Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1436

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
08/996092-14 en 08/950462-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel heeft 6 verdachten veroordeeld tot celstraffen tot 5 en een half jaar voor hun rol in een grootschalige, internationale btw-carrouselfraude. Zij zijn schuldig aan valsheid in geschrift, belastingfraude, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Eén verdachte is vrijgesproken van deelname aan de criminele organisatie. Ook zijn 2 bedrijven veroordeeld tot forse geldboetes omdat zij schuldig zijn aan witwassen.

De 53-jarige Nederlander D., die eveneens woonachtig is in Spanje, moet voor 5 jaar naar de gevangenis. Hij coördineerde de goederen- en facturenstromen binnen de carrousel en maakte zich schuldig aan witwassen. De man mag een eventueel hoger beroep ook niet in vrijheid afwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/996092-14 en 08/950462-15 (P)

Datum vonnis: 6 april 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

postadres in Nederland: [postadres] ,

voor het ontvangen van gerechtelijke stukken domicilie kiezende ten kantore van mr. Zuur (Vondelstraat 54, 1054 GE Amsterdam).

Inhoudsopgave

1. Het onderzoek op de terechtzitting

2. De tenlastelegging

3. De voorvragen

3.1 Geldigheid van de dagvaardingen

3.2 Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

3.2.1 Specialiteitsbeginsel

3.2.2 Overige beginselen

3.3 De overige voorvragen

4. De bewijsoverwegingen inzake parketnummer 08/996092-14

4.1 Inleiding

4.2 Het standpunt van de officieren van justitie

4.3 Het standpunt van de verdediging

4.4 Het oordeel van de rechtbank

4.4.1 Ten aanzien van feit 1 en 2

4.4.2 Ten aanzien van feit 3 en 4

4.4.3 Ten aanzien van feit 5

5. De bewijsoverwegingen inzake parketnummer 08/950462-15

5.1 Het standpunt van de officieren van justitie

5.2 Het standpunt van de verdediging

5.3 Het oordeel van de rechtbank

5.3.1 Ten aanzien van feit 1

5.3.2 Ten aanzien van feit 2

5.3.3 Ten aanzien van feit 3

5.3.4 Ten aanzien van feit 4

6. De bewezenverklaring

7. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

8. De strafbaarheid van verdachte

9. De op te leggen straf of maatregel

9.1 De vordering van de officieren van justitie

9.2 Het standpunt van de verdediging

9.3 De gronden voor een straf of maatregel

9.4 De inbeslaggenomen voorwerpen

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

11. De beslissing

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

7 september 2015, 12 oktober 2015, 11 en 15 januari 2016 (tot dat moment alleen inzake 08/996092-14), 31 oktober 2016 (vanaf dit moment inzake 08/996092-14 en 08/950462-15), 4 november 2016, 11 september 2017, 23 april 2018, 3 en 10 december 2018, 7 en 13 februari 2019, 28 november 2019, 2 december 2019, 22 en 29 januari 2020, 26 en 27 februari 2020 en 24 maart 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie,
mr. A.E.M. Doedens en mr. F.A. Demmers, en van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden,

mr. Chr. C. Zuur en mr. J.L.F. Groenhuijsen, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er - na wijziging van de tenlastelegging van 22 januari 2020 - kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

08/996092-14:

1:

primair:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door valse facturen in die administratie op te nemen;

subsidiair:

in genoemde periode samen met [bedrijf 1] BV en/of één of meer andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] BV valselijk heeft opgemaakt door valse facturen in die administratie op te nemen;

meer subsidiair:

in genoemde periode medeplichtig is geweest aan/bij het door [bedrijf 1] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] BV door valse facturen in die administratie op te nemen;

2:

primair:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, opzettelijk onjuist of onvolledig indienen van aangiften omzetbelasting;

subsidiair:

in genoemde periode samen met [bedrijf 1] BV en/of andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen opzettelijk onjuist of onvolledig aangiften omzetbelasting van [bedrijf 1] BV heeft ingediend;

meer subsidiair:

in genoemde periode medeplichtig is geweest aan/bij het door [bedrijf 1] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting;

3:

primair:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 januari 2014 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door valse facturen in die administratie op te nemen;

subsidiair:

in genoemde periode samen met [bedrijf 2] BV en/of één of meer andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] BV valselijk heeft opgemaakt door valse facturen in die administratie op te nemen;

meer subsidiair:

in genoemde periode medeplichtig is geweest aan/bij het door [bedrijf 2] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] BV door valse facturen in die administratie op te nemen;

4.

primair:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2013 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, opzettelijk onjuist of onvolledig indienen van aangiften omzetbelasting;

subsidiair:

in genoemde periode samen met [bedrijf 2] BV en/of andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen opzettelijk onjuist of onvolledig aangiften omzetbelasting van [bedrijf 2] BV heeft ingediend;

meer subsidiair:

in genoemde periode medeplichtig is geweest aan/bij het door [bedrijf 2] BV, al dan niet samen met andere rechtspersonen of natuurlijke personen, opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting;

5:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 3 maart 2015 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrifte, het opzettelijk niet, dan wel onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting, het niet voldoen aan verplichtingen in het kader van de Algemene wet inzake rijksbelastingen met betrekking tot de administratie, en bedrieglijke bankbreuk;

08/950462-15:

1:

in de periode van 17 juni 2010 tot en met 27 juni 2014, al dan niet samen met anderen, van het witwassen van geldbedragen, van in totaal € 520.914,19, € 368.748,-- en € 320.000,--, een gewoonte heeft gemaakt;

2:

in de periode van 8 oktober 2010 tot en met 5 mei 2013, al dan niet samen met anderen, van het witwassen van geldbedragen, van in totaal € 359.200,-- en € 241.238,65, een gewoonte heeft gemaakt;

3:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2015, al dan niet samen met anderen, van het witwassen van geldbedragen, van in totaal € 221.250,--, € 43.000,--, € 50.000,--,
€ 144.000,-- en € 215.000,--, een gewoonte heeft gemaakt;

4:

in de periode van 10 augustus 2011 tot en met 1 mei 2013 samen met anderen van het witwassen van geldbedragen, van in totaal € 226.594.873,92, GBP 20.394.811,14,
USD 62.903.921,49 en PLN 4.915.831,97, een gewoonte heeft gemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

inzake parketnummer 08/996092-14:

1.

primair:

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) haar (bedrijfs)administratie - zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, door een groot aantal, althans één of meerdere valselijk opgemaakte en/of vervalste factu(u)r(en), waaronder onder meer:

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 3] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-0068, gedateerd 2 maart 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 61.954,38 (bijlage D-764-8, pagina 15760), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 4] , voorzien van het factuurnummer 2011250, gedateerd 20 mei 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 180.493,25 (bijlage D-518-8, pagina 14211), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 2] B.V., voorzien van het factuurnummer 12700409, gedateerd 17 december 2012, vermeldende het factuurbedrag EUR 226.063,70 (bijlage D-173-175, pagina 9728),

bestaande de valsheid van de bedoelde factu(u)r(en) daarin dat op de factu(u)r(en) (telkens) valselijk, immers (opzettelijk) in strijd met de waarheid, was vermeld - zakelijk weergegeven -dat tussen [bedrijf 1] B.V. en de afzender van die factu(u)r(en) een (legitieme) goederentransactie en/of levering had plaatsgevonden en dat [bedrijf 1] B.V. (ter zake daarvan) een geldbedrag en omzetbelasting verschuldigd was, althans aan welke factu(u)r(en) geen reële overeenkomst(en) tot levering ten grondslag heeft/hebben gelegen,

immers was er sprake van (een) schijntransactie(s),

(opzettelijk) in die (bedrijfs)administratie te verwerken en/of te doen verwerken en/of te boeken en/of te doen boeken en/of op te nemen en/of te doen opnemen, zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair:

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. en/of één of meer (andere) rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) de (bedrijfs)administratie van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. - zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, door een groot aantal, althans één of meerdere valselijk opgemaakte en/of vervalste factu(u)r(en), waaronder onder meer:

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 3] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-0068, gedateerd 2 maart 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 61.954,38 (bijlage D-764-8, pagina 15760), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 4] , voorzien van het factuurnummer 2011250, gedateerd 20 mei 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 180.493,25 (bijlage D-518-8, pagina 14211), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 2] B.V., voorzien van het factuurnummer 12700409, gedateerd 17 december 2012, vermeldende het factuurbedrag EUR 226.063,70 (bijlage D-173-175, pagina 9728),

bestaande de valsheid van de bedoelde factu(u)r(en) daarin dat op de factu(u)r(en) (telkens) valselijk, immers (opzettelijk) in strijd met de waarheid, was vermeld - zakelijk weergegeven -dat tussen [bedrijf 1] B.V. en de afzender van die factu(u)r(en) een (legitieme) goederentransactie en/of levering had plaatsgevonden en dat [bedrijf 1] B.V. (ter zake daarvan) een geldbedrag en omzetbelasting verschuldigd was, althans aan welke factu(u)r(en) geen reële overeenkomst(en) tot levering ten grondslag heeft/hebben gelegen,

immers was er sprake van (een) schijntransactie(s),

(opzettelijk) in die (bedrijfs)administratie te verwerken en/of te doen verwerken en/of te boeken en/of te doen boeken en/of op te nemen en/of te doen opnemen, zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

meer subsidiair:

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) haar (bedrijfs)administratie - zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, door een groot aantal, althans één of meerdere valselijk opgemaakte en/of vervalste factu(u)r(en), waaronder onder meer:

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 3] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-0068, gedateerd 2 maart 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 61.954,38 (bijlage D-764-8, pagina 15760), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 4] , voorzien van het factuurnummer 2011250, gedateerd 20 mei 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 180.493,25 (bijlage D-518-8, pagina 14211), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 2] B.V., voorzien van het factuurnummer 12700409, gedateerd 17 december 2012, vermeldende het factuurbedrag EUR 226.063,70 (bijlage D-173-175, pagina 9728),

bestaande de valsheid van de bedoelde factu(u)r(en) daarin dat op de factu(u)r(en) (telkens) valselijk, immers (opzettelijk) in strijd met de waarheid, was vermeld - zakelijk weergegeven -dat tussen [bedrijf 1] B.V. en de afzender van die factu(u)r(en) een (legitieme) goederentransactie en/of levering had plaatsgevonden en dat [bedrijf 1] B.V. (ter zake daarvan) een geldbedrag en omzetbelasting verschuldigd was, althans aan welke factu(u)r(en) geen reële overeenkomst(en) tot levering ten grondslag heeft/hebben gelegen, immers was er sprake van (een) schijntransactie(s),

(opzettelijk) in die (bedrijfs)administratie te verwerken en/of te doen verwerken en/of te boeken en/of te doen boeken en/of op te nemen en/of te doen opnemen, zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven, hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte,

 gegevens van voornoemde rechtsperso(o)n(en), waaronder onder meer de gevens met betrekking tot de inschrijving van de rechtsperso(o)n(en) bij de Kamer van Koophandel en/of de gegevens met betrekking tot de bankrekening van het bedrijf en/of de pinpas(sen) behorend bij de (bedrijfs)rekening en/of de gegevens met betrekking tot account voor het internetbankieren van de (bedrijfs)rekening en/of overige gegevens benodigd voor het uitoefenen van de controle over het bedrijf, verstrekt aan één of meerdere medeverdachte(n), zodat bedoelde medeverdachte(n) namens en/of op naam en/of op rekening van de rechtsperso(o)n(en) kon handelen, en/of

 zichzelf en/of een ander persoon ingeschreven en/of in laten schrijven als bestuurder van voornoemde rechtsperso(o)n(en), terwijl in werkelijkheid één of meerdere andere perso(o)n(en) gebruik maakte(n) en/of handelde(n) namens de betreffende rechtsperso(o)n(en), en/of

 met voornoemde rechtsperso(o)n(en), een of meerdere (goederen)transactie(s) verricht en/of laten verrichten, welke (goederen)transactie(s) geen legitiem doel had/hadden en/of welke transactie(s) (een) schijntransactie(s) betrof (fen);

2.

primair:

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Apeldoorn en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n) , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal, althans één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten naam van [bedrijf 1] B.V., betreffende het/de ja(a)r(en) 2011 en/of 2012 en/of 2013, waaronder onder meer:

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand maart 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand september 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand december 2012, en/of

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft laten doen bij (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan omzet en/of (telkens) een te hoog en/of onjuist, bedrag aan (betaalde) voorbelasting en/of (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair:

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Apeldoorn en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. en/of één of meer (andere) rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n) , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal, althans één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten naam van [bedrijf 1] B.V., betreffende het/de ja(a)r(en) 2011 en/of 2012 en/of 2013, waaronder onder meer:

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand maart 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand september 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand december 2012, en/of

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft laten doen bij (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan omzet en/of (telkens) een te hoog en/of onjuist, bedrag aan (betaalde) voorbelasting en/of (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven;

meer subsidiair:

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Apeldoorn en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n) , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal, althans één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten naam van [bedrijf 1] B.V., betreffende het/de ja(a)r(en) 2011 en/of 2012 en/of 2013, waaronder onder meer:

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand maart 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand september 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over de maand december 2012, en/of

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft laten doen bij (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan omzet en/of (telkens) een te hoog en/of onjuist, bedrag aan (betaalde) voorbelasting en/of (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven, hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 december 2013 te Apeldoorn en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte,

 gegevens van voornoemde rechtsperso(o)n(en), waaronder onder meer de gegevens met betrekking tot de inschrijving van de rechtsperso(o)n(en) bij de Kamer van Koophandel en/of de gegevens met betrekking tot de bankrekening van het bedrijf en/of de pinpas(sen) behorend bij de (bedrijfs)rekening en/of de gegevens met betrekking tot account voor het internetbankieren van de (bedrijfs)rekening en/of overige gegevens benodigd voor het uitoefenen van de controle over het bedrijf, verstrekt aan één of meerdere medeverdachte(n), zodat bedoelde medeverdachte(n) namens en/of op naam en/of op rekening van de rechtsperso(o)n(en) kon handelen, en/of

 zichzelf en/of een ander persoon ingeschreven en/of in laten schrijven als bestuurder van voornoemde rechtsperso(o)n(en), terwijl in werkelijkheid één of meerdere andere perso(o)n(en) gebruik maakte(n) en/of handelde(n) namens de betreffende rechtsperso(o)n(en), en/of

 met voornoemde rechtsperso(o)n(en), een of meerdere (goederen)transactie(s) verricht en/of laten verrichten, welke (goederen)transactie(s) geen legitiem doel had/hadden en/of welke transactie(s) (een) schijntransactie(s) betrof(fen);

3.

primair:

de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 januari 2014 te Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) haar (bedrijfs)administratie - zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, door een groot aantal, althans één of meerdere valselijk opgemaakte en/of vervalste factu(u)r(en), waaronder onder meer:

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 5] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-0138, gedateerd 5 april 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 146.013,00 (bijlage D-225-22, pagina 11331), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-348, gedateerd 7 oktober 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 109.338,39 (bijlage D-247-87, pagina 12159), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-478, gedateerd 24 november 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 574.289,24 (bijlage D-247-39, pagina 12111), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 7] B.V., voorzien van het factuurnummer 20120010, gedateerd 15 februari 2012, vermeldende het factuurbedrag EUR 182.546,00 (bijlage D-246-34, pagina 12068),

bestaande de valsheid van de bedoelde factu(u)r(en) daarin dat op de factu(u)r(en) (telkens) valselijk, immers (opzettelijk) in strijd met de waarheid, was vermeld - zakelijk weergegeven -dat tussen [bedrijf 2] B.V. en de afzender van die factu(u)r(en) een (legitieme) goederentransactie en/of levering had plaatsgevonden en dat [bedrijf 2] B.V. (ter zake daarvan) een geldbedrag en omzetbelasting verschuldigd was, althans aan welke factu(u)r(en) geen reële overeenkomst(en) tot levering ten grondslag heeft/hebben gelegen, immers was er sprake van (een) schijntransactie(s),

(opzettelijk) in die (bedrijfs)administratie te verwerken en/of te doen verwerken en/of te boeken en/of te doen boeken en/of op te nemen en/of te doen opnemen, zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair:

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 januari 2014 te Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. en/of één of meer (andere) rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) de (bedrijfs)administratie van de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. - zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, door een groot aantal, althans één of meerdere valselijk opgemaakte en/of vervalste factu(u)r(en), waaronder onder meer:

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 5] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-0138, gedateerd 5 april 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 146.013,00 (bijlage D-225-22, pagina 11331), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-348, gedateerd 7 oktober 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 109.338,39 (bijlage D-247-87, pagina 12159), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-478, gedateerd 24 november 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 574.289,24 (bijlage D-247-39, pagina 12111), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 7] B.V., voorzien van het factuurnummer 20120010, gedateerd 15 februari 2012, vermeldende het factuurbedrag EUR 182.546,00 (bijlage D-246-34, pagina 12068),

bestaande de valsheid van de bedoelde factu(u)r(en) daarin dat op de factu(u)r(en) (telkens) valselijk, immers (opzettelijk) in strijd met de waarheid, was vermeld - zakelijk weergegeven -dat tussen [bedrijf 2] B.V. en de afzender van die factu(u)r(en) een (legitieme) goederentransactie en/of levering had plaatsgevonden en dat [bedrijf 2] B.V. (ter zake daarvan) een geldbedrag en omzetbelasting verschuldigd was, althans aan welke factu(u)r(en) geen reële overeenkomst(en) tot levering ten grondslag heeft/hebben gelegen, immers was er sprake van (een) schijntransactie(s),

(opzettelijk) in die (bedrijfs)administratie te verwerken en/of te doen verwerken en/of te boeken en/of te doen boeken en/of op te nemen en/of te doen opnemen, zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

meer subsidiair:

de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 januari 2014 te Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) haar (bedrijfs)administratie - zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, door een groot aantal, althans één of meerdere valselijk opgemaakte en/of vervalste factu(u)r(en), waaronder onder meer:

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 5] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-0138, gedateerd 5 april 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 146.013,00 (bijlage D-225-22, pagina 11331), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-348, gedateerd 7 oktober 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 109.338,39 (bijlage D-247-87, pagina 12159), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-478, gedateerd 24 november 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 574.289,24 (bijlage D-247-39, pagina 12111), en/of

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 7] B.V., voorzien van het factuurnummer 20120010, gedateerd 15 februari 2012, vermeldende het factuurbedrag EUR 182.546,00 (bijlage 0-246-34, pagina 12068),

bestaande de valsheid van de bedoelde factu(u)r(en) daarin dat op de factu(u)r(en) (telkens) valselijk, immers (opzettelijk) in strijd met de waarheid, was vermeld - zakelijk weergegeven -dat tussen [bedrijf 2] B.V. en de afzender van die factu(u)r (en) een (legitieme) goederentransactie en/of levering had plaatsgevonden en dat [bedrijf 2] B.V. (ter zake daarvan) een geldbedrag en omzetbelasting verschuldigd was, althans aan welke factu(u)r(en) geen reële overeenkomst(en) tot levering ten grondslag heeft/hebben gelegen, immers was er sprake van (een) schijntransactie(s),

(opzettelijk) in die (bedrijfs)administratie te verwerken en/of te doen verwerken en/of te boeken en/of te doen boeken en/of op te nemen en/of te doen opnemen, zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven, hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2013 te Apeldoorn en/of Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte,

 gegevens van voornoemde rechtsperso(o)n(en), waaronder onder meer de gegevens met betrekking tot de inschrijving van de rechtsperso(o)n(en) bij de Kamer van Koophandel en/of de gegevens met betrekking tot de bankrekening van het bedrijf en/of de pinpas(sen) behorend bij de (bedrijfs)rekening en/of de gegevens met betrekking tot account voor het internetbankieren van de (bedrijfs)rekening en/of overige gegevens benodigd voor het uitoefenen van de controle over het bedrijf, verstrekt aan één of meerdere medeverdachte(n) zodat bedoelde medeverdachte(n) namens en/of op naam en/of op rekening van de rechtsperso(o)n(en) kon handelen, en/of

 zichzelf en/of een ander persoon ingeschreven en/of in laten schrijven als bestuurder van voornoemde rechtsperso(o)n(en), terwijl in werkelijkheid één of meerdere andere perso(o)n(en) gebruik maakte(n) en/of handelde(n) namens de betreffende rechtsperso(o)n(en), en/of

 met voornoemde rechtsperso(o)n(en), een of meerdere (goederen)transactie(s) verricht en/of laten verrichten, welke (goederen)transactie(s) geen legitiem doel had/hadden en/of welke transactie(s) (een) schijntransactie(s) betrof(fen);

4.

primair:

de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2013 te Apeldoorn en/of Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n) , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal, althans één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten naam van [bedrijf 2] B.V., betreffende het/de ja(a)r(en) 2011 en/of 2012 en/of 2013, waaronder onder meer:

- de aangifte(n) omzetbelasting over het tweede kwartaal 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het vierde kwartaal 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het eerste kwartaal 2012, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het vierde kwartaal 2012,

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft laten doen bij (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan omzet en/of (telkens) een te hoog en/of onjuist, bedrag aan (betaalde) voorbelasting en/of (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair:

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2013 te Apeldoorn en/of Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. en/of één of meer (andere) rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n) , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal, althans één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten naam van [bedrijf 2] B.V., betreffende het/de ja(a)r(en) 2011 en/of 2012 en/of 2013, waaronder onder meer:

- de aangifte(n) omzetbelasting over het tweede kwartaal 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het vierde kwartaal 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het eerste kwartaal 2012, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het vierde kwartaal 2012,

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft laten doen bij (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan omzet en/of (telkens) een te hoog en/of onjuist, bedrag aan (betaalde) voorbelasting en/of (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven;

meer subsidiair:

de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2013 te Apeldoorn en/of Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n) , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal, althans één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten naam van [bedrijf 2] B.V., betreffende het/de ja(a)r(en) 2011 en/of 2012 en/of 2013, waaronder onder meer:

- de aangifte(n) omzetbelasting over het tweede kwartaal 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het vierde kwartaal 2011, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het eerste kwartaal 2012, en/of

- de aangifte(n) omzetbelasting over het vierde kwartaal 2012,

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft laten doen bij (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan omzet en/of (telkens) een te hoog en/of onjuist, bedrag aan (betaalde) voorbelasting en/of (telkens) een te laag en/of onjuist, bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven, hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2013 te Apeldoorn en/of Hazerswoude Dorp (gemeente Alphen aan den Rijn) en/of Amstelveen en/of Aalsmeer en/of Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte,

 gegevens van voornoemde rechtsperso(o)n(en) , waaronder onder meer de gegevens met betrekking tot de inschrijving van de rechtsperso(o)n(en) bij de Kamer van Koophandel en/of de gegevens met betrekking tot de bankrekening van het bedrijf en/of de pinpas(sen) behorend bij de (bedrijfs)rekening en/of de gegevens met betrekking tot account voor het internetbankieren van de (bedrijfs)rekening en/of overige gegevens benodigd voor het uitoefenen van de controle over het bedrijf, verstrekt aan één of meerdere medeverdachte(n) zodat bedoelde medeverdachte(n) namens en/of op naam en/of op rekening van de rechtspersofo)n(en) kon handelen, en/of

 zichzelf en/of een ander persoon ingeschreven en/of in laten schrijven als bestuurder van voornoemde rechtsperso(o)n(en), terwijl in werkelijkheid één of meerdere andere perso(o)n(en) gebruik maakte(n) en/of handelde(n) namens de betreffende rechtsperso(o)n(en), en/of

 met voornoemde rechtsperso(o)n(en), een of meerdere (goederen)transactie(s) verricht en/of laten verrichten, welke (goederen)transactie(s) geen legitiem doel had/hadden en/of welke transactie(s) (een) schijntransactie(s) betrof(fen);

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 3 maart 2015 te Apeldoorn en/of Almelo en/of Almere en/of Amersfoort en/of Amsterdam en/of Eindhoven en/of Enschede en/of Hengelo en/of Hilversum en/of Hoogeveen en/of Losser en/of Tubbergen en/of Winterswijk en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen, aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [bedrijf 2] B.V. en/of [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 8] BV en/of [bedrijf 9] B.V. en/of [bedrijf 10] B.V. en/of [bedrijf 11] B.V. en/of [bedrijf 12] en/of [bedrijf 13] B.V. en/of [bedrijf 14] B.V. en/of [bedrijf 15] B.V. en/of [bedrijf 16] en/of [bedrijf 17] B.V. en/of [bedrijf 18] B.V. en/of [bedrijf 19] B.V. en/of een/of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk heeft/had het plegen van misdrijven, namelijk te weten:

- valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht, en/of

- het opzettelijk niet en/of onjuist en/of onvolledig doen van bij de belastingwet voorziene aangifte(n) omzetbelasting, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven (BTW-carrousselfraude), als bedoeld in artikel 69 eerste en/of tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en/of

- het opzettelijk begaan van een of meer feit(en) als omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a en/of b en/of c en/of d en/of e en/of f en/of g, als bedoeld in artikel 69, eerste en/of tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en/of

- bedrieglijke bankbreuk, als bedoeld in artikel 341 Wetboek van Strafrecht;

inzake parketnummer 08/950462-15:

1.

hij in de periode van 17 juni 2010 tot en met 27 juni 2014 te Baarn en/of te Hilversum en/of (elders) in Nederland en/of in het Koninkrijk Thailand, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer (na te noemen) geldbedrag(en):

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verborgen of verhuld; en/of

- verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedrag(en) is/was; en/of

- die geldbedrag(en) voorhanden gehad; en/of

- die geldbedrag(en) verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten dat die geldbedrag(en)
-onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,

te weten:

1. het doen of laten storten, althans het ontvangen, van geldbedrag(en) (in totaal EURO 520.914,19 althans enig geldbedrag) op een de rekening met het nummer [rekeningnummer 1] die [naam 1] heeft geopend en heeft aangehouden bij de Kasikorn Thai Bank AG te Thailand en verborgen heeft gehouden voor de Nederlandse (fiscale) autoriteiten; en/of

2. het overboeken van geldbedrag(en) (in totaal EURO 368.748,- althans enig geldbedrag) op een de rekening met het nummer [rekeningnummer 2] die [naam 1] heeft geopend en heeft aangehouden bij de Kasikorn Thai Bank AG te Thailand en verborgen heeft gehouden voor de Nederlandse (fiscale) autoriteiten; en/of

3. het doen of laten storten, althans het ontvangen, van geldbedrag(en) (in totaal EURO 320.000,- althans enig geldbedrag) op een bankrekening aangehouden door [bedrijf 20] B.V. en deze ontvangsten in strijd met de waarheid in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 20] B.V. te verwerken als een (geld)lening;

2.

hij in de periode van 8 oktober 2010 tot en met 5 mei 2013 te Delden (gemeente Hof van Twente) en/of te Hilversum en/of te Soest en/of (elders) in Nederland en/of in het Koninkrijk België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer (na te noemen) geldbedrag(en):

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verborgen of verhuld; en/of

- verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedrag(en) is/was; en/of

- die geldbedrag(en) voorhanden gehad; en/of

- die geldbedrag(en) verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten dat die geldbedrag(en)
-onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,

te weten:

1. het doen of laten storten, althans het ontvangen, van geldbedrag(en) (in totaal EURO 359.200,- althans enig geldbedrag) op een de rekening met het nummer [rekeningnummer 3] die [naam 2] heeft geopend en heeft aangehouden bij de Coöperatieve Rabobank Schiphol U.A. namens [bedrijf 21] B.V. (handelsnaam van [bedrijf 21] B.V.); en/of

2. het opnemen in contanten van de hiervoor onder 1 bedoelde geldbedrag(en) tot in totaal EURO 354.240,- (althans enig geldbedrag); en/of

3. het doen of laten storten, althans het ontvangen, van geldbedrag(en) (in totaal EURO 241.238,65 althans enig geldbedrag) op een de rekening met het nummer [rekeningnummer 4] die [naam 2] heeft geopend en heeft aangehouden bij de KBC-Bank namens [bedrijf 22] Bvba; en/of

4. het opnemen in contanten van de hiervoor onder 3 bedoelde geldbedrag(en) tot in totaal EURO 241.238,65,- (althans enig geldbedrag);

3.

