Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:861

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-01-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
ak_18 _ 480
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Redelijke twijfel bij de rechtbank of eiser zelf op 22 februari 2017 kenbaar heeft gemaakt dat hij voor de SVB voldoende bereikbaar was via zijn Berichtenbox op Mijn Overheid; gelet op rechtszekerheid kan deze twijfel niet voor risico van eiser komen; primaire besluit niet op voorgeschreven wijze bekend gemaakt; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/480

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiser] , te [woonplaats] eiser,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. E.M. Mulder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij na 30 november 2017 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), omdat hij niet langer voor 45 % of meer arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij besluit van 25 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het op 3 januari 2018 gedateerde en door verweerder op 16 januari 2018 ontvangen bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam] begeleider bij Creating Balance. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

De rechtbank heeft bij brief van 25 september 2018 het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een aantal vragen te beantwoorden. Verweerder heeft bij brief van 17 oktober 2018 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft hier bij brief van

15 november 2018 op gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 26 november 2018 een nadere reactie ingediend.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 29 november 2018 medegedeeld dat zij het niet nodig acht om een (nadere) zitting te houden en dat een (nadere) zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij een van partijen aangeeft dat zij op een zitting wil worden gehoord. Partijen hebben hierop niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank heeft onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.

2. Op grond van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

Op grond van artikel 2:17, eerste lid, van de Awb geldt als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde.

In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

3. In geschil is of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het te laat is ingediend. Daarbij speelt de vraag of het primaire besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt door plaatsing in de Berichtenbox op MijnOverheid.

4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet van het primaire besluit op de hoogte was. Eiser heeft eerst na raadpleging van zijn Berichtenbox op MijnOverheid kennis genomen van het besluit en daarop direct actie ondernomen. Eiser heeft er niet bewust voor gekozen om de post van de SVB via de Berichtenbox op MijnOverheid te ontvangen. Eiser ontving de brieven van de SVB altijd per post; er was geen aanleiding om ervan uit te gaan dat dit was veranderd.

5. De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 12 juli 2018 (zaaknummer 16/4588 AKW; ECLI:NL:CRVB:2018:2188) geoordeeld dat verzending per post de hoofdregel is. Een bestuursorgaan kan berichten slechts elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij op die manier voldoende bereikbaar is.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de Berichtenbox op MijnOverheid heeft geactiveerd en dat het primaire besluit op 3 oktober 2017 in de Berichtenbox is geplaatst. De rechtbank ziet zich echter voor de vraag gesteld of eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij voor de SVB voldoende bereikbaar was via zijn Berichtenbox op MijnOverheid.

7. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat vanaf 1 november 2015 het zogenoemde ‘opt-in’ systeem geldt. Dit houdt in het actief aanzetten van instanties waarvan men digitaal post wil ontvangen. De Berichtenbox van eiser is vanaf 22 februari 2017 opengesteld voor berichten van de SVB. In dit verband is aangegeven dat het mogelijk is dat op die datum een Berichtenbox is aangemaakt, maar dat het ook mogelijk is dat vanuit een al langer bestaande Berichtenbox op die datum actief toestemming aan de SVB is verleend om berichten digitaal te verzenden. In ieder geval is op die datum actief door eiser toestemming gegeven dat hij zijn post van de SVB digitaal wenste te ontvangen. Verweerder heeft een schermafdruk uit het systeem MAF/DMS overgelegd, waaruit volgt dat de Berichtenbox van eiser per

22 februari 2017 is geactiveerd voor berichten van de SVB.

8. Eiser heeft als bijlage bij zijn beroepschrift een schermafdruk van de Berichtenbox op MijnOverheid overgelegd. Uit deze schermafdruk volgt dat eiser op of kort na 28 december 2017 op zijn Berichtenbox heeft ingelogd en dat de SVB op 3 oktober 2017 en 28 december 2017 berichten met als onderwerp “Post van de SVB” in de Berichtenbox heeft geplaatst. Deze twee berichten van de SVB zijn niet vetgedrukt weergegeven, waaruit de rechtbank afleidt dat eiser de twee berichten van de SVB heeft aangeklikt. Op de schermafdruk zijn verder nog vijf berichten van andere afzenders zichtbaar, die vetgedrukt zijn weergegeven en waarbij de rechtbank het ervoor houdt dat die door eiser op het moment van het maken van de schermafdruk nog niet waren aangeklikt. Uit de schermafdruk volgt ten slotte dat eisers vorige bezoek aan de Berichtenbox dateerde van 21 februari 2017 om 14:59 uur.

9. Het standpunt van verweerder dat eiser op 22 februari 2017 actief toestemming heeft verleend aan de SVB om berichten digitaal te verzenden impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat hij op 22 februari 2017 bij de Berichtenbox op MijnOverheid heeft ingelogd.

Dit valt echter niet te rijmen met de door eiser overgelegde (en logischerwijze op of na

28 december 2017 gemaakte) schermafdruk, waaruit immers volgt dat zijn laatste bezoek aan de Berichtenbox op 21 februari 2017 om 14:59 uur was. Er bestaat bij de rechtbank dan ook redelijke twijfel of eiser zelf op 22 februari 2017 kenbaar heeft gemaakt dat hij voor de SVB voldoende bereikbaar was via zijn Berichtenbox. Gelet op de rechtszekerheid kan deze twijfel niet voor risico van eiser komen. Dit heeft tot gevolg dat verweerder het primaire besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.

10. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van

H. Blekkenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.