Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:804

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
C/08/227956 / FA RK 19-209
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt over 4 klachten tegen Transfore die zijn ingediend door een man die in het kader van zijn ISD verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/227956 / FA RK 19-209

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken van 6 maart 2019

inzake

[verzoeker] ,

verblijvende in de penitentiaire inrichting Veenhuizen ,

verzoeker,

advocaat: mr. R. Oude Breuil,

en

FPA Transfore,

gevestigd te Almelo,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mevrouw mr. L. Smit , jurist en de heer [naam 1] , behandelcoördinator en teamleider zorg, beiden in dienst van Transfore.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 28 december 2018;

- het aanvullende verzoek met bijlagen, binnengekomen op 13 februari 2019.

- de op 15 februari 2019 binnengekomen brief van Transfore;

1.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op
20 februari 2019. Ter zitting zijn verschenen: [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat, en
mr. L. Smit, de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens Transfore.

2 De feiten

2.1

[verzoeker] verbleef vorig jaar in de periode van eind juli tot 15 november 2015 in het kader van een hem opgelegde strafrechtelijke maatregel in de zin van artikel 38m e.v. Sr (maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, ISD) in Transfore, zijnde een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Hij was daar opgenomen met een indicatiestelling voor diagnostiek in het kader van voormelde maatregel.

2.2

[verzoeker] heeft op 22 oktober 2018 een klaagschrift ingediend bij het ambtelijk secretariaat van de klachtencommissie van Transfore. Dit klaagschrift bevat een viertal klachten. De klachtencommissie heeft bij uitspraak van 20 november 2018 alle klachten ongegrond verklaard.

3 Het verzoek

3.1

[verzoeker] heeft, na aanvulling van zijn verzoekschrift, de klachten thans voorgelegd aan deze rechtbank. [verzoeker] beklaagt zich erover - kort en zakelijk weergegeven - dat:

1. Transfore hem op 18 oktober 2018 ten onrechte een sanctie heeft opgelegd omdat

hij niet het verlofplan had ingevuld bij het verlaten van de afdeling;

2. hij geen behandeling heeft gehad gedurende zijn verblijf bij Transfore en dat het te lang heeft geduurd voordat het diagnostisch onderzoek was afgerond;

3. het verslag van het evaluatiegesprek dat hij op 9 oktober 2018 met medewerkers van Transfore heeft gevoerd, onjuistheden bevat;

4. de gestelde gebeurtenissen met een medecliënt in de nacht van 16 op 17 oktober 2018 niet juist zijn weergegeven door Transfore en dat Transfore die gebeurtenissen ten onrechte met familieleden van hem heeft besproken.

4 Het verweer

4.1

Transfore stelt - kort en zakelijk weergegeven - het volgende.

De rechtbank is niet-ontvankelijk, omdat de rechtbank niet binnen de daarvoor in de

Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (verder: Wet Bopz) gestelde termijn van vier weken na binnenkomst van het eerste klaagschrift heeft beslist. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de klachten wel inhoudelijk kunnen worden behandeld, moeten deze ook nu ongegrond moeten worden verklaard. Verloven en vrijheden worden verleend door de penitentiaire inrichting in het kader van de Penitentiaire beginselenwet. Transfore gaat daar niet over. Wanneer patiënten de afdeling willen verlaten, moeten zij dit vermelden in een zogenaamd logboek. [verzoeker] heeft op 18 oktober 2018 verzuimd om in het logboek zijn afwezigheid van die dag te vermelden. Transfore heeft [verzoeker] toen een sanctie opgelegd. Transfore ontkent dat [verzoeker] tijdens zijn verblijf in Transfore niet is behandeld. Het diagnostische onderzoek heeft even op zich laten wachten in verband met een personeelstekort tijdens de zomervakantie. Transfore ontkent dat het verslag van het evaluatiegesprek onjuistheden bevat en dat de gestelde gebeurtenissen met een medecliënt niet juist zijn weergegeven. [verzoeker] heeft Transfore toestemming gegeven om die gebeurtenissen te bespreken met zijn familie.