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2015 te Baarn en/of te Hilversum en/of (elders) in Nederland en/of in de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China en/of in het Koninkrijk Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer (na te noemen) geldbedrag(en):

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verborgen of verhuld; en/of

- verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedrag(en) is/was; en/of

- die geldbedrag(en) voorhanden gehad; en/of

- die geldbedrag(en) verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten dat die geldbedrag(en)
-onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:

1. het doen of laten storten, althans het ontvangen, van geldbedrag(en) (in totaal EURO 221.250,- althans enig geldbedrag) op een de rekening met het nummer [rekeningnummer 5] die op naam van [bedrijf 23] Limited is geopend en is aangehouden bij de HSBC Bank AG te Hong Kong; en/of

2. het doorstorten van de hiervoor onder 1 bedoelde geldbedrag(en), althans (ongeveer) EURO 43.000, althans enig geldbedrag naar een bankrekening van [bedrijf 24] SL, zijnde een door hem, verdachte, gecontroleerde rechtspersoon, en/of naar een bankrekening van [naam 3] , en/of naar een bankrekening van [naam 4] , en/of naar bankrekening(en) van een of meer anderen; en/of

3. het doen van een betaling in contanten, groot EURO 20.000,- aan [naam 5] AG en/of [naam 6] en/of het overboeken van een geldbedrag, groot EURO 30.000,- aan [naam 5] AG en/of [naam 6] ; en/of

4. het in het jaar 2011 declareren bij en ontvangen van [bedrijf 2] B.V. van een geldbedrag, in totaal groot EURO 144.000,-, door [bedrijf 25] B.V., zijnde een door hem, verdachte, gecontroleerde rechtspersoon; en/of

5. het aannemen/ontvangen van een bedrag, groot EURO 215.000,-, in contanten en/of [medeverdachte 6] overboeking per bank en/of [medeverdachte 6] verrekening in rekening courant in het kader van het overdragen van [bedrijf 2] B.V. aan [bedrijf 1] Holding B.V.;

4.

in of omstreeks de periode van 10 augustus 2011 tot en met 1 mei 2013 te Hilversum en/of Almere en/of Waalwijk en/of elders in Nederland en/of in Polen en/of elders in Europa, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en), waaronder [verdacht bedrijf 1] en/of natuurlijke perso(o)n(en) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij (telkens) op een of meerdere tijdstippen in genoemde periode,

a. a) van een of meer geldbedragen, te weten: EUR 226.594.873,92 en/of GBP 20.394.811,14 en/of USD 62.903.921,49 en/of PLN 4.915.831,97 althans enige geldbedragen de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhult wie de rechthebbende is van voornoemd(e) geldbedrag(en) en/of wie voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had, en/of

b) een of meer geldbedragen, te weten: EUR 226.594.873,92 en/of GBP 20.394.811,14 en/of USD 62.903.921,49 en/of PLN 4.915.831,97 althans enige geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

immers hebben verdachte en/of diens medeverdachten, een of meerdere geldbedrag(en), afkomstig en/of op naam van van [bedrijf 26] BV en/of [bedrijf 17] BV (handelsnaam: [bedrijf 4] ) en/of [bedrijf 27] BV en/of [bedrijf 28] BV en/of [bedrijf 29] vof en/of [bedrijf 11] BV en/of [bedrijf 14] BV (handelsnaam: [bedrijf 30] ) en/of [bedrijf 31] BV (handelsnaam: [bedrijf 32] ) en/of [bedrijf 33] BV (handelsnaam: [bedrijf 34] ) en/of [bedrijf 19] BV (handelsnaam: [bedrijf 19] ) en/of [bedrijf 35] BV en/of [bedrijf 36] BV (handelsnaam: [bedrijf 36] ) en/of [bedrijf 37] BV (handelsnaam: [bedrijf 37] ) en/of een of meer andere (rechts)personen, overgemaakt en/of over laten maken naar en/of ontvangen op een van de bankrekening(en) toebehorende aan verdachte, [verdacht bedrijf 1] , en/of van diens (andere) medeverdachte(n), en/of (vervolgens) met deze/dit geldbedrag(en) transacties verricht [medeverdachte 6] een (intern) systeem, welk in beheer en/of onder controle was van verdachte en/of van diens medeverdachte(n), welk systeem erin bestond dat de/het ontvangen geldbedrag(en) konden worden over-/doorgeboekt ten behoeve van een andere partij, waarbij (intern) een administratie van deze transactie(s) werd(en) bijgehouden en/of [medeverdachte 6] een intern boekingssysteem geadministreerd, en/of waardoor als gevolg van het gebruik van dit (intern) betalingsplatform vooromschreven transactie(s) niet traceerbaar/herleidbaar was/waren voor derden en/of waardoor niet meer de herkomst en/of eigenaar en/of rechthebbende en/of vindplaats kon worden vastgesteld van voorbedoelde geldbedrag(en), en/of vervolgens vanaf voornoemde bankrekening(en) en/of betalingsplatform een of meer geldbedrag(en) overgeboekt naar andere (buitenlandse) bankrekeningen en/of (rechts)personen, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaardingen - partiële nietigheid

Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, alsmede met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling staat de vraag centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.

De verdediging heeft allereerst nietigheid bepleit van het bestanddeel ‘één of meer rechtspersonen’ in combinatie met ‘voornoemde rechtspersonen’ betreffende het parketnummer 08/996092-14. De rechtbank stelt vast dat deze combinatie van bestanddelen enkel in de meer subsidiair tenlastegelegde feiten 1 tot en met 4 voorkomt. Onder die feiten wordt verdachte steeds verweten dat hij medeplichtig is geweest aan het door [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ) of [bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ), ‘tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen’ valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie en onjuist indienen van aangiften. Onder de gedachtestreepjes – waar wordt verwezen naar ‘voornoemde rechtspersonen’ – wordt het verwijt verder verfeitelijkt. De rechtbank is van oordeel dat geen onduidelijkheid kan bestaan welke feiten aan verdachte ten laste worden gelegd onder feiten 1 tot en met 4 meer subsidiair. De tenlastelegging is voldoende duidelijk en voldoende bepaald. Verdachte moet in staat worden geacht om zich op basis van de tenlastelegging goed te verdedigen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Onder feiten 1 en 3 in de zaak met parketnummer 08/996092-14, in alle ten laste gelegde varianten, wordt verdachte verweten dat hij betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door ‘een groot aantal’ valse facturen in die administratie op te nemen ‘waaronder onder meer’, waarna met behulp van gedachtestreepjes een gedetailleerde opsomming van specifieke facturen volgt. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is op welke andere facturen dan die in de opsomming staan, wordt gedoeld. Verdachte is daardoor niet in staat om zich tegen dat onderdeel van de tenlastelegging te verdedigen. Het onderdeel van de tenlastelegging ‘een groot aantal….waaronder onder meer’ onder feiten 1 en 3, in alle ten laste gelegde varianten, is dan ook telkens onvoldoende duidelijk en begrijpelijk. De rechtbank verklaart de dagvaarding in zoverre partieel nietig.

Onder feiten 2 en 4 in de zaak met parketnummer 08/996092-14, in alle ten laste gelegde varianten, wordt verdachte verweten dat hij primair als feitelijke leidinggever/opdrachtgever, subsidiair als medepleger, meer subsidiair als medeplichtige, betrokken is geweest bij het onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting, door ‘een groot aantal’, althans één of meerdere aangiften omzetbelasting onjuist of onvolledig te doen, waaronder ‘onder meer’ de in de tenlastelegging genoemde aangiften. De tekst van de tenlastelegging is beperkt tot de aangiften omzetbelasting van respectievelijk [bedrijf 1] (feit 2) en [bedrijf 2] (feit 4) en wel specifiek tot de jaren 2011, 2012 en/of 2013. Gelet op die combinatie van bestanddelen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk en begrijpelijk waartegen verdachte zich kan verdedigen. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt daarom verworpen.

Onder feit 5 in de zaak met parketnummer 08/996092-14 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van de misdrijven - kort weergegeven - valsheid in geschrifte, het onjuist of niet doen van belastingaangiften, het niet voldoen aan fiscale administratieverplichtingen en bedrieglijke bankbreuk. De verdediging heeft bepleit dat de rest van de tenlastelegging betrekking heeft op fraude met omzetbelasting en valsheid in geschrift, dat bedrieglijke bankbreuk niet feitelijk in de tenlastelegging is onderbouwd en dat de vermelding van bedrieglijke bankbreuk bij feit 5 in zoverre niet begrijpelijk is. De rechtbank overweegt dat het afzonderlijk ten laste leggen van bedrieglijke bankbreuk geen vereiste is om dit misdrijf op te nemen als één van de misdrijven waarop de criminele organisatie het oogmerk had. Een verfeitelijking van het verwijt in de tenlastelegging is evenmin vereist. Het gehele dossier heeft betrekking op btw-carrouselfraude, welke verweten fraude niet alleen behelst het niet of onjuist doen van belastingaangiften en het vervalsen van facturen/bedrijfsadministraties, maar ook het telkens laten failleren van zogenoemde ploffers. In het dossier is bovendien duidelijk een aantal aangiften van curatoren wegens bedrieglijke bankbreuk opgenomen, zodat ook daaruit reeds volgt op welke ondernemingen dit verwijt in het bijzonder betrekking heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging op dit punt voldoende duidelijk en bepaald is en dat de verdediging kan weten waartegen zij zich kan verweren.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 08/950462-15 heeft de verdediging gesteld dat na wijziging van de tenlastelegging op 22 januari 2020 de tenlastelegging onder feit 2 voor wat betreft het gedeelte ‘althans enig geldbedrag’ en onder feit 3 sub 2 voor wat betreft de bestanddelen ‘althans (ongeveer)’ voorafgaand aan ‘€ 43.000’ en ‘tezamen en in vereniging met anderen’ en ‘en/of naar bankrekeningen van anderen’ onbegrijpelijk is en daarom partieel nietig dient te worden verklaard.

Ter zitting van 22 januari 2020 heeft de rechtbank de gevorderde wijziging tenlastelegging gemotiveerd toegewezen. Het verweer van de verdediging tegen de wijziging tenlastelegging, dat inhoudelijk gelijkluidend is aan het nietigheidsverweer, is bij de beoordeling van het al dan niet toestaan van de wijziging tenlastelegging reeds meegenomen. De rechtbank overweegt aanvullend dat de tenlastelegging door de toegestane wijziging niet onvoldoende bepaald of onduidelijk is geworden. Verdachte moet in staat worden geacht om zich op basis van de tenlastelegging goed te verdedigen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat voor het overige de dagvaardingen geldig zijn.

3.2

Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

3.2.1

Specialiteitsbeginsel

De verdediging heeft verder bepleit dat het specialiteitsbeginsel is geschonden, omdat voor de feiten 1, 3 en 5 onder het eerste en vijfde gedachtestreepje van de dagvaarding met parketnummer 08/996092-14 niet om overlevering is gevraagd aan Spanje. De verdediging heeft gesteld dat de officieren van justitie daarom ten aanzien van deze feiten niet-ontvankelijk zijn.

De rechtbank overweegt dat het specialiteitsbeginsel is opgenomen in artikel 27 van het Kaderbesluit van de Raad van Europa van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: het Kaderbesluit). Volgens dit beginsel kan een overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.

In haar arrest in de zaken Leymann en Pustovarov van 1 december 2008 (zaak C‑388/08 PPU) heeft het Hof van Justitie onder meer overwogen dat het beginsel van wederzijdse erkenning, dat de basis vormt voor de opzet van het Kaderbesluit, ook impliceert dat de lidstaten in beginsel gehouden zijn gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel. Deze moeten of kunnen de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel slechts weigeren als één van de in de artikelen 3 en 4 van dat Kaderbesluit genoemde respectievelijk absolute of facultatieve weigeringsgronden aan de orde is. In het arrest Leymann en Pustovarov heeft het Hof van Justitie ook overwogen dat het overleveringsverzoek is gebaseerd op de informatie die de stand van het onderzoek op het tijdstip van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel weergeeft. Het is volgens het Hof van Justitie dus mogelijk dat in de loop van de procedure de vastgestelde feiten niet in alle opzichten meer overeenkomen met die welke oorspronkelijk waren omschreven. De verzamelde gegevens kunnen leiden tot een precisering en zelfs een wijziging van de bestanddelen van het strafbare feit die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel aanvankelijk hebben gerechtvaardigd. Verder heeft het Hof van Justitie overwogen dat vereisen dat de uitvoerende lidstaat voor iedere wijziging in de omschrijving van de feiten toestemming verleent, verder zou gaan dan wat het specialiteitsbeginsel verlangt en zou afdoen aan het doel: de in het Kaderbesluit voorziene justitiële samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen.

Het Hof van Justitie oordeelt dat, om te bepalen of het aan de orde zijnde strafbare feit geen 'ander feit' is dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, dient te worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden, tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het Kaderbesluit.

De rechtbank overweegt dat in het Europees aanhoudingsbevel (EAB) (opgenomen als VERD-023-00) ‘deelneming aan een criminele organisatie’, ‘fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen’ en ‘witwassen van opbrengsten en misdrijven’ als lijstfeiten zijn aangevinkt. Daarnaast is als ‘beschrijving van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd’ in het EAB onder meer vermeld:

‘Voornoemde gezochte persoon is een van de verdachten in een grootschalig internationaal strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot btw-carrouselfraude.

De rechtspersonen [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) en [bedrijf 1] BV. hebben vermoedelijk in georganiseerd verband samengewerkt met verschillende andere verdachten om btw-fraude te (kunnen) plegen. [bedrijf 2] en [bedrijf 1] kopen (in ieder geval op papier) hun goederen van steeds verschillende leveranciers. Dit betreffen telkens bedrijven, die voldoen aan de volgende kenmerken:

• ze bestaan slechts sinds korte tijd of handelen pas sinds kort in deze branche;

• ze voldoen niet aan hun administratieve verplichtingen;

• ze bestaan slechts korte tijd;

• de persoon die de onderneming op papier runt is niet degene die daadwerkelijk de touwtjes in handen heeft;

• de ondernemingen beschikken niet over eigen kapitaal;

• achter meerdere leveranciers gaat vermoedelijk één en dezelfde persoon schuil;

• al deze leveranciers kopen in van zogenaamde ploffers.

De goederen die bij [bedrijf 2] en [bedrijf 1] terecht komen zijn afkomstig vanuit de EU, waarbij de ondernemingen die de goederen op papier verwerven vanuit de EU de omzetbelasting niet afdragen aan de Belastingdienst. Deze ondernemingen voeren geen juiste, geen volledige of in zijn geheel geen administratie. Dit zijn de zogenoemde ‘ploffers’. Vervolgens worden een aantal ondernemingen tussen de verschillende ploffers en [bedrijf 2] / [bedrijf 1] geschoven. Deze ondernemingen voegen, zakelijk gezien, niets toe. Dit wordt slechts gedaan om een rechtstreeks verband tussen de ploffers en [bedrijf 2] / [bedrijf 1] te verbergen. Deze ondernemingen fungeren alleen als zogenaamde doorvoerondernemingen welke in de keten van de carrouselfraude ook wel buffers worden genoemd. Op deze manier wordt verhuld dat er sprake is van btw carrouselfraude. De indruk bestaat dat de keten van (op papier) samenwerkende ondernemingen alleen (financieel) kan bestaan door de gepleegde btw carrouselfraude.

Voor het betalingsverkeer wordt vanaf een bepaald moment door deze samenwerkende groep van ondernemingen en personen gebruik gemaakt van betalingsplatforms. Een betalingsplatform heeft de beschikking over buitenlandse bankrekeningen. Over deze bankrekeningen gaat het betalingsverkeer van diverse ondernemingen, waardoor het niet meer inzichtelijk is wat er nu echt is gebeurd met de geldstromen van een onderneming. Op deze wijze wordt verhuld hoe de geldstromen binnen deze ondernemingen lopen.

Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] zijn:

• in de periode van 28 december 2010 tot 15 februari 2011 Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] ;

• in de periode van 15 februari 2011 tot 19 december 2011 [bedrijf 25] BV.;

• in de periode van 19 december 2011 tot 4 juli 2012 Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] ;

• vanaf 4 juli 2012 [bedrijf 1] Holding B.V.

[verdachte] is vanaf 14 november 2011 bestuurder van Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] .

In de periode van 27 december 2010 tot 25 januari 2012 is [bedrijf 38] SA in Luxemburg enig aandeelhouder van [bedrijf 25] BV., in de periode vanaf 25 januari 2012 is dit mevrouw [medeverdachte 2] . Mevrouw [medeverdachte 2] is de echtgenote van [verdachte] . Mevrouw [medeverdachte 2] is vanaf 27 december 2010 bestuurder van [bedrijf 25] BV. [verdachte] is in de periode van 22 juni 2011 tot 1 januari 2012 gevolmachtigde van [bedrijf 25] B.V.

Volgens de gegevens van Linkedln is [verdachte] commercieel directeur van [bedrijf 2] geweest in de periode december2010 tot juni 2012.

[verdachte] is veroordeeld in verband met carrouselfraude, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie in de jaren 90.

Uit verklaringen is naar voren gekomen dat [verdachte] werkte op het adres [adres 1] te Hilversum (het voormalige vestigingsadres van [bedrijf 2] ), dat hij handelt in elektronica en dat alles van bovenaf wordt geregeld door [verdachte] . In een verklaring wordt gesproken over een storting op een bankrekening van € 922.000. Dit betrof foutieve storting die verband hield met ene [verdachte] , die een kroeg of een eethuisje heeft in Hilversum genaamd [café/restaurant] . [café/restaurant] B.V. is een restaurant in Hilversum. Enig aandeelhouder en bestuurder van [café/restaurant] is vanaf 10 september 2013 Stichting Administratiekantoor [café/restaurant] . Vanaf 10 september 2013 is mevrouw [medeverdachte 2] bestuurder van deze stichting. Voor 10 september 2013 was [bedrijf 25] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van [café/restaurant] .

Welke feitelijke handelingen de afzonderlijke verdachten hebben verricht moet nader worden onderzocht.’

In de beschrijving van de omstandigheden in het EAB is zodoende uiteengezet dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] verdacht worden van betrokkenheid bij btw-carrouselfraude. Het feitencomplex ten aanzien van zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] is daarbij duidelijk omschreven. Ook is daarbij reeds aangetekend dat de precieze rol van verdachte nog nader onderzocht moest worden.

Gelet op voorgaande overwegingen van het Hof van Justitie en het doel van het Kaderbesluit is de rechtbank van oordeel dat de bestanddelen van de ten laste gelegde feiten die zijn waarvoor verdachte is overgeleverd en dat de in de tenlastelegging omschreven gedragingen in voldoende mate overeenstemmen en logisch voortvloeien uit de nauwkeurige beschrijving van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd in het EAB. Op basis daarvan mag worden aangenomen dat de rechter in Spanje op de hoogte was van het feitencomplex in deze zaak en dat de goedkeuring van deze rechter ook hierop betrekking heeft. In ieder geval zijn naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 3 en 4 van het Kaderbesluit genoemde weigeringsgronden niet aan de orde.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van schending van het specialiteitsbeginsel. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

3.2.2

Overige beginselen

De verdediging heeft verder bepleit dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vervolging van verdachte wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, het verbod van willekeur en de rechten van verdachte op een fair trial. De verdediging heeft daartoe gesteld dat het wel vervolgen van verdachte als vermoede ontvanger van het geld, maar niet van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] , die de vermoede donateurs van de gelden zijn, voor witwassen, in strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Het is bovendien in strijd met het verbod van willekeur dat [medeverdachte 6] niet wordt vervolgd wegens witwassen van zijn maandelijkse salaris en bonusuitkeringen in 2011, 2012 en 2013.

De rechten van verdachte op een fair trial zijn bovendien zowel in de opsporingsfase als in de vervolgingsfase structureel en diepgaand geschonden, aangezien onder meer de Belastingdienst onderzoek heeft gedaan, terwijl al sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens [bedrijf 2] en verdachte, stukken willens en wetens buiten het dossier zijn gehouden, getuigen à decharge buiten aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord, getuigen op sturende wijze zijn gehoord en medeverdachte [medeverdachte 6] op disproportionele wijze is beloond voor de beschuldiging van verdachte.

De rechtbank overweegt dat vooropgesteld moet worden dat in artikel 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:228).

Van zo’n uitzonderlijk geval kan onder zeer specifieke omstandigheden sprake zijn in geval van schending van het gelijkheidsbeginsel. Vervolging van een verdachte, terwijl een medeverdachte ongemoeid wordt gelaten - zo daarvan al sprake zou zijn -, levert anders dan de verdediging heeft betoogd echter onvoldoende grond op voor de constatering dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Van aanvullende gronden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, is evenmin gebleken.

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet, terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Van een zodanige, aperte onevenredigheid is in het geheel niet gebleken. Het gegeven dat medeverdachte [medeverdachte 6] niet vervolgd is voor witwassen van de door hem ontvangen gelden is in dit kader bezien geen relevante omstandigheid die tot de conclusie zou kunnen leiden dat sprake is van schending van het verbod van willekeur.

De stelling van de verdediging dat de Belastingdienst nog onderzoek heeft gedaan terwijl er al een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte was, vindt geen grondslag in het dossier. Van het moedwillig onthouden van stukken het opzettelijk beperken van de ondervragingsmogelijkheden, het op sturende wijze horen van getuigen of het op disproportionele wijze belonen van medeverdachte [medeverdachte 6] is evenmin gebleken. Van gronden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens een ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten is ook overigens niet gebleken.

De rechtbank verwerpt alle ontvankelijkheidsverweren van de verdediging. De rechtbank stelt vast dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging.

3.3

De overige voorvragen

De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen inzake parketnummer 08/996092-14 1

4.1

Inleiding

Aanleiding onderzoek FIOD

In 2011 – 2012 zijn bij het Coördinatiepunt btw-fraude van de Belastingdienst/FIOD signalen binnengekomen met betrekking tot diverse in Nederland gevestigde rechtspersonen en aan hen gedane intracommunautaire leveringen van goederen als computeronderdelen, Playstations en iPhones. Die signalen hadden onder meer betrekking op de BV’s [bedrijf 39] BV, [bedrijf 10] BV, [bedrijf 17] BV, [bedrijf 13] BV, [bedrijf 11] BV, [bedrijf 14] BV en [bedrijf 33] BV. Na eerste controles werd op 12 december 2012 in het Tri Partite Overleg (TPO) besloten om ten aanzien van genoemde vennootschappen - en de hieraan verbonden natuurlijke personen - een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de gang van zaken rond de in - en verkoop en facturering in relatie tot goederenstromen van elektronica rond genoemde rechtspersonen vanaf 1 januari 2011.2 In een volgend TPO, op 27 maart 2013, werd besloten om verdachten die tijdens het lopende onderzoek nog naar voren zouden komen ook bij het onderzoek te betrekken. De bevindingen hebben bij de Belastingdienst/FIOD geleid tot een vermoeden dat sprake was van btw-carrouselfraude.

Btw-carrouselfraude

De term btw-carrouselfraude wordt gebruikt voor een samenstel van strafbare, frauduleuze, gedragingen waarbij minimaal één bedrijf (een zogenaamde ‘ploffer’) in een handels- en facturenketen geen btw afdraagt aan de fiscus. Dat bedrijf brengt vervolgens wel btw in rekening bij zijn afnemers.

De schakels in de handelsketen na de ploffer - zogenaamde ‘buffers’- vragen de btw terug.
De namen en btw-nummers van bedrijven die als ploffer fungeren worden meestal maar korte tijd gebruikt, waarna de activiteiten worden gestaakt en een nieuwe ploffer de plaats inneemt van de eerdere ploffer. De Belastingdienst kan vervolgens de eerste ploffer niet meer aanspreken op zijn fiscale verplichtingen. Bestuurders van de bedrijven die fungeren als ploffer of buffer zijn slechts formeel leidinggevende en niet feitelijk betrokken bij de ondernemingen; zij zetten de bedrijven en bankrekeningen slechts op naam (‘katvangers’). Eén van de kenmerken van btw-carrouselfraude is dat sprake is van een prijsval: de ploffers factureren goederen aan de bufferbedrijven voor lagere bedragen dan waarvoor die aan de ploffers waren gefactureerd. Over het algemeen werd een structureel verlies geleden van gemiddeld ca. 13%. Deze prijsval kan alleen worden gerealiseerd doordat plofferbedrijven geen btw afdragen. De ‘winst’ die ten gevolge van deze handelwijze ontstaat, wordt over de diverse schakels verdeeld.

