Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1558

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
08/910010-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het onderzoek Liechtenstein gaat het om internationale drugshandel en witwassen via bitcoins. Via het Darkweb kwamen bestellingen binnen vanuit verschillende landen van Zweden tot Australië. Vanuit hun drugspand in Enschede verwerkten en verzonden de verdachten alle bestellingen. Toen de politie daar binnenviel, vonden zij daar amfetamine, MDMA, heroïne, cocaïne en LSD. Ook smokkelden de verdachten zo’n 15 kilo amfetamine naar Duitsland. Twee van de 6 verdachten planden meerdere aanslagen op Satudarah in Enschede. Zij dachten namelijk dat de voormalige motorclub hen had verraden bij de politie. Dit nadat de politie een inval had gedaan bij het Enschedese drugspand.

De 50-jarige S. C. is voor het witwassen van bijna 12.000 euro veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/910010-19 (P)

Datum vonnis: 23 april 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 juni 2019, 5 maart 2020 en van 9 april 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. van Veen en van hetgeen namens verdachte door de raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 27 en/of 28 oktober 2018, te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten:

- een geldbedrag van (ongeveer) 55.000 euro (27 oktober 2018) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 54.980 euro (28 oktober 2018)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans (telkens) heeft verborgen

en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) waren/was of wie

die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den), terwijl hij (telkens) wist, althans

redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf,

en/of die/dat voorwerp(en) (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat voorwerp(en) (telkens)

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs

moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk-

afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 en/of 28 oktober 2018, te Hengelo, gemeente Hengelo

(O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) een voorwerp, te weten:

- een geldbedrag van (ongeveer) 55.000 euro (27 oktober 2018) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 54.980 euro (28 oktober 2018)

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij (telkens) wist,

althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat genoemd(e) voorwerp(en)

onmiddellijk afkomstig waren/was uit enig eigen misdrijf.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Hierna stelt de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast. De voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. De rechtbank overweegt verder, al dan niet in reactie op gevoerde verweren, waarom zij op basis van die feiten en omstandigheden tot conclusies en beantwoording van de bewijsvraag komt.

4.1.1

Achtergrond onderzoek

In november 2018 werd bekend gemaakt dat de politie Oost-Nederland en het Openbaar Ministerie (OM) er in waren geslaagd de versleutelde chatapplicatie Ironchat te ontsleutelen. Van die applicatie werd gebruik gemaakt op zogenoemde cryptofoons of PGP- telefoons, waarbij PGP staat voor Pretty Good Privacy.

De berichten werden door de politie meegelezen in onderzoek Goliath, een onderzoek naar mogelijke criminele activiteiten door onder andere het bedrijf [bedrijf 1] in [plaats 1] .

Uit onderzoek Goliath kwam naar voren dat een aantal mensen via bepaalde accounts met elkaar chatte over – kort gezegd – de bereiding en het voorhanden hebben van, de handel in en de export van harddrugs. Daarnaast werd gechat over het voorbereiden van een aanslag op personen en panden (mogelijk) gelieerd aan de voormalige motorclub [motorclub] .

Vervolgens is in het TGO (Team Grootschalige Opsporing) Oder/Liechtenstein onderzoek naar deze strafbare feiten verricht. De vervolging voor het strafbare feit in deze zaak en die van verdachtes medeverdachten zijn daarvan het gevolg.

4.1.2

Identificatie gebruikers Ironchataccounts

Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen chatberichten. Er werd gebruik gemaakt van telefoons van met name het merk Wileyfox en laptops waarop de applicatie Ironchat was geïnstalleerd. Met die telefoons en laptops werden chatberichten verzonden met of aan accounts, alle eindigend op [mailadres] .

