Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1130

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
8006126 \ CV EXPL 19-4968
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dienstverlening. Vordering tot betaling facturen wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats

Zaaknummer : 8006126 \ CV EXPL 19-4968

Vonnis van 10 maart 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X],
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [X] ,

gemachtigde: [Y] ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BKBD HORECA B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde partij, hierna te noemen BKBD Horeca,

gemachtigde: mr. S.J. de Vries.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 november 2019,

- het aanvullend schrijven met producties d.d. 28 januari 2020 van [X] ,

- de zitting gehouden op 5 februari 2020,

- de pleitaantekeningen van BKBD Horeca.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] voert een onderneming die zich richt op financiële en juridische dienstverlening voor zakelijke en particuliere cliënten. De heer [A] is enig aandeelhouder en bestuurder van [X] . [A] heeft op 13 februari 2019 [X] opgericht. Voor die tijd dreef hij zijn onderneming als eenmanszaak.

2.2.

BKBD Horeca is in mei 2018 opgericht door de heer [B] . BKBD Horeca richt zich op de exploitatie van café Bruut in Zwolle. BKBD B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van BKBD Horeca, terwijl [B] enig aandeelhouder en bestuurder is van BKBD B.V. [A] is eigenaar geweest van tien procent van de aandelen in BKBD Horeca.

2.3.

[A] heeft in 2018 en 2019 diverse werkzaamheden verricht voor BKBD Horeca, onder andere bestaande uit de verzorging van de boekhouding en juridische dienstverlening.

2.4.

Op 18 april 2019 heeft [X] een brief naar BKBD Horeca gestuurd waarin zij ontbinding inroept van de overeenkomst met BKBD Horeca, omdat zij geen vertrouwen meer heeft in de samenwerking. Hierbij geeft [X] aan aanspraak te maken op betaling van nog openstaande facturen.

2.5.

Op 26 juni 2019 heeft [B] aangifte bij de politie gedaan tegen [A] wegens verduistering van een bedrag van ongeveer € 79.256,- aan contant geld dat toebehoorde aan BKBD Horeca. [A] heeft hierna diverse aangiften tegen [B] gedaan, waaronder wegens het doen van een valse aangifte.

2.6.

[X] heeft BKBD Horeca meerdere keren aangemaand om tot betaling over te gaan van een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met rente en kosten. Het bedrag is onbetaald gebleven.

3 Het geschil

3.1.

[X] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, BKBD Horeca te veroordelen tot vergoeding van de vermogensschade die [X] ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming door BKBD Horeca heeft geleden, vast te stellen op een som van € 5.000,-, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten afgeroomd op

€ 625,-, alsmede de van toepassing zijnde contractuele rente, gerekend per factuurbedrag vanaf de factuurdatum tot op de dag der algehele voldoening, met veroordeling van

BKBD Horeca in de kosten van het geding.

3.2.

BKBD Horeca voert verweer.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, ingegaan.

4 De beoordeling

Geldigheid dagvaarding

4.1.

Voordat de kantonrechter toekomt aan de beoordeling van de vordering, gaat zij in op het verweer van BKBD Horeca dat de dagvaarding nietig is. BKBD Horeca heeft hiervoor aangevoerd dat de dagvaarding niet aan de wettelijke eisen voldoet, omdat de eis en de gronden niet helder uit de dagvaarding blijken en er geen opgave is gedaan van de bewijsmiddelen waarover [X] kan beschikken.

4.2.

De kantonrechter oordeelt dat, hoewel de dagvaarding niet uitblinkt in helderheid, hier geen sprake is van een nietige dagvaarding. Los van het antwoord op de vraag of de door [X] aangedragen gronden doel treffen, voldoet de dagvaarding wel aan de eis van artikel 111 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) dat een dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet bevatten. Wel constateert de kantonrechter dat in de dagvaarding geen opgave is gedaan van de beschikbare bewijsmiddelen zoals bepaald is in artikel 111 lid 3 Rv, maar dit is geen gebrek dat leidt tot nietigheid van de dagvaarding. Het verweer dat de dagvaarding nietig is wordt daarom verworpen. Hiermee komt de kantonrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Beoordeling vordering

4.1.

[X] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij schade heeft geleden doordat BKBD Horeca haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomst die tussen partijen bestaat niet is nagekomen. Deze schade bestaat uit vijf niet betaalde facturen van

€ 1.000,-, buitengerechtelijke incassokosten en de uit hoofde van de algemene voorwaarden verschuldigde contractuele rente. De gefactureerde bedragen betreffen voorschotten die aanzienlijk minder bedragen dan de werkelijk gemaakte kosten, aldus [X] .

4.2.

BKBD Horeca betwist dat zij enig bedrag aan [X] verschuldigd is. Zij voert aan dat zij geen overeenkomst met [X] heeft gesloten. Wel is volgens haar afgesproken dat [A] werkzaamheden voor BKBD Horeca zou verrichten, maar daarvoor werd [A] beloond door het verkrijgen van tien procent van de aandelen in BKBD Horeca. Met [A] is niet overeengekomen dat hij apart kosten in rekening mocht brengen voor het voeren van procedures. Voor zover dat wel het geval zou zijn, betwist BKBD Horeca dat de gefactureerde werkzaamheden zijn uitgevoerd. Tenslotte beroept BKBD Horeca zich op verrekening in verband met vorderingen die zij stelt te hebben op [A] , waaronder een vordering in verband met geld dat [A] volgens BKBD Horeca verduisterd heeft.

4.3.

De kantonrechter overweegt dat [X] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij een overeenkomst heeft gesloten met BKBD Horeca uit hoofde waarvan BKBD Horeca betalingsverplichtingen tegenover [X] heeft. [X] heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit dit opgemaakt kan worden en evenmin feiten en omstandigheden aangedragen die hierop wijzen. Ook heeft zij niet onderbouwd dat afspraken die gemaakt zouden zijn tussen [A] in persoon en BKBD Horeca, gelding hebben verkregen tussen [X] en BKBD Horeca. Alleen al om deze reden komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking.

4.4.

Nog afgezien van het voorgaande heeft [X] niet gemotiveerd dat tussen [A] in persoon en BKBD Horeca afspraken zijn gemaakt op basis waarvan BKBD Horeca de gefactureerde bedragen aan [A] verschuldigd zou zijn. Zo heeft

[X] niet toegelicht welke afspraken [A] en BKBD Horeca hebben gemaakt over de beloning van werkzaamheden die niet via het aandelenbelang van [A] in BKBD Horeca verloond werden en wanneer en op welke wijze deze afspraken tot stand zijn gekomen. Daarbij komt dat, zoals [X] ter zitting heeft toegelicht, de facturen in kwestie zien op voorschotbedragen, zonder dat een eindafrekening heeft plaatsgevonden. Nu de samenwerking tussen [A] en BKBD Horeca is geëindigd, had het op de weg van [A] gelegen een eindafrekening op te maken, voorzien van een deugdelijke specificatie van de in rekening gebrachte werkzaamheden.

4.5.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering afgewezen. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BKBD Horeca worden begroot op € 600,00 (2,0 punten × tarief € 300,00) aan salaris advocaat. Daarnaast zal [X] worden veroordeeld in de nakosten. Deze kosten worden begroot op € 120,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [X] in de kosten van deze procedure tot op deze uitspraak aan de zijde van BKBD Horeca begroot en gevallen op 600,00. Begroot de nakosten op

€ 120,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.