Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:1048

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
ak_19 _ 1486
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1486

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

mr. J. van der Hel, kantoorhoudende te Enschede, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van NPB Beheer B.V. en Megahome.nl Grond B.V. , te Zenderen, eiser,

gemachtigde: mr. H. Koolen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de op 11 september 2018 namens eiser, als curator van Megahome.nl Grond B.V. ontvangen aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oprichten van 43 woningen aan de Venderinksweg nabij 64 (Aletta Jacobslaan) te Hengelo geweigerd.

Bij besluit van 13 december 2018 heeft verweerder eisers op 27 november 2018 en

3 december 2018 gedane verzoek om de beslistermijn te verlengen afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering van de omgevingsvergunning ongegrond verklaard en het bezwaar gericht tegen de weigering om de beslistermijn te verlengen niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 12 februari 2020 middels toezending van een stuk van De Bruin architecten, op het welstandsadvies gereageerd.

Bij brief van 24 februari 2020 heeft verweerder de rechtbank een reactie van de stadsbouwmeester van dezelfde datum toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.H.J. Heutink, kantoorgenoot van eisers gemachtigde en vergezeld door prof. mr. J. Struiksma als deskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. van Dijk en P.L. Drent.

Overwegingen

1. NPB Beheer B.V. en Megahome.nl Grond B.V. zijn bij vonnis van 20 juli 2016 door deze rechtbank failliet verklaard. Daarbij is eiser als curator benoemd.

In juni 2018 heeft eiser, naar aanleiding van interesse van derden in een woningbouw-ontwikkeling op percelen welke tot de failliete boedel behoorden, ambtelijk overleg gevoerd met verweerder. Niet in geschil is dat daarbij van de zijde van verweerder eveneens interesse is getoond om zelf de gronden aan te kopen vanwege een beoogde herbestemming.

Daarnaast is niet in geschil dat HK2 aan een vervolggesprek op 5 september 2018 heeft deelgenomen en dat verweerder daarin heeft kenbaar gemaakt dat men voornemens was de woonbestemming te wijzigen in een groenbestemming.

Op 11 september 2018 heeft verweerder vervolgens kenbaar gemaakt dat per 12 september 2018 het ontwerpbestemmingsplan Gezondheidspark Aletta Jacobslaan ter inzage zal worden gelegd. Dit heeft er toe geleid dat eiser alsnog op 11 september 2018 een aanvraag bij verweerder heeft ingediend om een omgevingsvergunning voor het oprichten van 43 woningen aan de Venderinksweg nabij 64 (Aletta Jacobslaan) te Hengelo op de daarin genoemde percelen welke in eigendom waren van NPB Beheer B.V. en Megahome.nl Grond B.V.. Dit om het recht om conform het op dat moment geldende bestemmingsplan te mogen bouwen, te verzekeren.

Bij brief van 21 september 2018 heeft verweerder eiser verzocht om binnen 6 weken de in dat schrijven met name genoemde ontbrekende gegevens in te zenden. Bij schrijven van 23 oktober 2018 en bij e-mail van 1 november 2018 heeft eiser vervolgens verzocht om de termijn voor het aanleveren van de aanvullende stukken te verlengen. Bij een op 2 november 2018 verzonden besluit van 1 november 2018 is dat verzoek afgewezen.

Bij brief van 22 november 2018 heeft verweerder eiser bericht dat er bij een eerste beoordeling van de aanvraag een strijdigheid is vastgesteld. Het plan zou, gelet op het advies van de Stadsbouwmeester van 20 november 2018, in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Eiser wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om het plan uiterlijk op 3 december 2018 aan te passen. Tevens is in die brief aangegeven dat er bij de verdere behandeling nog andere strijdigheden kunnen blijken.

Bij brief van 27 november 2018 heeft eiser de aanpassingen ingezonden en een reactie gegeven op het welstandsadvies. Tevens is daarbij nogmaals eisers wens aangegeven om in goed overleg met verweerder tot een oplossing te komen en verzocht om de beslistermijn ex artikel 3.9, tweede lid, van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met zes weken te verlengen.

Bij het primaire besluit van 11 december 2018 heeft verweerder de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van 43 woonhuizen aan de Venderinksweg nabij 64 (Aletta Jacobslaan) te Hengelo, afgewezen. Daarbij is een aanvullend advies van de Stadsbouwmeester van 7 december 2018 gevoegd.

Tevens is bij besluit van 13 december 2018 het verzoek om de beslistermijn te verlengen afgewezen.

Bij schrijven van 8 januari 2019, zoals nadien aangevuld, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 december 2018 en bij brief van 23 januari 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 december 2018.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering van de omgevingsvergunning ongegrond verklaard en het bezwaar gericht tegen de weigering om de beslistermijn te verlengen niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser kan zich niet met dat besluit verenigen.

