Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:900

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
C/08/208577 / HA ZA 17-461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringskwestie. Onvoldoende inlichtingen en bescheiden, zoals bv. bankafschrift en aankoopnota, aan gedaagde verschaft die voor gedaagde van belang (kunnen) zijn om haar uitkeringsplicht te beoordelen. Evenzeer oordeelt de rechtbank dat gedaagde daardoor in een redelijk belang is geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/208577 / HA ZA 17-461

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. R.J.H. van der Wal te Hengelo Ov,

tegen

naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn,

gedaagde partij,

advocaat: mr. S. Odijk te Zwolle.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

• de inleidende dagvaarding met producties van 10 oktober 2017,

• de conclusie van antwoord met producties van 27 juni 2018,

• het comparitievonnis van 27 juni 2018,

• de brief namens Achmea van 27 augustus 2018 houdende producties,

• het proces verbaal van de comparitie van partijen van 29 augustus 2018,

• de akte uitlaten met producties van Achmea van 12 december 2018,

• de mailbrief namens [eiser] van 18 december 2018.

1.2

Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. Het vonnis wordt per heden uitgesproken.

2 Feiten en standpunten van partijen

2.1

Op 25 november 2016 is op naam van [eiser] overgeschreven een BMW met [kenteken] . [eiser] heeft de auto verzekerd bij Achmea (Centraal Beheer Achmea) ten bewijze waarvan aan hem met ingang van 25 november 2016 een polis is uitgereikt onder nummer [xxxx] . Blijkens vermelding op het polisblad zijn van toepassing de algemene voorwaarden onder aanduiding AV-01-141 en de specifieke voorwaarden “aanrijding en vandalisme” onder aanduiding PAV-RV-51-161. Het kentekenbewijs, het polisblad en de voorwaarden zoals hiervoor genoemd zijn door [eiser] als producties 2 en 5 bij dagvaarding in het geding gebracht.

2.2

In januari 2017 heeft [eiser] bij Achmea een schade gemeld aan de BMW. Onder indiening van het voorgeschreven schadeformulier heeft [eiser] gemeld dat de BMW in Enschede van achteren was aangereden door een Mazda op 9 januari 2017. Er was sprake van een forse schade die naar mededeling van [eiser] onder de dekking van de polis viel.

2.2

Naar aanleiding van de schademelding heeft namens Achmea tweemaal (op 10 april 2017 en op 23 april 2018) een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [A] , toedrachtonderzoeker bij Achmea, en [eiser] . De gespreksverslagen zijn in het geding gebracht. Omdat [eiser] mededeelde dat hij niet zelf, maar de hem bevriende heer [X] , woonachtig in Duitsland, in de auto had gereden, heeft Achmea tevens aangedrongen op een gesprek met genoemde heer [X] . Ter comparitie op 29 augustus 2018 zijn de mogelijkheden voor dat gesprek gecreëerd. Het gesprek heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 28 september 2018 tussen de heer [B] , eveneens toedrachtonderzoeker bij Achmea en voornoemde [X] . Het gespreksverslag is bij akte van 12 december 2018 als productie 4 door Achmea in het geding gebracht. Bovendien heeft Achmea opdracht gegeven aan het bedrijf Post-Crash Voertuig Diagnose (PCVD) om de schade aan de BMW te inspecteren en de voertuigelektronica uit te lezen. PCVD heeft in de persoon van de heer [C] schriftelijk gerapporteerd op 23 juli 2018 en aanvullend op 4 december 2018. De rapporten met foto’s zijn in het geding gebracht.

2.3

Op basis van de hiervoor bedoelde interviews en de overigens door Achmea verzamelde informatie heeft zij geconcludeerd dat zich niet een verzekerd voorval heeft voorgedaan dan wel dat [eiser] in strijd met de polisvoorwaarden en het bepaalde in artikel 7: 941 lid 4 BW onvoldoende informatie heeft verstrekt waardoor zij onvoldoende in staat is haar uitkeringsplicht te beoordelen, weshalve zij in een redelijk belang is geschaad als bedoeld in voornoemd wetsartikel. Bij akte van 12 december 2018 heeft Achmea daaraan toegevoegd dat [eiser] niet de volledige waarheid heeft verteld en dat zich (dan ook) tevens de situatie voordoet als genoemd in artikel 7: 941 lid 5 BW.

