Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:931

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
AK_18_249
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verlaagt ingevorderde dwangsom van € 30.000,- naar € 21.000,-; rechtbank laat bij haar oordeel zwaar meewegen dat deze zaak een hoog "knulligheidsgehalte" heeft ; omstandigheden in deze zaak in onderlinge samenhang te duiden als bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/249

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiser 1] en [eiseres] te [woonplaats] eisers,

gemachtigde: mr. K.C.J. Gerritsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van de door [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ) verbeurde dwangsom van € 30.000,-.

Bij besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [eiser 1] ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A.J. Hiddink.

De rechtbank heeft op 24 april 2018 het onderzoek in deze zaak heropend. De reden hiervoor is dat staatsraad Advocaat-Generaal (hierna: AG) mr. P.J. Wattel op 4 april 2018 een conclusie inzake de invordering van verbeurde dwangsommen heeft uitgebracht en het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) hierover van belang kan zijn in deze zaak.

Bij besluit van 6 november 2018 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken vanwege een onjuiste ondertekening door de vakwethouder, en vervolgens een identiek besluit genomen dat is ondertekend door verweerder.

Op 27 november 2018 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de Afdeling geen uitspraak (meer) zal doen in de beroepszaak waarin voornoemde conclusie is uitgebracht omdat dit beroep nadien is ingetrokken. De rechtbank heeft aangegeven dat zij een tweede behandeling ter zitting niet nodig acht, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord.

Eisers hebben aangegeven behoefte te hebben aan een tweede mondelinge behandeling.

Het onderzoek ter (tweede) zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A.J. Hiddink.

Overwegingen

Feiten

1. Eisers zijn eigenaren van het pand (hierna: het pand) op het perceel [adres] te Enschede. Zij gebruiken het pand voor kamerverhuur / onzelfstandige bewoning.

Eerdere besluitvorming

2. Tijdens controles op 8 en 9 december 2016 hebben toezichthouders van de gemeente Enschede en de Brandweer Twente geconstateerd dat in het pand meerdere voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) worden overtreden en dat in het pand onzelfstandige bewoning plaatsvindt met meer bewoners dan is toegestaan.

Bij besluit van 3 februari 2017 heeft verweerder aan [eiser 1] een last onder dwangsom opgelegd om het aantal bewoners in het pand terug te brengen tot zeven personen en de overtredingen van het Bouwbesluit op te heffen. De last bestaat uit acht afzonderlijke onderdelen. Onderdeel 1 ziet op het terugbrengen van het aantal bewoners. Onderdelen 2 tot en met 8 zien op het opheffen van overtredingen van het Bouwbesluit. Indien niet uiterlijk op 24 maart 2017 aan de last is voldaan, verbeurt [eiser 1] voor onderdeel 1 een dwangsom van

€ 50.000,- ineens. Voor onderdelen 2 tot en met 8 verbeurt [eiser 1] per onderdeel een dwangsom van € 10.000,- ineens. Het maximaal te verbeuren bedrag bedraagt daarmee

€ 120.000,-. Indien de overtreding genoemd bij onderdelen 2 tot en met 8 slechts gedeeltelijk is opgeheven, verbeurt [eiser 1] toch het volledige dwangsombedrag van € 10.000,- per onderdeel.

Tegen deze last onder dwangsom is geen rechtsmiddel aangewend. Deze last is daarom na zes weken onherroepelijk geworden.

Thans voorliggende besluitvorming

3. Op 11 april 2017 heeft een controle plaatsgevonden door twee toezichthouders. Hierbij is geconstateerd dat de overtredingen niet geheel zijn opgeheven. Dat betreft het niet voldoen aan onderdelen 3, 4 en 5 van de last. Deze onderdelen luidden als volgt:

