Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1235

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
8266982 \ EJ VERZ 20-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst en verzoekt te bepalen dat zij aan de werkneemster geen transitievergoeding verschuldigd is. Werkneemster is opgeroepen in de procedure maar is niet verschenen. De ontbinding wordt toegewezen op de h-grond omdat werkneemster gedetineerd is. Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Werkneemster heeft strafbare feiten gepleegd (mishandeling en bedreiging) en is daarvoor strafrechtelijk tot een gevangenisstraf veroordeeld. Als gevolg daarvan kon en kan zij niet voldoen aan de verplichting om arbeid te verrichten. De arbeidsovereenkomst wordt daarom op korte termijn ontbonden en een transitievergoeding is niet verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0359
RAR 2020/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8266982 \ EJ VERZ 20-11

Beschikking van de kantonrechter van 9 maart 2020

in de zaak van

de maatschap CAPRA ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

verzoekende partij, hierna te noemen Capra,

gemachtigde: mr. G.P.F. van Duren

tegen

[verweerster] ,
wonende te [plaats] ,

verwerende partij, hierna te noemen [verweerster] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Capra heeft een verzoek ingediend strekkende tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Het verzoek is op 14 januari 2020 ontvangen op de griffie van de rechtbank Overijssel.

1.2.

Capra heeft op 27 januari 2020 een afschrift van het verzoek en de oproeping voor de mondelinge behandeling laten betekenen aan [verweerster] op haar verblijfsadres in de Penitentiaire Inrichting Zwolle (hierna PI). Op 17 februari 2020 is van de PI een afstandsverklaring ontvangen van [verweerster] . [verweerster] heeft geweigerd de verklaring te ondertekenen. Op de verklaring staat “Door betrokkene aangegeven reden van weigering: wil de zitting niet bijwonen.

1.3.

Op 17 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Alleen verzoekster is verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

1.4.

Ten aanzien van [verweerster] is verstek verleend.

2 Waar de zaak over gaat

2.1.

Capra is een advocatenkantoor dat is gespecialiseerd in arbeidsverhoudingen in de sectoren overheid, onderwijs en zorg. [verweerster] ( [geboren] 1983) is op 1 april 2012 in dienst gekomen bij Capra (op de vestiging in Zwolle) in de functie van secretaresse voor 24 uur per week. Haar salaris bedraagt € 1.978,01 bruto per maand (te vermeerderen met 8% vakantietoeslag). Op 11 december 2018 is [verweerster] uitgevallen wegens ziekte. In het kader van re-integratie bij ziekte is zij op 17 juni 2019 gestart met aangepaste werkzaamheden. Op 12 juli 2019 is [verweerster] , zonder Capra daarover te berichten, niet op het werk verschenen. Toen [verweerster] ook op 15 juli 2019 niet op het werk verscheen, heeft Capra de loonbetalingen gestaakt met ingang van 12 juli 2019. Capra heeft vervolgens uit persberichten begrepen dat [verweerster] in hechtenis was genomen op verdenking van het ernstig mishandelen van een deurwaarder. Bij vonnis van 21 november 2019 van de rechtbank Overijssel is [verweerster] veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het mede plegen van poging tot doodslag tegen de deurwaarder en het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht tegen een advocaat. [verweerster] heeft Capra niet zelf van deze veroordeling op de hoogte gesteld. Capra heeft daarna uit persberichten begrepen dat [verweerster] in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak. Capra neemt het [verweerster] kwalijk dat zij over alles wat er gebeurd is aan haar werkgever geen openheid van zaken heeft gegeven.

2.2.

Capra wil in deze procedure komen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] . Zij stelt zich op het standpunt dat van haar niet langer gevergd kan worden om het dienstverband met [verweerster] voort te zetten. Herplaatsing van [verweerster] in de organisatie van Capra kan na alles wat er is voorgevallen niet meer aan orde zijn.

2.3.

Capra verzoekt daarom op basis van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW (artikel 671b, lid 1 onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek) de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op één van de gronden van artikel 7:669 lid 3 BW. Primair gaat Capra uit van de e-grond (verwijtbaar handelen van werknemer), subsidiair van de g-grond (een ernstig en duurzaam verstoorde verstandhouding van partijen), meer subsidiair de h-grond (andere gronden) of de i-grond (een combinatie van omstandigheden). Daarbij verzoekt Capra om te bepalen dat zij aan [verweerster] geen transitievergoeding verschuldigd is.

2.4.

[verweerster] heeft op geen enkele wijze verweer gevoerd tegen het verzoek van Capra en is niet in de procedure verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden met ingang van 10 maart 2020. Capra is daarbij geen transitievergoeding verschuldigd aan [verweerster] . Hierna wordt toegelicht waar deze beslissing op gebaseerd is.

Ontbindingsgrond

3.2.

De kantonrechter kan een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever ontbinden als daar een redelijke grond voor is. Dat volgt uit artikel 7:671b BW. De redenen die als redelijke grond kunnen worden aangemerkt zijn opgenomen in artikel 7:669 lid 3 BW. In dit geval zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden op basis van de zogenaamde h-grond. Bij de totstandkoming van de wet (Wet Werk en Zekerheid, afgekort WWZ) is als omstandigheid die past onder de h-grond detentie van de werknemer genoemd. In dit geval is [verweerster] gedetineerd, zodat van die omstandigheid sprake is.

3.3.