5 De beoordeling

5.1

De ontvankelijkheid

[verzoeker] heeft op 22 oktober 2018 op grond van het bepaalde in artikel 41 Wet Bopz een klaagschrift ingediend bij het ambtelijk secretariaat van de klachtencommissie van Transfore. Dit klaagschrift bevat een viertal klachten. De klachtencommissie heeft bij uitspraak van
20 november 2018 alle klachten ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft tegen deze beslissing van de klachtencommissie op 28 december 2018 een verzoekschrift bij deze rechtbank ingediend. Dit verzoekschrift betreft alleen voormelde klacht onder 1. Op 13 februari 2019 heeft [verzoeker] een aanvullend verzoekschrift ingediend.

Dit verzoekschrift betreft voormelde klachten onder 2 tot en met 4.

5.2

Met betrekking tot personen aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd en die in het kader van die maatregel verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis, is een aantal bepalingen van de Wet Bopz van toepassing. Volgens artikel 51 Wet Bopz is onder meer de klachtenregeling van artikel 41 e.v. Wet Bopz van toepassing op die personen. Er kan echter (slechts) worden geklaagd over beslissingen zoals genoemd in artikel 41, lid 1 van de Wet Bopz. Dit betekent dat [verzoeker] om die reden in een deel van klachtonderdelen niet-ontvankelijk is zoals hieronder aangegeven.

5.3

Wat de termijnen betreft die gelden voor de indiening van beide verzoeken, en voor de beslistermijn van de rechtbank, geldt het volgende. [verzoeker] heeft zijn eerste verzoekschrift ingediend binnen de in artikel 41a lid 1 Wet Bopz vermelde termijn van zes weken. Dit betekent dat [verzoeker] in dit verzoek kan worden ontvangen. Dat rechtbank gaat voorbij aan het verweer van Transfore dat de rechtbank niet-ontvankelijk is, nu zij niet binnen de in de Wet Bopz vermelde termijn van vier weken na binnenkomst van het verzoekschrift heeft beslist. De rechtbank kan zichzelf niet niet-ontvankelijk verklaren. Een dergelijke beslissing kent de wet niet. De beslissing van de rechtbank strekt tot onbevoegdverklaring van de rechtbank, niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek of de klacht, ongegrondverklaring van de klacht of gegrondverklaring van de klacht. Voor het geval Transfore met dit verweer bedoelt te stellen dat de klachten niet kunnen worden behandeld, gaat de rechtbank aan die stelling voorbij. De Wet Bopz stelt namelijk geen sanctie op die termijnoverschrijding.

5.4

Het aanvullende verzoekschrift van 13 februari 2019 is niet binnen die termijn van zes weken ingediend. De rechtbank acht [verzoeker] desondanks ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu [verzoeker] op advies van de patiëntenvertrouwenspersoon van Transfore zijn verzoekschrift met betrekking tot de ongegrondverklaring van de klachten onder 2. tot en met 4. in eerste instantie heeft voorgelegd aan de geschillencommissie. Deze commissie heeft [verzoeker] bij brief van 31 januari 2019 bericht dat zij de klachten niet zal behandelen, omdat deze klachten onder de klachtenregeling van de Wet Bopz vallen. [verzoeker] heeft zijn verzoekschrift vervolgens binnen twee weken na voormelde datum alsnog ingediend bij deze rechtbank.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat voor [verzoeker] duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de beslissing van de klachtencommissie door een verzoekschrift binnen zes weken aan de rechter moet worden voorgelegd. Weliswaar staat dit als zodanig vermeld onder VI (Beroep) in de beslissing van de klachtencommissie, maar onder die beslissing staat vervolgens dat ieder de mogelijkheid heeft te klagen of te melden bij een bevoegde rechter, de Inspectie, Tuchtcollege, Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg of andere daartoe bevoegde organen. De rechtbank kan zich voorstellen dat die vermelding enige verwarring heeft opgeroepen bij [verzoeker] en dat niet duidelijk was tot welke instantie hij zich vervolgens moest wenden. [verzoeker] heeft hierover contact gezocht met de patiëntenvertrouwenspersoon. Deze heeft hem gezegd dat het beroep op de klacht onder 1. moest worden ingediend bij de rechtbank en dat het beroep op de klachten onder 2. tot en met 4. moest worden ingediend bij de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [verzoeker] vertrouwen op de juistheid van deze mededeling van de patiëntenvertrouwenspersoon.

