Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1461

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
ak_19 _ 402
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering WAO-uitkering van € 17.029,90 aan onverschuldigd ontvangen uitkering vanwege aangetroffen hennepkwekerij; beroep op onschuldpresumptie slaagt niet; opgelegde boete evenredig; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/402

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M.A. Kuilderd.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016 en van 14 augustus 2017 tot 23 oktober 2017 herzien en een bruto totaalbedrag van € 23.233,51 aan onverschuldigd ontvangen uitkering over de periode van 1 juni 2016 tot en met 31 oktober 2017 van eiser teruggevorderd.

Bij afzonderlijk besluit van 12 september 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 5.467,-.

Bij besluit van 5 december 2018 (het primaire besluit 3) heeft verweerder het maandelijks in te vorderen bedrag per 1 januari 2019 vastgesteld op € 532,34.

Bij besluit van 21 januari 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende stukken van de strafzaak, waarop hij een beroep doet, naar de rechtbank te sturen. Eiser heeft vervolgens de aantekening van de mondelinge vonnissen van de politierechter van 22 februari 2018 overgelegd, met de daaraan ten grondslag liggende tenlastelegging.


Verweerder heeft op 3 september 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar (het bestreden besluit 2) genomen. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiser van rechtswege mede gericht geacht tegen het bestreden besluit 2.

De zaak is hervat op de nadere zitting van 29 november 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser ontvangt een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

In het kader van het convenant integrale aanpak van hennepkwekerijen Oost Nederland, district Twente heeft verweerder van de politie informatie ontvangen, waaruit naar voren komt dat eiser mogelijk werkzaamheden verricht naast zijn WAO-uitkering. Op 22 december 2016 heeft de politie een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in het door eiser gehuurde en onderverhuurde pand op het adres [adres 1] te Enschede. Op 23 oktober 2017 heeft de politie sporen van een hennepkwekerij aangetroffen in twee door eiser gehuurde en onderverhuurde garageboxen op het adres [adres 2] te Enschede.

1.3.

Eiser is op 9 januari 2017 en 31 oktober 2017 door de politie verhoord over de aangetroffen hennepkwekerijen. Eiser heeft verklaringen afgelegd. De politie heeft op
6 januari 2017 ( [adres 1] ) en 30 november 2017 ( [adres 2] rapporten berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij opgemaakt.
In deze rapporten wordt uitgegaan van een wederrechtelijke verkregen voordeel van
€ 170.811,80 ( [adres 1] ) en € 28.114,70 ( [adres 2] .

1.4.

De politierechter van de rechtbank Overijssel heeft eiser bij vonnis van 22 februari 2018 wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 27 oktober 2016 tot en met 22 december 2016 te Enschede, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Bij afzonderlijk vonnis van 22 februari 2018 heeft de politierechter het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 40.000,-. Eiser heeft tegen deze vonnissen hoger beroep ingesteld. Hierop is op het moment van deze uitspraak nog niet beslist.
1.5. Verweerder heeft op verzoek gegevens ontvangen van de politie, waarna hij een eigen onderzoek is gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiser betaalde WAO-uitkering en waarbij eiser op 30 mei 2018 en 19 juni 2018 door verweerder is gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport van 5 juli 2018.

1.6.

Op basis van de bevindingen in het Onderzoeksrapport heeft verweerder de primaire besluiten genomen. Bij besluit van 12 september 2018 heeft verweerder eiser op basis van zijn inkomsten minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht, op de grond dat hij in de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016 en de periode van 14 augustus 2017 tot
23 oktober 2017 inkomsten heeft ontvangen uit de exploitatie van twee hennepkwekerijen die gevolgen hebben voor de uitkering. De WAO-uitkering over deze periodes is niet uitbetaald. Verweerder heeft een bedrag van € 23.233,51 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van eiser teruggevorderd over de periode van 1 juni 2016 tot en met 31 oktober 2017. Bij afzonderlijk besluit van 12 september 2018 heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 5.457,-. Bij besluit van 5 december 2018 heeft verweerder het maandelijks invorderingsbedrag vastgesteld op € 532,34. Met het bestreden besluit 1 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.

1.7.