3. Een melding brandveilig gebruik indienen (artikel 1.18 van het Bouwbesluit).

4. De kamers voorzien van voldoende daglichtoppervlak (artikel 3.75 van het Bouwbesluit).

5. Er voor zorgen dat elke kamer wordt voorzien van een ventilatiemogelijkheid (artikel 3.29 van het Bouwbesluit).

Aan onderdeel 3 is niet voldaan omdat deze melding eerst na 24 maart 2017, te weten op 11 april 2017, bij verweerder is ingediend en omdat de plattegronden die bij de melding zijn ingediend niet correct zijn. Aan onderdelen 4 en 5 is niet voldaan omdat van de zes kamers op de begane grond er vier kamers niet voldoen aan de eisen in het Bouwbesluit met betrekking tot daglichttoetreding en ventilatie. Hierdoor is er van rechtswege een dwangsom van € 30.000,- (drie keer een dwangsom van € 10.000,-) verbeurd.

In het primaire besluit van 21 juni 2017 heeft verweerder de verbeurde dwangsom van

€ 30.000,- bij [eiser 1] ingevorderd. In het bestreden besluit van 12 december 2017, wat betreft ondertekening gewijzigd bij besluit van 6 november 2018, heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Ambtshalve overwegingen

4. De last onder dwangsom is enkel gericht aan [eiser 1] en dus niet aan zijn echtgenote

[eiseres] (hierna: [eiseres] . De invorderingsbeschikking is eveneens enkel gericht aan [eiser 1] . Hiertegen hebben zowel [eiser 1] als [eiseres] bezwaar gemaakt. In de bestreden beslissing op bezwaar is verweerder er (blijkbaar) van uit gegaan dat dit bezwaar enkel door [eiser 1] is ingediend. Verweerder heeft immers geen overwegingen gewijd aan het bezwaar, voor zover ingediend door [eiseres] . Het beroep is ingediend door zowel [eiser 1] als [eiseres] .

De rechtbank oordeelt dat verweerder een beslissing had moeten nemen op het bezwaar, voor zover ingediend door [eiseres] . Nu [eiser 1] en [eiseres] onbestreden hebben gesteld dat zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, komt de ingevorderde dwangsom ten laste van het gemeenschappelijke (huwelijks)vermogen. [eiseres] is daarom belanghebbende bij de invorderingsbeschikking, ook al is deze niet aan haar gericht. Gelet op het standpunt van verweerder omtrent de bezwaren van [eiser 1] , had verweerder de bezwaren van [eiseres] (eveneens) ontvankelijk en ongegrond moeten verklaren. Door dit niet te doen bevat het bestreden besluit een formeel gebrek. De rechtbank zal dit gebrek passeren onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nu aannemelijk is dat [eiseres] hierdoor niet is benadeeld.

De bevoegdheid

5. De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om de invorderingsbeschikking te nemen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:789, betreft dit een toetsing in het kader van het procesbelang. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of verweerder ten tijde van de zittingen bij de rechtbank bevoegd was om de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Meer specifiek dient de rechtbank te onderzoeken of deze bevoegdheid ten tijde van de zittingen al dan niet was verjaard.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De bevoegdheid tot het invorderen van een verbeurde dwangsom verjaart door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd (artikel 5:35 van de Awb). De verjaring kan, onder meer, worden gestuit door een aanmaning of een dwangbevel (artikel 4:106 van de Awb). Door deze stuiting van de verjaring begint een nieuwe termijn (van een jaar) te lopen met de aanvang van de volgende dag (artikel 4:110 van de Awb). De verjaringstermijn kan worden verlengd door het verlenen van uitstel van betaling (artikel 4:111 van de Awb).

In deze zaak eindigde de begunstigingstermijn van de last op 24 maart 2017. Tijdens de controle op 11 april 2017, oftewel na het verstrijken van de begunstigingstermijn, hebben toezichthouders geconstateerd dat eisers slechts voor een deel hebben voldaan aan de last. Gelet op de bewoordingen van de last is op 25 maart 2017 van rechtswege een dwangsom van € 30.000,- verbeurd. Voordat de invorderingsbevoegdheid op 25 maart 2018 zou verjaren, heeft verweerder bij brief van 31 januari 2018 eisers een aanmaning toegezonden. Hierdoor is de verjaringstermijn verlengd tot 31 januari 2019. Bij brief van 1 februari 2018 heeft verweerder op verzoek van eisers uitstel van betaling verleend tot zes weken na de uitspraak in beroep. Hierdoor is de verjaringstermijn verder verlengd. Ten tijde van de behandeling ter zitting op 20 april 2018 en 7 maart 2019 was de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom nog niet verjaard.