5.5

Klacht 1

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hem op 28 oktober 2018 ten onrechte bezoek is geweigerd althans hij ten onrechte in zijn bewegingsvrijheid is belemmerd. Hij had die dag een afspraak bij de belastingdienst. Hiervoor moest hij de gesloten afdeling verlaten. Volgens het huishoudelijk reglement van Transfore moet de patiënt die de afdeling wil verlaten, hiervan schriftelijk melding doen in een daarvoor bestemd logboek. Daarbij moet tevens vermeld worden hoe de patiënt gekleed is en in verband met welke afspraak de afdeling wordt verlaten. De deur wordt vervolgens geopend door een medewerker van Transfore met een key card. [verzoeker] heeft hieraan voldaan. Later op die dag had [verzoeker] een afspraak voor een diagnostisch onderzoek. Dit onderzoek vond plaats binnen het gebouw waarin Transfore is gevestigd, maar wel buiten de afdeling waar [verzoeker] verbleef. [verzoeker] heeft die afspraak niet gemeld in het logboek. Transfore heeft hem vervolgens een sanctie opgelegd, inhoudende dat hij de afdeling gedurende een week niet mocht verlaten zonder toestemming. Volgens [verzoeker] ten onrechte, omdat hij niet wist dat het logboek ook moest worden ingevuld als hij wel de afdeling maar niet het gebouw zou verlaten. Bovendien is hem die sanctie niet schriftelijk bevestigd.

5.6

Transfore heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat Transfore een eigen vrijhedenregime kent. Een patiënt moet elke keer dat hij de afdeling verlaat, melding daarvan doen in een zogenaamd verlofplan. [verzoeker] heeft dat niet gedaan toen hij een afspraak had voor een diagnostisch onderzoek. Daarom heeft Transfore hem een sanctie opgelegd. Transfore erkent dat de sanctie niet schriftelijk is bevestigd zoals wordt voorgeschreven in de Wet Bopz.

5.7

Naar de rechtbank begrijpt, is in de (huis)regels van de afdeling bepaald dat patiënten niet zonder vermelding in een verlofplan de afdeling mogen verlaten, ook niet (zoals in casu op 18 oktober 2018) voor een bezoek elders in het gebouw aan een medewerker van de instelling voor diagnostiek. De enkele verplichting om het doel van het verlaten van de afdeling op te geven is te beschouwen als een beperking van de bewegingsvrijheid. En zeker de sanctie die daarop is gevolgd, te weten dat klager gedurende een week niet zonder toestemming de afdeling mocht verlaten. Een dergelijke beperking mag niet in algemeen geldende (huis)regels worden opgelegd. Deze mag slechts individueel worden afgesproken of opgelegd in een behandelingsplan of, bij ontbreken van een dergelijke bepaling in het behandelingsplan, in een op de patiënt gerichte beslissing.

5.8

Daargelaten de vraag of de sanctie moet worden opgevat als het weigeren van bezoek in de zin van artikel 40 lid 2 Wet Bopz (zoals de raadsman heeft betoogd) dan wel als het beperken van het recht op bewegingsvrijheid in de zin van lid 3 van voormeld artikel, had deze sanctie [verzoeker] bovendien schriftelijk moeten worden medegedeeld door de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis.

Op grond van artikel 40a Wet Bopz dient ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen waartegen op grond van art. 41 lid 1 Wet Bopz een klacht kan worden ingediend, schriftelijk te worden geïnformeerd door de geneesheer-directeur over de gronden waarop de beslissing berust, over de mogelijkheid de patiënten-vertrouwenspersoon in te schakelen en over de mogelijkheid gebruik te maken van de artikelen 41 tot en met 41b Wet Bopz.

Het opleggen van een beperking als voornoemd in de zin van de artikel 40 Wet Bopz valt onder de klachtenregeling van artikel 41 lid 1 Wet Bopz. Nu deze niet op formeel juiste wijze is opgelegd, is de klacht in elk geval om die reden gegrond.

