Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1272

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
C/08/242489 / FA RK 20-45
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag, 1:266 BW. Beschikking in begrijpelijke taal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/242489 / FA RK 20-45

beschikking van 6 maart 2020

inzake

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verzoeker,

verder te noemen: de raad,

en

[A] ,

verder te noemen: de moeder,

en

[B] ,

verder te noemen: de vader,

beiden wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. M.S. Krol,

belanghebbenden.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering gevestigd te Amsterdam, verder te noemen: de GI;

  • -

    de familie [E] , verder te noemen: de pleegouders van [C] .

Als informanten zijn aangemerkt:

de gezinshuisouders van [D] .

1 Het procesverloop

1.1.

In het dossier van de rechtbank zitten de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 9 januari 2020;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 6 februari 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling bij de rechtbank was op 7 februari 2020. De moeder en de vader waren aanwezig met hun advocaat en met mevrouw A. Bast, begeleider van het Dolfijnenhuis, aan wie bijzondere toegang tot de zitting is verleend. Van de raad voor de kinderbescherming was aanwezig mevrouw I. Reiz, en van de GI waren mevrouw
I. Goudkamp en mevrouw P. van Holstee aanwezig. De pleegmoeder van [C] was ook aanwezig. De gezinshuisouders van [D] waren niet aanwezig.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader zijn de ouders van [C] . [C] is [geboren 4] 2018 in [geboorteplaats 4] .

2.2.

De moeder heeft ook nog een dochter, [D] . [D] is [geboren 1] 2009 in [geboorteplaats 1] . De biologische vader van [D] is onbekend. De vader heeft [D] erkend.

2.3.

De vader en de moeder zijn op 4 september 2018 in Hilversum met elkaar getrouwd. Sinds het huwelijk van de vader en de moeder hebben zij samen met gezag over [C] en [D] .

2.4.

Op 9 december 2014 heeft de kinderrechter [D] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, de laatste keer tot 9 december 2020.

2.5.

Op 5 februari 2018 is [D] met een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis geplaatst. Zij woont sinds april 2018 bij haar huidige gezinshuisouders. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd.

2.6.

Op 9 maart 2018 heeft de kinderrechter [C] voorlopig onder toezicht gesteld en heeft de kinderrechter een machtiging gegeven om [C] uit huis te plaatsen.

Op 5 juni 2018 heeft de kinderrechter [C] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn daarna steeds verlengd. [C] verblijft sinds 9 maart 2018 bij de pleegouders waar hij nu woont.

2.7.

Tegen de laatste verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [C] zijn de ouders in hoger beroep gegaan. Het Hof heeft op 28 januari 2020 uitgesproken dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen door te bepalen dat [C] in een pleeggezin moet wonen. Het Hof heeft de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd.

3 Waar het nu over gaat

3.1.

De raad verzoekt de rechtbank het ouderlijk gezag van de ouders over [D] en [C] te beëindigen en om de GI tot voogd te benoemen.

3.2.

De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat ze zich niet meer verzetten tegen het verzoek om hun gezag te beëindigen. De reden daarvoor is dat het Hof op 28 januari 2020 duidelijk heeft uitgesproken dat [C] niet terug bij de ouders kan gaan wonen. De ouders willen zich daarom nu gaan richten op de omgang met de kinderen en zij willen investeren in het contact met de pleegouders.

4. De redenen voor de beslissing

Wat staat er in de wet?

4.1.

In artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek staat het volgende:

De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, BW kan te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt.

4.2.

De rechtbank houdt ook rekening met artikel 3 en artikel 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders staan de belangen van het kind (en in dit geval de kinderen) voorop. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

Wat vindt de rechtbank?

4.3.

[C] is nu bijna twee jaar oud, en hij woont vanaf zijn geboorte bij de pleegouders. [D] is ruim negen jaar oud. Zij heeft in verschillende opvoedsituaties gewoond. In het gezinshuis waar zij nu woont, is ze tot rust gekomen en ontwikkelt ze zich binnen haar mogelijkheden. [D] blijft hopen dat ze weer bij haar ouders kan gaan wonen. Zolang er geen definitieve beslissing over de plaats waar zij zal opgroeien wordt genomen, is haar situatie onzeker en dat maakt [D] zelf ook onzeker.