Verweerder heeft zich dan ook terecht en op goede gronden bevoegd geacht om de invorderingsbeschikking te nemen. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

De aanwending van de bevoegdheid

6. Eisers hebben een groot aantal beroepsgronden ingebracht die zijn gericht tegen het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom van 3 februari 2017. In dat kader hebben eisers onder meer aangevoerd dat er ten onrechte geen vooraankondiging aan hen is toegezonden alvorens de last onder dwangsom op te leggen, dat de verschillende onderdelen van de last niet duidelijk zijn, dat het onderdeel van de last met betrekking tot de daglichttoetreding onuitvoerbaar is en dat de dwangsom buitensporig hoog is.

7. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Vast staat dat geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2017 tot oplegging van een last onder dwangsom. Dit betekent dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.

In deze zaak is niet in geschil dat er overtredingen zijn gepleegd en dat [eiser 1] overtreder is. Van een uitzonderlijk geval is dan ook geen sprake. Gelet hierop zal de rechtbank de beroepsgronden die feitelijk zijn gericht tegen het besluit van 3 februari 2017, niet bespreken.

8. Eisers stellen dat verweerder hen had moeten horen alvorens de invorderings-beschikking te nemen. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956.

9. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3806, de door eisers aangehaalde uitspraak verduidelijkt. In dat kader heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, geoordeeld dat uit de uitspraak van 12 september 2018 volgt dat het college de belanghebbende op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb voorafgaand aan de dwangsominvordering in de gelegenheid dient te stellen te worden gehoord. Dit horen is niet van belang voor het antwoord op de vraag of het college bevoegd is om tot invordering over te gaan, maar de overtreder kan dit horen gebruiken om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen waarvan het bestuursorgaan niet al op de hoogte is of had moeten zijn. Het

verzuim om een belanghebbende niet vooraf te horen, kan in bezwaar worden hersteld.

Nu eisers hun standpunt over het invorderingsbesluit van 21 juni 2017 en over de door hen gestelde bijzondere omstandigheden naar voren hebben kunnen brengen tijdens de hoorzitting in de bezwaarschriftprocedure, bestaat in zoverre geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit.

10. Eisers stellen dat er bijzondere omstandigheden zijn om van invordering af te zien.

10.1.

In dat kader hebben eisers aangevoerd dat het niet (dan wel niet tijdig) voldoen aan de onderdelen 3, 4 en 5 van de last, hen niet mag worden aangerekend. Zij zijn niet op de hoogte van de toepasselijke wetgeving en daarom hebben zij geheel vertrouwd op hun zaakwaarnemer, aldus eisers. Deze persoon heeft niet juist gehandeld en zij hebben ondertussen een andere zaakwaarnemer aangesteld. Eisers stellen dat zij ‘knullig’ hebben gehandeld maar dat de rekening hiervoor, te weten € 30.000,- wel heel erg hoog is.

10.1.1.

Ten aanzien van het niet tijdig indienen van de melding brandveilig gebruik (onderdeel 3 van de last) hebben eisers aangevoerd dat de melding op de laatste dag van de begunstigingstermijn vrijdag 24 maart 2017 (dus tijdig) gereed was maar dat het niet lukte om deze melding op de door verweerder voorgeschreven wijze digitaal in te dienen. Bij de indiening werd een foutmelding gegeven. Op dat moment (aan het einde van de dag) was het niet meer mogelijk om een ambtenaar telefonisch te bereiken. Op maandag 27 maart 2017 is wederom geprobeerd de behandelend ambtenaar telefonisch te bereiken en is tevens gemaild. Eerst op 3 april 2017 reageerde de behandelend ambtenaar. Eisers concluderen dat er sprake is van overmacht.

