Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1113

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
08-236856-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige man is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De man heeft een hoeveelheid heroïne en hennep aanwezig gehad. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van der derde categorie.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gelet op de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevangenisstraf van drie maanden, waarbij in dit geval als strafverzwarende omstandigheid geldt dat verdachte het onder handbereik in zijn voertuig had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-236856-19 (P)

Datum vonnis: 12 maart 2020

Verstekvonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2020. Tegen de verdachte is op die zitting verstek verleend.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.C. Pol.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een vuurwapen in zijn bezit heeft gehad;

feit 2: opzettelijk een hoeveelheid heroïne heeft vervoerd dan wel in zijn bezit heeft gehad;

feit 3: opzettelijk een hoeveelheid hennep heeft vervoerd dan wel in zijn bezit heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 4 november 2018 te Kampen, althans in Nederland,

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten een vuurwapen (pistool met semiautomatische werking), van het merk ZORAKI, model M906, kaliber 7.65 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 4 november 2018 te Kampen, althans in Nederland,

opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 3,41 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 4 november 2018 te Kampen, althans in Nederland,

opzettelijk vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van ongeveer 16,89 gram Cannabis (hennep), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram cannabis/hennep, zijnde cannabis/hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het proces-verbaal van aanhouding en de verklaring van verdachte, alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1. het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 4 november 2018, pagina’s 32 en 33, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid laatste volzin Sv;

2. het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 1] en

[verbalisant 2] van 4 november 2018, pagina’s 8 en 9;

3. het proces-verbaal van onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 3] van 19 maart 2019, pagina’s 60 en 61;

4. het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 5 februari 2019, pagina’s 26 en 27.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 4 november 2018 te Kampen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool met semiautomatische werking), van het merk ZORAKI, model M906, kaliber 7.65 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 4 november 2018 te Kampen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 4 november 2018 te Kampen aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 16,89 gram Cannabis (hennep), zijnde cannabis/hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 26 Wet Wapens en Munitie (WWM) en 2 en 3 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3

de overtreding: handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7. De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ter zake van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft een hoeveelheid heroïne en hennep aanwezig gehad. Het is algemeen bekend dat harddrugs en softdrugs verdovende middelen zijn die schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het vuurwapen werd aangetroffen in een vakje onder de bijrijdersstoel in de auto van verdachte. Verdachte had het vuurwapen dus voor het grijpen, terwijl hij zich op de openbare weg bevond. Dat verdachte geen munitie bij zich had, maakt niet dat het afschrikkende en bedreigende effect voor derden minder is. Daarbij komt dat het ongecontroleerde bezit van wapens in de samenleving een risico met zich meebrengt voor de veiligheid van personen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gelet op de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevangenisstraf van drie maanden, waarbij in dit geval als strafverzwarende omstandigheid geldt dat verdachte het onder handbereik in zijn voertuig had.

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 januari 2020 waaruit blijkt dat verdachte in het verleden – voornamelijk ter zake van verschillende feiten – meermalen met politie en justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende acht de rechtbank ter zake van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde misdrijven oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. De rechtbank acht het in dit geval niet opportuun daarnaast voor de onder 3 bewezen verklaarde overtreding een additionele straf of maatregel op te legen en zal daarom toepassing geven aan artikel 9a Sr.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 55 WWM, 10, 11 OW en 62 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3

de overtreding: handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. Monincx, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en

mr. F. van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam IJsselland-Noord met nummer PL0600-2019056036. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.