Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1391

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
08/960229-15 (P) (LP)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 45-jarige werf- en wagenparkbeheerder van de gemeente Amsterdam is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een celstraf van 43 maanden omdat hij zijn werkgever en een leasebedrijf voor miljoenen euro’s heeft opgelicht en het geld heeft witgewassen. Hierbij werkte hij samen met zijn vrouw en twee andere medeverdachten. De vrouw (46) is veroordeeld tot een celstraf van 32 maanden. Het totale gestolen bedrag zit rond de 3 miljoen euro.

Een 53-jarige medeverdachte uit Amsterdam is voor zijn beperktere rol in veroordeeld tot een voorwaardelijke celstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. Een 71-jarige Amsterdammer krijgt een werkstraf opgelegd van 200 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/960229-15 (P) (LP)

Datum vonnis: 6 april 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

1 oktober 2018, 3 maart 2020, 5 maart 2020 en 23 maart 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. van Doorn en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.S.W. Boorsma, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte - samen met (in ieder geval) medeverdachte [medeverdachte 1] - de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] heeft opgelicht. Daarvoor zijn facturen van [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ), het bedrijf op naam van verdachte, opgemaakt van niet daadwerkelijk geleverde goederen en diensten en zijn deze valse facturen bij de gemeente of [bedrijf 1] ingediend. Daarmee heeft verdachte ruim 185.000 euro ontvangen. Dat geld heeft hij witgewassen door het - samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] - aan allerlei zaken uit te geven.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte (na de toegestane wijziging ter terechtzitting van 3 maart 2020) dat:

1. (oplichting art. 326 Sr)

Hij,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 22 oktober 2013 tot en met 14 april 2015 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:

- Een (giraal) geldbedrag van in totaal € 134.817,40 door de gemeente Amsterdam

overgemaakt aan [bedrijf 2] ,

- Een (giraal) geldbedrag van in totaal € 51.229,74 door de gemeente Amsterdam overgemaakt aan [bedrijf 1] , welk gehele bedrag [bedrijf 1] heeft overgemaakt aan [bedrijf 2] ;

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met het vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

  • -

    een bedrijf, zijnde een eenmanszaak op naam van verdachte ( [bedrijf 2] ) opgericht en/of

  • -

    een werkplek gehuurd voor [bedrijf 2] en/of

  • -

    een bankrekening geopend voor [bedrijf 2] en/of

  • -

    zich middels [bedrijf 2] voorgedaan als betrouwbare leverancier van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden ten behoeve van (het wagenpark en/of de werven van) de gemeente Amsterdam en/of

  • -

    meerdere facturen op naam van [bedrijf 2] opgemaakt en/of gestuurd naar en/of ingediend bij de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] en/of

  • -

    de indruk gewekt dat goederen en/of diensten en/of werkzaamheden vermeld op deze facturen aan de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 2] , terwijl deze of goederen en/of diensten en/of werkzaamheden niet zijn geleverd en/of verricht,

waardoor de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte(s).

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. ((gewoonte)witwassen artt. 420bis en 420ter Sr)

Hij,

Op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2013 tot en met 2 maart 2016 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen,

immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders,

a. a) van een of meerdere (grote) geldbedragen van in totaal € 186.096,15 bestaande uit:

  • -

    € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),

  • -

    € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),

  • -

    € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),

  • -

    € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),

  • -

    € 30.965,- (diverse contante geldopnames),

  • -

    € 6.050,15 (overige uitgaven),

  • -

    € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats, en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen of verhuld wie de rechthebbende is of het voorhanden heeft,

en/of

b) een of meerdere (grote) geldbedragen van in totaal € 186.096,15, bestaande uit:

  • -

    € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),

  • -

    € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),

  • -

    € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),

  • -

    € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),

  • -

    € 30.965,- (diverse contante geldopnames),

  • -

    € 6.050,15 (overige uitgaven),

  • -

    € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders, wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat voornoemde geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

(Artikelen 420bis, 420ter, 420quater van het Wetboek van Strafrecht)

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Aanleiding start onderzoek:

In februari 2015 is door medewerkers van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid van Politie in het kader van de bestrijding van witwassen onderzoek gedaan naar zogeheten “patserboten”. Dat zijn grotere, vaak snelle, opvallende en vooral dure types speedboten, die populair zijn binnen het criminele milieu. Daarbij kwam medeverdachte [medeverdachte 1]2 in beeld. Op grond van de verdenking dat hij en zijn echtgenote, medeverdachte [medeverdachte 2]3, zich bezighielden met witwassen, is in juni 2015 op last van de officier van justitie het onderzoek 26Hippo ingesteld. Op 21 juli 2015 is door de rechter-commissaris op vordering van officier van justitie een machtiging verleend tot een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) teneinde meer inzicht te verkrijgen in de vermogensposities van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Verdenking ter zake van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen

Bij aanvang van het onderzoek bleek onder meer dat op de bankrekening van [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ), het bedrijf dat op naam stond van [medeverdachte 2] , door de gemeente Amsterdam ( [stadsdeel] ) diverse girale overschrijvingen waren gedaan voor een totaalbedrag van ongeveer € 500.000,--, ter voldoening van facturen van [bedrijf 3] ten laste van de gemeente Amsterdam. In verband met het gerezen vermoeden dat sprake zou kunnen zijn van onterechte betalingen door de gemeente Amsterdam aan [bedrijf 3] is de gemeente Amsterdam als toenmalig werkgeefster van [medeverdachte 1] eind augustus 2015 geïnformeerd. De gemeente Amsterdam is daarop een eigen intern onderzoek, onderzoek Tulp, gestart, dat (deels) parallel met het SFO is uitgevoerd en waarvan het onderzoeksrapport Tulp is toegevoegd aan het strafdossier.

Uit het opsporingsonderzoek en het onderzoek Tulp is gebleken dat in de periode vanaf januari 2008 tot en met september 2015 diverse malen geldbedragen zijn overgemaakt door de gemeente Amsterdam of [bedrijf 1] ter voldoening van ingediende facturen door [bedrijf 3] , [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ) en van [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ), waarbij naar voren kwam dat die facturen zeer waarschijnlijk vals zijn, omdat de gefactureerde goederen en/of diensten nooit lijken te zijn geleverd of uitgevoerd,

onder meer omdat uit de bankafschriften van [bedrijf 3] niet bleek van enige uitvoering van bedrijfsactiviteiten zoals inkoop van goederen en betaling van bedrijfskosten.

Uit onderzoek naar de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] kwam naar voren dat zij diverse malen aanzienlijke geldbedragen hebben ontvangen, afkomstig van [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 2] en dat zij die geldbedragen hebben gebruikt voor privé-uitgaven en privébetalingen op grond waarvan de verdenking is gerezen dan wel nader geconcretiseerd ter zake van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen.

Ten aanzien van verdachte is de verdenking gerezen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting en (gewoonte)witwassen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde op grond van de daartoe in haar schriftelijk requisitoir omschreven bewijsmiddelen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De verdediging heeft ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde oplichting - kort samengevat -primair aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor fictieve facturen van [bedrijf 2] en daarmee van oplichting. De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat van directe betrokkenheid van verdachte bij de feiten niet is gebleken en dat hij slechts een ondergeschikte katvanger is geweest. Evenmin was bij verdachte opzet of voorwaardelijk opzet op wederrechtelijke bevoordeling aanwezig.

De verdediging heeft ten aanzien van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde witwassen aangevoerd dat het internetbankieren met de [bedrijf 2] -rekening niet door verdachte werd gedaan, dat vele andere overboekingen zijn gedaan vanwege reguliere betalingen en verplichtingen die voortvloeien uit een normale bedrijfsvoering, zodat geen doelbewuste verhulling van de herkomst heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de contante opnames staat volgens de verdediging niet vast dat die door verdachte zijn gedaan, terwijl het van Renfrum ontvangen geldbedrag een contante betaling betreft.

Gelet op de ondergeschikte rol van verdachte kan volgens de verdediging het medeplegen evenmin worden bewezen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de ten laste gelegde feiten, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk bespreken. De inhoud van de bewijsmiddelen wordt steeds gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft.

