Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1158

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
08/730254-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 41-jarige man uit Rijssen tot een taakstraf van 80 uren voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven en het rijden onder invloed. De man reed in zijn auto met hoge snelheid af op een verkeersregelaar die opzij moest springen om niet aangereden te worden. Hij bestuurde de auto terwijl hij onder invloed van alcohol was. Naast de taakstraf legt de rechtbank de man een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de periode van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08/730254-18 (P)

Datum vonnis: 18 maart 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
5 maart 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.P. Dronkers en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.W. Bosman, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn auto in haar richting te rijden waarbij die [slachtoffer] rakelings werd gepasseerd;

feit 1 subsidiair: [slachtoffer] heeft bedreigd door opzettelijk met zijn auto in haar richting te rijden waarbij die [slachtoffer] rakelings werd gepasseerd;

feit 1 meer subsidiair: met een personenauto gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt op de weg;

feit 2: onder invloed van alcohol een personenauto heeft bestuurd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2017, in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (verkeersregelaar bij Traffic Security

Nederland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet (een) stopteken(s) gegeven door [slachtoffer] (die op dat moment

als verkeersregelaar fungeerde) heeft genegeerd en/of (vervolgens) met een

door hem bestuurde auto met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan gezien de

situatie en de omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was in de

richting van die [slachtoffer] is gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende)

zijn snelheid te minderen/te remmen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]

opzij moest springen en/of waarbij die [slachtoffer] rakelings werd gepasseerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 20 januari 2017, in de gemeente Enschede [slachtoffer] (verkeersregelaar bij Traffic Security Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een (personen)auto - (een) stopteken(s) gegeven door [slachtoffer] (die op dat moment als

verkeersregelaar fungeerde) genegeerd en/of - (vervolgens) met die door hem bestuurde auto met een (aanmerkelijk) hogere

snelheid dan gezien de situatie en de omstandigheden ter plaatse verantwoord

en toegestaan was in de richting van die [slachtoffer] gereden en/of blijven rijden

zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] opzij moest springen en/of waarbij die

[slachtoffer] rakelings werd gepasseerd,

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 20 januari 2017, in de gemeente Enschede, als bestuurder van een voertuig ((personen) auto (met kenteken [kenteken] ),

daarmee rijdende op de weg, de "Auke Vleerstraat" althans op een of meer voor

het openbaar verkeer openstaande wegen, - terwijl verdachte verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank,

althans na het nuttigen van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid

alcoholhoudende drank en/of - terwijl het op dat moment donker was, - door een afzetting is/was gereden (ter hoogte van de kruising met de

Kanaalstraat) en/of - met onverminderde snelheid en/of met een te hoge snelheid over een (of meer)

verkeerspionnen is/was gereden en/of - een (of meer) stopteken(s) van een een (of meer) verkeersregelaar(s) heeft

genegeerd en/of - met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan gezien de situatie en de

omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was op een

verkeersregelaar (bij voorpost 28) was toegereden/ingereden (die op dat moment

van de rijbaan afrende om een aanrijding te voorkomen) en/of - (vervolgens) met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan gezien de situatie

en de omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was op een

verkeersregelaar was toegereden/ingereden (waarbij die verkeersregelaar met de

rug naar verdachte toe stond) en/of (waarbij) die verkeersregelaar (abrupt)

opzij moest springen (teneinde een aanrijding/botsing te voorkomen) - (vervolgens) op de rechter rijbaan zijn weg heeft gevolgd welke rijbaan op

dat moment (gelet op de verkeerssituatie ter plaatse) niet toegestaan was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 20 januari 2017 in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een (personen)auto, dit

motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat

het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8,

tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerwet 1994, 570 microgram, in

elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek

te zijn.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Verdachte is met zijn auto met enige snelheid richting het slachtoffer gereden zonder vaart te verminderen, ten gevolge waarvan zij opzij moest springen om niet aangereden te worden. Aldus heeft verdachte het voorwaardelijk opzet gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast is de officier van justitie van mening dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft - overeenkomstig de inhoud van de door hem ter zitting overgelegde pleitnota – bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. De verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en getuige [getuige 1] zijn onbetrouwbaar omdat deze zijn opgenomen door één verbalisant ( [verbalisant 1] ) die daartoe niet bevoegd was en moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs. Ook de verklaring van getuige [getuige 2] moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze getuige door een verbalisant is gestuurd in het afleggen van een verklaring en het tijdstip van verhoor niet klopt. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] moet ook worden uitgesloten van het bewijs, omdat hij een vrijwillige surveillant is. Verder kan niet worden bewezen dat verdachte te hard reed en een stopteken heeft genegeerd. Verdachte heeft bovendien geen (voorwaardelijk) opzet gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feit 1