Op basis van eerste onderzoek heeft de FIOD de volgende ondernemingen als vermoedelijke ploffers aangemerkt: [bedrijf 39] BV (hierna: [bedrijf 39] ), [bedrijf 10] BV (hierna: [bedrijf 10] ), [bedrijf 17] BV, [bedrijf 13] BV (hierna: [bedrijf 13] BV), [bedrijf 11] BV (hierna: [bedrijf 11] ), [bedrijf 14] BV (hierna: [bedrijf 14] ), [bedrijf 33] BV en [bedrijf 32] BV. De eenmanszaken [bedrijf 12] ( [naam 7] ) en [bedrijf 40] ( [naam 8] ) werden als vermoedelijke buffers aangemerkt.3

[bedrijf 1] en [bedrijf 2]

Tijdens het onderzoek door de FIOD kwamen de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 1] telkens als afnemer naar voren in verschillende handelsketens met vermoedelijke ploffer- en bufferbedrijven.4 De bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 2] waren bij de Kamer van Koophandel omschreven als groothandel in witgoed, audio- en videoapparatuur en elektronische en telecommunicatieapparatuur en onderdelen.5 Uit het onderzoek bleek dat [bedrijf 2] voornamelijk handelde in ‘risicogoederen’ in het kader van btw-carrouselfraude als iPhones, cpu’s, iPads, harde schijven en spelcomputers.6 [bedrijf 1] was een groothandel in computeronderdelen.7 Op basis van de bevindingen rond [bedrijf 2] en [bedrijf 1] heeft de FIOD gerelateerd dat de directeuren/feitelijke leidinggevenden van genoemde bedrijven zich vermoedelijk schuldig maakten aan fraude en dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] vermoedelijk ten onrechte aftrek van voorbelasting hadden geclaimd.8

Betalingsplatforms

De FIOD heeft geconstateerd dat de elektronicagoederen aan het eind van de keten via de eindschakel (een binnenlands bedrijf) veelal werden verhandeld naar een andere lidstaat, waarbij ze regelmatig weer terechtkwamen bij de oorspronkelijke leverancier.

Er bleek sprake te zijn van het gebruik van betalingsplatforms die, zo vermoedde de FIOD, zijn gebruikt om de fraude te kunnen plegen en crimineel verkregen geld - gegenereerd door het niet afdragen van omzetbelasting door de plofferbedrijven - wit te wassen. De bedrijven/betalingsplatforms [verdacht bedrijf 1] Ltd (hierna: [verdacht bedrijf 1] ) en [verdacht bedrijf 2] A.G. (hierna: [verdacht bedrijf 2] ) werden verdacht van betrokkenheid bij de btw-carrouselfraude. De FIOD vermoedde dat inzicht in de wijze waarop de verdeling van dat geld plaatsvond bewust werd gefrustreerd door het betalingsverkeer onoverzichtelijk te maken.9

De betalingsplatforms maakten gebruik van bankrekeningen in het buitenland waarbij over één bankrekening de transacties van meerdere bedrijven plaatsvonden. Van de buitenlandse bankrekening werd een extra (schaduw)administratie bijgehouden die als ‘black box’ functioneerde.10

De rollen van de verdachten

In het onderhavige dossier zijn de bijdragen die de verdachte natuurlijke personen zouden hebben geleverd bij het plegen van btw-carrouselfraude ingedeeld aan de hand van verschillende rollen met daarbij een globale beschrijving van de bijdragen die zouden zijn geleverd.

Deze rollen zijn de volgende.

Katvangers: formele bestuurders en leidinggevenden van de BV’s of eenmanszaken die fungeren als ploffer- en bufferbedrijven, terwijl in werkelijkheid anderen de zeggenschap hebben over die ondernemingen en/of aan die ondernemingen feitelijk leiding geven.

Systeembouwer: een ‘systeembouwer’ levert bedrijven aan die als ploffer en/of buffer kunnen worden gebruikt voor de btw-carrouselfraude. De systeembouwer zorgt tevens voor een snelle vervanging van een niet meer bruikbare onderneming en voor aansturing van katvangers.

Coördinator van goederen- en facturenstromen: deze persoon speelt een actieve rol in de coördinatie van goederen- en factuurstromen en betalingen en/of is aanspreekpunt voor logistieke dienstverleners.

Beheerder van betalingsplatforms: een beheerder van betalingsplatforms stuurt ondernemingen, betalingsplatforms en het betalingsverkeer aan.

4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 tot en met 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Daartoe hebben zij gesteld dat verdachte jaren geleden met het bedrijf [bedrijf 41] betrokken is geweest bij een btw-carrouselfraude, hetgeen op 23 februari 1999 heeft geleid tot een veroordeling. Verdachte is vanaf de start van de tenlastegelegde periode aan te merken als feitelijke leidinggevende bij [bedrijf 2] , welk bedrijf hij eerst op naam van een katvanger heeft gezet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat men binnen [bedrijf 2] wist dat er sprake was van btw-carrouselfraude en blijkt meer in het bijzonder ook de rol van verdachte en zijn wetenschap van en betrokkenheid bij de fraude. Niet alleen is verdachte op de hoogte van de goederenstromen van [bedrijf 2] , maar ook van de goederenstromen waarbij [bedrijf 1] betrokken is. Het is verdachte die bepaalt aan welke ploffers wordt geleverd, voordat de goederen, via buffers, terechtkomen bij [bedrijf 2] en door verdachte vindt overleg plaats op naam van welke ploffer goederen gefactureerd worden, die door [bedrijf 1] worden afgenomen. Tevens is verdachte op de hoogte van de geldstromen (via betalingsplatforms) en bemoeit zich daar ook mee. Ook nadat verdachte geen bestuurder meer is van [bedrijf 2] mengt hij zich nog steeds in de btw-carrouselfraude en geeft hij daar sturing aan. Ten aanzien van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] kan wettig en overtuigend worden bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrifte en dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de fraude die is gepleegd door zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] , zoals onder 1, 2, 3 en 4 primair aan verdachte is ten laste gelegd. Nu de sturing van de keten in handen lag van verdachte kan ook de onder 5 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] alsmede de katvangers verdachte niet in verband brengen met de ten laste gelegde feiten. Bij de FIOD heeft [medeverdachte 6] een belastende verklaring afgelegd, die als enige een abstract rechtstreeks verband legt tussen de tenlastelegging en verdachte, maar dat heeft [medeverdachte 6] gedaan om zijn eigen rol te marginaliseren. Daarbij is hij op het spoor gezet en geholpen door de FIOD. [medeverdachte 6] heeft bij de rechter-commissaris gebruik gemaakt van zijn verschoningsrecht en gelet op voornoemde omstandigheden kan zijn tegenover de FIOD afgelegde belastende verklaring om die reden niet voor het bewijs worden gebruikt.

Ten aanzien van de in het dossier aanwezige skypegesprekken heeft de verdediging gesteld dat er concrete aanwijzingen zijn dat verdachte niet de (enige) gebruiker is geweest van het skype-account ‘ [bedrijf 41] ’. De conclusies van de FIOD zijn bovendien gebaseerd op onbetrouwbare uitdraaien uit de ‘unallocated space’. De conclusie van de FIOD dat verdachte ook de gebruiker was van het skype-account ‘ [alias 1] ’ is gebaseerd op onbetrouwbare verklaringen van medeverdachten, waarbij de bron van wetenschap ontbreekt of waarvan de gestelde bron zelf zegt dat het niet klopt. Bovendien heeft geen van deze personen geskypet met het account ‘ [alias 1] ’. De verklaring van getuige [getuige] hieromtrent dient volgens de verdediging van het bewijs te worden uitgesloten, omdat de verdediging door het overlijden van [getuige] niet in de gelegenheid is geweest om hem te horen.

De verdediging heeft geconcludeerd dat het dossier en de skypegesprekken erop wijzen dat medeverdachte [medeverdachte 6] het allemaal zelf deed, zonder aansturing van verdachte.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Ten aanzien van feit 1 en 2

De rechtbank overweegt dat voor bewezenverklaring van deze feiten onder meer is vereist dat verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie en het onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1] , op zijn minst als medeplichtige in de zin van artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 2] , het bedrijf van verdachte, op 4 juli 2012 is overgenomen door [bedrijf 1] Holding BV (hierna [bedrijf 1] Holding). [bedrijf 1] Holding is enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte een functie heeft vervuld binnen [bedrijf 1] en er is ook geen bewijs op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij het opmaken van de bedrijfsadministratie of het doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1] . Ook de omstandigheden dat door verdachte handel via [bedrijf 1] zou zijn geleid en dat hij zich actief zou hebben gemengd in de btw-carrouselfraude brengen niet met zich dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken van de bedrijfsadministratie of het doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1] . Dat verdachte na de overname van [bedrijf 2] door [bedrijf 1] Holding inzicht in de administratie van [bedrijf 2] heeft gehouden totdat de earn-outregeling, ter betaling van de koopprijs voor de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] , was voldaan, maakt dat ook niet anders. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van deze feiten.

4.4.2

Ten aanzien van feit 3 en 4

[bedrijf 2]

is op 19 januari 2010 opgericht.11 De activiteiten bestaan uit groothandel in witgoed, audio- en videoapparatuur en telecommunicatieapparatuur en bijbehorende onderdelen; import en export van witgoed, groene energie.

Uit het dossier blijkt het volgende.12Tot 28 december 2010 was [medeverdachte 6] bestuurder/aandeelhouder van [bedrijf 2] , door [medeverdachte 6] van [bedrijf 43] Holding BV. Van 28 december 2010 tot en met 15 februari 2011 was [naam 9] bestuurder van [bedrijf 2] , door [medeverdachte 6] van Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] (hierna: STAK [bedrijf 2] ).
Van 15 februari 2011 tot en met 19 december 2011 was [medeverdachte 2] , de partner van verdachte, bestuurder/aandeelhouder van [bedrijf 2] , door [medeverdachte 6] van [bedrijf 25] BV (hierna [bedrijf 25] ). Vervolgens was verdachte van 19 december 2011 tot en met 4 juli 2012 bestuurder/aandeelhouder van [bedrijf 2] , door [medeverdachte 6] van STAK [bedrijf 2] .

Uit de verklaring van verdachte ter zitting van 22 januari 2020 blijkt dat hij [bedrijf 2] van [medeverdachte 6] heeft overgenomen, ‘eerst via een stichting administratiekantoor’.13 [naam 9] heeft verklaard dat hij niets met [bedrijf 2] te maken had en op verzoek van verdachte via een stichting administratiekantoor bestuurder van [bedrijf 2] is geworden.14 Dat wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 6] , die heeft verklaard dat [naam 9] ertussen is gekomen op verzoek van [verdachte] .15 [naam 9] werd eerst bestuurder, zodat verdachte zeker wist dat er geen spreekwoordelijke lijken uit de kast kwamen.16 Vanaf de overname door [naam 9] deed [bedrijf 42] BV (hierna: [bedrijf 42] ), eveneens een bedrijf van verdachte1718 dat net als [bedrijf 2] ook was gevestigd in het kantoor aan de [adres 1] te Hilversum, de administratie voor onder meer [bedrijf 2] .

[medeverdachte 6] heeft ook verklaard dat toen [medeverdachte 2] middellijk bestuurder was van [bedrijf 2] , de leiding van [bedrijf 2] bij verdachte lag.19 Hierover heeft [naam 9] verklaard: ‘[medeverdachte 2] had eigenlijk dezelfde functie als ik op papier. Nogmaals [verdachte] was de man die het voor het zeggen had. Hij bepaalde alles en had de regie binnen [bedrijf 2] en niemand anders.’20

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat [bedrijf 2] vanaf de overname van [bedrijf 43] Holding BV op 28 december 2010 tot en met 4 juli 2012 (toen [bedrijf 2] werd overgedragen aan [bedrijf 1] Holding21) feitelijk van verdachte is geweest.

Rol verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6]

was sinds 2011 (de enige) werknemer van [bedrijf 2] .22 Facturen ten behoeve van [bedrijf 2] werden aan [medeverdachte 6] gericht.23 Tijdens het onderzoek van de FIOD kwam [medeverdachte 6] als aanspreekpunt van [bedrijf 2] naar voren.

- Verklaringen getuigen en (mede)verdachten

Over de rol van verdachte en [medeverdachte 6] binnen [bedrijf 2] (voorafgaand aan de overname door [bedrijf 1] Holding) hebben diverse getuigen verklaard. Zo heeft [naam 10] , administratief medewerker bij [bedrijf 42] , verklaard dat [medeverdachte 6] zich bezig hield met de handel van [bedrijf 2] , de betalingen en de vrijgave van de goederen. [naam 10] moest de orderbevestigingen, de facturatie en de btw-checks doen en had over [bedrijf 2] vrijwel altijd overleg met [medeverdachte 6] , meestal via de e-mail. [naam 10] verzond de pro forma facturen naar de leverancier of de afnemer en als [medeverdachte 6] liet weten dat betaald was, kon definitief gefactureerd kon worden.24 Goederen werden bijna altijd meteen doorverkocht.25 Namen van nieuwe leveranciers en alle stukken kreeg hij van [medeverdachte 6] aangeleverd.26 [verdachte] deed alle betalingen van [bedrijf 2] en hij was degene aan wie [naam 10] verantwoording verschuldigd was. Maar als er iets niet klopte, moest [naam 10] naar [medeverdachte 6] . De concept-belastingaangiften gingen naar [verdachte] , hij gaf het akkoord.

[naam 11] , administratief medewerker bij [bedrijf 42] en schoonvader van verdachte27, heeft verklaard dat verdachte iedereen aanstuurde.28 [bedrijf 2] was van verdachte en [medeverdachte 6] werkte ook voor [bedrijf 2] . Zowel verdachte als [medeverdachte 6] hield zich bezig met de in- en verkopen van [bedrijf 2] . Verdachte deed alle betalingen van de bedrijven waaronder die van [bedrijf 2] .29 [medeverdachte 6] deed eerst geen betalingen van [bedrijf 2] . Bij [bedrijf 2] werd alles meteen verkocht. [naam 11] zag in de boekhouding regelmatig dat de verkoop al was gerealiseerd nog voordat de inkoop was gedaan. Op een gegeven moment was dat binnen [bedrijf 2] gebruikelijk. 30

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij bedrijven kreeg aangeleverd via verdachte of dat deze bedrijven zich spontaan meldden via de mail. [naam 9] was voor de overname op papier de directeur, maar feitelijk was [verdachte] bepalend.31 [medeverdachte 6] viel na de overname door [verdachte] onder zijn verantwoordelijkheid. [medeverdachte 6] mocht vrij onderhandelen met bedrijven aan de inkoopkant en de verkoopkant, maar hij moest hierover wel overleggen met verdachte.32 Verdachte kwam onder andere met het bedrijf [bedrijf 6] / [bedrijf 5] en zei dat met dat bedrijf zaken moesten worden gedaan. [medeverdachte 6] heeft toen de heer [naam 12] van [bedrijf 6] ontmoet en verdachte was daarbij.33 Vervolgens kwamen er meer bedrijven die zich uit zichzelf aanmeldden, dan wel via verdachte. Als [medeverdachte 6] het dan kon regelen, gingen de transacties door. Als zich een nieuw bedrijf aanmeldde, overlegde [medeverdachte 6] met verdachte. Als verdachte vervolgens zei dat zaken zouden worden gedaan, zoals bijvoorbeeld met [bedrijf 12] , dan gebeurde dat.34

Soms had [medeverdachte 6] wel vraagtekens bij een klant, zoals bij de heer [naam 13] van [bedrijf 44] BV.35 [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij weliswaar voor [bedrijf 2] werkzaam was, maar dat hij niet de feitelijke leidinggever was; hij deed slechts wat hem werd opgedragen door verdachte.36


De rechtbank is ten aanzien van de door [medeverdachte 6] , ten overstaan van de FIOD afgelegde, voor verdachte belastende verklaring van oordeel dat deze voor het bewijs kan worden gebezigd, nu deze verklaring voldoende concreet is, niet is komen vast te staan dat deze in strijd met de waarheid is en bovendien niet op zichzelf staat, maar op meerdere onderdelen steun vindt in overige bewijsmiddelen, zoals hiervoor en hierna in dit vonnis weergegeven. Daarbij heeft de rechtbank onder 3.2.2 reeds overwogen dat niet is gebleken van het op sturende wijze horen van getuigen, dan wel het op disproportionele wijze belonen van [medeverdachte 6] voor de beschuldiging van verdachte, zodat hierin ook geen reden is gelegen voor bewijsuitsluiting van de verklaring van [medeverdachte 6] .

- USB-stick met Excel-bestand

Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 6] is op een usb-stick het bestand ‘Werkmap.xlsx’ aangetroffen,37 dat op 1 maart 2012 door [medeverdachte 6] is aangemaakt.38 In dit Excel-bestand staan goederenstromen uitgewerkt waarbij ploffers [bedrijf 11]394041 en [bedrijf 29] 42 betrokken zijn geweest, waarbij [bedrijf 2] telkens als laatst genoemde partij de afnemer was, met een inkoopprijs van de goederen van ongeveer 86 tot 88% van de prijs waarvoor ze door de ploffer werden ingekocht.43 De prijzen in het overzicht komen nagenoeg volledig overeen met de aangetroffen facturen.44

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij het Excel-bestand heeft gemaakt. Hij heeft verder verklaard: ‘Dat was op verzoek van [verdachte] bijgehouden om de gegevens en prijzen een week in de gaten te houden. De afgekorte namen op dit bestand zijn skypenamen van de ondernemingen of personen die goederen aanboden. Mijn ingeving was dat het nooit goed kon zijn dat ik deze gegevens en prijzen in de gaten moest houden. U vraagt mij hoe ik bij de namen en prijzen kom. Ik kreeg de gegevens in die volgorde via skype. In een kort tijdsbestek kreeg ik deze aanbiedingen en prijzen, bijvoorbeeld de bovenste regel, op 1 maart 600 stuks ps 320 GB van Venus 1 €220, BC € 187,50 en JG € 189,50. Ik heb deze gegevens aan [verdachte] voorgelegd. Daar was voor mij de kous mee af omdat ik geen bedrijfsmatige zaken deed.’45

Verdachte heeft verklaard dat hij het Excel-bestand niet kent en dat [medeverdachte 6] op zijn verzoek een ander document heeft bijgehouden. Verdachte heeft echter niet nader verklaard over dit door hem genoemde andere document, welk document ook niet in het dossier is aangetroffen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook ongeloofwaardig. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de specifieke verklaring van [medeverdachte 6] op dit punt.

- Skypegesprekken [bedrijf 41]

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn een laptop Apple Macbook Pro (MMMM-12) en een Compaq-laptop (MMMM-26) aangetroffen en in beslag genomen46, laptops waarop een grote hoeveelheid aan data van skypegesprekken is aangetroffen. Eén van de op deze laptops aangetroffen gebruikersnamen was ‘ [bedrijf 41] ’. Verdachte heeft gesteld dat hij niet de enige is die gebruik heeft gemaakt van het skype-account ‘ [bedrijf 41] ’. Verdachte heeft niet verklaard wie anders dan hij aan de betreffende gesprekken zou hebben deelgenomen onder de gebruikersnaam ‘ [bedrijf 41] ’.

De rechtbank is op grond van het hiernavolgende van oordeel dat het verdachte is geweest die skypegesprekken onder de skypenaam ‘ [bedrijf 41] ’ heeft gevoerd.

De rechtbank stelt voorop dat de skypenaam ‘ [bedrijf 41] ’ op naam van verdachte was geregistreerd.47 Op de Apple Macbook Pro, waar de skypegegevens zijn aangetroffen, is alleen ‘ [verdachte] ’ als user geregistreerd.48 Verdachte heeft ook erkend dat hij de laptops (in Spanje) heeft gebruikt.49 Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte op 29 september 2011 skypebeltegoed heeft gekocht voor het account ‘ [bedrijf 41] ’,50 hetgeen hij zelf ook heeft erkend.51 Ook heeft [getuige] de gebruiker van ‘ [bedrijf 41] ’ in gesprekken aangesproken met ‘ [verdachte] ’ (de voornaam van verdachte) en sluit ‘ [bedrijf 41] ’ een bericht naar [getuige] af met ‘Gr. [verdachte] ’.52 Uit de skypegesprekken blijkt verder dat geen van de andere contactpersonen met wie ‘ [bedrijf 41] ’ contact heeft aan ‘ [bedrijf 41] ’ vraagt wie op dat moment gebruik maakt van het account, hetgeen wel voor de hand zou liggen als een account door meerdere personen gebruikt zou worden. Uit het skypeverkeer valt af te leiden dat voor alle deelnemers aan de gesprekken volstrekt duidelijk is met wie wordt gecommuniceerd. Ook voor het overige is er geen enkele aanwijzing dat het account ‘ [bedrijf 41] ’ (ook) door anderen wordt gebruikt, dan wel als communicatieplatform wordt gebruikt zoals door de verdediging is betoogd. Gelet daarop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte (steeds) gebruik heeft gemaakt van het account ‘ [bedrijf 41] ’.

Uit skypegesprekken, en de daarbij behorende administratie, blijkt dat ‘ [bedrijf 41] ’ bemoeienis heeft met facturen- en goederenstromen tussen leveranciers en ploffers en uiteindelijk [bedrijf 2] .

Zo is het volgende skypebericht van ‘parts-trader’ naar ‘ [bedrijf 41] ’ aangetroffen:

- ‘ ‘[bedrijf 45] : currently we can offer you only Seagate HDD you requested.

1k ST31000524AS x 40,90 EUR landed NL53

- ‘ ‘[naam 14] : Ok 40,70 EUR we can do for 1k St3100524AS.

Pls send us your warehouse details. As per your tel request, we can do max cash on delivery.54

- ‘ ‘ [naam 14] :500 pcs st3500dm002 29,50 EUR

500 pcs st 3500413 as 29,50 EUR

200 pcs st3200d1003 55,90 EUR

Landed.’ 55

[bedrijf 45] Distribution GmbH heeft op 27 september 2011 (met vermelding ‘reference: e-mail 26 september 2011’) 2200 Seagates Barracuda als volgt gefactureerd aan [bedrijf 17] BV:56

  • -

    1000 stuks Seagate Barracuda ST31000524AS voor € 40,70 per stuk;

  • -

    500 stuks Seagate Barracuda ST3500413AS voor € 29,50 per stuk;

  • -

    500 stuks Seagate Barracuda ST500DM002 voor € 29,50 per stuk;

  • -

    200 stuks Seagate Barracuda ST2000DL003 voor € 55,90 per stuk.

Over het verdere verloop van deze goederenstroom blijkt het volgende uit het dossier:

  • -

    Er is geen factuur aangetroffen van [bedrijf 17] BV aan [bedrijf 6] BV;

  • -

    [bedrijf 6] BV factureert dezelfde aantallen harddisks met precies dezelfde omschrijvingen op 26 57 en 28 58 september 2011 aan [bedrijf 2] , voor respectievelijk € 35,20, € 26,--,
    € 26,-- en € 48,20 per stuk. De rechtbank constateert dat [bedrijf 2] de goederen verkrijgt onder de prijs waarvoor [bedrijf 17] BV ze heeft ingekocht: kennelijk heeft er bij de verkoop door [bedrijf 17] BV en/of [bedrijf 6] BV een prijsval plaatsgevonden.

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 17] BV als ploffer kan worden aangemerkt.59 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw en werd vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland, waarbij btw in rekening werd gebracht. Deze in rekening gebrachte btw is door [bedrijf 17] BV echter niet afgedragen aan de Belastingdienst.6061 Verder blijkt uit het dossier dat [bedrijf 6] BV van juli 2011 tot en met november 2011 als buffer van [bedrijf 17] BV heeft gefungeerd.62 Ook blijkt dat [bedrijf 6] BV van maart 2011 tot en met januari 2012 als leverancier van [bedrijf 2] heeft gefungeerd.63

De rechtbank constateert dat de in de skypegesprekken tussen ‘parts-trader’ en ‘ [bedrijf 41] ’ (verdachte) genoemde prijzen en aantallen identiek zijn aan de prijzen waarvoor de harddisks door [bedrijf 45] Distribution GmbH aan [bedrijf 17] BV worden gefactureerd. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte betrokken was bij de ‘verkoop’ van de buitenlandse leverancier [bedrijf 45] Distribution GmbH aan ploffer [bedrijf 17] BV, om vervolgens na tussenschuiven van een buffer, diezelfde goederen voor een veel lagere prijs in te kopen.

Feit 3

Onder feit 3 primair wordt verdachte verweten dat hij samen met één of meer anderen feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] , samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door valse facturen in die administratie op te nemen. De rechtbank bespreekt hierna eerst afzonderlijk de in de tenlastelegging genoemde facturen.

Verkoopfactuur van [bedrijf 5] BV van 5 april 2011 64

Niet betwist is dat de factuur van [bedrijf 5] BV (hierna: [bedrijf 5] ) aan [bedrijf 2] van 5 april 2011 (factuurnummer 2011-0138) in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] is verwerkt.

De goederen- en factuurstroom die hoort bij deze factuur wordt hierna in kaart gebracht.

Uit skypegesprekken blijkt dat [medeverdachte 6] , onder de skypenaam [alias 2] (display name [bedrijf 2] BV) skypet met [naam 15] , de directeur van [bedrijf 46] GmbH (hierna: [bedrijf 46] )65 en daarbij zelf, rechtstreeks, zaken deed met [bedrijf 46] .66 Op 8 april 2011 heeft [medeverdachte 6] met [naam 15] geskypet over een partij van 600 stuks Sony PS3 160GB.67 [medeverdachte 6] vraagt in dat gesprek of de 600 stuks er al zijn, waarop [naam 15] antwoordt dat die, voor zover hij weet, gisteren al zijn geleverd.