4.4.

Het is in de afgelopen jaren duidelijk geworden dat de ouders de kinderen niet kunnen bieden wat zij nodig hebben. Er zijn nog steeds zorgen over de emotionele beschikbaarheid van ouders en de voor hun kinderen ontoereikende pedagogische vaardigheden. Het lukt hen niet om een opvoedsituatie voor de kinderen te bereiken die goed genoeg is.

4.5.

[D] en [C] wonen op dit moment al zo lang bij de pleegouders en bij de gezinshuisouders, dat het belangrijk voor hen is om te weten dat zij hier in de toekomst mogen blijven wonen. Zij zijn gehecht aan de huidige verzorgers. Als zij nu weer bij de ouders zouden gaan wonen, zou dat volgens de raad een traumatische gebeurtenis zijn voor kinderen, omdat zij daarmee hun pleeg- en gezinshuisouders verliezen. Zeker voor [C] is dat het geval, omdat hij vanaf zijn geboorte in het gezin van de pleegouders woont. Voor [D] is vanwege haar leeftijd duidelijkheid over de toekomst dan weer belangrijker. Dit betekent ook dat voor de beide kinderen de aanvaardbare termijn, die in de wet genoemd wordt, voorbij is.

4.6.

De rechtbank vindt daarom dat het gezag van de ouders over [D] en [C] beëindigd moet worden.

4.7.

De rechtbank geeft de ouders een groot compliment omdat zij hebben gezegd dat zij de strijd over de woonplaats van [D] en [C] willen stoppen, dat zij zich willen richten op de omgang met de kinderen en willen investeren in de relatie met de verzorgers van de kinderen. Daarmee laten de ouders zien dat zij de belangen van de kinderen voor hun eigen gevoelens en wensen willen stellen, hoe moeilijk dat ook voor de ouders is.

4.8.

De ouders blijven als ouders altijd belangrijk in het leven van [D] en [C] . Zij houden het recht op omgang met de kinderen en zullen geïnformeerd worden over en betrokken worden bij belangrijke gebeurtenissen in het leven van [D] en [C] . Het is belangrijk dat de ouders uiteindelijk echt achter de uithuisplaatsing van [C] en [D] kunnen staan, en dat kunnen uitstralen naar de kinderen. Voor [D] is het heel belangrijk dat zij voelt dat de ouders het goedkeuren dat zij in een gezinshuis woont. De GI wil de ouders een cursus aanbieden om die (mate van) acceptatie te bereiken. De GI heeft ook toegezegd ervoor te zullen zorgen dat de ouders goed worden geïnformeerd over alles wat er gebeurt in het leven van de kinderen, zodat zij bij de kinderen betrokken blijven.

4.9.

De rechtbank gaat er vanuit dat de ouders aan de verdere begeleiding door de GI zullen meewerken en dat door de GI regelmatig bekeken zal worden welke vorm en frequentie van omgang het meest tegemoet komt aan de belangen en de wensen van [D] en [C] (en de ouders).

4.10.

De Raad heeft verzocht de GI als voogd te benoemen, omdat de GI voor nu de meest aangewezen instantie is om de belangen van de kinderen op een verantwoorde manier te behartigen en te waarborgen. Nu de GI de bereidheid heeft om met de voogdij te worden belast, zal de rechtbank als volgt beslissen.

5 De rechtbank:

5.1.

beëindigt het gezag van de ouders:
- [A], [geboren 2] 1986 te [geboorteplaats 2] , en
- [B], [geboren 3] 1984 te [geboorteplaats 3] ,

over de minderjarige kinderen:

- [C] , [geboren 4] 2018 te [geboorteplaats 4] , en

- [D] , [geboren 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;

5.2.

benoemt over deze minderjarigen tot voogd:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. G.M.J. Vijftigschild, mr. H.J.H. van Meegen en mr. K. Haar, allen kinderrechters, en is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2020 in tegenwoordigheid van mr. W. Nagelhout, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

a. a) door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b) door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Afschrift verzonden d.d.

  • -

    Raad voor de Kinderbescherming

  • -

    Gecertificeerde instelling

  • -

    Mr. M.S. Krol (voor ouders)

  • -

    Pleegouders