Vaststaande feiten

Op 20 januari 2017 vond in de gemeente Enschede een voetbalwedstrijd plaats tussen
FC Twente en Heracles Almelo. Aangeefster [slachtoffer] fungeerde tijdens deze wedstrijd als verkeersregelaar en was als zodanig ook herkenbaar omdat zij een opvallend reflecterend uniform droeg. Aangeefster stond op de rijbaan van de Auke Vleerstraat ter hoogte van de splitsing Elysium met haar gezicht in de richting van het Elysium. Zij stond met een zaklamp voorzien van een lichtkegel het verkeer vanaf de Elysium rechts te verwijzen richting de Auke Vleerstraat – Transportcentrum. Verdachte kwam daar ter plaatse als bestuurder van een personenauto.

Redengevende feiten en omstandigheden

Aangeefster heeft verklaard dat zij op enig moment een harde klap hoorde uit de richting van de Kanaalstraat waarop zij zich omdraaide. Aangeefster zag een personenauto met een hoge snelheid op haar af komen. Zij heeft nog geprobeerd om met haar zaklamp een stopteken te geven richting de bestuurder van de personenauto. Aangeefster heeft verder verklaard dat zij zag dat er onder de personenauto een oranje pylon vastzat en dat deze pylon even later los schoot en in de richting van de fietspad vloog. Aangeefster zag dat de bestuurder van de personenauto doorreed en zijn snelheid niet minderde. Hierop is aangeefster weg gesprongen en heeft zij zo kunnen voorkomen dat ze door deze personenauto werd aangereden.

Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] waren op voornoemde dag werkzaam als verkeersregelaar op de Auke Vleerstraat in Enschede. Beide getuigen hebben gezien dat een personenauto met enige snelheid door de afzetting reed. Getuige [getuige 1] zag dat de bestuurder met zijn personenauto enkele pylonen omver reed.

Beide getuigen hebben verklaard dat zij zagen dat de personenauto richting hun collega [slachtoffer] reed. Beiden zagen [slachtoffer] weg springen en hebben verklaard dat als zij dit niet had gedaan, zij zeker door verdachte was aangereden.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft een proces-verbaal opgesteld waar uit blijkt dat hij heeft gezien dat een personenauto door de eerste afzetting reed en met onverminderde snelheid door reed, dat hij over verkeerspylonen reed en dat de verkeersregelaar omkeek en direct aan de kant sprong. De snelheid van de auto was hoog en de afstand tot de verkeersregelaar was zo klein, dat als de verkeersregelaar niet opzij gesprongen was, zij aangereden zou zijn.

Verweren raadsman

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging. Anders dan de verdediging stelt, is niet gebleken dat verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] surveillanten van de politie zijn die niet bevoegd waren om verklaringen op te nemen of een proces-verbaal op te maken. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank in dat verband op dat indien deze verbalisanten niet bevoegd zouden zijn om processen-verbaal op te maken voor onderhavig misdrijf, dit niet betekent dat de afgelegde verklaringen reeds om die reden onbetrouwbaar zijn en uitgesloten moeten worden van het bewijs. In dat geval kunnen deze processen-verbaal worden gezien als andere geschriften in de zin van artikel 344, lid 1 onderdeel 5 Wetboek van Strafvordering (Sv).

Anders dan de verdediging, acht de rechtbank de afgelegde verklaringen betrouwbaar, nu deze in grote lijnen overeenkomen en consistent zijn en zal zij deze gebruiken voor het bewijs. Het foutief opgenomen tijdstip in het verhoor van getuige [getuige 2] ziet de rechtbank als een kennelijke verschrijving en doet aan het voorgaande niet af.

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Er is sprake van willens en wetens als de verdachte zich de mogelijkheid van het zwaar lichamelijk letsel realiseert (willens) en dat hij de mogelijkheid van die gevolgen voor lief neemt (wetens).