De vraag die allereerst moet worden beantwoord, is of de personen tegen wie door het OM in het onderzoek Liechtenstein vervolging is ingesteld te identificeren zijn als de gebruikers van bepaalde Ironchataccounts. Voor de aan verdachte [verdachte] ten laste gelegde feiten is (enkel) de identificatie van de gebruikers van de accounts [account] (hierna: [account] ), [account] (hierna: [account] ) en [account] (hierna: [account] ) van belang, zodat de overige accounts in dit vonnis onbesproken blijven. De rechtbank zal de vraag voor genoemde accounts voorafgaand aan de bespreking van de ten laste gelegde feiten beantwoorden.

Als [verdachte] als gebruiker van een Ironchataccount kan worden geïdentificeerd, dan dient de vraag te worden beantwoord of hij betrokken is bij het aan hem ten laste gelegde strafbare feit en hoe deze betrokkenheid gekwalificeerd kan worden.

Het antwoord op de eerste vraag is van belang bij de bewijsvraag van alle ten laste gelegde feiten.

4.1.2.1 Het account [account]

De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal bevindingen m.b.t. vaststelling identificatie user [account] als gebruiker [medeverdachte] ’ zijn opgenomen vast dat [medeverdachte] de gebruiker is geweest van het account [account] en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account] aanduiden als [medeverdachte] .

4.1.2.2 Het account [account]

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal identificatie gebruiker accounts [account] , [account] = [medeverdachte] ’ zijn opgenomen tot de conclusie dat [medeverdachte] de gebruiker is geweest van het account [account] en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account] aanduiden als [medeverdachte] .

4.1.2.3 Het account [account]

De rechtbank stelt op grond van de in de bewijsmiddelen opgenomen chats in combinatie met de eveneens in de bewijsmiddelen opgenomen processen-verbaal van het observatieteam vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het account [account] . Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [account] aanduiden als [verdachte] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard op basis van de aanhouding van [verdachte] , het voorhanden hebben van € 54.980,--, de chatgesprekken tussen [verdachte] en zijn zoon [medeverdachte] op 26, 27 en 28 oktober 2018 waarin wordt besproken dat [medeverdachte] geld wit wil maken en de observaties van 27 en 28 oktober 2018.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is dat verdachte op 27 oktober 2018 een bedrag van € 55.000,-- voorhanden heeft gehad. Daarnaast heeft verdachte voor het aanwezig hebben van € 54.980,-- een aannemelijke verklaring gegeven, te weten dat het bedrag afkomstig is van de verkoop van een auto en een aantal pintransacties waarvan de raadsman ter zitting bewijsstukken heeft overgelegd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

De vaststelling van de feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt vast dat de gang van zaken als volgt is geweest. Voor zover de rechtbank zich daarbij baseert op de inhoud van chatgesprekken zijn die gesprekken letterlijk in de bewijsmiddelen opgenomen.

Op 9 oktober 2018 wordt tussen [medeverdachte] en zijn vader [verdachte] gechat over “codes” waar “veel op staat”. [medeverdachte] chat dat hij wil gaan wisselen. [verdachte] chat terug: “ga wat wisselem, leg ik weg”. Later die avond gaat het gesprek tussen vader en zoon over het witwassen van een paar ton.

Op 20 oktober 2018 chatten [medeverdachte] en verdachte over de inval in de [straat] en bespreken dat de handel doorgaat.

Op 21 oktober 2018 wordt meer expliciet gesproken over welke handel aan de [straat] wordt bedreven: coke, heroïne en MDMA.

Op 26 oktober 2018 neemt [medeverdachte] contact op met zijn vader, met de vraag of [verdachte] geld voor hem kan ophalen: “morgen 55000 en over morgen ook 55000, in totaal 110”. In de daaropvolgende chats heeft [medeverdachte] het erover dat hij een deel van zijn bitcoins wil omwisselen, dat hij niet weet wat hij met al dat geld moet doen. [medeverdachte] chat verder dat hij er over nadenkt om het geld wit te maken, omdat hij niets kan doen met zoveel zwart geld. [verdachte] adviseert [medeverdachte] om een legaal bedrijf te beginnen. Vervolgens wordt afgesproken dat [verdachte] de volgende dag het geld op gaat halen bij [bedrijf 2] Hengelo Zuid met zijn “Toureq” en dat daar chinezen het geld komen brengen.

