 3 en het onder parketnummer 08/910007-19 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van in totaal € 12.890,-- (twaalfduizend achthonderdnegentig euro) en de briefjes met notities.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2020.