De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangifte gemeente Amsterdam

Op 2 oktober 2015 is door [aangever] namens de gemeente Amsterdam aangifte gedaan van onder meer oplichting en valsheid in geschrift, nadat uit onderzoek was gebleken dat de praktijk rondom de inkoopprocessen afwijkend was ten opzichte van de voorgeschreven procedure en onder meer was vastgesteld dat betalingen van grote bedragen van [bedrijf 1] naar [bedrijf 3] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 3] ) waren gedaan ter zake van onder meer 7 gefactureerde tractoren, die niet werden aangetroffen op de gemeentewerf in [stadsdeel] en eventuele onderhoudskosten aan voertuigen die nooit geleverd zijn, op grond waarvan het vermoeden is ontstaan dat [medeverdachte 1] als wagenparkbeheerder/coördinator en werfbeheerder van [stadsdeel] de gemeente Amsterdam heeft opgelicht door opdrachten te initiëren en goed te keuren en voor ontvangst van goederen en diensten te tekenen, terwijl die nooit geleverd zijn.4

Functie en werkzaamheden van [medeverdachte 1]

is van 1 januari 2004 tot 2 december 2015 werkzaam geweest bij de gemeente Amsterdam. Vanaf 1 januari 2007 was [medeverdachte 1] in dienst als wagenpark- en werfbeheerder van het [stadsdeel] bij de gemeente Amsterdam. In die hoedanigheid was hij onder meer verantwoordelijk voor de inkoop van voertuigen, appendages en onderhoud/reparaties met betrekking tot het wagenpark en de werven waar de voertuigen zijn geplaatst.5

Het inkoopproces en het beheer van voertuigen van de gemeente Amsterdam

[bedrijf 1] is het administratiekantoor voor het wagenpark van de gemeente Amsterdam. De door de gemeente Amsterdam gekochte voertuigen worden administratief ondergebracht bij [bedrijf 1] .

[bedrijf 1] beheert de voertuigen. De gemeente Amsterdam is de eigenaar van de voertuigen.

[bedrijf 5] was tot 2014 verantwoordelijk voor de administratieve afhandeling van bestellingen door Stadsdelen bij [bedrijf 1] . Vanaf 2014 heeft het [bedrijf 9] die taak overgenomen.6

Ten aanzien van facturen van [bedrijf 2]

Girale betalingen door gemeente Amsterdam aan [bedrijf 2] ter zake van facturen van [bedrijf 2]

- In de periode van 7 januari 2014 tot en met 14 april 2015 is door de gemeente Amsterdam door middel van 7 girale overschrijvingen een geldbedrag van in totaal € 134.817,40 overgemaakt aan [bedrijf 2] ter voldoening van 16 facturen van [bedrijf 2] aan de gemeente Amsterdam (door [bedrijf 2] verzonden aan de gemeente Amsterdam in de periode van 29 november 2013 tot en met 24 februari 2015) ter zake van door [bedrijf 2] verrichte werkzaamheden en/of geleverde goederen voor/aan de gemeente Amsterdam7;

- In de periode van 14 april 2014 tot en met 14 april 2015 is door de gemeente Amsterdam giraal een geldbedrag van in totaal € 51.229,74 overgemaakt aan [bedrijf 1] ter voldoening van 6 facturen d.d. 6 maart 2015 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] ad telkens € 8.538,29, ter zake van door [bedrijf 2] verrichte werkzaamheden en/of geleverde goederen voor/aan de gemeente Amsterdam; Op 14 april 2015 is ter zake van voornoemde 6 facturen € 51.229,74 door [bedrijf 1] overgemaakt aan en bijgeschreven op de bankrekening van [bedrijf 2]8;

Bevindingen ten aanzien van facturen [bedrijf 2] aan de gemeente Amsterdam

De 16 aan [stadsdeel] van de gemeente Amsterdam verzonden facturen zien op werkzaamheden inzake vorstbeveiliging, aanpassingen aan met name veegmachines (DIN-platen en heftafels), de levering van twee zuigunits, schadeherstel koelblok en onderhoud hydrauliek.9