5.9

Klacht 2

[verzoeker] beklaagt zich erover dat hij tijdens zijn verblijf in Transfore de eerste drie maanden niet is behandeld en dat het (te) lang heeft geduurd voordat hij is gediagnosticeerd.

Hij is eind juli 2018 opgenomen en pas medio september 2018 is Transfore gestart met het diagnosetraject.

5.10

Transfore erkent dat het even heeft geduurd voordat er is begonnen met het diagnostische onderzoek. Dit vanwege personeelsgebrek door de zomervakantie. Er is volgens Transfore wel sprake geweest van behandeling. Transfore heeft [verzoeker] de training Seeking Safety aangeboden. Deze training is gericht op verslavingsproblematiek. Transfore heeft deze training opgenomen in het behandelplan. Ook heeft [verzoeker] rijlessen gevolgd. Ook deze zijn opgenomen in het behandelplan. [verzoeker] is zelf met Seeking Safety gestopt.

5.11

De rechtbank is van oordeel dat de klacht ongegrond is. [verzoeker] heeft niet dan wel onvoldoende weersproken dat de training Seeking Safety en de rijlessen in het behandelplan zijn opgenomen. Onvoldoende is weersproken dat [verzoeker] zelf met Seeking Safety is gestopt en dat [verzoeker] rijlessen heeft gevolgd. De overweging van de klachtencommissie dat vrij snel na opname is gestart met screeningsgesprekken in combinatie met gedragsobservaties, hetgeen onderdeel uitmaakt van de diagnosestelling, is niet door [verzoeker] betwist. Dit geldt ook voor de overweging dat het diagnosetraject op zeer korte termijn is afgerond.

5.12

De klachten 3 en 4

De derde klacht van [verzoeker] heeft betrekking op het evaluatiegesprek dat plaatsvond op
9 oktober 2018. Hij beklaagt zich erover dat er in het verslag van dit gesprek onjuistheden staan.

De vierde klacht van [verzoeker] heeft betrekking op een incident dat plaatsvond in de nacht van dinsdag 16 oktober 2018 en woensdag 17 oktober 2018 op een kamer van een medepatiënt van [verzoeker] . [verzoeker] werd in die nacht slapend in of op het bed van die medepatiënt aangetroffen. [verzoeker] beklaagt zich erover dat die gebeurtenissen niet juist zijn weergegeven door Transfore en dat Transfore die gebeurtenissen zonder zijn toestemming en dus ten onrechte met familieleden van hem heeft besproken.

5.13

Ingevolge artikel 41 lid 1 Wet Bopz kan geklaagd worden over de volgende onderwerpen:

- over de beslissing om de patiënt wilsonbekwaam te beoordelen (artikel 38, lid 2 tweede volzin Wet Bopz);

- over het besluit dwangmedicatie toe te passen (artikel 38, lid 5 derde volzin Wet Bopz);

- over de toepassing van middelen en maatregelen in geval van overbrugging van een tijdelijke noodsituatie (artikel 39 Wet Bopz);

- over een toegepaste beperking van een van de in artikel 40 Wet Bopz genoemde vrijheden;

- over niet-toepassing van het overeengekomen behandelingsplan.

De door [verzoeker] ingediende klachten vallen niet onder voormeld artikel 41 lid 1 Wet Bopz. De rechtbank verklaart hem daarom niet-ontvankelijk in dit deel van het verzoek .

5.14

De verzochte schadevergoeding

[verzoeker] heeft voorts verzocht om Transfore te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank te bepalen schadevergoeding. Dit verzoek wordt afgewezen. [verzoeker] heeft dit verzoek eerst tijdens de mondelinge behandeling gedaan. Dit acht de rechtbank te laat en in strijd met een goed procesorde, nu Transfore niet dan wel onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

6 De beslissing

1. verklaart de klacht van [verzoeker] dat hem ten onrechte een sanctie is opgelegd

gegrond;

2. verklaart klachtonderdeel 5.9 ongegrond;

3. wijst af het verzoek tot veroordeling van Transfore tot een schadevergoeding;

4. verklaart [verzoeker] voor het overige niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.L. Smit, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en
mr. P.L. Alers en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2019 in tegenwoordigheid van
G.M. Keupink, griffier.