Standpunt [eiser]

2.4

[eiser] is van oordeel dat hij alle informatie aan Achmea heeft verstrekt waarover hij in redelijkheid beschikt of kan beschikken. [X] had op de dag van de schade de BMW van hem geleend en [eiser] zelf is dan ook niet bij het ongeval aanwezig geweest. Het schadeformulier is deels door [X] ingevuld terwijl hijzelf op basis van informatie van laatstgenoemde de achterzijde van het schadeformulier heeft ingevuld. Er is sprake van een forse zichtbare schade aan de achterzijde van de BMW. De betreffende auto is door hem via Marktplaats gekocht van ene [Y] die hij verder niet kent. De koopsom bedroeg

euro 50.250,- die hij onmiddellijk bij de aankoop elektronisch aan de verkoper heeft betaald. Over een taxatierapport bij de invoer van de auto in Nederland beschikt hij niet. Dat de kilometerteller van de auto met om en nabij 45.000 km zou zijn teruggedraaid is hem volledig onbekend. Hij heeft zelf weinig in de auto gereden en kan niet verklaren of en hoe er tussen het moment van de aankoop en de aanrijding 6000 km met de auto zou zijn gereden. [eiser] betwist dat sprake is van enige onregelmatigheid en is van oordeel dat Achmea ten onrechte betaling achterwege laat. [eiser] heeft de schade door ABS Blomer GmbH , een door Achmea aangewezen reparateur, laten herstellen. Het uiteindelijke schadebedrag omvat euro 32.308,65. [eiser] vordert de veroordeling van Achmea tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente van 27 maart 2017 tot de datum van de dagvaarding, zijnde in totaal een bedrag van euro 33.668,27, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten. Zomede vordert hij een verklaring voor recht dat Achmea wanprestatie heeft gepleegd door haar verplichtingen uit hoofde van de verzekeringspolis niet na te komen met de verklaring dat Achmea aansprakelijk is voor de dusdoende door [eiser] geleden schade, en dit alles met veroordeling van Achmea in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.

Standpunt Achmea

2.5

Het is juist dat [eiser] bij haar een autoverzekering heeft gesloten met polisnummer [xxxx] en dan ook in beginsel aanrijdingschade zoals in casu voor vergoeding in aanmerking komt. In dit geval heeft Achmea evenwel vergoeding geweigerd omdat [eiser] niet dan wel onvoldoende heeft voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen en bescheiden te verschaffen die van belang zijn om de uitkering te beoordelen. De informatie van [eiser] is zelfs van dien aard dat Achmea niet heeft kunnen vaststellen dat zich een verzekerd voorval heeft voorgedaan. Door de onvoldoende informatieverstrekking is Achmea in een redelijk belang geschaad zoals bedoeld in artikel 7: 941 lid 4 BW. Bovendien heeft Achmea het vermoeden dat sprake is van een opzetaanrijding zodat een eventueel recht op uitkering vervalt op grond van het bepaalde in artikel 7: 941 lid 5 BW. Voornoemde wettelijke bepalingen vinden hun weerslag ook in de onderhavige polis, met name in artikel 7 van de Algemene Voorwaarden en artikel 12 van de Bijzondere Voorwaarden.

2.6

Achmea baseert zich daarbij op de interviews met [eiser] en [X] , op het feit dat [eiser] essentiële (schriftelijke) informatie niet heeft kunnen verschaffen, op de bevindingen van PCVD en op de door haar gesignaleerde tegenstrijdigheden in de diverse verklaringen. Achmea concludeert dan ook dat de vorderingen aan [eiser] moeten worden ontzegd met zijn veroordeling in de kosten van de procedure.