In het dossier van logistiek dienstverlener [bedrijf 8] BV (hierna: [bedrijf 8] ) werd met betrekking tot deze partij goederen in eerste instantie gesproken over 600 stuks PS3 160GB. Uit de met het gesprek samenhangende administratieve gegevens en facturen, die onder [bedrijf 8] en bedrijven als [bedrijf 46] , [bedrijf 5] en [bedrijf 3] in beslag zijn genomen blijkt dat het aantal van de partij, nadat deze was opgeslagen bij [bedrijf 8] , naar beneden werd bijgesteld van 600 naar 599.68

In de administratie van [bedrijf 8] (dossiernummer 2011040443) werd een transactie aangetroffen met betrekking tot 599 stuks Sony PS3 160GB.69 Uit de gegevens is gebleken dat 599 stuks Sony PS3 geleverd werden door [bedrijf 47] SpA, aan respectievelijk [bedrijf 46] , [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ), [bedrijf 5] , [bedrijf 2] , [bedrijf 48] en [bedrijf 49]70 en op 7 april 2011 richting Nederland werden geleverd.

Uit de bij de hiervoor genoemde ondernemingen in beslag genomen administratie is gebleken dat:

- [bedrijf 47] SpA 599 Sony PS3 160GB heeft gefactureerd aan [bedrijf 46] voor € 136.572,-- (zonder btw); € 228,-- per stuk;71

- [bedrijf 46] 599 stuks Sony PS3 160GB heeft gefactureerd aan [bedrijf 3] BV voor
€ 138.968,-- (zonder btw), dus € 232,-- per stuk;72

- [bedrijf 3] BV op 5 april 2011 599 stuks Sony PS3 160GB aan [bedrijf 5] heeft gefactureerd voor € 144.344,03 inclusief btw, dus € 202,50 per stuk73.

[bedrijf 3] heeft de goederen dus voor € 232,-- ingekocht en voor € 202,50 per stuk verkocht. De verkoopprijs bedroeg daarmee 87,28% van de inkoopprijs. Deze prijsval is als onzakelijk aan te merken. Het bedrijf [bedrijf 3] BV heeft in de keten als ploffer gefungeerd en [bedrijf 5] als buffer.74

Volgens de factuur van [bedrijf 5] aan [bedrijf 2] van 5 april 2011 (factuurnummer 2011-0138), heeft [bedrijf 5] 600 stuks Sony PS3 160GB aan [bedrijf 2] verkocht voor € 146.013,50 inclusief btw75, dus € 204,50 per stuk. Uit de creditfactuur van [bedrijf 5] gericht aan [bedrijf 2] volgt dat het aantal van 600 naar 599 is bijgesteld.

In de administratie van [bedrijf 2] werd tevens een verkoopfactuur aangetroffen van 12 april 2011, gericht aan [bedrijf 48] Interactive, voor € 150.046,51, waarop staat vermeld dat [bedrijf 2] een partij van 599 stuks Sony PS3 160GB aan [bedrijf 48] Interactive heeft verkocht voor € 210,50 per stuk.76

Verkoopfactuur van [bedrijf 6] BV van 7 oktober 2011 77

Niet betwist is dat de factuur van [bedrijf 6] BV aan [bedrijf 2] van 7 oktober 2011 (factuurnummer 2011-348) in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] is verwerkt.

Uit de skypegesprekken blijkt verder dat [medeverdachte 6] (met de skypenaam [alias 2] ) op 10 oktober 2011 heeft geskypet met [naam 15] van [bedrijf 46] over een partij 498 stuks Sony PS3.78 Uit dat gesprek blijkt dat [medeverdachte 6] vraagt of de prijs inderdaad 210 euro per stuk is.79

Uit onderzoek op basis van de administratie van [bedrijf 8] en de met deze stroom samenhangende verkoopfacturen bleek als volgt.80

Bij [bedrijf 8] (dossiernummer 2011101111) zijn transactiegegevens aangetroffen met betrekking tot 498 stuks Sony PS3 320GB. Daaruit bleek dat 498 stuks Sony PS3 door [bedrijf 47] werden doorgeleverd aan respectievelijk de bedrijven [bedrijf 46] , [bedrijf 17] BV ( [bedrijf 4] ), [bedrijf 6] BV, [bedrijf 2] , [bedrijf 48] en [bedrijf 50] , waarbij de release voor de laatste vijf bedrijven plaatsvond op één en dezelfde dag, 13 oktober 2011.

Uit de bij de hiervoor genoemde ondernemingen in beslag genomen administratie is gebleken dat:

- [bedrijf 46] op 4 oktober 2011 498 stuks Sony PS3 320GB heeft gefactureerd aan [bedrijf 17] BV ( [bedrijf 4] ) voor € 104.580,-- exclusief btw, dus voor
€ 210,-- per stuk, zijnde de prijs die [medeverdachte 6] noemt in het skypegesprek met [naam 15] van [bedrijf 46] ;81

  • -

    de factuur van [bedrijf 17] BV aan [bedrijf 6] BV niet is aangetroffen;

  • -

    [bedrijf 6] BV op 7 oktober 2011 de partij van 498 stuks Sony PS3 320GB aan [bedrijf 2] heeft gefactureerd voor € 109.338,39 inclusief btw, dus voor € 184,50 per stuk. Daarmee is sprake van een prijsval en onzakelijk handelen.8283

In de administratie van [bedrijf 2] werd voorts een verkoopfactuur van [bedrijf 2] gericht aan [bedrijf 48] aangetroffen van 13 oktober 2011, met als factuurbedrag € 112.005,18.84 [bedrijf 2] heeft daarmee de partij van 498 stuks aan [bedrijf 48] gefactureerd voor € 189,-- per stuk.

Factuur [bedrijf 6] BV van 24 november 2011

In de administratie van [bedrijf 2] is een factuur van [bedrijf 6] BV aan [bedrijf 2] van 24 november 2011 ter zake 2.567 stuks Sony PS3 320GB aangetroffen.85

De goederen- en factuurstroom die hoort bij deze factuur wordt hierna in kaart gebracht.

Uit skypegesprekken blijkt dat [medeverdachte 6] namens [bedrijf 2] rechtstreeks zaken heeft gedaan met [naam 16] , directeur van [bedrijf 51] met betrekking tot een partij van 2.567 stuks Sony PS3.86 Ook medeverdachte [medeverdachte 3] was nauw bij deze transactie betrokken. [naam 16] en [medeverdachte 3] (skypenaam: [alias 3] ) hebben geskypet over de verkoop van de partij, waarbij [naam 16] als prijs € 215,-- per stuk heeft genoemd. [medeverdachte 3] heeft tijdens het skypen [naam 16] in contact met [medeverdachte 6] van [bedrijf 2] (‘User 2’) gebracht. Op basis van de inhoud van het gesprek is duidelijk dat de gebruiker van de skypenaam “User 2” [medeverdachte 6] is.87 In het bijzonder is daarbij de opmerking van ‘User 2’ ‘i work for [bedrijf 2] ’ relevant. [medeverdachte 6] is in gegaan op het bod en [naam 16] en [medeverdachte 6] hebben gesproken over levering bij [bedrijf 8] . Na de overeenstemming tussen [naam 16] en [medeverdachte 6] kwam [medeverdachte 3] weer ‘op de lijn’ en deelde aan [naam 16] mee dat een klant, [bedrijf 52] in Dublin, de goederen zal kopen en ze dan zal doorverkopen aan [medeverdachte 6] . [naam 16] is hier zonder nadere vragen in mee gegaan, evenals [medeverdachte 6] , terwijl normaal gesproken een tussenschakel een prijsverhogend effect heeft.

In de administratie van [bedrijf 8] werd een transactie aangetroffen met betrekking tot de 2.567 stuks Sony PS3 320GB (dossiernummer 2011111334).88 Uit de gegevens bleek dat 2.567 stuks Sony PS3 door [bedrijf 51] werden geleverd aan [bedrijf 52] (Ierland); vervolgens werden de goederen geleverd aan [bedrijf 13] BV, [bedrijf 6] BV en [bedrijf 2] . Uit gegevens van [bedrijf 8] (met dossiernummer 20111113340) bleek tevens dat de 2.567 stuks Sony PS3 na [bedrijf 2] in vier partijen naar een drietal afnemers zijn gegaan, te weten: [bedrijf 48] (1.000 stuks), [bedrijf 53] (1.100 stuks, verdeeld over twee partijen van 500 en 600 stuks) en [bedrijf 54] (467 stuks) waarbij de releasedatum steeds is 5 december 2011.89

In de administratie van [bedrijf 8] is voorts een transactie aangetroffen inzake 1.000 stuks Sony PS3 320GB, die door [bedrijf 48] geleverd zijn aan [bedrijf 49] .90 [bedrijf 49] verkocht deze partij aan [bedrijf 50] (UK). De goederen zijn naar een warehouse in Duitsland gegaan.

Tevens werd in de administratie van [bedrijf 8] een transactie aangetroffen met betrekking tot 500 stuks van de partij Sony PS3 320GB91 die door [bedrijf 53] geleverd werden aan [bedrijf 55] in Luxemburg. Deze goederen zijn naar een warehouse in Luxemburg gegaan. In de administratie van [bedrijf 8] werd ook een transactie aangetroffen inzake 600 stuks Sony PS3 320GB92 die in opdracht van [bedrijf 53] naar een warehouse in Tsjechië zijn gegaan en een transactie inzake 467 stuks Sony PS3 320GB93 die (samen met een tweetal andere partijen, respectievelijk 500 en 491 stuks) door [bedrijf 54] geleverd werden aan [bedrijf 56] . Deze goederen zijn naar een warehouse in Italië gegaan.

Opmerkelijk is dat terwijl [bedrijf 51] de partij van 2.567 stuks Sony PS3 320GB op 5 december 2011 vrijgaf aan [bedrijf 52] , [bedrijf 52] de goederen al op 24 november 2011 aan [bedrijf 13] BV heeft vrijgegeven. De daarop volgende releases van respectievelijk [bedrijf 13] BV en [bedrijf 6] BV hebben weer op 5 december 2011 plaatsgevonden.

Uit de administratie van [bedrijf 8] bleek dat [bedrijf 49] 1.000 stuks PS3 naar Duitsland liet vervoeren op 28 november 2011, dat [bedrijf 53] BV 500 stuks PS3 op 25 november 2011 naar Luxemburg liet vervoeren, dat [bedrijf 53] BV 600 stuks PS3 naar Tsjechië liet vervoeren op 29 november 2011 en dat [bedrijf 54] op 30 november 2011 een partij van 467 stuks PS3 naar Italië liet vervoeren. Hieruit blijkt dat alle 2.567 stuks Sony PS3 320GB het magazijn van [bedrijf 8] al hebben verlaten ruim voordat de eigenaar [bedrijf 51] aan [bedrijf 8] opdracht gaf om de goederen vrij te geven aan [bedrijf 52] (op 5 december 2011).

Ten aanzien van de facturen en prijzen geldt het volgende:

- [bedrijf 51] heeft in het skypegesprek de prijs op € 215,-- per stuk bepaald, zodat de prijs voor 2.567 stuks € 551.905,-- exclusief btw (2.567 x € 215,--) moet zijn geweest. Uit skypegesprekken tussen de medewerkers van het betalingsplatform [verdacht bedrijf 1] bleek ook dat [bedrijf 52] via [verdacht bedrijf 1] in totaal € 551.905,-- (€ 114.625,-- en € 437.280,--) aan [bedrijf 51] heeft betaald;94

  • -

    er is geen verkoopfactuur van [bedrijf 52] aan [bedrijf 13] BV aangetroffen;

  • -

    er is geen verkoopfactuur van [bedrijf 13] BV aan [bedrijf 6] BV aangetroffen. Uit mutaties op de ING-rekening [rekeningnummer 6] op naam van [bedrijf 6] BV blijkt echter dat, direct na betaling door [bedrijf 2] , vanuit [bedrijf 6] twee betalingen op een buitenlandse bankrekening zijn gedaan met als omschrijving ‘ [verdacht bedrijf 1] Factoring Ltd’, te weten op 25 november 2011 een bedrag van € 115.000,-- en op 30 november 2011 een bedrag van € 453.179,78.95 Hieruit valt af te leiden dat [bedrijf 13] BV de goederen aan [bedrijf 6] BV heeft gefactureerd voor € 186,-- per stuk ((€ 568.179,78 /119 x100) /2.567 = 186,--), dat wil zeggen 86,52% van de verkoopprijs van [bedrijf 51] (€ 215,--). Er heeft dus een onzakelijke prijsval plaatsgevonden.

In de administratie van [bedrijf 2] is een verkoopfactuur van 24 november 2011 aangetroffen, van [bedrijf 6] BV aan [bedrijf 2] , betreffende de verkoop van 2.567 stuks Sony PS3 320GB.96 Op die factuur (factuurnummer 2011-478) staat dat [bedrijf 6] BV een partij van 2.567 stuks Sony PS3 320GB aan [bedrijf 2] heeft verkocht voor € 574.289,24 (inclusief € 91.693,24 btw). [bedrijf 2] betaalde dus
€ 188,-- per stuk. Uit ING-bankafschriften van de rekening [rekeningnummer 6] op naam van [bedrijf 6] BV bleek dat [bedrijf 2] dit factuurbedrag in twee delen op 25 november 2011 en 29 november 2011 heeft betaald. 97

In de administratie van [bedrijf 2] zijn voorts verkoopfacturen aangetroffen over het vervolg van voorgaande goederenstroom; facturen gericht aan [bedrijf 53] BV, [bedrijf 54] BV en [bedrijf 48] . Aan de facturen en bankafschriften van [bedrijf 2] met betalingen is te zien dat [bedrijf 2] de goederen na ontvangst - in delen - heeft doorverkocht aan andere ondernemingen op 25 en 29 november 2011, waarna deze opnieuw richting het buitenland zijn gegaan.98

Factuur [bedrijf 7] van 15 februari 2012 99

In de administratie van [bedrijf 2] is een factuur van [bedrijf 7] BV (hierna: [bedrijf 7] ) aan [bedrijf 2] van 15 februari 2012 ter zake 200 stuks en 125 stuks Apple iPhone 4S aangetroffen.

De goederen- en factuurstroom die hoort bij deze factuur wordt hierna in kaart gebracht.

In de administratie van [bedrijf 8] werden gegevens aangetroffen over een goederentransactie met betrekking tot 200 stuks Apple iPhone 4S 16GB.100 Uit de gegevens, bestaande uit
e-mailberichten en facturen, bleek dat de partij door [bedrijf 57] AB werd geleverd aan [bedrijf 29] vof (hierna: [bedrijf 29] ), waarna de partij in korte tijd is overgegaan naar [bedrijf 40] , [bedrijf 2] , [bedrijf 1] en [bedrijf 54] .101102 De release met betrekking tot de eerste levering vond plaats op 6 februari 2012 en met betrekking tot de laatste vier leveringen op 7 februari 2012.103 In de administratie van [bedrijf 8] werd tevens een vervolgtransactie aangetroffen inzake de goederen, waaruit bleek dat de partij 200 Apple iPhones in opdracht van [bedrijf 54] , op 7 februari 2012 van [bedrijf 8] werd verplaatst naar het adres van [bedrijf 54] te Amsterdam.104

In de e-mailwisseling van 8 en 15 februari 2012 is te zien dat medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] betrokken zijn bij de release van de goederen van [bedrijf 2] naar [bedrijf 1] .105

Uit het e-mailverkeer blijkt voorts dat in de handelsketen het bedrijf [bedrijf 40] (een eenmanszaak van [naam 8] ) op papier is vervangen door [bedrijf 7] , dit terwijl de goederen dan op papier reeds in bezit zijn van andere ondernemingen, verderop in de keten.106107 [bedrijf 8] heeft daarop in haar administratie de klant [bedrijf 40] vervangen door [bedrijf 7] , door een nieuw releasebestand op te maken en hierin te vermelden dat de release op 7 februari 2012 heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 7] . Laatstgenoemd bedrijf was op de genoemde datum (7 februari 2012) op geen enkele manier betrokken bij de inkoop van [bedrijf 29] en verkoop aan [bedrijf 2] .108

Ten aanzien van de facturen en prijzen geldt het volgende:

  • -

    er is geen factuur van [bedrijf 57] aan [bedrijf 29] aangetroffen, Uit de bankgegevens van [bedrijf 29] bleek dat [bedrijf 29] op 21 februari 2012 € 175.500,-- aan [bedrijf 57] heeft betaald. Daaruit blijkt een verkoopprijs van [bedrijf 57] aan [bedrijf 29] van € 540,-- per stuk (€ 175.500,--/325 = € 540,--);

  • -

    [bedrijf 29] heeft op 15 februari 2012 325 stuks Apple iPhone aan [bedrijf 7] gefactureerd voor een bedrag van € 180.612,25 inclusief btw, dus € 467,-- per stuk.109 De verkoopprijs bedraagt dan slechts 86,48% van de verkoopprijs van [bedrijf 57] van
    € 540,--.110 Daarmee is sprake van een onzakelijke prijsval;

- [bedrijf 7] heeft op 15 februari 2012 325 stuks Apple iPhone 4S gefactureerd aan [bedrijf 2] voor een bedrag van € 182.546,-- (inclusief € 29.146,-- btw)111, dat wil zeggen
€ 472,-- per stuk.

Bij [bedrijf 7] is een factuur gericht aan [bedrijf 2] aangetroffen, waarvan de factuurgegevens overeenkomen met genoemde verkoopfactuur.112 Uit de factuurgegevens blijkt dat de verkoopfactuur van [bedrijf 7] is opgemaakt bij [bedrijf 2] .

In de administratie van [bedrijf 2] is verder een verkoopfactuur, gericht aan [bedrijf 1] , aangetroffen van 21 februari 2012113, waarop staat vermeld dat twee partijen van respectievelijk 200 en 125 stuks Apple Iphone 4S aan [bedrijf 1] zijn verkocht voor € 184.479,75 (inclusief € 29.454,75 btw), dat wil zeggen € 477,-- per stuk.

In de administratie van [bedrijf 1] werd vervolgens een verkoopfactuur van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 54] BV aangetroffen van 6 februari 2012, waarop staat vermeld dat een partij van 200 stuks Apple iPhone 4S aan [bedrijf 54] BV is verkocht voor € 115.430,-- (inclusief
€ 18.430,00 btw), dat wil zeggen voor € 485,-- per stuk.114

Bij de administratie van [bedrijf 54] BV zat een verkoopfactuur van 8 februari 2012, van [bedrijf 54] gericht aan Com4 Distribution BV, waarop staat vermeld dat 200 stuks Apple iPhone 4S werden verkocht voor € 120.071,-- (inclusief € 19.171,-- btw), dat wil zeggen € 504,50 per stuk.115

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de partijen goederen vanuit het buitenland terecht zijn gekomen in Nederlandse ketens van bedrijven, waarbij ondernemingen tussen de buitenlandse leveranciers en [bedrijf 2] werden geschoven en sprake is van een onzakelijke prijsval.116 Uit de skypegesprekken is gebleken dat [medeverdachte 6] heeft onderhandeld met de buitenlandse leveranciers en op de hoogte was van de verkoopprijzen van die buitenlandse leveranciers, maar vervolgens niet rechtstreeks heeft afgenomen van die leveranciers, maar er eerst een keten van ploffer en buffers tussen werd geschoven.

Uit hetgeen hiervoor is uitgewerkt is gebleken dat [medeverdachte 6] zowel bij de transactie ter zake 498 stuks Sony PS3 320GB (factuur [bedrijf 6] BV van 7 oktober 2011) als de transactie ter zake 2.567 stuks Sony PS3 320GB (factuur [bedrijf 6] BV van 24 november 2011) op de hoogte was van de oorspronkelijke verkoopprijs van de buitenlandse leverancier (respectievelijk € 210,-- en
€ 215,--), terwijl [bedrijf 2] , waarvoor [medeverdachte 6] zich bezig hield met de handel, later in de keten diezelfde goederen inkocht voor een veel lager bedrag (respectievelijk € 184,50 en
€ 188,--).

De rechtbank concludeert dat de aan de ten laste gelegde facturen ten grondslag liggende goederen- en facturenstromen schijnhandel betreffen en dat de bedrijfsadministratie, door het opnemen van die valse facturen, valselijk is opgemaakt.

Feit 4

Onder feit 4 primair wordt verdachte verweten dat hij samen met één of meer anderen feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] , samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting indienen.

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 2] , in de periode dat [bedrijf 2] feitelijk van verdachte was, over het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2011 en het eerste en tweede kwartaal van 2012 de aangiften omzetbelasting digitaal heeft ingediend bij de Belastingdienst.117 De aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 2] over de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met 2013 zijn door [naam 11] digitaal ingediend, in samenspraak met [naam 10] , beiden medewerkers van [bedrijf 42] dat de administratie deed voor [bedrijf 2] .118

Ten aanzien van de aangiften omzetbelasting heeft verdachte ter zitting van 22 januari 2020 verklaard: ‘Het klopt wel dat de concept-aangiften aan mij werden voorgelegd en dat ik dan akkoord gaf’.119 Ook [naam 10] heeft verklaard dat verdachte akkoord moest geven voor het indienen van de aangiften omzetbelasting.120

[bedrijf 2] heeft over 2011 voor de omzetbelasting een bedrag van € 25.387.785,-- als omzet en een bedrag van € 15.967,-- als verschuldigde omzetbelasting aangegeven. Over het eerste en tweede kwartaal van 2012 heeft [bedrijf 2] voor de omzetbelasting een bedrag van € 19.957.328,-- aangegeven als omzet en een bedrag van € 24.328,-- aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven.121

De Belastingdienst heeft op basis van de bankgegevens vastgesteld, dat in de periode 1 januari 2011 tot en met januari 2013 voor een bedrag van in totaal € 75.940.780,79 werd ingekocht van ondernemingen die binnen een handelsketen als bufferbedrijf hadden gefungeerd.122

[bedrijf 2] heeft - over 2011 - voor zeker € 27.204.856,-- (inclusief omzetbelasting) ingekocht via bufferbedrijven, waarvan een deel groot € 27.015.444,04 via:123 [bedrijf 6] , [bedrijf 6] / [bedrijf 5] , [bedrijf 1] , en [bedrijf 58] .

In de eerste twee kwartalen van 2012 werd voor een bedrag van € 20.954.140,62 ingekocht via de buffers:124 [bedrijf 6] BV, [bedrijf 12] , [bedrijf 7] , [bedrijf 40] en [bedrijf 59] .

Tijdens het onderzoek naar btw-carrouselfraude viel het op, dat het bestuur van bedrijven die goederen doorleverden naar uiteindelijk [bedrijf 2] , dikwijls viel te herleiden naar dezelfde personen, waaronder naar de medeverdachte [medeverdachte 4] .125 De partijen goederen die werden verhandeld waren steeds uit andere EU-landen afkomstig. Doelbewust werden goederen, ingekocht in het buitenland, niet rechtstreeks aan [bedrijf 2] gefactureerd, maar via meerdere tussengeschoven ondernemingen (ploffers en buffers). Uit het dossier blijkt dat de inkoop van alle leveranciers van [bedrijf 2] afkomstig is van ploffers. De (Nederlandse) bedrijven tussen de eerste leverancier in het buitenland en [bedrijf 2] dienden geen dan wel onjuiste aangiften voor de omzetbelasting in, droegen geen omzetbelasting af en hielden geen, dan wel een onvolledige of onoverzichtelijke, administratie bij.126 De facturen die betrekking hebben op de transacties binnen de carrouselfraude, de schijnhandel, zijn onjuist. De btw, vermeld op dergelijke onjuiste facturen, is volgens artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting weliswaar verschuldigd, maar er bestaat geen recht op aftrek van voorbelasting voor de ondernemer die dergelijke facturen opneemt in zijn administratie. Wanneer een ondernemer op basis van dergelijke facturen toch btw in aftrek brengt, is sprake van een onjuiste aangifte omzetbelasting.127 De rechtbank concludeert zodoende dat de aangiften van [bedrijf 2] over het eerste kwartaal 2011 tot en met het tweede kwartaal van 2012 onjuist zijn ingediend.

Deelnemingsvorm

Nu zoals hiervoor is overwogen vaststaat dat de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] valselijk is opgemaakt door opzettelijk valselijk opgemaakte facturen op te nemen (feit 3) en dat onjuiste aangiften omzetbelasting zijn ingediend (feit 4), dient de deelnemingsvorm van het handelen van verdachte te worden gekwalificeerd. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of verdachte als feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt. Bij de vraag of sprake is geweest van feitelijke leidinggeven dient op grond van jurisprudentie aan navolgend criterium te worden getoetst.

Op grond van artikel 51 Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon. Hiertoe is van belang of de verboden gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het antwoord op deze vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hierna volgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

[bedrijf 2] heeft valselijk opgemaakte facturen in haar bedrijfsadministratie opgenomen met het oogmerk om die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken bij het doen van aangiften omzetbelasting. Daarnaast heeft [bedrijf 2] onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend, immers op basis van omzet die was gebaseerd op bedragen op valselijk opgemaakte facturen, zodat de aangiften daarmee onjuist waren.

Genoemde gedragingen houden verband met een of meer wettelijke verplichtingen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op de omzetbelasting en hebben aldus plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon. Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan [bedrijf 2] worden toegerekend.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. Bij de beoordeling van de vraag of verdachte feitelijke leiding heeft gegeven dient niet uitsluitend te worden betrokken de juridische positie, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.

Bij het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, kan worden gedacht aan actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijke leiding geven valt, maar ook het algemene door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is dan wel het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Als feitelijke leidinggever moet de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de feitelijke leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging.

Onder omstandigheden kan aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste eveneens zijn voldaan indien hij de werkzaamheden van de onderneming zo heeft georganiseerd dat hij ermee rekening heeft gehouden dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet konden worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard ging met het begaan van strafbare feiten.