Bevindingen ten aanzien van bedrijfslocatie, bedrijfsvoering, bedrijfsactiviteiten en bedrijfsadministratie [bedrijf 2]

Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel is [bedrijf 2] als onderneming gestart op 22 oktober 2013 en opgeheven op 1 november 2015. [bedrijf 2] betrof een eenmanszaak op naam van verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966, met als activiteiten: onderhoud en reparaties van machines, installaties en voertuigen.10

Het bedrijfsadres van [bedrijf 2] aan de [adres 2] te Hoofddorp is een loods die volgens de verhuurder [naam 1] door [verdachte] werd gebruikt om aan auto’s te sleutelen. De huur van de loods was overeengekomen met verdachte en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was er alleen in het begin een keer. De huur werd door verdachte overgemaakt vanaf de bankrekening [rekeningnummer 1] . In het begin heeft [medeverdachte 2] ook wel de huur betaald. Zij is in het begin één keer op de bedrijfslocatie geweest om in het kantoor te kijken.11

In de loods is, behoudens enkele bankafschriften van [bedrijf 2] en 2 betalingsoverzichten van de gemeente aan [bedrijf 2] , geen bedrijfsadministratie gevonden.

Het merendeel van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] is aangetroffen bij [medeverdachte 1] thuis. Aldaar lagen offertes en facturen van [bedrijf 2] , een brief van de Belastingdienst, een brief van ING met betrekking tot de verstrekking van een betaalpas inclusief pincode en inloggegevens voor het internetbankieren, alsmede een lijst met zaken die geregeld moesten worden.12

Overige bevindingen ten aanzien van [bedrijf 2]

In de bij [medeverdachte 1] thuis aangetroffen laptop zijn 6 facturen van [bedrijf 2] aangetroffen, welke facturen zijn gericht aan [bedrijf 1] , gedateerd zijn op 6 maart 2015 en een totaalbedrag van € 51.229,74 opleveren. Voornoemd bedrag is door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] betaald op 14 april 2015.

In deze laptop zijn ook chatgesprekken aangetroffen tussen [medeverdachte 1] en verdachte:

- in het chatgesprek op 23 februari 2015 geeft [medeverdachte 1] tegenover [verdachte] aan dat [verdachte] gebeld kan worden voor de levering van hydrosystemen en dat hij gewoon “ja” moet zeggen; - in het chatgesprek op 11 maart 2015 geeft [medeverdachte 1] tegenover [verdachte] aan dat [verdachte] gebeld kan worden door [bedrijf 1] , dat [verdachte] netjes moet spreken, dat ze [verdachte] gaan vragen wanneer hij gaat leveren en dat [verdachte] dan moet aangeven: “volgende week woensdag, 6 stuks hydraulische vuilopbouw.13

In het Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] op 12 april 2014 vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] wat 8 ruggen voor hem zouden zijn. In het Whatsapp-gesprek op 15 april 2014 geeft [medeverdachte 1] tegenover [verdachte] aan: “als iemand belt om iets te vragen heb je van de [bedrijf 6] ’s en [bedrijf 7] ’s de hydrauliek en dinplaat aangepast” en “dit zijn voertuigen van 3 weken geleden”.14

Analyse bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van [bedrijf 2]

De bankgegevens en mutaties zijn inzake bankrekening [rekeningnummer 1] zijn verstrekt over de periode van 4 september 2013 tot en met 30 november 2015.

De bankrekening staat op naam van [bedrijf 2] . Vertegenwoordiger namens [bedrijf 2] is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966. De bankpas staat op naam van [verdachte] .

De bankrekening is uitsluitend gevoed met:

- 7 overboekingen in de periode van 7 januari 2014 tot en met 23 maart 2015 door de gemeente Amsterdam, [stadsdeel] , voor een totaalbedrag van € 134.817,40 ter zake van door [bedrijf 2] ingediende facturen;

- een overboeking op 14 april 2015 door [bedrijf 1] voor een totaalbedrag van € 51.229,74.

Het totaalbedrag aan bijschrijvingen bedraagt € 186.047,14.