3 De beoordeling

3.1

Zoals ter comparitie in deze zaak al besproken is het zowel op grond van de polisvoorwaarden als op grond van het bepaalde in artikel 7: 941 BW aan [eiser] om aan Achmea alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor Achmea van belang zijn om haar uitkeringsplicht te beoordelen. De rechtbank zal derhalve primair moeten beoordelen of [eiser] op voldoende wijze aan die plicht heeft voldaan. Daarbij is van belang dat op grond van het bepaalde in artikel 7: 941 lid 4 BW Achmea het vervallen van het recht op uitkering in dat geval slechts kan bedingen voor het geval zij daardoor in een redelijk belang is geschaad.

3.2

Voor de beoordeling van het standpunt van Achmea weegt de rechtbank met name de navolgende argumenten.

a. Door [eiser] is gesteld dat niet hij maar de hem bevriende [X] ten tijde van de aanrijding in de auto reed. [eiser] en [X] leggen evenwel tegenstrijdige verklaringen af waar het gaat om de vraag wanneer [X] de auto bij [eiser] heeft opgehaald. Volgens [eiser] vond dat al plaats 1 of 2 dagen voor de aanrijding. Volgens [X] was dat de dag van de aanrijding zelf, zelfs maar kort voordat de aanrijding plaatsvond. De rechtbank oordeelt dat deze tegenstrijdigheid opvallend is nu het ten deze naar info van [eiser] gaat om een relatief kostbare BMW waaraan tijdens het uitlenen aan een vriend zeer forse schade is ontstaan.

b. Volgens [X] reed hij met de auto op het moment dat de aanrijding plaatsvond. [eiser] zelf heeft op het aanrijdingsformulier ingevuld dat [X] op het moment van de aanrijding 30 km/h reed. De inrijdende auto reed volgens [eiser] en [X] met forse snelheid (80 km/h) op de BMW in. Door de onderzoeker van PCVD is vastgesteld en uitgelegd dat het niet anders kan dan dat de BMW ten tijde van de aanrijding stil stond. Deze bevindingen van PCVD zijn door [eiser] niet weersproken. Hij heeft tijdens het interview van 23 april 2018 slechts verwezen naar [X] . Laatstgenoemde heeft voor de bevindingen van PCVD geen verklaring. (Zie het verslag van zijn interview in de Akte Uitlaten van Achmea).

c. Uit het interview met [eiser] blijkt dat hij niet meer weet waar en wanneer hij zelf de achterzijde van het aanrijdingsformulier heeft ingevuld en wat [X] hem heeft verteld over de toedracht van de aanrijding. Om dezelfde reden als hiervoor sub a. is overwogen beoordeelt de rechtbank dit als opmerkelijk.

d. Door [eiser] is onweersproken gelaten de stelling van Achmea dat de Mazda die inreed op de BMW een sloopauto was, die ook kort na de aanrijding daadwerkelijk is gesloopt en niet meer voor controle beschikbaar was.

e. Waar het gaat om de BMW zelf heeft [eiser] geen aankoopnota kunnen overleggen. Als productie 1 heeft [eiser] overgelegd een bericht van Marktplaats aan [Y] van 20 december 2016 waaruit zou moeten blijken dat de onderhavige BMW op Marktplaats te koop heeft gestaan. De rechtbank overweegt dat het bericht echter niets meer geeft dan de info dat de advertentie van Marktplaats is verwijderd waarbij nog is genoemd dat het ging om een blauwe BMW, terwijl uit in deze procedure overgelegde foto’s blijkt dat de BMW van [eiser] wit was. De verklaring die [eiser] daarvoor geeft (de auto is op enig moment overgespoten maar kennelijk heeft niettemin de verkoper de oorspronkelijke kleur willen vermelden) acht de rechtbank niet erg aannemelijk.