Uit al het voorgaande blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juli 2012 de feitelijke eigenaar was van [bedrijf 2] . Het was verdachte die alle betalingen van [bedrijf 2] deed en die de concept-belastingaangiften accordeerde. Uit de verklaringen van [naam 11] en [medeverdachte 6] volgt dat het verdachte was die aan de touwtjes trok binnen [bedrijf 2] en dat niet alleen [medeverdachte 6] , maar ook verdachte, zich bezig hield met de in- en verkopen van [bedrijf 2] . Dát blijkt ook uit de skypegesprekken van ‘ [bedrijf 41] ’ en het Excel-bestand.

Gelet op het voorgaande, en op hetgeen hierna bij feit 5 in de zaak met parketnummer 08/996092-14 zal worden overwogen over de criminele organisatie die was gericht op btw-carrouselfraude en de rol van verdachte daarbij, is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte het oogmerk op de verboden gedragingen aanwezig was en dat hij als feitelijke leidinggevende van [bedrijf 2] in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juli 2012 kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de ten laste gelegde periode na 4 juli 2012 (tot en met 14 januari 2014) is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van [bedrijf 2] . Hoewel verdachte na de overname van [bedrijf 2] door [bedrijf 1] Holding door de earn-out regeling via [bedrijf 24] SL (hierna: [bedrijf 24] ) betrokken is gebleven bij [bedrijf 2] en hij daardoor inzage heeft gehad in de administratie van [bedrijf 2] , is dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om hem na 4 juli 2012 als feitelijke leidinggevende van [bedrijf 2] aan te merken. De rechtbank zal verdachte van het tenlastegelegde na de periode na 4 juli 2012 partieel vrijspreken.

Omdat de steller van de tenlastelegging voor een primair-subsidiair tenlastelegging heeft gekozen en van het primair ten laste gelegde de periode van 1 januari 2011 tot 4 juli 2012 wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard, maar verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde in de periode na 4 juli 2012, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of verdachte na 4 juli 2012 – zoals subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd – als medepleger dan wel als medeplichtige aan dit feit kan worden aangemerkt.

Medeplegen [medeverdachte 6]

De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke positie van [medeverdachte 6] bij [bedrijf 2] , in samenhang met het gedrag dat [medeverdachte 6] heeft vertoond en/of nagelaten zodanig is geweest, dat hij geacht moet worden samen met verdachte aan de verboden gedragingen feitelijke leiding te hebben gegeven. Aan de hand van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 6] een prominente rol heeft gespeeld bij [bedrijf 2] en ook zelfstandig en autonoom namens [bedrijf 2] heeft gehandeld. [medeverdachte 6] heeft namens [bedrijf 2] een actieve rol gespeeld bij, en intensieve bemoeienissen gehad met, goederentransacties en facturenstromen, hij was aanspreekpunt bij [bedrijf 2] , alsook contactpersoon naar [bedrijf 8] en enkele vennootschappen, en hij heeft facturen, gebaseerd op schijnhandel, aangeleverd bij de administratie van [bedrijf 2] . [medeverdachte 6] heeft hierbij samengewerkt met verdachte en was, ook al gaven verdachte en/of mogelijk andere medeverdachten hem mogelijk instructies of adviezen, zelf (mede-)verantwoordelijk voor de keuze met welke bedrijven [bedrijf 2] zou handelen.

Conclusie

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juli 2012 samen met [medeverdachte 6] feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] , samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door valse facturen in die administratie op te nemen (feit 3) en het onjuist of onvolledig indienen van aangiften omzetbelasting (feit 4). Nu er geen bewijs is dat verdachte na 4 juli 2012 feitelijke leiding heeft gegeven aan [bedrijf 2] zal hij ten aanzien van die periode en de in die periode ingediende belastingaangiften partieel worden vrijgesproken.

4.4.3

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte deel heeft genomen aan de criminele organisatie die - kort weergegeven - tot oogmerk had het plegen van btw-carrouselfraude. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

De rechtbank stelt vast dat verdachte met diverse medeverdachten contacten heeft onderhouden, onder meer via Skype. Uit de skypeberichten, in samenhang met administratieve gegevens met betrekking tot de goederen - en geldstromen en facturen blijkt dat verdachte een actieve en sturende bijdrage heeft geleverd aan het handelen in het kader van de btw-carrouselfraude.

- Contacten met medeverdachten

Uit het dossier is gebleken dat verdachte in de ten laste gelegde periode herhaaldelijk contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 6] , zijn werknemer en van wie hij [bedrijf 2] heeft overgenomen. Verdachte hield kantoor aan de [adres 1] te Hilversum. Uit het dossier is gebleken dat bijna alle medeverdachten op dat adres zijn geweest.

Zo waren medeverdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] geregeld aan de [adres 1] .128 Uit het dossier blijkt bovendien dat verdachte en [medeverdachte 8] meermalen samen betrokken zijn geweest bij ondernemingen: vóór 2009 bij [bedrijf 60] International BV, begin 2011 bij [bedrijf 61] en daarna bij [bedrijf 62] ( [bedrijf 62] ).129 Naast [medeverdachte 8] , [naam 17] en verdachte werkte ook medeverdachte [medeverdachte 3] bij [bedrijf 62] . Met [medeverdachte 3] had verdachte bovendien regelmatig contact ter zake het aanbrengen van nieuwe klanten bij betalingsplatform [verdacht bedrijf 1] . [naam 17] heeft verklaard dat ‘ [verdachte] ’ ook betrokken is geweest bij [verdacht bedrijf 1] :130Hij moest ook klanten voor [verdacht bedrijf 1] aanleveren. Hij heeft ook inderdaad handel meegebracht. [verdachte] heeft uit Nederland klanten meegebracht131, ‘niet alleen [bedrijf 35] BV, maar ook nog andere klanten132, ‘hij heeft hiervoor ook een deel van de winst ontvangen, maar niet van mijn deel, maar van dat van [medeverdachte 3]133 en ‘een winstaandeel van 40% voor hen beiden. Ik kreeg de rest, dus 60%. Zoals ik het me nu herinner, verkocht [medeverdachte 3] aan [verdachte] aandelen in [verdacht bedrijf 1] . Daarom werd het deel van 40% tussen hen beiden gedeeld.’134 Ook heeft hij verklaard dat [verdachte] tot het einde bij [verdacht bedrijf 1] was.135 De rechtbank begrijpt dat [naam 17] met [verdachte] verdachte bedoelt, onder andere omdat [naam 17] heeft verklaard dat [verdachte] [bedrijf 63] runde met zijn vrouw [medeverdachte 2] en haar ex-man [naam 10] . Ter zitting van 22 januari 2020 heeft verdachte onder meer verklaard dat [bedrijf 63] één van zijn bedrijven is, waarvoor [bedrijf 42] de facturatie verzorgde, waarvoor [naam 10] werkzaam is. [naam 10] is de ex-partner van de echtgenote van verdachte, [medeverdachte 2] .136

Ook medeverdachte [medeverdachte 4] is meerdere malen in het pand aan de [adres 1] geweest.137 Volgens [naam 10] besprak [medeverdachte 4] dan het een en ander met verdachte en [medeverdachte 6] , alsook met [medeverdachte 2] (de echtgenote van verdachte).138139

Verdachte heeft [bedrijf 2] overgedaan aan [medeverdachte 1] , die ook voordien al op het kantoor aan de [adres 1] kwam om te overleggen met [medeverdachte 6] over [bedrijf 2] .140

Na de aanhouding van verdachte en [medeverdachte 3] is de iPhone 6 met Devicename “ [verdachte] ”, gecodeerd als MMMM-1141 uitgelezen met het programma UFED. Dit programma heeft de mogelijkheid een tijdlijn te genereren. Hiervan is een screenprint gemaakt.142 Uit deze tijdlijn is op te maken dat de arrestatie tot gevolg heeft dat verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] contact met elkaar hebben proberen te zoeken.

Ook is uit het dossier gebleken dat verdachte via Skype contacten onderhield met medeverdachten. Zo zijn op de inbeslaggenomen laptops143 skypegesprekken aangetroffen tussen ‘ [bedrijf 41] ’ en ‘remvoo’ ( [medeverdachte 8] ), bijvoorbeeld: ‘geld komt van bedrijf waar iemand het wegboekt dus moet gelijk weer verder144. Ook tussen [medeverdachte 6] (username ‘ [alias 2] ’) en ‘ [bedrijf 41] ’ vinden skypegesprekken plaats, bijvoorbeeld: ‘over geld wat overgemaakt is, kan je dat morgen ochtend er meteen uitkiepen’.145

Ook zijn er diverse skypegesprekken aangetroffen tussen het skype-account ‘ [alias 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en het skype-account ‘ [bedrijf 41] ’ (verdachte), die informatie bevatten over de geldstromen van diverse ploffers naar rekeningen op het betalingsplatform.146

‘ [bedrijf 41] ’ is echter niet het enige account waarmee verdachte contacten onderhield met medeverdachten. Zowel [getuige]147, [medeverdachte 6]148 als [naam 17]149 hebben expliciet verklaard dat de skypenaam ‘ [alias 1] ’ verdachte betreft. Ook uit de verklaringen van [naam 18]150 en [naam 19]151 volgt dat ‘ [alias 1] ’ verdachte betreft. Het skype-account [alias 4] , waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat dit aan [medeverdachte 3] toebehoort,152 gebruikt tevens meerdere malen de namen “ [alias 5] ” en “ [alias 1] ”, in relatie tot verdachte.153

Hoewel verdachte dit heeft ontkend en de verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de getuigen op dit punt onbetrouwbaar zijn, is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de verklaringen van deze getuigen onbetrouwbaar zijn. Verder is er geen enkele aanwijzing dat ‘ [alias 1] ’ door iemand anders wordt gebruikt.

De rechtbank is ten aanzien van de voor verdachte belastende verklaring van [getuige] en het door de raadsvrouw gevoerde verweer over het gebrek aan gelegenheid tot het ondervragen van deze persoon als getuige, in verband met zijn overlijden, van oordeel dat deze verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd. De verklaring van [getuige] staat immers niet op zichzelf, maar vindt op meerdere onderdelen steun in overige bewijsmiddelen, zoals hiervoor weergegeven, zodat geen sprake is van strijd met jurisprudentie van het Europese Hof met betrekking tot de ‘sole and decisive rule’.

Op 13 en 14 mei 2013 is tussen de gebruikers met usernames ‘[alias 6]’ (waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat dit [medeverdachte 4] is) en ‘[alias 7]’ (waarvan de display name steeds is: ‘[alias 1]’), het volgende gesprek gevoerd154:

  • -

    [alias 6] : ‘ABN-AMRO rekening nummer: [rekeningnummer 7] . [naam 20] verzoek spoed betaling dit omdat wij mensen c.q. rekeningen moeten betalen aub.’

  • -

    [alias 1] : ‘ja das geen bedrijf dus dat kan niet’

  • -

    [alias 6] : ‘ING - [rekeningnummer 8] t.n.v firma [bedrijf 65] verzoek € 1200,00 ---- en rest betaling op ander nummer deze volgt rekening nummer firma naam.(VERZOEK SPOED OVERBOEKING)’

  • -

    [alias 6] : ‘bericht even als u betaal opdracht heeft gedaan, kan ik dat onze man mededelen.’

  • -

    [alias 1] : ‘spoed maakt niet uit weet je komt uit het systeem.’

  • -

    [alias 6] : ‘[bedrijf 65] , niet gebruiken a.u.b. u krijgt ander bank nummer etc.’

  • -

    [alias 1] : ‘nou weer niet [bedrijf 65] .’

  • -

    [alias 1] : ‘gvd blijf aan de gang moeten opnieuw doen’

  • -

    [alias 6] : ‘u, krijgt zo bank etc , waar geld op gestort kan worden en alles compleet achter’

  • -

    [alias 6] : ‘ [bedrijf 64] BV.-- ING -rekeningnummer:- [rekeningnummer 9] K.v.K: [nummer 1] -- B.T.W nummer: [nummer 2] &gt op deze firma kunt u geld naar overmaken inzake betalingen welke wij moeten doen SPOED A.U.B.’

  • -

    [alias 6] : ‘indien mogelijk kunt u alle tegoeden hier naar overmaken AUB - mijn collega is naar meneer [naam 21] - zodra alles zo hier is , krijgt u alles compleet aangeleverd.’

  • -

    [alias 1] : ‘ok dan boek ik 2200 over’

  • -

    [alias 1] : ‘moet kvk hebben van [bedrijf 64]

  • -

    [alias 1] : ‘inzake betaling’

  • -

    [alias 1] : ‘mail naar (..) [e-mail] (..)

  • -

    [alias 6] : ‘ik ga die ouwe ff contacten dat die dat doet’

  • -

    [alias 6] : ‘draait rb nog een beetje of?

  • -

    [alias 1] : ‘gaan wel iets doen’

  • -

    [alias 1] : ’22 was rb’

Uit de bankmutaties van [bedrijf 64] BV blijkt dat er op 14 mei 2013 een bedrag van
€ 2.200,-- wordt ontvangen, afkomstig van [verdacht bedrijf 2] met omschrijving R.B. Handelsonderneming.155 Een dag later vindt de hierna genoemde overboeking (van
€ 3.226,49) vanaf het interne account van [bedrijf 66] bij [verdacht bedrijf 2] naar de bankrekening van [bedrijf 23] plaats.156

Voorts zijn in het onderzoek facturen van [bedrijf 67] S.A. van 13 mei 2012 (2x), 12 juni 2012 en 3 juli 2012 aangetroffen, die alle zijn bestemd voor [verdacht bedrijf 1] , per adres [adres 1] - zijnde niet het officiële vestigingsadres van [verdacht bedrijf 1] , maar het adres waar de bedrijven van verdachte gevestigd waren -, ‘t.a.v. dhr. [verdachte] ’.157

- Criminele organisatie

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Gelet op al hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van de verschillende bewezen verklaarde feiten heeft overwogen, kan zonder meer de conclusie worden getrokken dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat tot doel had om btw-carrouselfraude mogelijk te maken. Om dat doel te bewerkstelligen werden binnen het samenwerkingsverband herhaaldelijk diverse misdrijven gepleegd. Zo werden facturen valselijk opgemaakt in verband met de schijntransacties, welke facturen in bedrijfsadministraties werden opgenomen. Aangiften omzetbelasting werden niet of onjuist gedaan en de ploffers en buffers voldeden niet aan de fiscale administratieverplichtingen. Door geen dan wel een valse administratie te voeren en gebruik te maken van katvangers, konden de ondernemingen na faillissement vervolgens niet voldoen aan de inlichtingen- en administratieplichten, zodat er sprake was van bedrieglijke bankbreuk.

Binnen dit samenwerkingsverband was sprake van een zekere taakverdeling. De systeembouwers binnen de carrousel waren medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] . Zij leverden bedrijven aan die als ploffer of buffer konden worden gebruikt voor de btw-carrouselfraude. [medeverdachte 4] zorgde daarbij voor de feitelijke aansturing van diverse katvangers en verstrekte de gegevens van de ondernemingen aan [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] kreeg zowel van [medeverdachte 4] als van derden de gegevens van de ondernemingen aangeleverd, welke ondernemingen vervolgens binnen de btw-carrousel werden gebruikt als ploffer en buffer. [medeverdachte 8] had een aansturende rol, op meer afstand van de katvangers dan [medeverdachte 4] .

[medeverdachte 6] hield zich bezig met de transacties van zowel ploffers en buffers als [bedrijf 2] . Hij was voor logistiek dienstverlener [bedrijf 8] het aanspreekpunt en coördineerde de goederen- en facturenstromen.

Verdachte stuurde niet alleen [medeverdachte 6] aan binnen [bedrijf 2] , maar hij hield zich daarnaast ook actief bezig met de goederen- en facturenstromen. Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juli 2012 aan alle touwtjes binnen [bedrijf 2] trok en samen met [medeverdachte 6] feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] , samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door valse facturen in die administratie op te nemen (feit 3) en het onjuist of onvolledig indienen van aangiften omzetbelasting (feit 4).

Medeverdachte [medeverdachte 1] hield zich bezig met de transacties van ploffers en buffers, alsmede van [bedrijf 1] en vanaf 4 juli 2012 van [bedrijf 2] . Ook hij kan als coördinator van de goederen- en facturenstromen worden gekenmerkt.

Voor het verborgen blijven van de carrousel was het gebruik van betalingsplatforms essentieel. Medeverdachte [medeverdachte 3] was beheerder van de betalingsplatforms [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] en daardoor in staat om de betalingsplatforms en het betalingsverkeer aan te sturen en de leden van de criminele organisatie te voorzien van gelden. In het navolgende wordt nog uiteengezet dat ook verdachte invloed kon uitoefenen op de betaalstromen vanuit [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] .

Op grond van het voorgaande en het navolgende is de rechtbank van oordeel dat verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot/verband hielden met de verwezenlijking van het binnen de criminele organisatie bestaande oogmerk. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de criminele organisatie. De rechtbank acht zodoende bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr.

5 De bewijsoverwegingen inzake parketnummer 08/950462-15

5.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Daartoe hebben de officieren van justitie primair gesteld onder verwijzing naar onderdelen van het dossier dat de gelden afkomstig zijn uit de btw-carrousel. Subsidiair hebben de officieren van justitie gesteld dat de ter zitting door [verdachte] gegeven verklaring dat hij de gelden aan [naam 17] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft gegeven, waarna de betalingen deels via [bedrijf 23] en [verdacht bedrijf 1] / [verdacht bedrijf 2] lopen, geen steun vindt in het dossier. Er is in ieder geval een vermoeden van witwassen en, ondanks uitdrukkelijk verzoek daartoe, is geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring gegeven.

De officieren van justitie hebben per onderdeel van de tenlastegelegde feiten uitgewerkt op grond waarvan en ter hoogte van welk bedrag sprake is van gewoontewitwassen. De rechtbank zal, waar nodig, daar bij de bespreking van de afzonderlijke feiten nader op ingaan.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikbare gegevens uit de ‘black box’ van de betalingsplatforms (Excel-bestand ‘ExpressOffice-eTradeFactoring- [verdacht bedrijf 1] -Transfers.xlsx’) niet meer weergeven dan een onvolledige en onbetrouwbare inkijk in de (schaduw)administratie die is bijgehouden door de mensen achter de betalingsplatforms. De verdediging heeft verzocht deze informatie niet te gebruiken voor het bewijs en geen acht te slaan op de vaststellingen en gevolgtrekkingen die de FIOD in ambtshandelingen verbindt aan die informatie.

De verdediging heeft voorts voorwaardelijk verzocht om – indien de rechtbank het Excel-bestand en de daarop gebaseerde bevindingen voor het bewijs wil bezigen – de administratie, bankafschriften en het communicatieverkeer van 72 ondernemingen aan het dossier toe te voegen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in Spanje contante geldbedragen heeft afgegeven met het verzoek die geldbedragen giraal te maken. Verdachte is eerder veroordeeld en in die zaak is geen ontnemingsprocedure gevolgd. Volgens de verdediging kan niet worden uitgesloten dat de betalingen die aan verdachte worden toegeschreven samenhangen met deze door hem verstrekte contanten en dat die betalingen dus niet samenhangen met de gelden die uit deze btw-carrouselfraude zijn voortgekomen. Verdachte had geen aandeel in de btw-carrouselfraude die in deze zaak centraal staat en speelde ook geen rol bij de verspreiding van de daaruit voortvloeiende gelden via betalingsplatforms.

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring van [naam 1] ongeloofwaardig is. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het bij feit 1 onder 1 en 2 ten laste gelegde, althans in ieder geval vrijspraak van de onder feit 1 onder 1 ten laste gelegde contante stortingen in Thailand. Ook heeft de verdediging vrijspraak bepleit van feit 2, feit 3 onder 4 en 5 en feit 4. Ten aanzien van feit 1 onder 3 en feit 3 onder 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal, waar nodig, bij de bespreking van de afzonderlijke feiten nader ingaan op de inhoudelijke verweren van de verdediging.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Ten aanzien van feit 1

Onder 1 en 2: geldbedragen naar Thaise bankrekening

Uit het dossier blijkt dat vanaf bankrekeningen van [verdacht bedrijf 1] geldbedragen zijn overgeboekt naar een bankrekening met nummer [rekeningnummer 1]158 en een bankrekening met nummer [rekeningnummer 2]159, beiden op naam van [naam 1] , bij de Kasikornbank in Thailand. Hierover heeft [naam 1] onder meer verklaard: ‘Ik had een bankrekening in Thailand en daar heeft [verdachte] wat geld naar toe gestuurd’160 en ‘Ik heb dit nooit aangegeven in Nederland omdat dit geld was wat een beetje weg moest. Dit was geld van [verdachte]’.161

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] met terughoudendheid moet worden bezien, omdat [naam 1] ook verdachte is in onderhavig onderzoek en (daarom) wellicht belang heeft om belastend over verdachte te verklaren. Daarbij komt dat de verklaring van [naam 1] op dit punt onvoldoende steun vindt in het dossier. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld niet dat de geldbedragen na de Kasikornbank (uiteindelijk) bij verdachte terecht zijn gekomen. Op grond van de omstandigheid dat de geldbedragen afkomstig zijn van [verdacht bedrijf 1] kan niet reeds geconcludeerd worden dat de gelden dus voor verdachte bestemd moeten zijn. Ook de omstandigheid dat de overboekingen op de bankrekening van [naam 1] afkomstig zijn vanaf het interne account bij [verdacht bedrijf 1] van rechtspersonen die als ploffer in de btw-carrousel kunnen worden aangemerkt (bijvoorbeeld [bedrijf 29] en [bedrijf 13] BV) en dat daarnaast geldbedragen vanaf deze interne accounts worden doorgeboekt aan rechtspersonen die aan verdachte zouden kunnen worden gelinkt is onvoldoende wettig bewijs om te concluderen dat verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen.

Van dit deel van de tenlastelegging (onderdeel 1 en onderdeel 2) spreekt de rechtbank verdachte daarom vrij.

Onder 3: geldbedragen naar [bedrijf 20] BV

Uit het onderzoek is gebleken dat vanaf één van de bankrekeningen van [verdacht bedrijf 1] in totaal een bedrag van € 320.000,-- is overgeboekt naar [bedrijf 20] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 20] ) [bedrijf 20] BV ( [rekeningnummer 10] ):

- op 11 april 2012 een bedrag van € 120.000,--;162

- op 8 mei 2012 een bedrag van € 80.000,--;163

- op 6 juni 2012 een bedrag van € 20.000,--;164

- op 11 september 2012 een bedrag van € 100.000,--.165

[bedrijf 20] BV (hierna: [bedrijf 20] ) is opgericht op 19 maart 2012. Als enig aandeelhouder en bestuurder staat bij de Kamer van Koophandel [bedrijf 24] . geregistreerd.166 Ter zitting heeft verdachte hierover verklaard: ‘[bedrijf 20] valt onder [bedrijf 25] , [bedrijf 25] valt onder [bedrijf 24]’.167 Verdachte is sinds de oprichting van [bedrijf 24] de enige bestuurder.168

Ter zake deze € 320.000,-- is op het adres [adres 1] te Hilversum een (ongetekende) ‘overeenkomst van achtergestelde geldlening’ tussen [bedrijf 20] en [verdacht bedrijf 1] aangetroffen, inhoudende dat [verdacht bedrijf 1] een achtergestelde lening van maximaal
€ 320.000,-- aan [bedrijf 20] zal verstrekken.169 Hierover heeft [naam 11] , werkzaam als boekhouder bij [bedrijf 42] , verklaard: ‘Ik heb dit weleens gezien. Ik heb deze overeenkomst getekend en wel gekregen van [verdachte] . Ik had vragen over een overboeking van ik neem aan 320.000 euro. [verdachte] kwam toen met een achtergestelde lening welke bij deze overboeking hoorde. Ik kwam deze ontvangst van geld van [verdacht bedrijf 1] tegen op de bankrekening van [bedrijf 20] bij volgens mij ABN en had hier vragen over. Ik heb dit vervolgens volgens mij ook als lening geboekt bij [bedrijf 20]’.170

Dit bedrag van € 320.000,-- is als langlopende schuld opgenomen in het financieel jaarverslag 2012 van [bedrijf 20] met als toelichting: ‘ter financiering van de activiteiten is met [verdacht bedrijf 1] Ltd gevestigd in Auckland een overeenkomst gesloten voor het verkrijgen van een achtergestelde lening’.171

Ter zitting van 22 januari 2020 heeft verdachte verklaard dat er geen lening is aangegaan.172 Over de overboekingen van in totaal € 320.000,-- heeft verdachte ter zitting van 22 januari 2020 verklaard dat hij dit geld – dat hij nog had uit het verleden – grotendeels contant aan [naam 17] heeft gegeven.173 En: ‘ik heb in Spanje geld aan [naam 17] gegeven en wilde dat geld giraal geïnvesteerd hebben in [bedrijf 20]’.174

Afkomstig uit enig misdrijf?

De verdediging heeft gesteld dat verdachte in Spanje contante geldbedragen – samenhangend met een eerdere veroordeling, waarvoor geen ontneming is gevolgd aan [naam 17] heeft afgegeven om giraal te maken.175 Naar het oordeel van de rechtbank kan in ieder geval met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de geldbedragen tot een totaal van
€ 320.000,-- een legale herkomst hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wist.

Door de gelden via het betalingsplatform [verdacht bedrijf 1] te laten lopen heeft verdachte de herkomst verhuld.176 Hij heeft de gelden, die aan hem in privé toebehoorden, vervolgens niet op een privérekening laten storten, maar op de rekening van [bedrijf 20] , de onderneming waar hij via een Spaanse entiteit middellijk bestuurder van was. En hij heeft een valse leningsovereenkomst opgesteld of laten opstellen, die aan de boekhouder is verstrekt en ook daadwerkelijk in de boekhouding is verwerkt.

Conclusie

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging met anderen van de hiervoor genoemde geldbedragen de werkelijke aard en herkomst heeft verborgen en verhuld, heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende van die geldbedragen was, deze geldbedragen voorhanden heeft gehad en deze geldbedragen heeft verworven, overgedragen, omgezet en gebruikt.