Het totaalbedrag aan afschrijvingen bedraagt € 186.096,15.15

Analyse van de facturen van [bedrijf 2] aan de gemeente Amsterdam en bevindingen

In het kader van onderzoek Tulp heeft de gemeente Amsterdam de ontvangen facturen van [bedrijf 2] onderzocht. Het werd aannemelijk bevonden dat alle door [bedrijf 2] aan de gemeente direct en indirect in rekening gebrachte producten en/of diensten niet zijn geleverd aan de gemeente Amsterdam. Aan deze conclusie ligt het volgende ten grondslag.

- [medeverdachte 1] ontving facturen van [bedrijf 2] in zijn zakelijke e-mail en was vervolgens rechtstreeks verantwoordelijk voor het aanbrengen van deze facturen bij de financiële administratie van het [stadsdeel] , wat resulteerde in de daadwerkelijke betaling van dergelijke facturen;

- mevrouw [getuige 1] , medewerkster Ondersteuning [stadsdeel] , heeft verklaard dat voor de ontvangen facturen de bevestiging ter zake van geleverde diensten en/of goederen mondeling van verdachte kwam.16 Zij ging in haar functie van financieel medewerkster met [medeverdachte 1] eenmaal per week zitten voor facturen waarvan zij geen pakbon had of waarvan de omschrijving vaag was en als hij een specificatie kon geven, dan was het goed voor haar;17

- Met betrekking tot de 6 facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] zijn door [medeverdachte 1] ondertekende formulieren melding aanvullende investering aangetroffen;18

- Volgens mededeling van meerdere medewerkers en leidinggevenden van de werven van

[stadsdeel] zijn zij niet bekend met [bedrijf 2] of de door deze firma fictief verrichtte

werkzaamheden of leveranties;

- De door [bedrijf 2] in rekening gebrachte producten met omschrijving "Zuigunit Fiegler" zijn

tevens in rekening gebracht door de firma [bedrijf 3] via [bedrijf 1] (soortelijke modus

operandi), waarbij is vastgesteld dat dergelijke zuigunits niet bestaan en niet zijn geleverd. Er bleken namelijk wel twee zuigunits te zijn geleverd, deze waren echter van het merk Fiedler en zijn geleverd door de firma [bedrijf 8] ;

- Alle door [bedrijf 2] bij de gemeente Amsterdam en bij [bedrijf 1] in rekening gebrachte

producten zijn niet aangetroffen op de werf;

- verdachte heeft verklaard de in rekening gebrachte producten niet te hebben geleverd.19

Overschrijvingen van bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van [bedrijf 2] naar bankrekeningen van [medeverdachte 2] e/o [medeverdachte 1]

Van de bankrekening van [bedrijf 2] zijn 6 overboekingen in 2014 en 7 overboekingen in 2015, voor een totaalbedrag van € 110.050,--, gedaan naar de privérekeningen [rekeningnummer 2] (een overschrijving van € 18.750,--) en [rekeningnummer 3] (12 overschrijvingen voor in totaal € 91.300,--) op naam van [medeverdachte 2] e/o [medeverdachte 1] .20

Van de bankrekening van [bedrijf 2] is in totaal voor € 32.000,-- opgenomen aan contant geld en is € 11.000,-- uitgegeven bij [casino]21. De uitgaven in het casino werden gedaan op momenten dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daar aanwezig waren.22

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft geholpen bij de oprichting van [bedrijf 2] en dat [medeverdachte 1] het financiële gedeelte van [bedrijf 2] regelde en hem bij sommige facturen vertelde wat er in die facturen gezet moest worden.

De waardering van het bewijs

Feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande komen vast te staan dat op geen enkele wijze sprake is geweest van door [bedrijf 2] feitelijk verrichte werkzaamheden/diensten en/of geleverde goederen tegenover de door dit bedrijf bij de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] ingediende facturen.