2.1

Weigering verlenging beslistermijn

Niet in geschil is dat eiser, voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, op 11 september 2018 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de realisatie van 43 woonhuizen bij verweerder heeft ingediend en dat hij op 1 november 2018 tijdig de door verweerder gevraagde ontbrekende stukken heeft kunnen indienen.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Daarbij geldt dat de beslistermijn op de aanvraag ingevolge artikel 4:15, eerste lid, van de Awb wordt opgeschort gedurende de periode waarin eiser de mogelijkheid is geboden om de ontbrekende stukken in te dienen.

Voor zover van de zijde van eiser beroep is ingesteld tegen de weigering om de beslistermijn (verder) te verlengen oordeelt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn.

Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De beslistermijn van de reguliere voorbereidingsprocedure van maximaal acht weken is in de regel toereikend om aanvragen af te wikkelen. In een enkel geval kan zich wellicht een situatie voordoen waarin het bevoegd gezag binnen die termijn nog geen afgeronde en uitgekristalliseerde afweging heeft kunnen maken omtrent de aanvaardbaarheid van de aangevraagde activiteit. Voor dergelijke situaties biedt artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo de mogelijkheid om de beslistermijn met zes weken te verlengen, tot een duur van veertien weken.

Blijkens vaste jurisprudentie worden besluiten tot verlenging van de beslistermijn gezien als voorbereidingsbesluiten in de zin van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie onder meer de door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State (ABRS) van 16 december 2009, ECLI:NL:RVS:BK6720 en 17 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5380.

Ingevolge artikel 6:3 van de Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Daarvan acht de rechtbank niet gebleken. In dat verband wijst de rechtbank er voor de goede orde op dat er wel degelijk vooroverleg heeft plaatsgevonden en dat de beslistermijn gedurende de periode dat eiser is verzocht de aanvraag aan te vullen, op grond van artikel 4:15, eerste lid, van de Awb is opgeschort. Het vragen om aanvulling van de aanvraag is dus niet ten koste van de beslistermijn gegaan. Eiser heeft de aanvraag tijdig kunnen aanvullen. De enkele wens van eiser tot nader overleg leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat eiser rechtstreeks in zijn belang is geschaad.

De rechtbank concludeert dat verweerder bij het bestreden besluit terecht het bezwaar ten aanzien van het niet verlengen van de beslistermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep voor zover gericht tegen de weigering om de beslistermijn te verlengen is ongegrond.

2.2

Weigering omgevingsvergunning.

De rechtbank stelt vast dat op grond van vaste jurisprudentie als uitgangspunt geldt dat de beslissing op een aanvraag om een vergunning voor de activiteit bouwen ex nunc geschiedt en er dus moet worden getoetst aan het recht zoals dat geldt op het moment van de beslissing op de aanvraag dan wel de daarna genomen beslissing op bezwaar. Dit is anders indien de aanvraag in overeenstemming is met een ten tijde van de aanvraag nog wel geldend, maar ten tijde van de beslissing niet meer geldend bestemmingsplan. In dat geval wordt getoetst aan het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingplan.

In geschil is of daarvan sprake is. Eiser meent dat het bouwplan in overeenstemming is met het destijds geldende bestemmingsplan “Gezondheidspark”, waarin de gronden voor zover hier van belang de bestemming “Wonen” hadden.

Verweerder wijst er op dat niet wordt voldaan aan de welstandseisen en dat niet wordt voldaan aan de op grond van artikel 14.2, aanhef en onder 9, van dat bestemmingsplan geldende maximaal toegestane diepte van het hoofdgebouw van 11 meter.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat wel wordt voldaan aan de welstandseisen en dat het advies van de Stadsbouwmeester niet kan worden gevolgd omdat deze, kort weergegeven, eigen criteria heeft ontwikkeld.

Daarnaast stelt eiser dat verweerder hem in de gelegenheid had moeten stellen om de, niet bedoelde, geringe afwijking van de maximaal toegestane diepte van het hoofdgebouw, aan te passen.

4.1

De rechtbank overweegt als volgt. Achtereenvolgens wordt getoetst of de op grond van artikel 2:10, eerste lid, van de Wabo door verweerder gehanteerde weigeringsgronden: strijd met het oude en nieuwe bestemmingsplan en strijd met de redelijke eisen van welstand in rechte houdbaar zijn.