Gewoonte

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte een groot geldbedrag heeft witgewassen en dat er een veelheid aan verhullingshandelingen heeft plaatsgevonden. Daarom acht de rechtbank tevens het gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.

5.3.2

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat er geen wettig bewijs is dat verdachte geldbedragen heeft witgewassen via de bankrekeningen van [bedrijf 21] BV (handelsnaam van [bedrijf 21] BV) en [bedrijf 22] BvBa. Dat verdachte wellicht kan worden gelinkt aan bedrijven die als ploffer in de btw-carrousel kunnen worden aangemerkt (zoals [bedrijf 39] , [bedrijf 26] BV, [bedrijf 27] BV en [bedrijf 35] BV) en van wie de betalingen aan voornoemde bedrijven ( [bedrijf 21] BV en [bedrijf 21] BV) afkomstig zijn vanaf het interne account bij [verdacht bedrijf 1] , betekent niet dat ze dus ook voor verdachte bestemd moeten zijn. Daarnaast heeft [naam 2] – de bestuurder en vermoedelijke katvanger van [bedrijf 21] BV en [bedrijf 21] BV – niet willen verklaren wie zijn opdrachtgevers waren. Dat [bedrijf 13] zijn opdrachtgevers zou hebben ontmoet in café [oude naam café/restaurant] of in café [café/restaurant] (dat eigendom was van verdachte en zijn partner en voorheen café [oude naam café/restaurant] heette) en zich bij het zien van de foto van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 6] – in tegenstelling tot bij het zien van de foto’s van andere medeverdachten – op zijn zwijgrecht heeft beroepen bij de vraag of verdachte zijn opdrachtgever was, is ook geen wettig bewijs dat verdachte de opdrachtgever van [bedrijf 13] was. Ook de mogelijke outgoing call via Skype177 op 2 juni 2010 – dus ruim voor aanvang van de ten laste gelegde periode – tussen verdachte en [bedrijf 13] vormt daarvoor geen wettig bewijs. Ook voor het overige is er geen wettig bewijs dat verdachte als (mede)pleger bij dit feit is betrokken. Daarom spreekt de rechtbank hem van dit feit vrij.

5.3.3

Ten aanzien van feit 3

Onder 1 en 2: geldbedragen naar en van [bedrijf 23] Limited (hierna: [bedrijf 23] )

Uit het voorgaande blijkt al dat verdachte de enig bestuurder van [bedrijf 24] is. Op de bankmutaties van [bedrijf 24] (bankrekeningnummer [rekeningnummer 11] ) is te zien dat er € 42.167,70 van [bedrijf 23] is ontvangen:

- op 2 mei 2013 een bedrag van € 14.404,91178, welke betaling afkomstig is van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 12] van [bedrijf 23] bij de HSBC Bank in Hong Kong179;

- op 13 mei 2013 een bedrag van € 7.932,64180, welke betaling afkomstig is van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 12] van [bedrijf 23] bij de HSBC Bank in Hong Kong181;

- op 24 juli 2013 een bedrag van € 19.830,15182, welke betaling vermoedelijk afkomstig is van een andere bankrekening van [bedrijf 23] waarin in het opsporingsonderzoek geen inzage is verkregen.183

Vanaf voornoemde bankrekening met nummer [rekeningnummer 12] van [bedrijf 23] worden ook betalingen gedaan naar [naam 4] :

- op 14 mei 2013 een bedrag van € 8.500,--;184

- op 16 mei 2013 een bedrag van € 6.500,--.185

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij € 15.000,-- aan [naam 4] heeft betaald en dat hij dit geld contant aan [naam 17] heeft gegeven die het vervolgens naar de bankrekening van [bedrijf 23] heeft overgemaakt.186 Ook uit de verklaring van [naam 4] volgt dat verdachte hem vanuit [bedrijf 23] heeft betaald: ‘Deze bedragen zijn door [verdachte] betaald aan mij voor de overname van een gedeelte van de rechten van het boek. U vraagt hoe ik weet dat deze betalingen waarbij [bedrijf 23] staat van [verdachte] afkomstig is. Ik moest rond deze tijd geld van [verdachte] krijgen en dat kwam via [bedrijf 23] waar Madrid bij stond. Ik wist dat [verdachte] wel betrokken was bij meerdere vennootschappen en het maakt mij niet uit waar hij vanuit betaald’.187

De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat voornoemde betalingen alle ten behoeve van verdachte hebben plaatsgevonden.

Ook wordt vanaf voornoemde bankrekening met nummer [rekeningnummer 12] van [bedrijf 23] op
14 mei 2013 een bedrag van € 5.500,-- overgeboekt naar [naam 3] .188 Hierover heeft [naam 3] verklaard: ‘Dit was geld dat ik voor [medeverdachte 8] heb ontvangen. Ik weet niet wie [bedrijf 23] is’.189 Uit het dossier is onvoldoende gebleken dat dit geldbedrag door of vanwege verdachte naar de rekening van [naam 3] is overgemaakt. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel partieel vrijspreken.

Naast voornoemde betalingen vanaf de bankrekening van [bedrijf 23] (met nummer [rekeningnummer 12] ) blijkt van de volgende ontvangsten op deze bankrekening:

- op 25 april 2013 is € 14.958,56 ontvangen, afkomstig vanaf het interne account van [bedrijf 68] Sp. (hierna: [bedrijf 68] ) bij [verdacht bedrijf 2] ;190

o Op 2 mei 2013 vindt vervolgens de hiervoor uitgewerkte overboeking van
14.404,91191 naar [bedrijf 24] plaats;192

- op 11 mei 2013 is € 7.966,50 ontvangen, afkomstig vanaf het interne account van [bedrijf 68] bij [verdacht bedrijf 2] ;193

o Op 13 mei 2013 vindt vervolgens de hiervoor uitgewerkte overboeking van
€ 7.932,64 naar [bedrijf 24] plaats;194

- op 14 mei 2013 is € 13.958,52 ontvangen, afkomstig vanaf het interne account van [bedrijf 68] bij [verdacht bedrijf 2] ;195

o Op 14 mei 2013 vindt vervolgens de hiervoor uitgewerkte overboeking van
€ 8.500,-- naar [naam 4] plaats;196

- op 15 mei 2013 is vervolgens € 179.438,49 en € 3.226,49 ontvangen vanaf de interne accounts van respectievelijk [bedrijf 16] (hierna: [bedrijf 16] ) en [bedrijf 66] bij [verdacht bedrijf 2] ;197

o Op 16 mei 2013 vindt vervolgens de hiervoor uitgewerkte overboeking van
€ 6.500,-- naar [naam 4] plaats.

De rechtbank concludeert dat [verdachte] zeggenschap had over de (interne accounts van de) bankrekening van [verdacht bedrijf 2] , alsmede de bankrekening van [bedrijf 23] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het voorgaande volgt dat de gelden eerst vanuit de interne accounts van [bedrijf 68] , [bedrijf 16] en [bedrijf 66] naar de rekening van [bedrijf 23] zijn overgeboekt en dat deze gelden kort daarna vanaf de rekening van [bedrijf 23] zijn overgemaakt naar [bedrijf 24] en [naam 4] . Uit het dossier is gebleken dat [bedrijf 68] en [bedrijf 66] ploffers waren en dat [bedrijf 16] een buffer was, hetgeen hierna nader wordt uitgewerkt.

- [bedrijf 68]

In de database van [bedrijf 69] , met welke naam het betalingsplatform [verdacht bedrijf 2] ook wel wordt aangeduid198, staat als contactpersoon van [bedrijf 68] [naam 22] geregistreerd, met een kopie van haar identiteitskaart.199 [naam 22] heeft verklaard dat zij het bedrijf niet kent en dat sommige mensen hiervoor gebruik hebben gemaakt van haar identiteit en identiteitskaart.200 [naam 22] heeft verder verklaard dat zij een kopie van haar identiteitsbewijs heeft gemaild naar een persoon genaamd [naam 23] of [naam 23] , uit Engeland.201

De aandelen van [bedrijf 68] zijn voor 100% in handen van [naam 23] , die de Engelse nationaliteit heeft.202 [naam 23] heeft onder meer verklaard dat ‘ [naam 24] ’ voorstelde om nieuwe bedrijven te starten in Europa, deze functionerende bedrijven door te verkopen en commissie op te strijken van alle ontvangen winst. [naam 23] was op dat moment verslaafd aan heroïne en alcohol en dacht dat deze kans zijn herstel zou bevorderen. [naam 23] ging gedurende een periode van zes maanden tweemaal naar Roemenië, Letland, Litouwen en Polen. [naam 24] betaalde de vluchten en andere kosten die hij maakte. Met [naam 24] kwam hij overeen dat hij 15% commissie zou ontvangen van de winst op ieder verkocht bedrijf. Tijdens ieder bezoek ging hij samen met [naam 24] naar een bijeenkomst waar hij enkele documenten ondertekende. Hij weet niet wat de inhoud van de documenten was, aangezien ze geschreven waren in de taal van het land waar hij was. Nadat hij de documenten getekend had, nam [naam 24] de documenten over. De naam [bedrijf 68] herkent [naam 23] als één van de bedrijven waarvoor hij documenten heeft ondertekend toen hij met [naam 24] in Polen was. Na het ondertekenen van de documenten had [naam 23] niets meer met [bedrijf 68] te maken. Hij ging ervan uit dat dit bedrijf als functionerend bedrijf zou worden doorverkocht. [naam 23] wist niet dat hij als directeur van dit bedrijf vermeld stond totdat de Britse belastingdienst hem dit vertelde.203

Naar aanleiding van een internationaal verzoek om inlichtingen op het gebied van de btw (hierna: scac-verzoek) wordt door de autoriteiten in Polen, waar [bedrijf 68] gevestigd is, geconcludeerd dat [bedrijf 68] een missing trader is (de rechtbank begrijpt: een ploffer).204 Zo had [bedrijf 68] alleen een virtueel kantoor in Polen, heeft zij geen activiteiten in Polen verricht en hebben er geen transacties plaatsgevonden op het bankrekeningnummer van [bedrijf 68] in Polen. Het btw-nummer van [bedrijf 68] is op 26 juni 2013 geëindigd.205

- [bedrijf 66]

Uit het dossier blijkt dat ook [bedrijf 66] (ook wel [bedrijf 66] genoemd) als ploffer kan worden aangemerkt.206 Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft de bedrijfsgegevens van [bedrijf 66] aan medeverdachte [medeverdachte 8] verstrekt.207
Dat [bedrijf 66] onderdeel heeft uitgemaakt van de btw-carrousel blijkt onder meer uit een goederen- en geldstroom waarbij [bedrijf 66] 468 PS3’s aan buffer [bedrijf 70] BV heeft verkocht voor € 91.728,--. Daarbij is € 19.262,88 aan btw in rekening gebracht.208 Dit totaalbedrag (inclusief btw) van € 110.990,88 is op 10 april 2013 ontvangen op de bankrekening van [verdacht bedrijf 2] bij de VP-bank vanaf de bankrekening van [bedrijf 70] BV.209 heeft deze PS3’s gekocht van [bedrijf 71] . Deze zijn intracommunautair geleverd, dus zonder btw, voor een totaalbedrag van € 105.768,--.210 De betaling is gedaan vanaf de bankrekening van [verdacht bedrijf 2] bij de VP-bank op 11 april 2013.211 De rechtbank constateert dat [bedrijf 66] de goederen dus ver onder de inkoopprijs (€ 226,-- per stuk) heeft doorverkocht (voor € 196,-- per stuk). De in rekening gebrachte en ontvangen btw is bovendien door [bedrijf 66] niet afgedragen aan de Belastingdienst.212

- [bedrijf 16]

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 16] als buffer kan worden aangemerkt.213 Eigenaar van [bedrijf 16] is [naam 25] . [naam 25] heeft verklaard dat met zijn instemming de bedrijfsgegevens van [bedrijf 16] aan medeverdachte [medeverdachte 8] zijn verstrekt en dat hij geen zicht had op de handel die hiermee werd verricht.214

heeft als buffer tussen [bedrijf 66] (ploffer) enerzijds en [bedrijf 2] gefungeerd.215 [bedrijf 66] heeft in de maanden april en mei 2013 voor een totaalbedrag van € 621.730,66 (inclusief € 107.903,67 aan btw) aan [bedrijf 16] gefactureerd ter zake computerartikelen.216 Ook bevinden zich in het dossier facturen van [bedrijf 22] Bvba (België) en [bedrijf 23] Limited (Hong Kong), gericht aan [bedrijf 16] .217 Tijdens de doorzoeking op 15 mei 2013 op het adres [adres 1] in Hilversum zijn diverse facturen aangetroffen, waaruit blijkt dat [bedrijf 16] in de maanden april en mei 2013 meerdere malen, en voor een totaalbedrag van € 2.292.549,86 (inclusief € 397.880,55 aan btw) aan [bedrijf 2] heeft gefactureerd in verband met computerartikelen.218 Betalingen van facturen gericht aan en afkomstig van [bedrijf 16] liepen via [verdacht bedrijf 2] .219

- Betrokkenheid [verdachte] bij [bedrijf 68] , [bedrijf 66] en [bedrijf 16]

Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij genoemde bedrijven.

Zo blijkt dat een deel van het bedrag van € 320.000,-- dat naar de bankrekening van [bedrijf 20] is overgemaakt (zie hiervoor bij feit 1, onderdeel 3 van de zaak met parketnummer 08/950462-15) afkomstig is van het interne account van [bedrijf 68] bij [verdacht bedrijf 1] .220

Uit hetgeen hierna onder feit 3, onderdeel 3, is uitgewerkt, blijkt ook dat rechtstreeks vanaf het interne account van [bedrijf 68] bij [verdacht bedrijf 1] gelden naar [naam 6] van [naam 5] AG zijn overgeboekt, die betrekking hebben op een betalingsverplichting van verdachte in privé.

In het dossier bevindt zich ook een factuur van [bedrijf 67] S.A., het bedrijf van [getuige] , gericht aan [bedrijf 68] voor werkzaamheden die betrekking hebben op onder meer [bedrijf 62] .221 Verdachte was samen met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] , alsmede [naam 17] werkzaam voor [bedrijf 62] . [getuige] heeft verklaard dat hij de facturen naar Polen moest sturen en dat het hem bekend was dat de kosten van zijn bemoeienis onderling verdeeld werden tussen alle betrokkenen bij de betalingsplatforms in Polen en Liechtenstein, in ieder geval [medeverdachte 3] , [verdachte] , [naam 17] en [naam 26] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] , verdachte, [naam 17] en [naam 26] ).222

Hiervoor in paragraaf 4.4.3 is uiteengezet dat verdachte betrokken was bij ploffer [bedrijf 66] .223224225

Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 3] is een USB-stick aangetroffen, met daarop een Excel-bestand met de naam “handler mit fixierung”, betreffende een lijst met bedrijven waarvan betalingen over het betalingsplatform [verdacht bedrijf 2] lopen. Daarop staat onder meer [bedrijf 16] genoemd met daarachter de naam “ [alias 5] ”. Hiervoor is reeds weergegeven dat [medeverdachte 3] met ‘ [alias 5] ’ verdachte bedoelt.226

Zeggenschap

Uit al het voorgaande in samenhang bezien blijkt dat verdachte betrokken was bij voornoemde bedrijven en dat hij zeggenschap had over geldbedragen die vanaf de interne accounts van deze bedrijven werden doorgeboekt naar de rekening van [bedrijf 23] . Vanaf de rekening van [bedrijf 23] werden vervolgens, kort nadat de gelden uit ‘het systeem’ waren ontvangen, bedragen overgeboekt naar [bedrijf 24] en [naam 4] , welke betalingen alle ten behoeve van verdachte hebben plaatsgevonden. De rechtbank concludeert dat het niet anders kan dan dat verdachte ook zeggenschap had over de bankrekening van [bedrijf 23] .

Afkomstig van enig misdrijf

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van btw-carrouselfraude (inleiding) en deelname aan een criminele organisatie (feit 5 inzake parketnummer 08/996092-14) is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat voornoemde gelden als door misdrijf verkregen gelden kunnen worden aangemerkt. Deze gelden hebben immers betrekking op betalingen op basis van valse facturen en (vervolgens) het niet afdragen van in rekening gebrachte en ontvangen btw door de ploffer. Omdat voornoemde gelden steeds afkomstig zijn uit schijnhandel ten behoeve van de btw-carrouselfraude en het oogmerk van de criminele organisatie daar ook steeds op was gericht, kunnen ook voornoemde overboekingen van [verdacht bedrijf 2] naar [bedrijf 23] naar het oordeel van de rechtbank steeds als van misdrijf afkomstig worden aangemerkt.

Ook wanneer het scenario van de verdediging ten aanzien van de betalingen aan [naam 4] zou worden gevolgd, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Over de herkomst van de gelden die via [bedrijf 23] naar [naam 4] zijn overgeboekt heeft verdachte ter zitting van 22 januari 2020 immers verklaard dat hij in Spanje contante geldbedragen aan [naam 17] heeft afgegeven en dat [naam 17] het contante geld vervolgens giraal naar [bedrijf 23] heeft overgemaakt. Over de herkomst van deze contante gelden heeft de verdediging het volgende naar voren gebracht in pleidooi: ‘[verdachte] is eerder veroordeeld en in die zaak is geen ontnemingsprocedure gevolgd.’ Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet daarop in ieder geval met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wist.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de hiervoor genoemde geldbedragen (in totaal ongeveer
€ 220.000,--, die verdachte vanaf de bankrekening van [verdacht bedrijf 2] naar [bedrijf 23] met nummer [rekeningnummer 12] heeft doen of laten storten en waarvan hij ruim € 37.000,-- heeft doorgeboekt naar [bedrijf 24] en [naam 4] ) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wist.

Onder 3: betalingen aan [naam 6]

Uit de bankmutaties van [verdacht bedrijf 1] blijkt dat op 21 februari 2013 een bedrag van € 30.000,-- is overgeboekt namens [bedrijf 68] , naar [naam 6] .227 Op een USB-stick die bij de doorzoeking van de woning van verdachte is aangetroffen,228 staat een factuur van [naam 6] (namens [naam 5] AG) aan [bedrijf 68] die is gericht aan [naam 22] .229 Als invoicenummer staat zowel op de factuur als in de betalingsomschrijving HH.CHAM.2013.003.02.20 vermeld. Bij de documenteigenschappen staat verdachte als auteur van de factuur vermeld.230 heeft verklaard dat de door verdachte gemaakte factuur vals is.231

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is ook een participation agreement van verdachte in [naam 5] AG aangetroffen, waarin staat vermeld dat verdachte op 21 februari 2013 € 30.000,-- giraal en € 20.000,-- contant aan [naam 5] AG, vertegenwoordigd door [naam 6] , zal betalen.232 Tevens is een betalingskwitantie aangetroffen, waaruit blijkt dat verdachte op 22 februari 2013 € 20.000,-- contant aan [naam 6] heeft betaald.233

Ter zitting van 22 januari 2020 heeft verdachte erkend dat hij € 50.000,-- aan [naam 6] heeft betaald, maar heeft hij wisselend verklaard over de wijze waarop hij dit heeft betaald: ‘Ik heb een bedrag overgemaakt en hem contant geld gegeven. De hoogte van de bedragen weet ik niet’ en ‘Ik heb die € 20.000,-- en € 30.000,-- contant aan [naam 6] gegeven in Marbella’. Naar eigen zeggen heeft hij deze gelden bovendien deels terug gekregen234, wat ook blijkt uit de bankmutaties van [bedrijf 24] . Van [naam 5] AG wordt op 19 maart 2014
€ 2.000,--, op 10 juni 2014 € 7.217,64, op 6 augustus 2014 € 5.000,-- en op 7 november 2014 € 7.000,-- ontvangen.235 Ook heeft verdachte naar eigen zeggen ‘een paar duizend euro contant van hem gekregen’, als terugbetaling.236

De rechtbank overweegt dat het dossier geen enkele steun bevat voor de verklaring van verdachte dat hij naast de € 20.000,-- ook de € 30.000,-- contant aan [naam 6] heeft gegeven. Dit wordt bovendien weersproken door de girale betaling van [verdacht bedrijf 1] naar [naam 6] , waarbij de hoogte van het bedrag en het factuurnummer overeenkomen met de factuur (aan [bedrijf 68] ) die door verdachte is gemaakt. Daarnaast komen de betaalwijze (giraal) en betaaldatum (21 februari 2013) overeen met de participation agreement die in de woning van verdachte is aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarom vast dat verdachte op de hiervoor genoemde wijze € 30.000,-- giraal en € 20.000,-- contant aan [naam 6] heeft betaald.

Ten aanzien van de girale betaling

Ten aanzien van voornoemde girale betaling van € 30.000,-- vanaf het interne account van [bedrijf 68] bij [verdacht bedrijf 1] naar [naam 6] overweegt de rechtbank het volgende.

Uit hetgeen hiervoor bij feit 3 onder 1 en 2 is overwogen blijkt dat [bedrijf 68] als ploffer kan worden aangemerkt. Uit hetgeen hierover bij feit 1, onder 3 is overwogen blijkt bovendien dat verdachte zeggenschap had over het interne account van [bedrijf 68] bij [verdacht bedrijf 1] .

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van btw-carrouselfraude (inleiding) en deelname aan een criminele organisatie (feit 5 inzake parketnummer 08-996092-14) is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat voornoemde gelden als door misdrijf verkregen gelden kunnen worden aangemerkt op het moment dat ze door [verdacht bedrijf 1] werden ontvangen. Deze gelden hebben immers betrekking op betalingen op basis van valse facturen en (vervolgens) het niet afdragen van in rekening gebrachte en ontvangen btw door de ploffer. Omdat deze gelden steeds afkomstig zijn uit schijnhandel ten behoeve van de btw-carrouselfraude en het oogmerk van de criminele organisatie daar ook steeds op was gericht, kan ook voornoemde overboeking vanaf [verdacht bedrijf 1] naar het oordeel van de rechtbank als van misdrijf afkomstig worden aangemerkt.

Ten aanzien van de contante betaling

Ten aanzien van voornoemde contante betaling van € 20.000,-- door verdachte aan [naam 6] overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat deze € 20.000,-- van enig concreet aan te duiden misdrijf afkomstig is.

Wel is de rechtbank van oordeel dat voornoemde betalingen hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die, in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerken voor – witwassen zijn aan te merken, namelijk het voorhanden hebben van een groot contant geldbedrag en het fysiek vervoeren van een groot contant geldbedrag, terwijl dat een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het desbetreffende geldbedrag.

Ten aanzien van de herkomst van dit geldbedrag heeft verdachte ter zitting van 22 januari 2020 echter geen verklaring afgelegd en zich tijdens zijn verhoren door de FIOD op zijn zwijgrecht beroepen.

Bij gebrek aan een concrete verklaring van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft.

Ook wanneer het scenario dat de verdediging ten aanzien van de herkomst van andere contante betalingen naar voren heeft gebracht (‘[verdachte] is eerder veroordeeld en in die zaak is geen ontnemingsprocedure gevolgd’) zou worden gevolgd – in dit verband heeft de verdediging er immers op gewezen dat uit de contante betaling van € 20.000,-- aan [naam 6] blijkt dat verdachte grotere contante geldbedragen voorhanden heeft – is er geen andere conclusie mogelijk dan dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de hiervoor genoemde geldbedragen (in totaal € 50.000,--) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wist.

Onder 4: declareren en ontvangen gelden [bedrijf 2]

In het financieel verslag 2011 van [bedrijf 2] is onder ‘lonen en salarissen’ een bedrag van
€ 144.000,-- als beheersvergoeding opgenomen.237 Dit bedrag is ook als management fee in de managementovereenkomst opgenomen.238 In de administratie van [bedrijf 2] is een maandelijkse betaling van € 12.000,-- aan [bedrijf 25] opgenomen.239

Hiervoor (bij feit 3 en 4 in de zaak met parketnummer 08/996092-14) heeft de rechtbank al vastgesteld dat [bedrijf 2] in geheel 2011 van verdachte is geweest. Ook heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier blijkt dat de inkoop van alle leveranciers van [bedrijf 2] afkomstig is van ploffers (die wel btw in rekening brengen en ontvangen, maar vervolgens niet afdragen). Deze ploffers verkopen (ver onder de eigen inkoopprijs) door aan de buffers die vervolgens verkopen aan [bedrijf 2] . Andere leveranciers dan deze buffers heeft [bedrijf 2] (in ieder geval in de ten laste gelegde periode (2011) niet gehad.240 Op deze manier heeft [bedrijf 2] de goederen tegen een veel lagere prijs in de handel gekregen.241 Omdat voornoemde gelden dus steeds afkomstig zijn uit schijnhandel ten behoeve van de btw-carrouselfraude en het oogmerk van de criminele organisatie daar ook steeds op was gericht, is de rechtbank van oordeel dat de hele winst van [bedrijf 2] als door misdrijf verkregen kan worden aangemerkt. Daarbij komt dat hiervoor (bij feit 5 in de zaak met parketnummer 08/996092-14) al is komen vast te staan dat verdachte onderdeel was van een criminele organisatie die was gericht op deze btw-carrouselfraude.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de hiervoor genoemde geldbedragen (in totaal € 144.000,--) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wist.