10.1.2.

Ten aanzien van het niet voldoen aan de eis dat de kamers moeten worden voorzien van voldoende daglichtoppervlak (onderdeel 4 van de last) hebben eisers aangevoerd dat zij maatregelen hebben getroffen door de kleine ramen in de kamers te vervangen door grotere kiepramen. Dit bleek tijdens de controle op 11 april 2017 niet afdoende te zijn omdat er geen sprake is van buitenramen zodat de daglichttoetreding onvoldoende is. Dat de door hen ondernomen actie niet heeft geresulteerd in het opheffen van de overtreding, mag hen niet worden tegengeworpen. Onderdeel 4 van de last is immers niet duidelijk en tevens onuitvoerbaar.

10.1.3.

Ten aanzien van het niet voldoen aan het vereiste dat elke kamer moet worden voorzien van een ventilatiemogelijkheid (onderdeel 5 van de last) hebben eisers aangevoerd dat verweerder hen niet deugdelijk heeft geïnformeerd over de wijze waarop dit gerealiseerd moest worden. Zij zijn ervan uitgegaan dat door het plaatsen van de grotere kiepramen een toereikende ventilatiemogelijkheid was gecreëerd. Eerst tijdens de controle op 11 april 2017 bleek dat dit niet voldoende is.

10.2.

Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat hun gebrekkige financiële positie onvoldoende is meegewogen. Het moeten betalen van een dwangsom van € 30.000,-, gecombineerd met de kosten die zij hebben gemaakt met hun acties om te voldoen aan de last, resulteert in een persoonlijk faillissement.

11. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

11.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

In de uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:32 (aangehaald in de uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1012) oordeelde de Afdeling dat zich bijzondere omstandigheden voordeden op grond waarvan van gedeeltelijke invordering moest worden afgezien. Daartoe nam de Afdeling in aanmerking dat aan het doel van de last was voldaan. Voorts nam de Afdeling in aanmerking dat de last bestond uit vier onderdelen, waarbij één dwangsom was gekoppeld aan de overtredingen tezamen, en dat slechts één onderdeel niet was nagekomen. Verder was er sprake van een minimale overschrijding van het betrokken voorschrift (te weten niet 1 week maar 2 dagen van te voren melden).

Uit de jurisprudentie volgt verder dat het bestuursorgaan bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333.

11.2.

Ten aanzien van de vraag of er in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor verweerder niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot invordering gebruik heeft kunnen maken, overweegt de rechtbank het volgende.

11.2.1.

Een last onder dwangsom is geen bestraffende beschikking maar fungeert als prikkel om de overtreding van wettelijke bepalingen ongedaan te maken. Daartoe dient de aan de last verbonden dwangsom afdoende hoog te zijn. In deze zaak heeft de last gefungeerd als een dergelijke afdoende prikkel want eisers hebben actie ondernomen om de overtredingen op te heffen. Dat zij, wat betreft de overtredingen met betrekking tot daglichttoetreding en ventilatie, de verkeerde acties hebben uitgevoerd (lees: acties die niet hebben geresulteerd in het opheffen van de overtreding van het bepaalde in artikelen 3.75 en 3.29 van het Bouwbesluit) is voor risico van eisers. Het had op de weg van eisers gelegen om de bewuste artikelen van het Bouwbesluit op te zoeken op internet en een terzake deskundige te benaderen hen te adviseren welke bouwkundige maatregelen genomen moeten worden om te voldoen aan het bepaalde in deze artikelen. De veronderstelling van eisers dat het op de weg van verweerder ligt om deze deskundigheid aan eisers ‘uit te lenen’ is niet juist.