Gelet op de omstandigheid dat [bedrijf 2] slechts een maand voor de eerste in dit verband verzonden factuur is opgericht en geen enkele aanwijzing is gevonden voor andere bedrijfsactiviteiten bij [bedrijf 2] , concludeert de rechtbank dat dit bedrijf is opgericht met het enkele doel (verdere) oplichting van de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] middels fictieve facturen mogelijk te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast komen te staan dat 16 facturen van [bedrijf 2] aan de gemeente Amsterdam en 6 facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] valselijk zijn opgemaakt en dat deze zijn verzonden aan de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] , die hierdoor en door mededelingen van [medeverdachte 1] hierover in de veronderstelling verkeerden dat de gefactureerde goederen waren geleverd en/of dat de gefactureerde diensten en/of werkzaamheden waren verricht en tot betaling van de facturen zijn overgegaan.

Nu deze facturen vals waren, is er sprake geweest van een onjuiste voorstelling van zaken tegenover de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake geweest van het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en samenweefsels van verdichtsels.

Op basis van de valse facturen zijn de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] bewogen om de in de bewijsmiddelen weergegeven gelden te betalen aan [bedrijf 2] .

Op grond van het vorenoverwogene is komen vast te staan dat [medeverdachte 1] zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid geschrift.

Daarnaast is komen vast te staan dat de door de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] gestorte geldbedragen op de bankrekening van [bedrijf 2] vrijwel geheel en direct na die stortingen zijn overgeboekt naar de privérekening van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Hieruit blijkt het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op een actieve en significante wijze betrokken is geweest bij de oplichting door [medeverdachte 1] van de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] via de facturen van [bedrijf 2] .

Dat blijkt onder meer uit de volgende feiten en omstandigheden:

- [bedrijf 2] staat op naam van verdachte;- alle door [bedrijf 2] bij de gemeente Amsterdam en bij [bedrijf 1] in rekening gebrachte

producten zijn niet aangetroffen op de werf;

- verdachte heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] meermalen heeft doorgekregen hoe hij moest antwoorden in geval van telefoontjes van de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] ;

- blijkens een WhatsApp-gesprek op 12 april 2014 wordt aan verdachte gevraagd wat “8 ruggen” voor hem zouden zijn en kort daarna wordt besproken hoe hij ingeval van vragen over een factuur moet reageren;

- de bankpas van [bedrijf 2] op naam van verdachte is aangetroffen bij [medeverdachte 1] ;

- met de bankpas van [bedrijf 2] is onder meer contant geld opgenomen bij [casino] ;

- via de bankrekening van [bedrijf 2] is 110.050 euro overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ;

- verdachte heeft zelf verklaard dat hij contant loon van de bankrekening heeft opgenomen, huur heeft overgemaakt en belasting heeft betaald; derhalve heeft hij zelf ook de beschikking gehad over de bankrekening van [bedrijf 2] en heeft hij daarvan gebruik gemaakt.

Gelet op het overwogene wordt de, niet concreet onderbouwde, verklaring van verdachte ter terechtzitting- kort samengevat inhoudende - dat via [bedrijf 2] daadwerkelijk werkzaamheden voor de gemeente Amsterdam zijn verricht, dat hij bij [bedrijf 2] alleen de uitvoerende werkzaamheden verrichte en niet betrokken is geweest bij het financiële gedeelte van [bedrijf 2] als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

Verdachte en [medeverdachte 1] waren zich bewust van de samenwerking en wisten waarop de samenwerking was gericht, namelijk het bewegen van de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] tot het overboeken naar de bankrekening van [bedrijf 2] van de door [bedrijf 2] aan hen verzonden facturen.

Verdachte heeft daarin met zijn gedragingen een wezenlijke rol vervuld. Daarmee acht de rechtbank het opzet van verdachte op zowel zijn eigen bijdrage als het misdrijf dat hij daarmee heeft ondersteund bewezen. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen van oplichting zoals onder feit 1 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Uit hetgeen ten aanzien van feit 1 overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat alle gelden van [bedrijf 2] die verdachte en [medeverdachte 1] hebben gebruikt ter zake van de betreffende overschrijvingen, contante opnames en uitgaven zoals onder feit23 ten laste zijn gelegd, afkomstig zijn van misdrijf.

Verdachte wist dat die geldbedragen afkomstig waren van misdrijf en heeft met gebruikmaking van die gelden de herkomst van die geldbedragen verhuld, die geldbedragen overgedragen, omgezet en daarvan gebruik gemaakt.