f. [eiser] stelt dat hij de koopsom van euro 50.250 onmiddellijk elektronisch aan [Y] heeft overgeboekt op 25 november 2016. Door [eiser] is, ondanks navraag door Achmea en hetgeen dienaangaande is besproken tijdens de comparitie, geen bankafschrift getoond waaruit van die betaling blijkt. Als productie 3 bij dagvaarding is een geschrift overgelegd waaruit niet blijkt dat het om een betaling door [eiser] gaat waaruit niet blijkt dat de betaling is afgeboekt van een bankrekening van [eiser] . In dat kader is van belang dat het op die wijze voor Achmea reeds niet mogelijk is om de door [eiser] gestelde schade-omvang te bepalen. Door Achmea is terecht opgemerkt dat [eiser] vergoeding vordert van reparatiekosten tot een omvang van euro 32.308,65. Vergoeding van reparatiekosten vindt op grond van het bepaalde in artikel 13 of 15 van de polisvoorwaarden (bijzondere voorwaarden Aanrijding en Vandalisme) onder meer plaats afhankelijk van de vraag of de auto al dan niet duurder was dan euro 50.000 . Daarover moet [eiser] dan duidelijkheid verschaffen. Hij laat dat na. Ook een taxatierapport bij invoer van de auto kan [eiser] niet tonen.

3.3

De rechtbank laat onbesproken de vaststelling door PCVD dat de kilometerstand van de BMW bleek te zijn teruggedraaid met 45.000 km. [eiser] heeft desgevraagd verklaard dat hij daar geen weet van had en heeft. Dat dit terugdraaien vanzelfsprekend invloed heeft of kan hebben op de waarde van de BMW moge zo zijn, maar bij gebreke van meer informatie kan dit niet aan [eiser] worden tegengeworpen.

3.4

Niettemin oordeelt de rechtbank op grond van hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] onvoldoende inlichtingen en bescheiden aan Achmea heeft verschaft die voor Achmea van belang (kunnen) zijn om haar uitkeringsplicht te beoordelen. Evenzeer oordeelt de rechtbank dat Achmea daardoor in een redelijk belang is geschaad. Het belang van Achmea is immers dat zij als verzekeraar door de verzekerde dusdanig naar behoren wordt geïnformeerd dat zij kan vaststellen of zich een verzekerd voorval heeft voorgedaan en zo ja, wat dan naar redelijkheid het schadebedrag is dat voor vergoeding in aanmerking komt. In dit geval heeft [eiser] zijn informatieplicht geschaad, dan wel onvoldoende ingevuld, zelfs waar het gaat om de wijze van aankoop van de auto en de betaalde koopsom zodat hij, door niettemin een (relatief forse) schadevergoeding van Achmea te vorderen, redelijke belangen van Achmea heeft geschaad. Bovendien kon [eiser] op basis van de polisvoorwaarden weten dat niet – uitkering zou kunnen worden gebaseerd op het niet of onvoldoende verstrekken van informatie.

3.5

De rechtbank oordeelt derhalve dat Achmea op juiste gronden uitkering aan [eiser] heeft geweigerd. De stelling van Achmea dat ten deze zelfs is getracht Achmea opzettelijk te misleiden doordat het er alleszins op lijkt dat de onderhavige aanrijding opzettelijk in scène is gezet, behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking nu reeds op vorenstaande gronden terecht uitbetaling is geweigerd.

3.6

De conclusie is derhalve dat de vorderingen van [eiser] niet voor toewijzing vatbaar zijn als in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4 De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af de vorderingen van [eiser] .

II Veroordeelt [eiser] tot betaling aan Achmea van de kosten van deze procedure tot na te melden omvang. Die kosten worden gesteld op euro 1924,-aan verschotten (griffiegeld) en euro 1737,50 (2,5 punten maal euro 695) aan kosten van de advocaat.

III Veroordeelt [eiser] bovendien in de nakosten ad euro 131,- dan wel, indien en voorzover betekening van het vonnis plaatsvindt, ad euro 199,-en veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten sub II en III vanaf 14 dagen volgend op de datum van dit vonnis

IV Verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door Mr. G.G. Vermeulen op 13 maart 2019 en aldaar op genoemde datum uitgesproken in het bijzijn van de griffier.