Onder 5: ontvangsten in verband met overdragen [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] Holding

Op 4 juli 2012 wordt [bedrijf 2] overgenomen door [bedrijf 1] Holding, het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 1] .242243 Zowel verdachte244 als [medeverdachte 1]245 hebben verklaard dat de overnamesom € 200.000,-- bedroeg. Zowel verdachte246 als [medeverdachte 1]247 hebben ook verklaard dat hiervoor € 25.000,-- is betaald aan de notaris. Dat blijkt ook uit de (ongetekende) ‘overeenkomst van aandelenoverdracht’, waaruit eveneens blijkt dat vervolgens maandelijks aan verdachte wordt betaald via een ‘earn out constructie’.248 Dit wordt bevestigd door [medeverdachte 1] , die heeft verklaard: ‘Voor het overige is het bedrag € 175.000 betaald uit de winst van [bedrijf 2] . Dit werd door [verdachte] aan [bedrijf 2] gefactureerd. Dit waren meerdere facturen.’249 Ook verdachte heeft verklaard dat hij de overnamesom vervolgens in delen aan [medeverdachte 1] heeft gefactureerd.250

Uit de bankafschriften van [bedrijf 2] blijkt van de volgende betalingen aan [bedrijf 24] na de overnamedatum (waarbij steeds uit de betalingsomschrijving blijkt dat deze ziet op de earn-out):

- op 13 september 2012 een bedrag van € 5.000,--;251

- op 18 september 2012 een bedrag van € 5.000,--;252

- op 10 oktober 2012 een bedrag van € 5.000,--;253

- op 24 oktober 2012 een bedrag van € 5.000,--;254

- op 22 november 2012 een bedrag van € 5.000,--;255

- op 13 december 2012 een bedrag van € 5.000,--;256

- op 10 januari 2013 een bedrag van € 20.000,--;257

- op 28 januari 2013 een bedrag van € 10.000,--;258

- op 5 februari 2013 een bedrag van € 10.000,--;259

- op 18 februari 2013 een bedrag van € 10.000,--;260

- op 4 maart 2013 een bedrag van € 5.000,--.261

Daarnaast is een factuur aangetroffen van 4 juli 2012 van [bedrijf 25] aan [bedrijf 2] voor een bedrag van € 100.000,-- in verband met het leveren van de aandelen inzake de overname aan [bedrijf 1] Holding.262 Uit een aantekening op de factuur263 en volgens de administratie van [bedrijf 2] is dit bedrag verrekend in de rekening-courant.264

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte naast het bedrag van € 25.000,-- dat hij via de notaris heeft ontvangen, nog € 185.000,-- per overboeking of door verrekening heeft ontvangen in het kader van het overdragen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] Holding.

Hiervoor is al overwogen dat de rechtbank van oordeel is dat de hele winst van [bedrijf 2] als door misdrijf verkregen kan worden aangemerkt, dat uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat de bedragen die verdachte in het kader van de overname heeft ontvangen afkomstig zijn uit de winst van [bedrijf 2] en dat verdachte onderdeel uitmaakte van een criminele organisatie die was gericht op deze btw-carrouselfraude. Dat verdachte (formeel) niet meer betrokken was bij [bedrijf 2] maakt dat niet anders. Ook na de overname is [bedrijf 2] immers alleen blijven handelen met buffers en verdachte wist – ook gezien zijn rol in de criminele organisatie – dat [bedrijf 2] alleen geld genereerde door [medeverdachte 6] van btw-carrouselfraude.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de hiervoor genoemde geldbedragen (in totaal € 185.000,--) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wist.

Conclusie ten aanzien van alle onderdelen

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging met anderen van de hiervoor genoemde geldbedragen de werkelijke aard en herkomst heeft verborgen en verhuld, heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende van die geldbedragen was, deze geldbedragen voorhanden heeft gehad en deze geldbedragen verworven, overgedragen, omgezet en gebruikt heeft.

Gewoonte

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte gedurende een lange periode meerdere (grote) geldbedragen heeft witgewassen. Daarom acht de rechtbank tevens het gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.

5.3.4

Ten aanzien van feit 4

[verdacht bedrijf 1]

Ten aanzien van [verdacht bedrijf 1] wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder 4.4.3 is overwogen.

[verdacht bedrijf 1] gebruikte meerdere bankrekeningen bij twee Poolse banken (Nordea Bank en Zachodni Bank). Het betreft onder meer de bankrekeningen eindigend op265:

  • -

    [rekeningnummer 13] (Nordea Bank);

  • -

    [rekeningnummer 14] (Nordea Bank);

  • -

    [rekeningnummer 15] (Nordea Bank);

  • -

    [rekeningnummer 16] (Nordea Bank);

  • -

    [rekeningnummer 17] (Zachodni Bank).

Over deze bankrekeningen liepen de transacties van meerdere bedrijven.266 Voor de vastlegging van interne transacties maakte [verdacht bedrijf 1] gebruik van speciaal daarvoor ontwikkelde software. De mutaties op het interne account vinden binnen het softwareprogramma plaats en zijn daardoor niet zichtbaar voor toezichthouders.267 Hierover heeft [naam 27]268 – die naar eigen zeggen tot december 2011 was betrokken bij [verdacht bedrijf 1]269 – verklaard dat hij kon zien dat er bedragen werden vertraagd of verborgen konden worden gehouden. Hij heeft verklaard: ‘Vertraging in die zin, dat de autoriteiten er niet zo snel achter zouden komen en het onderzoek door politie bemoeilijkt wordt, dit omdat je de interne boekingen nodig hebt om verbanden te kunnen leggen tussen de ingaande en uitgaande betalingen, dit omdat je de tussenliggende transacties niet ziet’.

Gelden afkomstig van [bedrijf 26] BV

Uit het dossier blijkt dat door [bedrijf 72] (de handelsnaam van [bedrijf 26] BV270) op 9 september 2011271 en op 30 september 2011272 gelden, in totaal
€ 23.500,--, vanaf de Nederlandse bankrekening zijn overgemaakt naar de bankrekening van [verdacht bedrijf 1] .

[bedrijf 26] BV (hierna: [bedrijf 26] ) kan als ploffer worden aangemerkt.273 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht. Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.274 De door [bedrijf 26] verrichte betalingen aan [verdacht bedrijf 1] betreffen de positieve winstmarges van de niet afgedragen omzetbelasting.275 Een deel van deze gelden is vervolgens door [verdacht bedrijf 1] doorgeboekt.276

Gelden afkomstig van [bedrijf 17] BV

Handelsnamen van [bedrijf 17] BV waren (met ingang van 31 mei 2011) [bedrijf 73] , (met ingang van 14 juni 2011) tevens [bedrijf 4] .nl en (met ingang van
1 november 2011) [bedrijf 4] .277

Medeverdachte [medeverdachte 5] , die in 2011 middellijk en onmiddellijk bestuurder van [bedrijf 17] BV is geweest, heeft verklaard dat hij de beschikking had over de ING-rekening [rekeningnummer 18] ten name van [bedrijf 4] CV, een bedrijf dat hij vroeger samen met zijn broer had278 en dat hij de gegevens van die bankrekening over heeft gedragen. [medeverdachte 5] ging ervan uit dat hij daarvan stukken zou krijgen van medeverdachte [medeverdachte 4] , betreffende de betalingen en ontvangsten, en dat hij die dan zou moeten verwerken.279

Uit het dossier blijkt dat vanaf de Nederlandse bankrekening [rekeningnummer 18] in de periode van 25 augustus 2011 tot en met 4 november 2011280 gelden, in totaal € 167.170,--, zijn overgeboekt naar de bankrekening van [verdacht bedrijf 1] .

Hiervoor (bij feit 3 in de zaak met parketnummer 08/996092-14) is al overwogen dat [bedrijf 17] BV als ploffer kan worden aangemerkt. De door [bedrijf 17] BV verrichte betalingen aan [verdacht bedrijf 1] betreffen de positieve winstmarges van de niet afgedragen omzetbelasting.281

De rechtbank kan op basis van het onderhavige dossier niet vaststellen dat met de op de rekening van [verdacht bedrijf 1] ontvangen bedragen, afkomstig van [bedrijf 17] BV, [medeverdachte 6] een intern systeem transacties zijn verricht en de gelden vervolgens zijn doorgeboekt naar andere (buitenlandse) rekeningen.

Gelden afkomstig van [bedrijf 27] BV

Uit het dossier blijkt dat door [bedrijf 27] BV in de periode van 26 oktober 2011 tot en met 1 december 2011282 gelden, in totaal € 209.450,--, vanaf de Nederlandse bankrekening zijn overgeboekt naar de bankrekening van [verdacht bedrijf 1] .

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 27] als ploffer kan worden aangemerkt.283 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht. Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.284

De door [bedrijf 27] naar [verdacht bedrijf 1] overgeboekte gelden betreffen de positieve winstmarges van de niet afgedragen omzetbelasting.285 Een deel van deze gelden is vervolgens door [verdacht bedrijf 1] doorgeboekt.286

Gelden afkomstig van [bedrijf 13] BV

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 26 oktober 2011 tot en met 15 februari 2012 de geldstroom van [bedrijf 13] BV (uitgaand in totaal € 4.122.290,24, inkomend in totaal
€ 8.265.434,11) via het interne account van [bedrijf 13] BV bij [verdacht bedrijf 1] loopt.287

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 13] BV als ploffer kan worden aangemerkt.288 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht.289 Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.290

Gelden afkomstig van [bedrijf 29]

Uit het dossier blijkt dat door [bedrijf 29] in de periode van 15 februari 2012 tot en met 16 maart 2012291 gelden, in totaal € 69.170,--, vanaf de Nederlandse bankrekening zijn overgeboekt naar de bankrekening van [verdacht bedrijf 1] . Dit betreft de positieve winstmarge van de niet afgedragen omzetbelasting.292 Een deel van deze gelden is vervolgens door [verdacht bedrijf 1] doorgeboekt.293 Daarnaast blijkt uit het dossier dat in de periode van 7 februari 2012 tot en met 25 mei 2012 de geldstroom van [bedrijf 29] (uitgaand en inkomend beide in totaal
€ 584.842,--) via het interne account van [bedrijf 29] bij [verdacht bedrijf 1] loopt.294

Hiervoor (bij feit 3 in de zaak met parketnummer 08/996092-14) is al overwogen dat [bedrijf 29] als ploffer kan worden aangemerkt.

Gelden afkomstig van [bedrijf 11]

Uit het dossier blijkt dat door [bedrijf 11] in de periode van 29 maart 2012 tot en met 13 april 2012295 gelden, in totaal € 15.000,--, vanaf de Nederlandse bankrekening zijn overgeboekt naar de bankrekening van [verdacht bedrijf 1] .

Daarnaast blijkt uit het dossier dat in de periode van 28 februari 2012 tot en met 28 mei 2012 de geldstroom van [bedrijf 11] (uitgaand in totaal € 5.774.116,50 en inkomend in totaal
€ 6.070.076,73) via het interne account van [bedrijf 11] bij [verdacht bedrijf 1] loopt.296

Hiervoor (bij feit 3 in de zaak met parketnummer 08/996092-14) is al overwogen dat [bedrijf 11] als ploffer kan worden aangemerkt.

De door [verdacht bedrijf 1] van [bedrijf 11] ontvangen gelden betreffen de niet afgedragen omzetbelasting.297 Een deel van deze gelden is vervolgens door [verdacht bedrijf 1] doorgeboekt.298

Gelden afkomstig van [bedrijf 14] (handelsnaam: [bedrijf 30] 299 )

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 21 maart 2012 tot en met 16 mei 2012 de geldstroom van [bedrijf 14] (uitgaand in totaal € 2.316.756,32, inkomend in totaal € 2.362.028,88) via het interne account van [bedrijf 14] bij [verdacht bedrijf 1] loopt.300

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 14] als ploffer kan worden aangemerkt.301 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht.302 Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.303

Gelden afkomstig van [bedrijf 32] BV (handelsnaam: [bedrijf 31] 304 )

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 23 mei 2012 tot en met 13 juni 2012 de geldstroom van [bedrijf 32] BV (uitgaand in totaal € 1.025.654,--, inkomend in totaal € 1.042.642,64) via het interne account van [bedrijf 32] BV bij [verdacht bedrijf 1] loopt.305

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 32] BV als ploffer kan worden aangemerkt.306307 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht.308 Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.309

Gelden afkomstig van [bedrijf 33] BV (handelsnaam: [bedrijf 34] 310 )

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 14 mei 2012 tot en met 22 augustus 2012 de geldstroom van [bedrijf 34] (uitgaand in totaal € 3.706.345,41, inkomend in totaal € 3.707.110,80) via het interne account van [bedrijf 33] BV bij [verdacht bedrijf 1] loopt.311

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 33] BV als ploffer kan worden aangemerkt.312 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht.313 Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.314

Gelden afkomstig van [bedrijf 19] BV (handelsnaam: [bedrijf 19] 315 )

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 23 augustus 2012 tot en met 16 november 2012 de geldstroom van [bedrijf 19] (hierna: [bedrijf 19] ) (uitgaand in totaal
€ 9.208.661,80, inkomend in totaal € 378.934,49) via het interne account van [bedrijf 19] bij [verdacht bedrijf 1] loopt.316

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 19] als ploffer kan worden aangemerkt.317 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht.318 Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.319

Gelden afkomstig van [bedrijf 35] BV

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 25 september 2012 tot en met 15 november 2012 de geldstroom van [bedrijf 35] BV (uitgaand in totaal € 3.673.721,96, inkomend in totaal € 3.695.105,41) via het interne account van [bedrijf 35] BV bij [verdacht bedrijf 1] loopt.320 Uit de bankrekening van [verdacht bedrijf 1] kan worden opgemaakt dat er ook daarna, tot en met 18 december 2012, transacties hebben plaatsgevonden, echter ontbreken deze op de bankafschriften van [verdacht bedrijf 1] en is het overzicht van het interne account onzichtbaar gebleven in het opsporingsonderzoek.321

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 35] BV als ploffer kan worden aangemerkt.322

Gelden afkomstig van [bedrijf 36] BV (handelsnaam: [bedrijf 36] 323 )

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 29 november 2012 tot en met 21 januari 2013 de geldstroom van [bedrijf 36] BV (uitgaand in totaal € 4.012.262,96, inkomend in totaal
€ 3.174.018,40) via de bankrekeningen van [verdacht bedrijf 1] loopt.324 Het overzicht van het interne account is onzichtbaar gebleven in het opsporingsonderzoek, waardoor slechts een deel van de financiële transacties, de hiervoor genoemde, zijn te herleiden uit de bankafschriften van [verdacht bedrijf 1] .325

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 36] BV als ploffer kan worden aangemerkt.326

Gelden afkomstig van [bedrijf 37] BV (handelsnaam: [bedrijf 37] 327 )

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 29 januari 2013 tot en met 15 maart 2013 de geldstroom van [bedrijf 37] BV (uitgaand in totaal € 7.735.829,54, inkomend in totaal
€ 8.082.441,53) via de bankrekeningen van [verdacht bedrijf 1] loopt.328 Het overzicht van het interne account is onzichtbaar gebleven in het opsporingsonderzoek, waardoor slechts een deel van de financiële transacties, de hiervoor genoemde, zijn te herleiden uit de bankafschriften van [verdacht bedrijf 1] .329

Uit het dossier blijkt verder dat [bedrijf 37] BV als ploffer kan worden aangemerkt.330 Steeds werd ingekocht bij een leverancier in het buitenland, zonder btw, en vervolgens (door)verkocht aan een afnemer in Nederland waarbij btw in rekening werd gebracht.331 Deze in rekening gebrachte btw is niet afgedragen aan de Belastingdienst.332

Afkomstig uit enig misdrijf

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van btw-carrouselfraude (inleiding) en deelname aan een criminele organisatie (feit 5 inzake parketnummer 08/996092-14) is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat voornoemde gelden als door misdrijf verkregen gelden kunnen worden aangemerkt op het moment dat ze door [verdacht bedrijf 1] werden ontvangen. Deze gelden hebben immers betrekking op betalingen op basis van valse facturen en (vervolgens) het niet afdragen van in rekening gebrachte en ontvangen btw door de ploffer. Omdat voornoemde gelden steeds afkomstig zijn uit schijnhandel ten behoeve van de btw-carrouselfraude en het oogmerk van de criminele organisatie daar ook steeds op was gericht, kan de volledige omzet naar het oordeel van de rechtbank als van misdrijf afkomstig worden aangemerkt.

Sub a: de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding en verplaatsing verhullen en verbergen en verbergen en verhullen wie de rechthebbende van voornoemde geldbedragen is

De rechtbank overweegt dat uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat de in- en uitgaande betalingen van een groot aantal ploffers - te weten alle ten laste gelegde ploffers met uitzondering van [bedrijf 17] BV - via de bankrekeningen en het interne, voor toezichthouders onzichtbare, systeem van [verdacht bedrijf 1] is gelopen en dat de winstmarge, de niet afgedragen btw, van een aantal ploffers is overgeboekt naar [verdacht bedrijf 1] . [verdacht bedrijf 1] heeft geen banklicentie, waardoor geen afhankelijkheid heeft bestaan van toezichthoudende instanties en door het gebruik van een ‘black box’ was de prijsval aan het zicht onttrokken en waren de gelden niet traceerbaar. Hiermee heeft [verdacht bedrijf 1] naar het oordeel van de rechtbank de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing en de rechthebbende van deze gelden verborgen en verhuld.

Sub b: voornoemde geldbedragen verworven, voorhanden gehad en overgedragen

De rechtbank overweegt dat uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat deze gelden op de bankrekeningen van [verdacht bedrijf 1] zijn ontvangen en vervolgens (met uitzondering van de gelden afkomstig van [bedrijf 17] BV) gedeeltelijk zijn overgeboekt naar andere bankrekeningen. Hiermee heeft [verdacht bedrijf 1] de geldbedragen naar het oordeel van de rechtbank verworven, voorhanden gehad en overgedragen.

Betrokkenheid verdachte

Uit de hiervoor weergegeven verklaring van [naam 17] volgt dat verdachte klanten aanleverde voor [verdacht bedrijf 1] en daarvoor ook betaald kreeg.333 Zo heeft [naam 17] verklaard: ‘[verdachte] heeft uit Nederland klanten meegebracht334, ‘niet alleen [bedrijf 35] BV, maar ook nog andere klanten335. Ook heeft hij verklaard dat [verdachte] tot het einde bij [verdacht bedrijf 1] was.336 [naam 17] heeft verder verklaard dat verdachte in de winst is gaan delen nadat [naam 27] [verdacht bedrijf 1] heeft verlaten.337 [naam 27] heeft verklaard dat hij op
19 december 2011 uit [verdacht bedrijf 1] is getreden.338

Uit het voorgaande (bij feit 3 in de zaak met parketnummer 08/950462-15) is al gebleken van de girale betaling aan [naam 6] (€ 30.000,--) die vanaf het interne account van [bedrijf 68] van [verdacht bedrijf 1] afkomstig is en dat [bedrijf 68] als ploffer kan worden aangemerkt. Ook de betaling aan [bedrijf 20] is afkomstig van het interne account van [bedrijf 68] , zoals uit het voorgaande is gebleken (bij feit 1 in de zaak met parketnummer 08/950462-15). Verder blijkt onder meer dat de oprichtingskosten en jaarfee van verdachtes Panamese vennootschap [bedrijf 74] SA339 via het interne account van [bedrijf 75] Ltd bij [verdacht bedrijf 1] zijn voldaan.340 Daarbij komt dat hiervoor (bij feit 5 in de zaak met parketnummer 08/996092-14) al is komen vast te staan dat verdachte onderdeel was van een criminele organisatie die was gericht op de btw-carrouselfraude.

Conclusie

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte vanaf 1 januari 2011, het moment waarop hij als feitelijke leidinggever bij [bedrijf 2] betrokken is geraakt, daadwerkelijk een bijdrage heeft geleverd aan [verdacht bedrijf 1] door het aanleveren van nieuwe klanten/ploffers, heeft meegedeeld in de winst van [verdacht bedrijf 1] , daadwerkelijk beschikking – dan wel zeggenschap of bemoeienis over uitbetaling – heeft gehad van gelden binnen de interne accounts van ploffers bij [verdacht bedrijf 1] en facturen voor [verdacht bedrijf 1] kreeg toegestuurd. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte binnen [verdacht bedrijf 1] en bij dit feit van voldoende gewicht is geweest om te komen tot een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van dit feit.

Door de verdediging is het voorwaardelijke verzoek gedaan om de administratie, bankafschriften en het communicatieverkeer van 72 ondernemingen aan het dossier toe te voegen als de rechtbank het Excel-bestand ‘ExpressOffice-eTradeFactoring- [verdacht bedrijf 1] -Transfers.xlsx’ en de daarop gebaseerde bevindingen als bewijsmiddel zou gebruiken. Nu de rechtbank dit Excel-bestand en de daarop gebaseerde bevindingen niet voor het bewijs heeft gebruikt, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet vervuld en komt de rechtbank niet toe aan de behandeling daarvan.

Gewoonte

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn mededaders gedurende een lange periode meerdere (grote) geldbedragen hebben witgewassen. Gelet op die frequentie, de lange periode en het oogmerk van de criminele organisatie dat was gericht op schijnhandel ten behoeve van de btw-carrouselfraude, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn mededaders een gewoonte hebben gemaakt van witwassen.

6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

inzake parketnummer 08/996092-14:

3.

primair:

de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juli 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en),

telkens haar bedrijfsadministratie - zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, door meerdere valselijk opgemaakte facturen, te weten:

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 5] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-0138, gedateerd 5 april 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 146.013,00, en

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-348, gedateerd 7 oktober 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 109.338,39, en

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 6] B.V., voorzien van het factuurnummer 2011-478, gedateerd 24 november 2011, vermeldende het factuurbedrag EUR 574.289,24, en

- een factuur vermeldende als afzender [bedrijf 7] B.V., voorzien van het factuurnummer 20120010, gedateerd 15 februari 2012, vermeldende het factuurbedrag EUR 182.546,00,

bestaande de valsheid van de bedoelde factu(u)r(en) daarin dat op de factu(u)r(en) telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, was vermeld - zakelijk weergegeven - dat tussen [bedrijf 2] B.V. en de afzender van die factu(u)r(en) een (legitieme) goederentransactie en/of levering had plaatsgevonden en dat [bedrijf 2] B.V. (ter zake daarvan) een geldbedrag en omzetbelasting verschuldigd was, immers was er sprake van schijntransacties,

opzettelijk in die bedrijfsadministratie te verwerken, zulks telkens met het oogmerk om die bedrijfsadministratie, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

primair:

de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2013 in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten meerdere (elektronische) aangiften voor de omzetbelasting ten naam van [bedrijf 2] B.V., betreffende de jaren 2011 en 2012, waaronder:

- de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2011, en

- de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2011, en

- de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal 2012,

onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteurs der belastingen of de Belastingdienst, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid telkens hierin bestaan dat op de aangifte(n) een onjuist bedrag aan omzet en/of een onjuist bedrag aan (betaalde) voorbelasting en/of een onjuist bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, feitelijke leiding heeft gegeven;

5.

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 3 maart 2015 in Nederland, heeft deelgenomen, aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 8] B.V. en [bedrijf 39] B.V. en [bedrijf 10] B.V. en [bedrijf 11] B.V. en [bedrijf 12] en [bedrijf 13] B.V. en [bedrijf 14] B.V. en [bedrijf 15] B.V. en [bedrijf 16] en [bedrijf 17] B.V. en [bedrijf 18] B.V. en [bedrijf 19] B.V.,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk te weten:

- valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht, en

- het opzettelijk niet en/of onjuist en/of onvolledig doen van bij de belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven (btw-carrouselfraude), als bedoeld in artikel 69 eerste en/of tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en

- het opzettelijk begaan van feiten als omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a en/of b en/of c en/of d en/of e en/of f en/of g, als bedoeld in artikel 69, eerste en/of tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en

- bedrieglijke bankbreuk, als bedoeld in artikel 341 Wetboek van Strafrecht;

inzake parketnummer 08/950462-15:

1.

hij in de periode van 17 juni 2010 tot en met 27 juni 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen van geldbedragen:

- de werkelijke aard en de herkomst, verborgen of verhuld; en

- verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedrag(en) is/was; en

- die geldbedragen voorhanden gehad; en

- die geldbedragen overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens wisten dat die geldbedragen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

te weten:

3. het doen of laten storten van geldbedragen, in totaal EURO 320.000,--, op een bankrekening aangehouden door [bedrijf 20] B.V. en deze ontvangsten in strijd met de waarheid in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 20] B.V. te verwerken als een geldlening;

3.

