Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:971

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
08-710039-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 17-jarige jongen is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een taakstraf van 160 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Samen met drie mededaders (1 meerderjarige en 2 minderjarigen) overvielen zij 's avonds laat een maaltijdbezorger in Enschede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-710039-18 (P)

Datum vonnis: 22 maart 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen de minderjarige:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek met gesloten deuren van

14 maart 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

C.P. Dronkers en van hetgeen door verdachte en de raadsmanman mr. D.G. Geerdink, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, schuldig heeft gemaakt aan afpersing met (bedreiging van) geweld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 27 april 2018 te Enschede op de openbare weg, te weten Park de Kotten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of een telefoon (iPhone 7 Plus), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of [bedrijf] of aan een derde, toebehoorde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een mes, althans een puntig/scherp voorwerp, op die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of daarbij die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: Geef je geld en telefoon af", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van een mes, zoals in de tenlastelegging is opgenomen, niet bewezen kan worden. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 maart 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

2.

Het proces-verbaal aangifte van aangever [slachtoffer] van 27 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van aangever.

Uit de wijze waarop de overval heeft plaatsgevonden kan worden afgeleid dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking zodat de rechtbank het medeplegen wettig en overtuigend bewezen acht. Daarom is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 27 april 2018 te Enschede op de openbare weg, te weten Park de Kotten, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een telefoon (iPhone 7 Plus), die aan die [slachtoffer] en/of [bedrijf] , toebehoorde, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] heeft gericht en gericht gehouden en daarbij die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: “Geef je geld en telefoon af".

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: afpersing, door twee of meer verenigde personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uur, waarvan 80 uur, subsidiair 40 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij de vordering van de officier van justitie.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan afpersing. Zij hebben ‘s avonds laat een persoon overvallen die op dat moment bezig was met zijn werkzaamheden als maaltijdbezorger. Hiervoor hebben zij wapens meegenomen en gebruikt om het slachtoffer angst aan te jagen en daarbij hebben zij dreigende uitlatingen gedaan waardoor voor het slachtoffer een zeer bedreigende situatie is ontstaan. Het spreekt voor zich dat de afpersing voor het slachtoffer zeer beangstigend moet zijn geweest.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat als strafverzwarend meegewogen dat het optreden van de verdachte en zijn mededaders berekenend en goed voorbereid was. De verdachte en zijn mededaders hebben van te voren bivakmutsen gekocht, wapens meegenomen en een plaats uitgezocht die uit het zicht lag -mede door afwezigheid van camera’s- en doodlopend was. Vervolgens zijn zij met de auto naar de plaats van de overval gereden, hebben zij zich vermomd en hebben zij een imitatiepistool en pepperspray bij zich gedragen. De verdachte en zijn mededaders hebben de overval gepleegd uit verveling en een hang naar spanning. Zij hebben niet voor elkaar willen onderdoen en elkaar willen imponeren en hebben zich op geen enkel moment bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor het kwetsbare slachtoffer. Misdrijven als door de verdachte begaan veroorzaken bij de slachtoffers daarvan gevoelens van onveiligheid die nog lange tijd kunnen voortduren en brengen in de samenleving grote onrust teweeg. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 14 februari 2019;

  • -

    een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 maart 2019, opgemaakt door [naam 1] , raadsonderzoeker;

  • -

    een adviesrapportage van de Jeugdreclassering van 5 maart 2019, opgemaakt door

[naam 2] , reclasseringswerker.

De Raad voor de Kinderbescherming ziet geen toegevoegde waarde in een voorwaardelijke straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat een voorwaardelijke straf passend is, dan wordt geadviseerd de proeftijd te beperken tot de duur van een jaar. Geadviseerd wordt een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf.

Door de Jeugdreclassering wordt de kans op herhaling als laag ingeschat. Geadviseerd wordt een al dan niet gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Begeleiding en toezicht van de Jeugdreclassering wordt niet nodig geacht.

Ter zitting heeft [naam 2] , reclasseringswerker, een toelichting op het rapport gegeven en heeft zij het gegeven advies gehandhaafd.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening gehouden met de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hierin wordt voor jeugdigen als uitgangspunt voor een afpersing een werkstraf vanaf 60 uur, dan wel een dienovereenkomstige jeugddetentie genoemd. Rekening houdend met de bedreiging met een wapen, de plaats van het delict, de voorbereidingen die zijn getroffen en de overmacht van de groep, is de rechtbank van oordeel dat dit uitgangspunt aanzienlijk verhoogd dient te worden. Gezien de persoon van de verdachte en de inhoud van de rapporten is de rechtbank, evenals de officier van justitie, van oordeel dat van de gevorderde werkstraf een deel voorwaardelijk moet worden opgelegd, teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Hoewel het delict inmiddels langer geleden is en de recidivekans laag wordt ingeschat, is een proeftijd van twee jaren op zijn plek.

Alles afwegende is een straf zoals door de officier van justitie is geëist, te weten een werkstraf voor de duur van 160 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y en 77z Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    het misdrijf: afpersing, door twee of meer verenigde personen

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 160 (honderdzestig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

  • -

    bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte van 80 (tachtig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van twee (2) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (3 dagen), bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht.

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mr. M.M. Lorist en

mr. drs. H. Vegter, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2018182980 van 28 mei 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.