Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1201

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-01-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
242399 FT RK 20/8
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening (artikel 287 lid 4 Fw). Kopie van verzoek schuldsanering waarop op 12 november 2019 nog afwijzend was beslist en tegen welke beslissing geen hoger beroep was ingesteld, ingediend. Ook reeds moratorium i.v.m. dreigende ontruiming (ex artikel 287b Fw) van april t/m augustus 2019 van toepassing geweest. I.v.m. zelfde ontruimingsvonnis nu om voorlopige voorziening verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 242399 FT RK 20/8
Datum beschikking: 9 januari 2020

beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], [adres]

verzoeker,

verder ook te noemen: [verzoeker],

tegen

de stichting Woningstichting Domijn,

gevestigd te Enschede,
verweerster,

verder te noemen: de Woningstichting,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Enschede,

verder ook te noemen: de deurwaarder.

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2019 is over alle goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoeker], bewind ingesteld, waarbij [A] (handelend onder de naam Profez Noltes), gevestigd te Oldenzaal, tot (beschermings)bewindvoerder is benoemd.

Het procesverloop

Bij vonnis van 16 april 2019 is het de Woningstichting op grond van artikel 287b Faillissementswet (moratorium) gedurende zeven weken verboden om tot ontruiming van de woning van [verzoeker] aan de [adres] te [plaats] over te gaan. Op 28 mei 2019 heeft de rechtbank vervolgens, na behandeling ter zitting, een vonnis gewezen, waarin het de Woningstichting tot 16 augustus 2019 is verboden tot ontruiming van de woning van [verzoeker] over te gaan.

Bij vonnis van 12 november 2019 is het, tesamen met verzoek moratorium ingediende, verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [verzoeker], hoewel deugdelijk opgeroepen, zowel op de zitting van 23 september 2019 als op de zitting van 5 november 2019 niet is verschenen. Het vonnis van 12 november 2019 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Thans verzoekt [verzoeker], onder overlegging van een identiek verzoekschrift schuldsanering als waarop op 12 november 2019 afwijzend is beslist, een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet te treffen, in die zin dat het de Woningstichting wordt verboden tot twee weken nadat op het thans opnieuw ingediende verzoek schuldsanering door de rechtbank is beslist, de woning van [verzoeker] aan de [adres] te [plaats] te ontruimen. Bij exploit van 4 december 2019 heeft de deurwaarder (opnieuw) de ontruiming van de woning van [verzoeker] aangezegd, dit keer voor 15 januari 2020. Bij vonnis van

30 oktober 2018 is de huurovereenkomst ontbonden en is [verzoeker] veroordeeld de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen.

De rechtbank zal heden een beslissing nemen op het verzoek ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet op basis van de aangeleverde stukken zonder partijen te horen.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet) afwijzen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet tot doel heeft het geven van een spoedeisende beslissing voor de situatie dat het minnelijk traject reeds is beproefd maar niet is geslaagd en er nog moet worden besloten op het verzoek verzoek schuldsanering. De rechtbank concludeert dat er heel recent (12 november 2019) nog (afwijzend) is besloten op hetzelfde verzoek schuldsanering dat thans opnieuw is ingediend. Aan de voorwaarde voor het toekennen van een voorlopige voorziening dat er nog niet op het verzoek schuldsanering is besloten, is dus niet voldaan en dit moet naar het oordeel van de rechtbank de afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tot gevolg hebben.

Voor zover [verzoeker] betoogt dat er thans een nieuw verzoek schuldsanering ter beoordeling voorligt waarop nog moeten worden besloten, overweegt de rechtbank dat [verzoeker] bij vonnis van (eveneens) vandaag niet-ontvankelijk zal worden verklaard in dat schuldsaneringsverzoek, nu er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die een inhoudelijke beoordeling van dat verzoek rechtvaardigen. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat [verzoeker] voor een inhoudelijke herbeoordeling van zijn verzoek schuldsanering dat bij vonnis 12 november 2019 is afgewezen, de weg van hoger beroep had kunnen bewandelen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] thans niet opnieuw de mogelijkheid moet worden geboden om zijn schulden door het treffen van een minnelijke of wettelijke schuldregeling te regelen nu hem hiervoor alle (wettelijke) middelen zijn verstrekt (moratorium en de mogelijkheid van wettelijke schuldsanering) en hij die middelen niet heeft benut. De Woningstichting moet thans – na een jaar en twee maanden – tot executie van het vonnis van 30 oktober 2018 kunnen overgaan. Het indienen van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (ex artikel 287 lid 4 Faillissementwet) levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook misbruik van recht op nu het middel voor het oneigenlijke doel van het ten onrechte nogmaals verkrijgen van uitstel voor het executeren van de titel voor ontruiming van de woning wordt gebruikt.

De beslissing

De rechtbank:

- Wijst het verzoek ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Verhoeven op 9 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.