Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:946

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
229014 KGRK 19-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 229014 KGRK 19-97

Beslissing van 12 maart 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. S. van den Berg te Amsterdam,

1 De procedure

1.1.

In de strafzaak tegen verzoeker onder parketnummer 08/960042-18 heeft op

12 februari 2019 een openbare terechtzitting plaatsgevonden, alwaar mrs. H.R. Schimmel,

S. Taalman en B.T.C. Jordaans (hierna: de meervoudige strafkamer) zitting hadden.

1.2.

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker (namens verzoeker) een mondeling verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek van

12 februari 2019.

1.3.

Geen van de leden van de meervoudige strafkamer heeft berust in de wraking.

1.4.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 26 februari 2019 in het openbaar behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de advocaat van verzoeker en

- mr. E. van Doorn, officier van justitie.

De leden van de meervoudige strafkamer zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Verzoeker wordt, samen met [naam] , verdacht van witwassen. De wrakingskamer stelt vast dat (zoals van de zijde van verzoeker ter zitting ook is toegelicht) door het Gerechtshof Amsterdam een stappenplan is ontwikkeld dat in de jurisprudentie als uitgangspunt wordt gehanteerd voor de toetsing van witwasverdenkingen zonder bekend gronddelict. Door de advocaat van verzoeker is dit stappenplan als volgt weergegeven:

Stap 1: allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen;

Stap 2: indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen;

Stap 3: een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn;

Stap 4: zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen;

Stap 5: uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

2.2.

Verzoeker heeft voorafgaand aan de zitting van 12 februari 2019 bij de meervoudige strafkamer een verzoek neergelegd tot het horen van een zevental getuigen. Dit verzoek is door hem bij aanvang van de zitting toegelicht. De meervoudige strafkamer heeft het verzoek afgewezen onder de volgende motivering:

“De rechtbank heeft nagedacht over de onderzoekswensen van de beide verdachten en de daaraan gekoppelde aanhoudingsverzoeken en de rechtbank gaat deze niet toewijzen. We hebben het er uitgebreid over gehad, en er natuurlijk ook van tevoren over nagedacht. Verdachten hebben op een laat moment verklaringen afgelegd. Er wordt wel gekeken naar het verdedigingsbelang, maar ook in het verdedigingsbelang ziet de rechtbank geen aanleiding om getuigen te gaan horen die het niet vertelde verhaal door verdachte, zoals de officier van justitie dat uitdrukte, zouden moeten gaan vertellen, dus de rechtbank ziet aanleiding om gewoon door te gaan met de zaken.”

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

Aan het verzoek tot wraking is – samengevat – ten grondslag gelegd dat verzoeker vijfmaal een verklaring heeft afgelegd en daarbij uitgebreid is ingegaan op gestelde vragen. Met de motivering van de afwijzing loopt de meervoudige strafkamer volgens verzoeker vooruit op een eventueel later te nemen beslissing op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Volgens hem neemt de meervoudige strafkamer met de afwijzende beslissing een standpunt in over de verklaringen die hij heeft afgelegd. Hiermee is naar mening van verzoeker sprake van vooringenomenheid.

3.2.

Ter zitting van de wrakingskamer is ter toelichting op het wrakingsverzoek – kort weergegeven – aangevoerd dat de meervoudige strafkamer, door te spreken van een “niet-verteld verhaal van verdachte”, blijkbaar van oordeel is dat de verklaringen van verzoeker het witwasvermoeden niet ontkrachten en op basis daarvan beletten zij de mogelijkheid om de wél afgelegde verklaring – die overigens verifieerbaar is – te verifiëren. Volgens verzoeker kan het niet anders dan dat de meervoudige strafkamer van oordeel is dat de verdediging al spaak loopt in de tweede stap van het stappenplan witwassen, waarmee gegeven is dat een veroordelend vonnis zal volgen.

4 Het standpunt van de meervoudige strafkamer

4.1.

Mr. Jordaans heeft op 21 februari 2019 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Hij stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de omstandigheid dat de rechtbank in de motivering van de afwijzing van de getuigenverzoeken de door de officier van justitie gebruikte woorden “het niet door verdachte vertelde verhaal” heeft herhaald, geen blijk geeft van vooringenomenheid. Sterker nog, dit impliceert volgens hem dat de verdachte de voor de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering van belang zijnde vragen nog kan beantwoorden. Dat is immers ook het doel van behandeling ter terechtzitting, waar de rechtbank, officier van justitie en raadslieden vragen kunnen stellen aan verdachten, aldus mr. Jordaans.

4.2.

Mr. Taalman heeft niet inhoudelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.

4.3.

Mr. Schimmel heeft voor zijn standpunt verwezen naar de reactie van mr. Jordaans.

5 De beoordeling

5.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

5.2.

De gronden van verzoeker zijn gericht tegen de beslissing van de meervoudige strafkamer tot afwijzing van de door hem gedane getuigenverzoeken.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking kan niet dienen als verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Ter vergelijking wijst de wrakingskamer op de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2018, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2018:1770.

5.3.

De beslissing van de meervoudige strafkamer om de getuigenverzoeken af te wijzen is gegeven aan het begin van het onderzoek ter zitting. Van een inhoudelijke behandeling van de feiten was op dat moment nog geen sprake geweest. De redenering van verzoeker dat het niet anders kan dan dat de meervoudige strafkamer van oordeel is dat de verdediging al spaak loopt in de tweede stap van het stappenplan witwassen, wordt door de wrakingskamer dan ook niet gevolgd. Immers, voor verzoeker bestond nog de mogelijkheid om gedurende de inhoudelijke behandeling in antwoord op vragen van de rechtbank dan wel eigener beweging een verklaring af te leggen. Deze verklaring had de rechtbank aanleiding kunnen geven nader onderzoek naar de feiten te bepalen. Een veroordeling stond dan ook nog geenszins vast.

Het feit dat de meervoudige strafkamer in zijn motivering van de tussenbeslissing spreekt van “een zoals de officier van justitie dat uitdrukte niet-verteld verhaal” maakt het voorgaande niet anders. Het staat een strafrechter vrij vraagtekens te plaatsen bij en kritisch te zijn over verklaringen die door een verdachte zijn afgelegd en verdachte om uitleg daarover te vragen. Verzoeker had de mogelijkheid zijn verhaal ter zitting alsnog te vertellen. Ook had de meervoudige strafkamer naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, zoals al opgemerkt, alsnog kunnen besluiten om verdachte vrij te spreken of het onderzoek naar de feiten te heropenen en getuigen dan wel verdachte (nader) te horen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er om die redenen geen sprake van een motivering die niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

Voorgaande leidt de wrakingskamer tot het oordeel dat de bewoordingen die de meervoudige strafkamer ter motivering van de afwijzende beslissing heeft gebezigd, geen blijk van vooringenomenheid inhouden als hiervoor onder 5.2. bedoeld.

5.4.

Het verzoek tot wraking wordt daarom afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, A.A.A.M. Schreuder en

H.T. Pos, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.D. Moeke en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.