De verdachte heeft verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest om [slachtoffer] aan te rijden.

In het dossier bevinden zich onvoldoende gegevens of aanknopingspunten om het (voorwaardelijk) opzet daaruit af te kunnen leiden. Uit het dossier blijkt immers niet hoe hard de verdachte heeft gereden, hoeveel afstand er was tussen aangeefster en de auto van verdachte en of de verdachte ruimte had om zo nodig uit te kunnen wijken. Het enkele feit dat de verdachte met zijn auto, zonder vaart te minderen, op [slachtoffer] afreed, is onvoldoende voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, nu is komen vast te staan dat verdachte met een auto in de richting van aangeefster is gereden en zij dit onder de omstandigheden waarin zij zich bevond (staand, onbeschermd, aanvankelijk met haar rug naar verdachte toe) als bedreigend heeft kunnen ervaren.

4.3.2

Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

  1. de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 maart 2020;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van rijden onder invloed, opgenomen op pagina’s 35 tot en met 37 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ;

  3. een ademanalyseformulier, opgenomen op pagina 42 van voornoemd dossier.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor en in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1 subsidiair

hij op 20 januari 2017, in de gemeente Enschede [slachtoffer] (verkeersregelaar bij Traffic Security Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een personenauto met die door hem bestuurde auto in de richting van die [slachtoffer] gereden en/of blijven rijden zonder voldoende zijn snelheid te minderen/te remmen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] opzij moest springen;

2

hij op 20 januari 2017 in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig,
te weten een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerwet 1994, 570 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (570 ug/l).

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in geval van een strafoplegging verzocht de straf te matigen en rekening te houden met de volgende omstandigheden: de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het blanco strafblad van verdachte, de gezondheidstoestand van verdachte destijds en de feitelijke gevolgen van de procedure. De raadsman heeft verder gesteld dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat dit tot strafvermindering moet leiden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van een verkeersregelaar met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door met een auto richting het slachtoffer te rijden en blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen ten gevolge waarvan de verkeersregelaar opzij moest springen. Door zijn handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer teweeg gebracht. Tevens heeft de verdachte de auto bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol was.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.
6 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en met het feit dat hij er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven het strafwaardige en kwalijke van zijn handelen in te zien.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gekomen in het rapport van de reclassering van 22 mei 2019.

Verdachte heeft huisvesting, een fulltime baan en van schulden of problematisch middelengebruik is geen sprake. Ten tijde van het delict was er bij verdachte sprake van vergeetachtigheid en medische afwijkingen. Er is volgens de reclassering totaal geen sprake van een criminele levensstijl. De kans op recidive wordt laag ingeschat. Gelet daarop adviseert de reclassering om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van 80 uren passend en geboden. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging opleggen van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag voor de recht van de Mens is overschreden en dat die overschrijding gecompenseerd moet worden middels strafvermindering.

De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet dient te leiden tot strafvermindering, nu de strafzaak op verzoek van de raadsman is aangebracht op een meervoudige kamerzitting en de dagvaarding van de eerder aangebrachte politierechterzitting op zijn verzoek is ingetrokken. Gelet hierop bestaat er dan ook geen aanleiding om aan de overschrijding consequenties te verbinden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 6.311,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- ziektewetkosten ad € 2.640,00;

- UWV ad € 2.000,00;

- Therapie ad € 159,60;

- Ziekenhuiskosten ad € 11,40.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.500,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de materiële schade wat betreft de posten ‘therapie en ziekenhuiskosten’ en de immateriële schade voor een totaalbedrag van € 1,671,00 toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ten aanzien van de overige posten heeft de officier van justitie verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak en gelet op het feit dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman bepleit om de vordering af te wijzen. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit om de vordering aanzienlijk te matigen. Ten slotte heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte bereid is om met het slachtoffer onderling de schade af te handelen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder 1 ten laste gelegde. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Nu de partijen ter terechtzitting zijn overeengekomen dat de vordering, buiten het strafrechtelijk kader om, onderling kan worden afgehandeld, zal de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank heeft er, gelet op de wijze waarop verdachte en de benadeelde partij zich op de zitting hebben uitgelaten, alle vertrouwen in dat de partijen zich aan deze afspraak zullen houden.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d Sr en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 2 het misdrijf: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (570 ug/l);