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2015 in Nederland en/of in de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China en/of in het Koninkrijk Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen van geldbedragen:

- de werkelijke aard en de herkomst verborgen of verhuld; en/of

- verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen is/was; en/of

- die geldbedrag(en) voorhanden gehad; en/of

- die geldbedrag(en) verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten dat die geldbedragen
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:

1. het doen of laten storten van geldbedragen (in totaal ongeveer EURO 220.000) op een rekening met het nummer [rekeningnummer 5] die op naam van [bedrijf 23] Limited is geopend en is aangehouden bij de HSBC Bank AG te Hong Kong; en

2. het doorstorten van ongeveer EURO 37.000,-- naar een bankrekening van [bedrijf 24] SL, zijnde een door hem, verdachte, gecontroleerde rechtspersoon en naar een bankrekening van [naam 4] ; en

3. het doen van een betaling in contanten, groot EURO 20.000,-- aan [naam 6] en het overboeken van een geldbedrag, groot EURO 30.000,- aan [naam 6] ; en

4. het in het jaar 2011 declareren bij en ontvangen van [bedrijf 2] B.V. van een geldbedrag, in totaal groot EURO 144.000,--, door [bedrijf 25] B.V., zijnde een door hem, verdachte, gecontroleerde rechtspersoon; en

5. het aannemen/ontvangen van een bedrag, groot EURO 185.000,--, [medeverdachte 6] overboeking per bank en/of [medeverdachte 6] verrekening in rekening courant in het kader van het overdragen van [bedrijf 2] B.V. aan [bedrijf 1] Holding B.V.;

4.

in de periode van 10 augustus 2011 tot en met 1 mei 2013 in Nederland en/of in Polen en/of elders in Europa, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en), waaronder [verdacht bedrijf 1] en/of natuurlijke perso(o)n(en) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij (telkens),

a. a) van geldbedragen de werkelijke aard en de herkomst en de vindplaats en de vervreemding en de verplaatsing verborgen en verhuld en verborgen en verhuld wie de rechthebbende is van voornoemde geldbedragen en/of wie voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had, en/of

b) geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen,

immers hebben verdachte en/of diens medeverdachten, geldbedragen, afkomstig en/of op naam van [bedrijf 26] BV en [bedrijf 27] BV en [bedrijf 13] BV en [bedrijf 29] vof en [bedrijf 11] BV en [bedrijf 14] BV (handelsnaam: [bedrijf 30] ) en [bedrijf 32] BV (handelsnaam: [bedrijf 31] ) en [bedrijf 33] BV (handelsnaam: [bedrijf 34] ) en [bedrijf 19] BV (handelsnaam: [bedrijf 19] ) en [bedrijf 35] BV en [bedrijf 36] BV (handelsnaam: [bedrijf 36] ) en [bedrijf 37] BV (handelsnaam: [bedrijf 37] ),

overgemaakt en/of over laten maken naar en/of ontvangen op een van de bankrekening(en) toebehorende aan verdachte, [verdacht bedrijf 1] , en/of diens (andere) medeverdachte(n),

en

(vervolgens) met deze geldbedragen transacties verricht [medeverdachte 6] een (intern) systeem, welk in beheer en/of onder controle was van verdachte en/of van diens medeverdachte(n), welk systeem erin bestond dat de ontvangen geldbedragen konden worden over-/doorgeboekt ten behoeve van een andere partij, waarbij (intern) een administratie van deze transactie(s) werd bijgehouden en/of [medeverdachte 6] een intern boekingssysteem geadministreerd, en waardoor als gevolg van het gebruik van dit (intern) betalingsplatform vooromschreven transactie(s) niet traceerbaar/herleidbaar was/waren voor derden en waardoor niet meer de herkomst en/of eigenaar en/of rechthebbende en/of vindplaats kon worden vastgesteld van voorbedoelde geldbedrag(en),

en vervolgens vanaf voornoemde bankrekening(en) en/of betalingsplatform een of meer geldbedrag(en) overgeboekt naar andere (buitenlandse) bankrekeningen,

terwijl zij wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feiten 3, 4 en 5 van parketnummer 08/996092-14 en feiten 1, 3 en 4 van parketnummer 08/950462-15 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

7 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 140, 225, 420bis en 420ter Sr en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

inzake parketnummer 08/996092-14

feit 3

het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon waaraan verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

inzake parketnummer 08/950462-15

feiten 1, 3 en 4

telkens het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

9 De op te leggen straf of maatregel

9.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van de onder parketnummer 08/996092-14 onder 1 tot en met 5 en onder parketnummer 08/950462-15 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot vier jaren en tien maanden gevangenisstraf met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Daartoe hebben de officieren van justitie in het bijzonder nog aangevoerd dat gelet op zijn aansturende en regisserende rol, het nadeel, de aard, ernst en duur van de feiten, het georganiseerd verband binnen welke de feiten werden gepleegd en de recidive van verdachte een gevangenisstraf van zeven jaren passend zou zijn. Gelet op een overschrijding van de redelijke termijn met 23 maanden en het gegeven dat de voorlopige hechtenis van verdachte lang heeft geduurd, achten de officieren van justitie evenwel een gevangenisstraf van vijf jaren passend.

Daarnaast hebben de officieren van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van € 20.668,43, te vervangen door 138 dagen hechtenis bij niet betalen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte niet de grote man achter de schermen is geweest en dat de strafeis zodoende disproportioneel is. Verdachte heeft zich de afgelopen jaren aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en heeft geen strafverhogende recidive. De verdediging heeft de rechtbank verzocht daar rekening mee te houden. De verdediging heeft verder verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, subsidiair de schorsing van de voorlopige hechtenis te continueren.

9.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Binnen de btw-carrousel werden fictieve handelsstromen vorm gegeven door gebruik te maken van onder andere valse facturen. Doordat binnen de btw-carrousel de ploffers geen omzetbelasting afdroegen, konden de ploffers ruim onder de inkoopprijs doorverkopen aan buffers, welke buffers dan ieder een deel van de ‘winst’ - die enkel kon worden behaald doordat de ploffer geen omzetbelasting afdroeg - konden behouden. Deze gedragingen vonden plaats in het verband van een criminele organisatie. Verdachte heeft een wezenlijke rol gespeeld binnen deze btw-carrousel.

Bewezen is verklaard dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] en het opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting van [bedrijf 2] in de periode van het eerste kwartaal 2011 tot en met het tweede kwartaal 2012. De goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting staat of valt bij de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Door opzettelijk niet of onjuist aangiften te doen heeft verdachte bijgedragen aan de ondergraving van het systeem van de heffing van omzetbelasting.

Verder is bewezenverklaard dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van in totaal ruim € 750.000,--, alsmede dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen met gebruik van de betalingsplatforms.

Verdachte hield zich actief bezig met de goederen- en facturenstromen en had een aansturende rol binnen de btw-carrousel. Binnen de criminele organisatie, waarbinnen voor honderden miljoenen euro’s werd omgezet, had verdachte dan ook een essentiële rol.

De rechtbank houdt er bij de straftoemeting in het nadeel van verdachte rekening mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor fraude gerelateerde strafbare feiten en deelneming aan een criminele organisatie.

De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst met ingang van 22 juli 2015 tot aan de datum van de uitspraak. De rechtbank houdt in matigende zin rekening met de lange duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, passend en geboden.

In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 3 maart 2015 aangehouden in Spanje. Op die datum is de redelijke termijn gaan lopen. Op 6 april 2020 wijst de rechtbank vonnis. Aldus wordt pas na vijf jaren en één maand vonnis gewezen. Gedurende deze jaren hebben er diverse zittingen, waaronder ook meerdere regiezittingen, plaatsgevonden en is een groot aantal getuigen, waarvan een groot deel in het buitenland verbleef, gehoord. De ingewikkeldheid en omvang van de onderhavige zaak brengt met zich dat een langere duur dan twee jaren is gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank is in totaal een periode van 23 maanden aan te merken als overschrijding van de redelijke termijn, nu in deze periode door omstandigheden die niet aan de raadslieden van verdachte te wijten zijn geen tot weinig activiteiten hebben plaatsgevonden in het uitvoeren van de toegewezen onderzoekswensen. Met deze schending van de redelijke termijn dient rekening te worden gehouden bij de strafoplegging.

De rechtbank zal de straf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Met betrekking tot de voorlopige hechtenis van verdachte

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst tot het moment van de einduitspraak in de strafzaak. De rechtbank zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis niet opheffen, nu de ernstige bezwaren – gezien de bewezenverklaringen – nog immer aanwezig zijn. Daarnaast is sprake van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert, omdat er blijkt van ernstig gevaar voor vlucht en er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen. Het bevel voorlopige hechtenis herleeft dus weer met ingang van 6 april 2020 om 9.30 uur.

9.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte is beslag gelegd op:

  • -

    de tegoeden van drie Spaanse bankrekeningen, te weten Banco Sabadell reknr [rekeningnummer 19] , Banco Sabadell reknr [rekeningnummer 20] en Banco Sabadell reknr [rekeningnummer 21] , van respectievelijk € 8.779,91,
    € 708,46 en € 226,31;

  • -

    meerdere onroerende zaken in Spanje, omschreven als (1) [adres 2] , Marbella, (2) [adres 3] , Marbella, (3) [adres 4] , Marbella en (4) [adres 5] , Marbella;

  • -

    een Breitling-horloge;

  • -

    zijn paspoort;

  • -

    een contant geldbedrag van € 1.000,--.

De officieren van justitie hebben een geldboete geëist ter hoogte van de beslagen geldbedragen op de bankrekeningen ten name van verdachte, het contante geld en de waarde van het Breitling-horloge. Zij hebben verder gesteld dat de bankrekening ten name van [bedrijf 76] en het onroerend goed in Spanje in de ontnemingsprocedure worden meegenomen. Tot slot hebben zij teruggave van het paspoort bepleit, mits de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ter zake het beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het Breitling-horloge, het contante geldbedrag van € 1.000,-- en het tegoed op de Spaanse bankrekening Banco Sabadell rekeningnummer [rekeningnummer 19] van € 8.779,91, moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreft die aan verdachte toebehoren of die hij geheel of ten dele te eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door [medeverdachte 6] van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.

De rechtbank gelast de teruggave van het paspoort aan verdachte aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Ten aanzien van de overige op de beslaglijst vermelde goederen en het contante geld overweegt de rechtbank als volgt. Door het Openbaar Ministerie is een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangekondigd. In het licht van die aanzegging kan niet worden uitgesloten dat er beslag is gelegd op grond van artikel 94a Sv. Op basis van het onderhavig dossier kan de rechtbank, bij gebreke van kennisgevingen van inbeslagneming, niet beoordelen of op de tegoeden van de bankrekeningen, de onroerende zaken en het contante geld beslag ex artikel 94 Sv of artikel 94a Sv is gelegd. Ook voor het overige is er door de officieren van justitie en de verdediging hierover geen duidelijkheid verschaft. De rechtbank kan zodoende geen beslissing nemen over deze in beslag genomen goederen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a, 47, 51, 57 en 63 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

nietigverklaring

- verklaart de dagvaarding onder parketnummer 08/996092-14 partieel nietig voor wat betreft:

- het onderdeel ‘een groot aantal…waaronder onder meer’ onder feiten 1 en 3;

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 onder parketnummer 08/996092-14 en onder feit 2 onder parketnummer 08/950462-15 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 3, 4 en 5 onder parketnummer 08/996092-14 en onder feiten 1, 3 en 4 onder parketnummer 08/950462-15 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Inzake parketnummer 08/996092-14:

feit 3: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon waaraan verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 4: het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 5: het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Inzake parketnummer 08/950462-15:

feiten 1, 3 en 4: telkens het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten het Breitling-horloge, het contante geldbedrag van € 1.000,-- en het tegoed op de Spaanse bankrekening Banco Sabadell rekeningnummer [rekeningnummer 19] van € 8.779,91;

- gelast de teruggave van het paspoort aan verdachte;

bevel voorlopige hechtenis

- het bevel tot voorlopige hechtenis wordt niet opgeheven, noch opnieuw geschorst, waardoor het bevel met ingang van heden herleeft.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. M.M. Lorist, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen en mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD, met dossiernummers 50934 en 56341 (onderzoek [medeverdachte 4] en onderzoek Vertigo). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, gesloten op 12 mei 2015

2 OPV – AH-500, pag. 35 bovenaan en pag. 37, halverwege.

3 AH-500, pag. 36 onderaan.

4 AH-500, pag. 2.

5 Uittreksel KvK D-158.

6 AH-503, pag. 5 halverwege.

7 AH-501, pag. 4 onderaan en AH-057, pag. 10 bovenaan, uittreksel KvK, D-1110.

8 AH-500, pag. 2; zie ook de ambtsedige verklaring van [verbalisant] , AH 212, pag. 3, 4 en 5.

9 AH-500, pag. 2 onderaan en pag. 3 bovenaan.

10 AH-513, pag. 4 halverwege.

11 D-158, uittreksel Kamer van Koophandel, [bedrijf 2] .

12 AH-506, pag. 7 en D-158.

13 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 5.

14 V-025-01, pag. 5 halverwege.

15 V-021-02, pag. 2 halverwege.

16 V-021-02, pag. 2 halverwege en V-025-01, pag. 5 halverwege.

17 G-019-01, pag. 2 onderaan.

18 G-014-01, pag. 2 halverwege.

19 V-021-02, pag. 4 bovenaan en halverwege.

20 V-025-01, pag. 12 bovenaan.

21 AH-500, pag. 38.

22 D-1229.

23 D-032, D-037, pag. 6, 7, 10 en 11, D-090, pag. 10 tot en met 13: facturen gericht aan [bedrijf 2] .

24 G-014-01, pag. 5 halverwege.

25 G-014-01, pag. 3 onderaan.

26 G-014-01, pag. 5 onderaan.

27 G-019-01, pag. 2 halverwege.

28 G-019-01, pag. 5 onderaan.

29 G-019-01, pag. 3 halverwege.

30 G-019-01, pag. 8 bovenaan.

31 V-021-09, pag. 2 halverwege.

32 V-021-09, pag. 2 halverwege.

33 V-021-09, pag. 2 onderaan en 3 bovenaan.

34 V-021-09, pag. 4 bovenaan.

35 V-021-09, pag. 4 bovenaan.

36 V-021-09, pag. 4 halverwege.

37 AH-121, pag. 2 onderaan, en AH-103, proces-verbaal doorzoeking en inbeslagneming, woning [medeverdachte 6] .

38 D-430.

39 AH-181, pag. 6.

40 AH-532, pag. 9.

41 AH-181, pag. 2.

42 AH-551 pag. 62.

43 AH-121, pag. 5 tot en met 31.

44 AH-121, pag. 32.

45 V-021-02, pag. 8 halverwege.

46 AH-285, pag. 1 onderaan en RHV-9-012, pag. 1.

47 AH-285, pag. 1 halverwege.

48 AH-285, pag. 2.

49 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 8.

50 D-1637.

51 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 8.

52 AH-285, pag. 4.

53 D-1640, pag. 11.

54 D-1640, pag. 12.

55 D-1640, pag. 12.

56 D-073, pag. 10.

57 D-355, pag. 1.

58 D-354, pag. 1.

59 AH-181, pag. 5.

60 AH-181, pag. 5.

61 AH-533, pag. 8 halverwege.

62 AH-500, pag. 6, onderaan.

63 AH-500, pag. 61, bovenaan.

64 D-225, pag. 22.

65 AH-172, pag. 3 en D-945, pag. 4 en 5.

66 AH-172, pag. 1 en 3 bovenaan.

67 AH-172, pag. 3.

68 D-946.

69 D-946.

70 AH-172, pag. 4 onderaan.

71 D-947, verkoopfactuur [bedrijf 47] aan [bedrijf 46] .

72 D-948, verkoopfactuur [bedrijf 46] aan [bedrijf 3] .

73 D-384, pag. 6 factuur [bedrijf 3] BV aan [bedrijf 5] .

74 AH-172, pag. 5 bovenaan.

75 AH-172, pag. 5 onderaan en D-225, pag. 22, verkoopfactuur [bedrijf 5] BV 5 april 2011, factuurnr 2011-0138.

76 D-491, regel 88 en D-491-88.

77 D-247, pag. 87.

78 AH-172, pag. 4 bovenaan.

79 AH-172, pag. 3 bovenaan en D-945, pag. 4.

80 AH-172, pag. 6 bovenaan en D-949, administratie [bedrijf 8] .

81 D-950.

82 D-247, pag. 87.

83 AH-172, pag. 7 bovenaan.

84 D-491, regel 199 en D-491-199.

85 D-247, pag. 39.

86 AH-167, pag. 2 onderaan e.v.

87 D-841.

88 AH-167, pag. 6, halverwege en D-842, transactiegegevens [bedrijf 8] .

89 AH-167, pag. 7 bovenaan en D-842; datum release 5 december 2011.

90 D-843; datum release 30 november 2011; zie ook D-842.

91 D-844; datum release 25 november 2011; zie ook D-842.

92 D-845; datum release 30 november 2011; zie ook D-842.

93 D-846; datum release 2 december 2011; zie ook D-842.

94 AH-167, pag. 8 halverwege en skypegesprekken: D-847, pag. 1 en D-847, pag. 5.

95 AH-167, pag. 8 onderaan en 9 bovenaan en D-200, pag. 40 en 42.

96 D-247, pag. 39.

97 D-200, pag. 40 en 41.

98 AH-167, pag. 9 onderaan en pag. 10 bovenaan.

99 D-246, pag. 34.

100 AH-151, pag. 2 halverwege en D-716.

101 D-718, pag. 1 en 2.

102 D-719, D-720, D-721, D-722, D-723, D-724 en D-725

103 AH-151, pag. 2 halverwege.

104 AH-151, pag. 2 halverwege.

105 D-722, pag. 2.

106 AH-151, pag. 1.

107 AH-151, pag. 4 bovenaan en D-724, pag. 1 en 2.

108 AH-151, pag. 4 halverwege.

109 D-1026, pag. 2 halverwege.

110 AH-151, pag. 5 halverwege..

111 AH-151, pag. 5 halverwege en D-246, pag. 34.

112 AH-151, pag. 5 onderaan.

113 AH-151, pag. 5 onderaan, D-492 regel 51 en D-492-51.

114 AH-151, pag. 6 bovenaan, D-495 regel 51 en D-495-51.

115 D-1064, pag. 6,verkoopfactuur IT-Trader.

116 AH-172, pag. 7 onderaan en pag. 9 bovenaan.

117 AH-133, pag. 2.

118 G-014-01, pag. 4 onderaan. G-019-01, pag. 9.

119 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 5 en 11.

120 G-014-01, pag. 4 halverwege.

121 AH-057, pag. 9 onderaan. AH-133, pag. 11 en 12.

122 AH-057, pag. 23.

123 AH-504, pag. 7 halverwege en onderaan.

124 AH-504, pag. 7 onderaan.

125 AH-057, pag. 5 bovenaan.

126 AH-057, proces-verbaal redelijk vermoeden t.a.v. onder meer [bedrijf 2] en [bedrijf 1] , gesloten 26 maart 2013.

127 AH-212, pag. 16.

128 G-014-01, pag. 9 en 10.

129 AH-512, pag. 19 en 20.

130 V-067-04-1, pag. 21 en 22.

131 V-067-04-1, pag. 20.

132 V-067-04-1, pag. 19.

133 V-067-04-1, pag. 20 en 21.

134 V-067-04-1, pag. 21.

135 V-067-04-1, pag. 20.

136 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020.

137 G-014-01, pag. 6 onderaan.

138 G-014-01, pag. 6 onderaan.

139 G-014-01, pag. 3 onderaan.

140 G-014-01, pag. 4 bovenaan.

141 RHV-9-012, pag. 1

142 D-1192.

143 AH-285, pag. 2 en 3.

144 AH-285, pag. 13.

145 AH-285, pag. 13 en 14.

146 o.a. D-1640, D-1641, AH-289.

147 V-062-03, pag. 4.

148 V-021-09, pag. 6.

149 V-067-06-01, pag. 10.

150 G-054-01-1, pag. 10.

151 G-055-01-1, pag. 14.

152 Het skype-account “ [alias 4] ” is aangetroffen op een Apple Macbook die onder [medeverdachte 3] in beslag is genomen en op de iPad van de echtgenote van [medeverdachte 3] . Op deze iPad werden eveneens aangetroffen het skype-account “ [alias 8] ” en skypeberichten tussen [alias 4] en [alias 8] . Uit de inhoud van deze berichten valt af te leiden dat dit gesprekken zijn tussen echtgenoten.

153 o.a. AH 510, pag. 19 bovenaan.

154 D-425, pag. 4 tot en met 9.

155 D-378.

156 AH-552, pag. 11.

157 D-1186, pag. 2, 3, 4 en 6.

158 D-1465, pag. 1 e.v. en D-1512.

159 D-1465, pag. 55 e.v.

160 V-072-01, pag. 5 bovenaan.

161 V-072-02, pag. 5 halverwege.

162 D-1560-DIGITAAL, pag. 273. D-1455, pag. 4.

163 D-1560-DIGITAAL, pag. 389. D-1455, pag. 7.

164 D-1560-DIGITAAL, pag. 527. D-1455, pag. 12.

165 D-1560-DIGITAAL, pag. 937. D-1455, pag. 20.

166 D-748.

167 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 13.

168 D-641, pag. 2.

169 D-434.

170 G-019-01, pag. 14 bovenaan en halverwege.

171 D-1387, pag. 8 bovenaan.

172 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 13.

173 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 14.

174 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 13.

175 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 13. Pleitnotitie pag. 119: “[verdachte] is eerder veroordeeld en in die zaak is geen ontnemingsprocedure gevolgd. Het gaat dus niet om gelden die zijn verkregen met de BTW-fraude die in deze zaak centraal staat”.

176 Zie ook pleitnotitie pag. 117: “Ook voor het giraal maken van contanten lenen de betalingsplatformen zich goed. Juist vanwege het gebrek aan een sluitende boekhouding”.

177 D-1636.

178 D-1194, pag. 18.

179 D-1522, pag. 2 tot en met 5.

180 D-1194, pag. 18.

181 D-1522, pag. 10 tot en met 13.

182 D-1194, pag. 17.

183 Zie AH-556, pag. 12, bovenaan.

184 D-1522, pag. 22 tot en met 25

185 D-1522, pag. 31 tot en met 33.

186 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 16.

187 G-060-01, pag. 3 halverwege.

188 D-1522, pag. 18 tot en met 20.

189 G-027-01, pag. 5.

190 AH-253, pag. 3.

191 D-1194, pag. 18.

192 AH-253, pag. 3 en D-1521 pag. 4: vanaf de bankrekening bij de HSBC-bank is € 14.500,-- overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijf 24] , waar (vermoedelijk na aftrek kosten) € 14.404,91 is ontvangen.

193 AH-253, pag. 3.

194 AH-253, pag. 3 en 4 en D-1521 pag. 4: vanaf de bankrekening bij de HSBC-bank is € 8.000,-- overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijf 24] , waar (vermoedelijk na aftrek kosten) € 7.932,64 is ontvangen.

195 AH-253, pag. 4.

196 AH-253, pag. 4.

197 AH-253, pag. 4.

198 AH-552, pag. 4 onderaan. V-061-04, pag. 3 halverwege.

199 D-1311.

200 G-047-01-1, pag. 4 halverwege tot en met pag. 5 bovenaan.

201 G-047-01-1, pag. 5 bovenaan.

202 D-1075, pag. 1.

203 G-056-01, pag. 1 en 2.

204 D-1075.

205 D-1217, pag. 12.

206 AH-500, pag. 57.

207 V-010-01, pag. 3 en 4.

208 D-1476.

209 D-1197, pag. 2.

210 D-1477.

211 D-1197, pag. 2.

212 AH-552, pag. 40, halverwege.

213 AH-500, pag. 57.

214 V-035-01.

215 AH-500, pag. 57 en pag. 61.

216 D-285, D-478 en D-1479.

217 D-834 en D-835.

218 AH-106; D-260, D-552 en D-553.

219 D-1524.

220 AH-556, pag. 34. D-1366.

221 D-823 pag. 3.

222 V-062-03, pag. 8.

223 D-425, pag. 4 tot en met 9.

224 D-378.

225 AH-552, pag. 11.

226 AH-527.

227 D-1560, pag. 1666.

228 AH-556, pag. 21.

229 D-1454, pag. 1.

230 D-1454, pag. 2.

231 G-066-01-1, pag. 6 en 7.

232 D-1189, pag. 2 tot en met 4.

233 D-1189, pag. 6.

234 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 17.

235 D-1194, pag. 6, 10, 11 en 13.

236 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 17.

237 D-1555, pag. 9.

238 D-816.

239 AH-556, pag. 23.

240 AH-500, pag. 61.

241 AH-500, pag. 62.

242 AH-500, pag. 38.

243 V-022-01, pag. 3.

244 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 7.

245 V-022-02, pag. 4.

246 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 7.

247 V-022-02, pag. 4.

248 D-1250, pag. 1 en 2.

249 V-022-02, pag. 4.

250 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 7.

251 D-153, pag. 62.

252 D-153, pag. 60.

253 D-153, pag. 84.

254 D-153, pag. 95.

255 D-153, pag. 115.

256 D-153, pag. 122.

257 D-153, pag. 136.

258 D-153, pag. 142.

259 D-153, pag. 148.

260 D-624, pag. 5.

261 D-624, pag. 14.

262 D-1251.

263 D-1251.

264 AH-234, pag. 6.

265 D-1557 en D-1560.

266 AH-551, pag. 12 onderaan en 13 bovenaan.

267 AH-551, pag. 13 bovenaan.

268 G-017-03, pag. 4 bovenaan.

269 G-017-06, pag. 9 halverwege.

270 D-191, pag. 3.

271 D-991, pag. 27.

272 D-991, pag. 28.

273 AH-181, pag. 4.

274 AH-181, pag. 2.

275 AH-180, pag. 11 bovenaan; AH-181, pag. 4.

276 D-1383.

277 D-028.

278 V-009-02, pag. 8 onderaan.

279 V-009-01, pag. 11 halverwege.

280 D-078, pag. 19, 20, 21, 24, 26, 28, 30, 31, 33, 35 en 37 tot en met 45.

281 AH-180, pag. 11 bovenaan; AH-181, pag. 5 bovenaan.

282 D-980, pag. 7, 8, 10, 11, 13, 14, 16, 17 en 20.

283 AH-181, pag. 5.

284 AH-181, pag. 2.

285 AH-180, pag. 11 bovenaan; AH-181, pag. 5 onderaan.

286 D-1403.

287 D-741; AH-180 pag. 7.

288 AH-180.

289 AH-546, pag. 6 en D-057 pag. 5, 7 , 8, 11 en 14.

290 AH-181, pag. 2 en AH-006, pag. 1 en AH-027, pag. 1.

291 D-981, pag. 19 tot en met 24.

292 AH-180, pag. 11 bovenaan.

293 D-739.

294 D-1400.

295 D-023, pag. 6 tot en met 10.

296 D-742.

297 AH-181, pag. 6.

298 AH-551, pag. 63. D-1404.

299 D-092.

300 D-744.

301 AH-021.

302 AH-021, pag. 4 bovenaan en D-094.

303 AH-010.

304 D-108.

305 D-743.

306 AH-500, pag. 57.

307 AH-551, pag.65.

308 D-111.

309 D-122

310 D-068.

311 D-1374.

312 AH-022.

313 D-063.

314 AH-011.

315 D-125 en D-126.

316 D-745.

317 AH-500, pag. 57.

318 D-127.

319 AH-039.

320 D-1407, uit AH-551 pag. 67 onderaan blijkt dat dit alleen op de bankrekeningen van [verdacht bedrijf 1] ziet.

321 AH-551, pag. 67 onderaan.

322 AH-500, pag. 57.

323 D-167.

324 AH-551, pag. 69 bovenaan en halverwege.

325 AH-551, pag. 69 bovenaan.

326 AH-500, pag. 57.

327 D-222.

328 AH-551, pag. 71 bovenaan

329 AH-551, pag. 70 onderaan.

330 AH-500, pag. 57.

331 D-734.

332 AH-551, pag. 71 halverwege.

333 V-067-04-1, pag. 19 tot en met 22.

334 V-067-04-1, pag. 20.

335 V-067-04-1, pag. 19.

336 V-067-04-1, pag. 20.

337 V-067-07-1, pag. 4.

338 G-017-02, pag. 6.

339 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2020, pag. 18.

340 AH-280.