4.2

Ten tijde van het bestreden besluit gold het inmiddels in werking getreden nieuwe bestemmingsplan “Gezondheidspark, Aletta Jacobslaan”. Niet in geschil is dat de aanvraag in strijd is met dit bestemmingsplan, zodat bij toetsing ex nunc de weigeringsgrond strijd met het bestemmingsplan stand houdt. Daarmee kon verweerder niet volstaan, omdat tevens moest worden onderzocht of de aanvraag ten tijde van de indiening van die aanvraag wel voldeed aan het oude bestemmingsplan. Niet in geschil is dat de voorgenomen bouw van 43 woningen in de bestemming “Wonen” voldeed aan de bestemming. Voor alle 43 woningen gold een maximale bouwdiepte van 11 meter. Voor alle woningen staat vast dat de op de bouwtekening bijgeschreven dieptemaat 11 meter was, maar dat uit de optelling van de ingeschreven binnenwerkse dieptemaat plus de diepte van de spouwmuren een totale dieptemaat van 11,07 meter volgde. De overschrijding van deze maat met 7 centimeter was – zo heeft verweerder ter zitting bevestigd – de enige strijdigheid met het oude bestemmings-plan. Verweerder heeft ter zitting verder bevestigd dat eiser niet eerder dan bij de hoorzitting in bezwaar ervan in kennis is gesteld dat dit de reden was om in het primaire besluit te stellen dat de bouwdiepte van 11 meter werd overschreden.

4.3

Verweerder moet als regel beslissen op een aanvraag om vergunning zoals deze is ingediend. Verweerder is evenwel onder omstandigheden bevoegd of zelfs gehouden om de aanvrager vooraf in de gelegenheid te stellen het bouwplan aan te passen. Voor overleg daaromtrent kan met name aanleiding bestaan indien door aanpassing kan worden bewerk-stelligd dat een zich voordoende weigeringsgrond kan worden weggenomen, alsook indien twijfel rijst of de aanvraag de bedoelingen van de aanvrager juist en volledig weergeeft. Voorts moet sprake zijn van een wijziging van ondergeschikte aard. De rechtbank vindt steun voor deze overweging in de uitspraak van de ABRS van 3 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2735.

4.4

In dit geval is zonneklaar dat aanpassing van de bouwtekening de weigeringsgrond kon wegnemen en dat de bedoelingen van eiser over de bouwdiepte niet juist en volledig werden weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank zou voorts sprake zijn van een wijziging van ondergeschikte aard. De zorgvuldigheid die verweerder moest betrachten bij de voorbereiding van het primaire besluit bracht mee dat eiser in de gelegenheid moest worden gesteld om de aanvraag aan te passen. Eiser heeft onweersproken gesteld dat die aanpassing een kleine moeite zou zijn. Na aanpassing zou de aanvraag in overeenstemming zijn met het oude bestemmingsplan. De reden voor verweerder dat hij de woningbouw op deze locatie wilde tegenhouden en dat hij meende eiser niet vooraf in kennis te hoeven stellen van de – exacte – inhoud van de afwijking, zet het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb niet opzij. Bij deze omstandigheden houdt de weigeringsgrond strijd met het oude bestemmingsplan geen stand en is de weigeringsgrond strijd met het nieuwe bestemmingsplan niet aan de orde.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank houdt ook de weigeringsgrond strijd met redelijke eisen van welstand geen stand. Normaliter mag verweerder het deskundige advies van de Stadsbouwmeester volgen. Het tegenadvies dat eiser in beroep heeft overgelegd van De Bruin architecten, de ontwerper van het bouwplan, is – zoals eiser ter zitting heeft erkend – niet afkomstig van een onpartijdig en onafhankelijke adviseur en legt geen gewicht in de schaal. De rechtbank volgt evenwel de opvatting van de deskundige prof. Struiksma, neergelegd in zijn notitie van 9 mei 2019 en ter zitting nader uiteengezet. Uit de door verweerder overgelegde adviezen van 23 november 2018 en 7 december 2018 van de Stadsbouwmeester blijkt dat hij het plan niet aan de criteria van het Beeld Kwaliteitsplan (BKP) kon toetsten, omdat daarin geen criteria zijn opgenomen voor individueel ontsloten grondgebonden woningen, maar voor gebouwen en complexen. De Stadsbouwmeester heeft vervolgens eigen criteria ontwikkeld. Verweerder moest zich er op grond van het bepaalde in artikel 3:9 van de Awb van vergewissen of de adviezen van de Stadsbouwmeester niet zodanige gebreken vertoonden dat hij die adviezen niet mocht volgen. Verweerder had in dit geval moeten onderkennen dat de Stadsbouwmeester door middel van zijn eigen criteria de bouw van woningen die overeenstemden met het oude bestemmingsplan blokkeerde. De rechtbank wijst er met Struiksma op dat het BKP een verkavelingsschets behelst die overeenkomsten vertoont met de aangevraagde situatie. Overleg van eiser met de Stadsbouwmeester had volgens verweerder, die ter zitting verklaarde dat er een niet overgelegd advies van de Stadsbouwmeester bestond, al wel geleid tot een welstandshalve bevredigender bouwplan. Verder overleg tussen architect en Stadsbouwmeester lijkt aangewezen.

5. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond. Wat partijen verder te berde hebben gebracht, behoeft geen bespreking.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.

7. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.

8. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. Omdat de rechtbank het beroep gedeeltelijk gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 345,-- vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    Verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de weigering om de beslistermijn te verlengen, ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep, voor wat betreft de weigering om een omgevings-vergunning te verlenen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit in zoverre en draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,-- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.