Op 27 oktober 2018 is er contact tussen [medeverdachte] en [verdachte] over wanneer “ze” er zijn. [medeverdachte] zegt dat de navi (de rechtbank begrijpt: navigatie) zegt: 10:02, waarop [verdachte] chat dat hij “dan daar is”. Het observatieteam van de politie neemt waar dat er op 27 oktober 2018 rond 10.00 uur een ontmoeting plaats vindt op de parkeerplaats bij [bedrijf 2] aan de [adres 2] waar [verdachte] wordt herkend als de bestuurder van een zwarte Volkswagen Touareg, met kenteken [kenteken] . Vervolgens neemt het observatieteam waar dat [verdachte] contact heeft met twee Chinees uitziende mannen, dat één van deze mannen met een gevulde donkere tas als passagier bij [verdachte] in de auto stapt en dat wanneer de man de auto verlaat, hij niets zichtbaars meer in zijn handen heeft.

Op 28 oktober 2018, voorafgaand aan de tweede afspraak, hebben [medeverdachte] en [verdachte] weer chatcontact. [verdachte] vraagt om welk bedrag het gaat. [medeverdachte] chat: 54.980. Verder wordt besproken dat de chinezen binnen zitten. Het observatieteam neemt Aziatisch uitziende mannen waar. Het observatieteam neemt ook waar dat [verdachte] in [bedrijf 2] een briefje op tafel legt, dat een van de mannen een blauwe plastic tas onder de tafel vandaan pakt en dat [verdachte] [bedrijf 2] met die tas verlaat. [verdachte] legt de tas vervolgens onder de achterbank van zijn auto en rijdt weg. [verdachte] laat [medeverdachte] weten dat het gelukt is.

Vervolgens wordt [verdachte] aangehouden en wordt in zijn auto in een plastic zak achter de bestuurdersstoel een bedrag van € 54.980,- aangetroffen.

Na zijn insluiting in een cel in het Arrestantencomplex in Borne, slaagt [verdachte] er in verder te chatten met zijn zoon. Hij laat hem weten dat de politie zijn mobiele telefoon niet gevonden heeft. Vader en zoon bespreken daarna tamelijk onbekommerd wat er is gebeurd en ook, zo leidt de rechtbank uit het geheel van de bewijsmiddelen af, met wat voor verhaal verdachte onder de verdenking van witwassen kan proberen uit te komen. Hij zou de aanwezigheid van het geldbedrag kunnen verklaren door een drietal pintransactie van € 15.000,-- in juni/juli 2017 en de verkoop van een auto voor € 13.000,- in oktober/december 2017. [medeverdachte] vraagt naar het ‘andere’ geld en zegt dat hij hoopt dat het niet in [plaats 2] ligt. [verdachte] verzekert hem dat het niet gevonden is, omdat het geld daar weg is.

4.4.2.

De overwegingen van de rechtbank

4.4.2.1 Voorhanden hebben op 27 oktober 2018

Anders dan de verdediging heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend te bewijzen is dat [verdachte] samen met [medeverdachte] op 27 oktober 2018 een geldbedrag van € 55.000,-- voorhanden had. Dat concludeert de rechtbank in het bijzonder op basis van:

  • -

    de waarnemingen van het observatieteam op 27 oktober 2018 dat een man met een gevulde donkere tas in de auto van [verdachte] stapt en zonder tas uitstapt;

  • -

    de chats tussen vader en zoon over de ontmoeting tussen [verdachte] en de ‘chinezen’;

  • -

    het chatgesprek gevoerd vanuit de politiecel waarin vader en zoon spreken over het andere geld, dat niet meer in [plaats 2] ligt.