In de beroepsprocedure heeft eiser nadere stukken overgelegd, waaronder de vonnissen van de politierechter die betrekking hebben op de hennepkwekerij op het adres [adres 2] en de hennepkwekerij op het adres [adres 1] . Bij het gewijzigde besluit op bezwaar van 3 september 2019 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit 1 gegrond verklaard voor zover het betreft de hennepkwekerij op het adres [adres 2] , de WAO-uitkering over de periode van 14 augustus 2017 tot 23 oktober 2017 gewijzigd en de terugvordering over deze periode laten vervallen. Over de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016 die betrekking heeft op de hennepkwekerij aan het adres [adres 1] heeft verweerder de wijziging in de uitbetaling van de WAO-uitkering gehandhaafd. De hoogte van de terugvordering is na herberekening vastgesteld op € 17.029,90. Verweerder heeft de boete ongewijzigd vastgesteld op € 5.467,-.
2. Eiser voert naar aanleiding van het gewijzigde besluit op bezwaar aan dat hij ten aanzien van de hennepkwekerij op het adres [adres 1] door de politierechter van de rechtbank Overijssel op 22 februari 2018 is veroordeeld voor medeplegen en dat hij tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld. Eiser verwacht dat hij in hoger beroep wordt vrijgesproken. Verder voert eiser aan dat verweerder over de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016 is uitgegaan van een bedrag van € 170.811,80 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl de politierechter het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 40.000,-. Volgens eiser is hij gedwongen om een huurcontract te tekenen en hebben er criminele zaken plaatsgevonden die niet geoorloofd zijn volgens de Nederlandse wet.

3. De rechtbank oordeelt als volgt.

3.1.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO is onder andere degene die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.

3.2.

Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef, en onder a, van de WAO wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering (a)

niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%, of (b) indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

3.3.

Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

3.4.

Op grond van artikel 29a, eerste lid, van de WAO, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen bedoeld in artikel 80. In het tweede lid is bepaald dat onder benadelingsbedrag wordt verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 80 van de WAO, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

De herziening en terugvordering

3.5.

Bij besluiten tot korting van inkomsten uit arbeid en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat verweerder in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 44 en 57 van de WAO is voldaan. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser in de periode van belang zodanige inkomsten heeft genoten, dan ligt het op de weg van eiser om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1682.

3.6.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraken van 15 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2055 en 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2139, rechtvaardigt het feit dat in een door een betrokkene gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen, de vooronderstelling dat die betrokkene daarvan exploitant is geweest en dat de opbrengst (ook) aan hem ten goede is gekomen. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet steeds rekening worden gehouden met inkomsten. Het is vervolgens aan eiser om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Als eiser dit niet doet, is verweerder bevoegd om de inkomsten uit hennep schattenderwijs vast te stellen. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over het inkomen zijn voor eiser.

3.7.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zorgvuldig onderzoek heeft verricht.

De rechtbank wijst in dit kader naar het Onderzoeksrapport van 5 juli 2018 en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 6 januari 2017. Op grond van deze gegevens en gelet op hetgeen onder 3.6 is overwogen, is voldoende aannemelijk geworden dat eiser in de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016 (28 weken) op het adres [adres 1] te Enschede een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, waarbij twee kweekruimtes zijn aangetroffen en dat eiser geen melding heeft gedaan van deze hennepkwekerij. Door geen melding te maken van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de woning aan de [adres 1] te Enschede heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden over de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016. Dat eiser, zoals hij heeft gesteld, gedwongen was om een huurcontract te ondertekenen waarna zich criminele zaken hebben voorgedaan, ontslaat hem niet van zijn inlichtingenverplichting.

3.8.

De rechtbank begrijpt de gronden van beroep zo dat een beroep wordt gedaan op de onschuldpresumptie. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.9.

De onschuldpresumptie brengt volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) (bijvoorbeeld het arrest van 12 juli 2013 in de zaak Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, punten 92 tot en met 104) mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvoor hij is vrijgesproken.
De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 4.9 en 4.11 van de uitspraak van de CRvB van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2398. In geval van eiser is echter geen sprake van vrijspraak, omdat de politierechter van de rechtbank Overijssel in zijn vonnis van 22 februari 2018 het (medeplegen van) telen van hennep over de periode van 27 oktober 2016 tot en met 22 december 2016 heeft bewezenverklaard. Deze periode was ook aan eiser tenlastegelegd. Bovendien is het besluit van verweerder gebaseerd op de activiteiten van eiser met betrekking tot de hennepkwekerij die hebben plaatsgevonden in de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016. Dit betreft niet de aan eiser in de strafzaak tenlastegelegde periode. Het vonnis van de politierechter bevat geen oordeel over de niet tenlastegelegde periode waarover verweerder de WAO-uitkering van eiser heeft herzien en teruggevorderd. Verweerder heeft door zijn besluit te baseren op de periode voorafgaand aan 27 oktober 2016 daarom evenmin gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie. Dat eiser tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep heeft ingesteld, maakt het voorgaande niet anders. De onschuldpresumptie brengt niet met zich dat de bestuursrechtelijke procedure waarin zich geschilpunten voordoen die samenhangen met de strafrechtelijke procedure, moet worden aangehouden tot de strafrechtelijke procedure is afgerond (uitspraak CRvB van 11 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3937).Verweerder was daarom niet gehouden de uitkomst hiervan te wachten. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 september 2019 en ter zitting herhaald, heeft verweerder aangegeven dat eiser om herziening kan vragen als het in hoger beroep alsnog tot een vrijspraak komt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verwijzing van eiser naar het vonnis van de politierechter van 22 februari 2018 over het telen van hennep hem niet kan baten.