De rechtbank is op grond van de grote hoeveelheid aan overschrijvingen, betalingen en uitgaven en de lange termijn waarbinnen deze overschrijvingen, betalingen en uitgaven hebben plaatsgevonden van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt voorts dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank ook het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

Hij,

in de periode van 22 oktober 2013 tot en met 14 april 2015 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, meermalen,

met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:

- Een (giraal) geldbedrag van in totaal € 134.817,40 door de gemeente Amsterdam

overgemaakt aan [bedrijf 2] en

- Een (giraal) geldbedrag van in totaal € 51.229,74 door de gemeente Amsterdam overgemaakt aan [bedrijf 1] , welk gehele bedrag [bedrijf 1] heeft overgemaakt aan [bedrijf 2] ;

hebbende hij, verdachte en zijn mededader met het vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

  • -

    een bedrijf, zijnde een eenmanszaak op naam van verdachte ( [bedrijf 2] ) opgericht en

  • -

    een werkplek gehuurd voor [bedrijf 2] en

  • -

    een bankrekening geopend voor [bedrijf 2] en

  • -

    zich middels [bedrijf 2] voorgedaan als betrouwbare leverancier van goederen en diensten en werkzaamheden ten behoeve van het wagenpark en/of de werven van de gemeente Amsterdam en

  • -

    meerdere facturen op naam van [bedrijf 2] opgemaakt en gestuurd naar en/of ingediend bij de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] en

  • -

    de indruk gewekt dat goederen en diensten en werkzaamheden vermeld op deze facturen aan de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 2] , terwijl deze of goederen en/of diensten en/of werkzaamheden niet zijn geleverd of verricht,

waardoor de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] werden bewogen tot bovenomschreven afgiftes.

2.

Hij,

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 maart 2016 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, en (één of meer van) zijn mededaders,

a. a) van meerdere (grote) geldbedragen van in totaal € 186.096,15 bestaande uit:

  • -

    € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),

  • -

    € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),

  • -

    € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),

  • -

    € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),

  • -

    € 30.965,- (diverse contante geldopnames),

  • -

    € 6.050,15 (overige uitgaven),

  • -

    € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),

de herkomst verhuld,

en

b) meerdere (grote) geldbedragen van in totaal € 186.096,15, bestaande uit:

  • -

    € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),

  • -

    € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),

  • -

    € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),

  • -

    € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),

  • -

    € 30.965,- (diverse contante geldopnames),

  • -

    € 6.050,15 (overige uitgaven),

  • -

    € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),

overgedragen en omgezet en van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, wisten, dat voornoemde geldbedragen

– onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 326 en 420bis juncto 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

feit 2

het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2

.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heef, gezien de feitelijkheden, bepleit om aan verdachte een geheel of grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstraf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft gedurende ongeveer 1,5 jaar een wezenlijke rol gespeeld bij de oplichting van de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] . De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan. De integriteit van het financiële en economische verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van stukken die tot enig bewijs dienen, zoals de facturen in kwestie. Door het gebruikmaken van valse stukken wordt dat vertrouwen ernstig geschaad.

Verdachte heeft welbewust gehandeld, kennelijk slechts met het oog op persoonlijk financieel gewin. De rechtbank stelt in dit verband vast dat het handelen van verdachte en zijn mededader [medeverdachte 1] enkel is beëindigd, doordat (onder meer) [medeverdachte 1] in het kader van een ander opsporingsonderzoek in beeld is gekomen. Door het handelen van verdachte en zijn mededader [medeverdachte 1] zijn de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] voor ruim 185.000 euro benadeeld.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door (het meewerken aan) het overboeken van de uit de oplichting verkregen gelden aan zijn mededaders, het (doen) verrichten van meerdere betalingen en het (doen) opnemen van contante geldbedragen met die uit de oplichting verkregen gelden.

Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan. Het in omloop zijn van dergelijke witgewassen geldbedragen uit crimineel vermogen heeft een sterk corrumperende werking en daardoor wordt bovendien de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Met zijn handelen heeft verdachte opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft. Op het witwassen staan dan ook hoge straffen.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met zijn proceshouding. Verdachte heeft weliswaar de hem verweten feitelijke handelingen niet betwist, maar hij ontkent de oplichting en het witwassen en heeft daarmee op geen blijk gegeven van inzicht in de kwalijkheid van zijn handelen en er geen verantwoordelijkheid voor genomen.
De rechtbank heeft als enigszins strafmatigende omstandigheid in aanmerking genomen dat de rol van verdachte bij het uitvoeren van de oplichting en zijn voordeel daaruit beperkter is geweest dan de rol en het oordeel van zijn mededader [medeverdachte 1] .

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS en de straffen die de rechtbank voor soortgelijke feiten pleegt op te leggen als uitgangspunt genomen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijke feiten in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstrafstraf heeft de rechtbank acht geslagen op het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie, waaruit onder meer blijkt dat verdachte bij vonnis van de politierechter van 30 augustus 2017 ter zake van opzetheling is veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur, zodat in de onderhavige zaak artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden toegepast.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke vervolgingstermijn en overweegt daartoe het navolgende.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting doorgaans dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een stafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank neemt in dit geval 1 maart 2016, de dag waarop verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, als uitgangspunt.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn met meer dan een jaar, op grond van het tijdsverloop tot de regiezitting, het tijdsverloop tot de verhoren bij de rechter-commissaris en het tijdsverloop tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. Dit tijdsverloop is naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte te wijten. De rechtbank overweegt dat overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot strafvermindering. De rechtbank geeft deze strafvermindering vorm door in plaats van de in beginsel passende en geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf te kiezen voor een voorwaardelijke gevangenisstraf aangevuld met een andere strafmodaliteit

Alle omstandigheden afwegende acht de rechtbank in dit geval oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van

€ 1.035,00 dient te worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreft die aan verdachte toebehoren en met betrekking tot het onder feit 2 bewezen verklaarde zijn begaan.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van

€ 29,95 dient te worden teruggegeven aan verdachte, omdat niet is komen vast staan dat dit geldbedrag door misdrijf is verkregen en verdachte redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Feit 2

het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 (tweehonderdveertig) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

de inbeslaggenomen voorwerpen

  • -

    verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.035,00;

  • -

    gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 29,95.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Schimmel, voorzitter, mr. B.T.C Jordaans en

mr. V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2020.

Mr. Van Rosmalen voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Nationale Politie, Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur, onderzoek 26Hippo / LEFC915003, met de daarbij gevoegde bijlagen. Tenzij hierna ander wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal

2 Waar in dit vonnis [medeverdachte 1] staat wordt bedoeld medeverdachte [medeverdachte 1]

3 Waar in dit vonnis [medeverdachte 2] staat wordt bedoeld medeverdachte [medeverdachte 2]

4 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van verhoor aangever 11DIF15-417, pagina 466-469

5 Rapport Tulp 2B

6 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van verhoor getuige LEFC915003-833 (getuige [getuige 2] , pagina 462-465), proces-verbaal van aangifte verhoor aangever 11DIF15-417 (pagina 466-469), proces-verbaal verhoor getuigen LEFC915003-790 (getuigen [getuige 3] en [getuige 4] , pagina 476-483) en rapport Tulp 2B

7 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-573, pagina 86-89

8 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-669 met bijlagen, pagina 436-461 en proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-573, pagina 87

9 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-761, pagina 199-204

10 ZD valsheid in geschrift/oplichting, uittreksel Kamer van Koophandel, pagina 55

11 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van verhoor getuige 11DIF15-402, pagina 809-811

12 Pagina 890

13 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-669, pagina 436-440

14 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-488, pagina 1158-1159

15 ZD valsheid in geschrift, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-573, pagina 86-89

16 Rapport Tulp 2A

17 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen 11DIF15-397, pagina 513

18 Rapport Tulp 2CC, pagina 31

19 Rapportage Tulp, deelonderzoek 2.C.C. [bedrijf 2] [verdachte] , pagina 4 en 5

20 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen 11DIF15-39, pagina 128-131

21 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-573, pagina 86-89

22 ZD valsheid in geschrift/oplichting, proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-856, pagina 1032