Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:132

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-01-2020
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
AK_19_1043
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen verleende vergunning voor hoveniersbedrijf; op onjuiste wijze gebruik gemaakt van binnenplanse afwijkingsbevoegdheid;beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1043

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. A. Barada,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberghet college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder

gemachtigde: J. Bloemert.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] VOF, te Dedemsvaart,

gemachtigde: [naam 2] .

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam 1] v.o.f. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een hovenersbedrijf aan de [adres 1] te Dedemsvaart. Kadastraal bekend [plaats, sectie en nummer] .

Bij besluit van 23 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Eiser is in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn partner [naam 3] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Namens derde-partij zijn verschenen [naam 2] en [naam 4]

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten. Vergunninghoudster voert haar hoveniersbedrijf uit vanaf het perceel aan de [adres 1] te Dedemsvaart.

Door eiser, wonende aan de [adres 2] te Dedemsvaart, is op 19 februari 2018 een verzoek om handhaving ingediend met betrekking tot die zijn inziens illegale bedrijfsactiviteiten en de ten behoeve van die bedrijfsactiviteiten volgens eiser illegaal opgerichte bouwwerken.

Vergunninghoudster heeft vervolgens op 30 mei 2018 een aanvraag voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning ingediend ter legalisatie van de bedrijfsactiviteit hoveniersbedrijf en Groentechniek. Blijkens de bijlage bij die aanvraag bestaan de bedrijfsactiviteiten uit onderhoud, aanleg en verandering van tuinen op locatie bij de klanten. Voorts betreffen de werkzaamheden op het [adres 1] zelf het be- en ontladen van het transportmiddel met het benodigde (hand)gereedschap en machines. Het gereedschap en de eigen machines worden gestald in een gedeelte van de op het perceel aanwezige schuur. Incidenteel is er sprake van regulier onderhoud/werkzaamheden aan machines en gereedschap. Grootschalig onderhoud en reparatie vindt elders plaats. Voorts vindt er geen opslag van planten en materialen plaats en wordt afval afkomstig van de werkzaamheden gestort bij een afvalverwerker.

Het hoveniersbedrijf wordt in beginsel slechts op maandag en zaterdag uitgeoefend, omdat de heer [naam 4] van dinsdag tot en met donderdag elders in loondienst werkt.

Eiser woont op het naastgelegen perceel. Door eiser en de bewoners van [adres 3] zienswijzen ingebracht tegen de aanvraag.

Verweerder heeft vanwege de mogelijkheid van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van kleinschalige bedrijvigheid categorie-1, aan de Omgevingsdienst IJsselland advies gevraagd omtrent de vraag of de feitelijke bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster gelijk zijn te stellen aan een categorie-1 bedrijf en of er aanleiding bestaat om voor die beoordeling een akoestisch onderzoek te laten verrichten.

Bij besluit van 5 oktober 2018 heeft verweerder, gelet op het advies van de Omgevingsdienst van 2 oktober 2018, geconcludeerd dat het hier gaat om een bedrijf dat naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is aan de toegelaten milieucategorie-1. Verweerder heeft daarbij, met gebruik van zijn binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van het hoveniersbedrijf. Tevens is aangegeven dat de detailhandelsactiviteiten van Groentechniek [naam 5] zijn toegestaan en gestaakt dienen te worden.

Eiser heeft vervolgens bezwaar ingediend, welk bezwaar conform het advies van de bezwaar- en beroepschriftencommissie bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Eiser is tegen het bestreden besluit in beroep gegaan.

2. Bestemming

Op het perceel is het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid” van toepassing. Op grond van dat bestemmingsplan geldt voor het perceel de bestemming “Wonen – Essen- en Hoevenlandschap” welke bestemming gelet op artikel 27.1, onder a, van het bestemmingsplan is aangewezen voor “wonen, met inbegrip van aan-huis-gebonden beroepen.” Een hoveniersbedrijf valt daar niet onder.

Op grond van het bepaalde in artikel 27.5.1, aanhef en onder a, ten eerste, van de planregels kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 27.1 en artikel 27.4 voor het gebruik van bestaande gebouwen voor een kleinschalige (bedrijfs)activiteit, mits die bedrijfsactiviteiten voorkomen in, of gelijk zijn te stellen met categorie 1 van de Bijlage 4, Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Niet in geschil is dat een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlakte van minder dan 500m2 volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten in categorie 2 valt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het hoveniersbedrijf gelijk is te stellen met een categorie-1 Bedrijf en heeft de omgevingsvergunning met toepassing van de in artikel 27.5.1, aanhef en onder a, ten eerste, van de planregels genoemde afwijkingsbevoegdheid verleend. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het advies van de Omgevingsdienst en de daaraan ten grondslag liggende indicatieve geluidsscan.

3. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder het planvoorschrift verkeerd heeft geïnterpreteerd omdat het nooit de bedoeling van de planwetgever kan zijn geweest om een zwaardere categorie toe te laten. Een categorie-2 bedrijf kan volgens eiser nooit gelijk worden gesteld met een categorie-1 bedrijf.

Subsidiair kan de vergelijking volgens eiser geen stand houden vanwege een motiveringsgebrek. Uit het bestreden besluit blijkt niet hoe verweerder heeft getoetst dat er maximaal 30% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de gebouwen wordt gebruikt, zoals ten aanzien van kleinschalige bedrijfsactiviteit is voorgeschreven in artikel 27.5.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

Daarnaast wijst eiser met betrekking tot het aspect geluid op het rapport van de door hem ingeschakelde geluidsdeskundige van geluidsbureau NAA, waaruit zou blijken dat het advies geluid van de omgevingsdienst niet zorgvuldig en niet volledig is. Eiser stelt dat wel degelijk een volledig akoestisch onderzoek noodzakelijk is.

Concluderend stelt eiser dat er geen goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd.

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van de artikelen 2.1 en 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning heeft verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan runnen van een hoveniersbedrijf vanaf het perceel [adres 1] te Dedemsvaart. Verweerder heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 27.5.1, aanhef en onder a, ten eerste, van de planregels van het geldende bestemmingsplan in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1º, van de Wabo.

De eerste beroepsgrond van eiser komt er kort gezegd op neer dat hij van mening is dat verweerder niet bevoegd was om de in artikel 27.5, van de planvoorschriften opgenomen binnenplanse vrijstelling te verlenen, aangezien een categorie 2 bedrijf, zoals het hoveniersbedrijf, niet gelijk kan worden gesteld aan een categorie 1 bedrijf. Eiser stelt dat dat niet de bedoeling kan zijn geweest van de planwetgever.

De rechtbank begrijpt artikel 27.5, van de planvoorschriften zo, dat met dit artikel is beoogd om een bedrijf dat, ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten, weliswaar niet behoort tot de categorieën 1, maar, gelet op alle activiteiten van het bedrijf tezamen, naar aard en invloed gelijk is te stellen met een categorie-1 bedrijf, toe te staan. Wat betreft de invloed die het bedrijf heeft op de omgeving, moet de daadwerkelijke milieubelasting die het zal veroorzaken, in dat geval aansluiten bij de afstanden tot de dichtstbij gelegen hindergevoelige objecten voor geur, stof, geluid en gevaar zoals die van toepassing zijn op bedrijven uit de categorie 1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid deze uitleg aan het bestemmingsplan kunnen geven.

Deze uitleg heeft tot gevolg dat, anders dan eiser betoogt, niet van belang is of het bedrijf wat betreft de hinderaspecten geur, stof en geluid voldoet aan de afstanden die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn gesteld voor bedrijven uit de categorie 2, waartoe het hoveniersbedrijf met deze omvang kan worden gerekend. Van belang is uitsluitend of de daadwerkelijke hinder die het bedrijf veroorzaakt ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen, gelijk is te stellen met de hinder die daar pleegt te worden ondervonden van een bedrijf uit de categorie 1, op een afstand, wat betreft geluid, van 10 m.

De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun stelling dat door indeling in categorie 2 al vaststaat dat het bedrijf niet gelijk te stellen is aan de volgens het bestemmingsplan toegelaten milieucategorieën 1. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

4.2

De rechtbank stelt echter vast dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 27.5.1, aanhef en onder b, van de planregels, expliciet ziet op het gebruik van bestaande gebouwen terwijl de omgevingsvergunning, naar ook van de zijde van verweerder ter zitting is bevestigd, gelet op onder meer de aan de vergunning gestelde voorwaarden wat betreft, laden, lossen en rijbewegingen, tevens ziet op het gebruik van de gronden van het perceel zelf. De rechtbank is van oordeel dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid daar niet voor is bedoeld.

Reeds daarom kan het bestreden besluit geen stand houden.

Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen met in achtneming van deze uitspraak.

4.3

Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet toe.

Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat het aan de aanvrager is om aan te tonen dat de werkzaamheden wat de milieubelasting betreft, waaronder het geluid, zijn te vergelijken met een categorie I bedrijf.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

6. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 174,-- vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.114,66 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,-- en een wegingsfactor 1), alsmede de reiskosten van € 14,66 (Dedemsvaart-Zwolle v.v.). De overige door eiser genoemde kosten, te weten de kosten voor de door hem ingeschakelde geluidsdeskundige van NAA, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze niet met stukken zijn onderbouwd.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,-- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.114,66.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.