Detentie van een werknemer hoeft niet in alle gevallen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te leiden. Het zijn de specifieke omstandigheden van een concreet geval die daarbij een rol spelen. De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheden van de detentie van [verweerster] een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Capra rechtvaardigen. In de omstandigheden die door Capra zijn aangevoerd en door [verweerster] niet zijn weersproken kan van de werkgever niet gevergd worden dat de arbeidsovereenkomst nog langer voortduurt. Ook herplaatsing van [verweerster] in de organisatie van Capra ligt niet meer in de rede. De omstandigheden die van belang zijn worden hierna uiteengezet.

3.4.

Allereerst is van belang dat [verweerster] door de strafrechter is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten. Het gaat erom dat [verweerster] is veroordeeld voor een poging tot doodslag op een deurwaarder (terwijl de deurwaarder zijn beroep uitoefende) en een doodsbedreiging aan het adres van een advocaat die [verweerster] en haar echtgenoot bijstond in een civiele procedure. De rechtbank heeft daarvoor aan [verweerster] een gevangenisstraf van 4 jaren opgelegd.

3.5.

Ten tweede is van belang dat Capra vreest dat haar goede naam wordt aangetast door het handelen van haar medewerkster [verweerster] . Gezien de toelichting van Capra vindt de kantonrechter die vrees gerechtvaardigd. Capra heeft namelijk uit het strafbaar handelen van [verweerster] jegens de deurwaarder begrepen dat [verweerster] geen respect heeft voor rechterlijke beslissingen en voor de personen die bij de tenuitvoerlegging daarvan een rol spelen. In de strafzaak ging het immers om een deurwaarder die op het erf van [verweerster] verscheen omdat hij een uitspraak van de civiele rechter aan haar en haar echtgenoot wilde betekenen. Voor Capra weegt dit gebrek aan respect voor een deurwaarder zwaar omdat de bedrijfsvoering van Capra onder meer inhoudt dat zij haar klanten (juridisch) adviseert in integriteitskwesties. De vrees van Capra is bovendien door [verweerster] niet weersproken.

3.6.

Ten derde is van belang dat Capra heeft gesteld dat er onder het overige personeel van Capra een gevoel van verontwaardiging en onveiligheid heerst als gevolg van het strafbaar handelen van [verweerster] . Terugkeer (op termijn) van [verweerster] op de werkvloer is daarom niet wenselijk. Dat gevoel onder het personeel heeft volgens Capra te maken met de ernst van het door [verweerster] gepleegde misdrijf en de ongeloofwaardige verklaring die [verweerster] zelf in die zaak heeft afgelegd. [verweerster] heeft hiertegenover geen ander steekhoudend verweer aangevoerd. Daarom gaat de kantonrechter uit van de stellingen van Capra.

Opzegverbod?

3.7.

Afgezien van al het voorgaande is nog van belang dat de situatie waarin een opzegverbod geldt aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg kan staan. Capra stelt dat [verweerster] op 10 juli 2019, de dag waarop zij in hechtenis werd genomen, nog bezig was met een traject van re-integratie bij ziekte. Zij was op die datum nog niet volledig hersteld, maar haar herstel was al wel in zicht. Als gevolg van de detentie heeft er vanaf die datum geen ziekte begeleiding door de bedrijfsarts meer kunnen plaatsvinden en is er geen formele hersteldmelding geweest. Het opzegverbod bij ziekte is daarom formeel nog van toepassing.

3.8.

De kantonrechter is van oordeel dat dit opzegverbod niet aan ontbinding in de weg staat. Het verzoek van Capra tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst houdt namelijk geen verband met de ziekte van [verweerster] , maar is gelegen in omstandigheden die daar los van staan. Het verzoek heeft immers betrekking op de strafzaak waar [verweerster] (door eigen toedoen) in betrokken is geraakt.

Ontbindingsdatum

3.9.

Uit de wet (artikel 7:671b, lid 9, BW) volgt dat de kantonrechter de datum aanwijst waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. De datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden kan op korte termijn worden bepaald als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Capra heeft betoogd dat daarvan sprake is. De kantonrechter is het daarmee eens en stelt de ontbindingsdatum daarom vast op 10 maart 2020. Redengevend daarvoor is dat [verweerster] moedwillig strafbare feiten heeft gepleegd (mishandeling en bedreiging). Als gevolg daarvan is zij in hechtenis genomen en is zij tot een gevangenisstraf veroordeeld. Daardoor kon (en kan) zij niet voldoen aan haar verplichting uit de arbeidsovereenkomst om op het werk te verschijnen. Daarbij heeft zij haar werkgever niet of nauwelijks geïnformeerd over haar situatie. Voor Capra was het daarom moeilijk om een inschatting van de situatie te maken. Belangrijke informatie heeft Capra uit persberichten moeten vernemen.

Transitievergoeding?

3.10.

In de wet (artikel 7:673 lid 7 onder c, BW) is bepaald dat een transitievergoeding niet verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst eindigt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Zoals hiervoor al is beschreven, is er in de situatie van [verweerster] sprake van ernstig verwijtbaar handelen wat heeft geleid tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Capra is daarom geen transitievergoeding verschuldigd.

Proceskosten

3.11.

Als in het ongelijk gestelde partij dient [verweerster] te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak aan de kant van Capra begroot op € 124,00 voor griffierecht en € 480,00 voor salaris gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 10 maart 2020;

4.2.

bepaalt dat Capra aan [verweerster] geen transitievergoeding verschuldigd is;

4.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Capra tot en met vandaag vaststelt op € 604,00;

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2020. (AP)