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze bijkomende straf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , niet-ontvankelijk is in de vordering gelet op de overeenstemming die partijen ter zitting hebben bereikt over de afdoening van de gestelde schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Vijftigschild, voorzitter, mr. E.J.M. Bos, en
mr. D. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van Z. Demir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 25 januari 2017, pagina’s 3 en 4, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Op vrijdag 20 januari 2017 was ik werkzaam als verkeersregelaar tijdens de voetbalwedstrijd FC Twente - Heracles Almelo. Ik was op die avond gekleed in een opvallend reflecterend uniform. Rond 22.15 uur stond ik op de rijbaan van de Auke Vleerstraat ter hoogte van de splitsing Elysium. Ik stond met mijn gezicht richting het Elysium. Ik stond met mijn zaklamp voorzien van lichtkegel het verkeer vanaf de Elysium rechts te verwijzen richting de Auke Vleerstraat - Transportcentrum.
Plotseling hoorde ik een doffe harde klap komen uit de richting van de Kanaalstraat. Ik draaide mij direct om, ik zag dat een personenauto met een hoge snelheid op mij af kwam. Ik heb geprobeerd om nog met mijn zaklamp een stopteken te geven richting de bestuurder van de personenauto. Ik zag dat er onder de personenauto een oranje pylon vastzat en even later zag ik dat de pylon los schoot en in de richting vloog van het aldaar gelegen fietspad. Ik zag dat de bestuurde doorreed ik zag dat hij de snelheid niet minderde. Ik ben toen direct op weggesprongen. Als ik dit niet had gedaan was ik door deze personenauto aangereden.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 20 januari 2017, pagina 5, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:


Rond 22.15 uur stond ik daar in een opvallend reflecterend groen hesje. De Auke Vleerstraat was tijdelijk ingericht als eenrichtingsverkeer ten behoeve van de uitstroom van de wedtrijd FC Twente - Heracles. Op een gegeven moment hoorde ik een paar doffe knallen snel achter elkaar. Dit bleken later omver gereden reflecterende kegels te zijn. Toen zag ik een auto hard aan komen rijden. Deze auto kwam vanuit de Auke Vleerstraat richting het transportcentrum gereden. Vervolgens zag ik dat de personen auto die door de afzetting kwam rijden recht op mijn collega [slachtoffer] af reed. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer] weg sprong, voor de personen auto die door de afzetting kwam rijden. Als [slachtoffer] niet was weg gesprongen was zij zeker aangereden.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 20 januari 2017, pagina 7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:


Ik zag plotseling dat een personenauto met een te hoge snelheid op onze afzetting reed. Ik zag dat de bestuurder met zijn personenauto enkele oranje kleurige kegels omver reed.
Ik zag dat de personenauto langs mij heen reed gaande in de richting van mijn collega welke is genaamd: [slachtoffer] . [slachtoffer] stond op de Auke Vleerstraat met de t kruising Elysium.
Vervolgens zag ik dat mijn collega [slachtoffer] wegsprong, voor de personenauto die met een hoge snelheid door onze afzetting reed. Als zij dit niet had gedaan was zij zeker aangereden.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 23 mei 2017, pagina’s 12 tot en met 14, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, zag dat op de Auke Vleerstraat een bestuurder van een personenauto

door de eerste afzetting reed ter hoogte van de kruising met de Kanaalstraat. Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder met onverminderde snelheid door reed en dat hij over verkeerpylonen was gereden die op de rijbaan geplaatst waren. Ik zag dat bij die afzetting ter hoogte van de Kanaalstraat (voorpost 28) een verkeersregelaar van de rijbaan af moest rennen om te voorkomen dat deze geraakt zou worden door deze personenauto. Wanneer deze verkeersregelaar niet van de rijbaan af was gerend, was deze door de bestuurder van de personenauto aangereden. Ik zag dat deze verkeersregelaar in reflecterende kleding gekleed was en dat hij daarmee voor het verkeer duidelijk zichtbaar was als zijnde verkeersregelaar. Ik zag dat deze verkeersregelaar aanwijzingen gaf door middel van een in werking zijnde lantaarn met rode kegel.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.