Naar het oordeel van de rechtbank zat in de in de auto van [verdachte] achtergebleven tas de € 55.000 die [verdachte] voor zijn zoon ophaalde en gaat het gesprek over het geld dat niet meer in [plaats 2] ligt over de € 55.000,-- die [verdachte] op 27 oktober 2018 heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

4.4.2.2 Gelden afkomstig uit enig misdrijf

Voor een veroordeling ter zake van art. 420bis en 420quater, eerste lid, onder a en b Sr is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Gelet op de expliciete inhoud van de chats tussen [medeverdachte] en [verdachte] over drugshandel en geld wit maken, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het bij beide geobserveerde transacties gaat om geld dat afkomstig was uit de drugshandel van [medeverdachte] en zijn medeverdachten.

4.4.2.3 De conclusie van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 27 en/of 28 oktober 2018, te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten:

- een geldbedrag van (ongeveer) 55.000 euro (27 oktober 2018) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 54.980 euro (28 oktober 2018)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans (telkens) heeft verborgen

en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) waren/was of wie

die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den), terwijl hij (telkens) wist, althans

redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf,

en/of die/dat voorwerp(en) (telkens) heeft verworven en voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat voorwerp(en) (telkens)

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs

moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk-

afkomstig waren/was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het geldbedrag van € 109.980,-- en de personenauto verbeurd te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in geval van bewezenverklaring kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf voor de duur van 120 uren.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

[verdachte] heeft op twee achtereenvolgende dagen contante geldbedragen van in totaal € 109.980,-- voor zijn zoon in ontvangst genomen. Verdachte wist van de grootschalige en georganiseerde drugshandel via het Darkweb van zijn zoon en daarmee van de herkomst van het geld. Door de handelingen van verdachte hadden de opbrengsten van deze grootschalige drugshandel, als deze niet ontdekt waren, buiten het zicht van politie en justitie kunnen blijven. Het handelen van de verdachte heeft er daarnaast toe bijgedragen dat door anderen gepleegde misdrijven hebben geloond en dat de onderliggende criminaliteit is gefaciliteerd.

De vraag is welke straf hiervoor passend is.

Om te bevorderen dat landelijk door gerechten in gelijke gevallen gelijke straffen worden opgelegd heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), oriëntatiepunten voor straftoemeting opgesteld. Deze oriëntatiepunten noemen, als uitgangspunt van denken, voor fraude bij een benadelingsbedrag van € 70.000,-- tot € 125.000,-- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanaf vijf tot negen maanden of een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf als mogelijke strafmodaliteiten. De rechtbank ziet gelet op het bewezenverklaarde en de overige omstandigheden aanleiding om hierbij aan te knopen

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van de maximale taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren op zijn plaats is. Het opleggen van de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft als doel te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst wederom bezig gaat houden met criminele activiteiten.

7.4

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat zowel het niet aangetroffen bedrag van € 55.000,-- als het inbeslaggenomen geldbedrag van € 54.980,-- moet worden verbeurdverklaard. Het betreffen voorwerpen met betrekking tot welke de strafbare feiten zijn begaan, die toebehoren aan [medeverdachte] als bedoeld in artikel 33a, tweede lid aanhef en sub a, Sr, terwijl die [medeverdachte] ermee bekend was dat met betrekking tot dat geld strafbare feiten zijn begaan.

Ten aanzien van de in beslag genomen personenauto van het merk Volkswagen, type Touareg, met het kenteken [kenteken] , is de rechtbank van oordeel dat dit voorwerp eveneens moet worden verbeurdverklaard nu het een voorwerp betreft dat aan verdachte toebehoort en met betrekking tot welke het feit is begaan.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdentwintig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van € 55.000,--;
- een geldbedrag van € 54.980,--;
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Touareg, met het kenteken [kenteken] .

Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. E. Venekatte en

mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2020.