3.10.

Voor de hoogte van het netto wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verweerder
zich gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 6 januari 2017. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is voor de [adres 1] in totaal vastgesteld op € 170.811,80, waarbij is uitgegaan van twee gerealiseerde oogsten in beide kweekruimtes, hetgeen eiser niet heeft weersproken. In het rapport is de berekeningsmethode van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar het oordeel van de rechtbank voldoende overtuigend neergelegd. Eiser heeft deze berekening niet bestreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze berekening niet te volgen. De omstandigheid dat de politierechter de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 40.000,- heeft toegewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de afwijzing van een ontnemingsvordering geen vrijspraak door een strafrechter betreft (uitspraak CRvB van 20 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3795) en dat in de ontnemingszaak een andere rechtsvraag voorligt (uitspraken CRvB van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2496 en van 12 februari 2019, ECLI:NLCRVB:2019:541). Daarbij komt nog dat uit het vonnis van de politierechter van 22 februari 2018 niet kan worden opgemaakt op grond van welke gegevens de politierechter tot de beslissing om het wederrechtelijk verkregen op een lager bedrag vast te stellen, is gekomen. Het is aan eiser om met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij met zijn werkzaamheden in de kwekerij minder of in het geheel geen inkomsten heeft ontvangen. Eiser heeft dit niet onderbouwd, zodat er geen aanleiding bestaat om niet van de berekening van verweerder uit te gaan. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat ook de verwijzing van eiser naar het vonnis van de politierechter van 22 februari 2018 over de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel hem niet kan baten.

3.11.

Dit betekent dat verweerder over de periode van 9 juni 2016 tot 22 december 2016 gehouden was een bedrag van € 17.029,90 van eiser terugvorderen. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zijn niet gebleken.

De boete

3.12.

Eiser heeft door de werkzaamheden in verband met de hennepkwekerij niet te melden aan verweerder, de op hem rustende inlichtingenverplichting op grond van de WAO geschonden. Uitgaande van het terugvorderingsbedrag, zoals die in de gewijzigde beslissing op bezwaar is vastgesteld, is sprake van een benadelingsbedrag van € 17.029,90. Van de schending van de inlichtingenplicht kan eiser een verwijt worden gemaakt. Dat stelling van eiser dat hij gedwongen was om een huurcontract te ondertekenen, is niet onderbouwd, zodat voor verlaging van de boete op grond van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken daarvan geen aanleiding bestaat. Verweerder was dan ook gehouden om eiser een boete op te leggen. Rekening houdend met de termijn waarbinnen de boete betaald moet zijn,
12 maanden, en de aflossingscapaciteit van eiser (€ 532,34) heeft verweerder de boete vastgesteld op € 5.467,-. Nu dit bedrag minder is dan 50% van het benadelingsbedrag
(€ 17.029,90) is er geen reden om de boete lager vast te stellen. De door verweerder opgelegde boete is daarom evenredig.

3.13.

Zoals is vermeld onder 1.7 heeft verweerder met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 september 2019 een ander standpunt ingenomen. Verweerder handhaaft niet langer het bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 daarom gegrond en vernietigt dat besluit. Gelet op wat is overwogen onder 3.1 tot en met 3.12 zal de rechtbank het beroep tegen het gewijzigde besluit van 3 september 2019 ongegrond verklaren.

4. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 52,48 voor de door eiser gemaakte reiskosten per trein 2e klasse (2x € 26,24) voor het bijwonen van de zittingen. Ook dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. Verweerder heeft in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 september 2019 toegezegd het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 52,48.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. W.M.B. Elferink en

mr. D.H. Harbers, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Knol, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.