Dat de last onuitvoerbaar is, zoals eisers stellen, vermag de rechtbank niet in te zien. Immers, de overtredingen zijn door eisers zelf veroorzaakt door het plaatsen van meerdere tussenwanden om zo veel mogelijk kamers in het pand te creëren. Hierdoor zijn er kamers gecreëerd die niet voldoen aan de daglichttoetredingseisen van het Bouwbesluit. De overtredingen kunnen worden opgeheven door de geplaatste binnenwanden te verwijderen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de verbeurde dwangsom met betrekking tot het niet opheffen van de overtredingen van artikelen 3.75 en 3.29 van het Bouwbesluit (daglichttoetreding en ventilatie) ten bedrage van 2 x € 10.000,- = € 20.000,- in zijn geheel in te vorderen.

11.2.2.

Met betrekking tot het niet tijdig doen van de melding brandveilig gebruik is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de gehele verbeurde dwangsom van € 10.000,- in te vorderen. De reden hiervoor is dat uit de stukken en het verhandelde ter beide zittingen is gebleken dat de melding tijdig gereed was en dat de niet tijdige indiening is veroorzaakt doordat gebruik moest worden gemaakt van het door verweerder voorgeschreven digitale systeem en eisers met dit systeem onbekend zijn. Dat eisers meer dan genoeg tijd hebben gehad om de melding in te dienen en dat het hun eigen keuze is geweest om op het laatste moment de melding in te dienen, laat onverlet dat het indienen op de laatste dag nog steeds tijdig is. De rechtbank zoekt aansluiting bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014.

De rechtbank zal daarom het bestreden besluit in zoverre vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, deze dwangsom (van € 10.000,-) matigen tot € 1.000,-. De rechtbank laat bij haar oordeel zwaar meewegen dat deze zaak een hoog ‘knulligheidsgehalte’ heeft, zoals eisers de gang van zaken zelf hebben verwoord. Eisers hebben van meet af aan geprobeerd om de door verweerder geconstateerde overtredingen tijdig op te lossen en hebben daarbij vertrouwd op hun zaakwaarnemer die, achteraf gezien, hun zaken niet goed heeft waargenomen. Zo heeft de zaakwaarnemer, nadat deze op 28 maart 2017 via e-mail van verweerder had vernomen hoe de melding moest worden gedaan, niet voortvarend gehandeld door eerst op 11 april 2017 de vereiste melding in te dienen. Verder hebben eisers investeringen in het pand gedaan die niet hebben geresulteerd in het opheffen van de overtredingen.

11.2.3.

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de gestelde financiële draagkracht van eisers geen bijzondere omstandigheid is om het in te vorderen bedrag, dat door de rechtbank reeds is gematigd tot € 21.000,-, verder te matigen, gelet op de jurisprudentie hierover. Eisers hebben volstaan met stellen dat betaling (van een bedrag van € 30.000,-) resulteert in een persoonlijk faillissement zonder dit verder met stukken te onderbouwen. Verder oordeelt de rechtbank dat deze stelling zich niet verdraagt met de mededeling van eisers ter (tweede) zitting dat zij eigenaar zijn van meerdere panden.

Eisers kunnen verzoeken om een betalingsregeling. Verweerder heeft tijdens de eerste zitting reeds aangegeven dat een betalingsregeling mogelijk is.

12. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder weliswaar bevoegd is om de van rechtswege verbeurde dwangsom van € 30.000,- in te vorderen maar dat verweerder, gelet op de omstandigheden in deze zaak (die in onderlinge samenhang zijn te duiden als bijzondere omstandigheden), in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om het gehele bedrag in te vorderen. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, bepalen dat het in te vorderen bedrag € 21.000,- bedraagt.

13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

14. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de rechtbank het in te vorderen bedrag vaststelt op € 21.000,-.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 20 april 2018 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 7 maart 2019, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Verder dient verweerder de reiskosten van eisers voor het bijwonen van beide zittingen te vergoeden. Deze kosten, gebaseerd op openbaar vervoer tweede klasse, bedragen € 124,80. De door eiser opgevoerde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de hoogte van deze kosten (met name het uurtarief van beiden) niet met nadere stukken is onderbouwd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- stelt het in te vorderen bedrag vast op € 21.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.660,80.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.