Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:759

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-03-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
ak_18 _ 1212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat een besluit van de gemeente Enschede over een Wob-verzoek vernietigd wordt, maar de rechtsgevolgen in stand blijven. De gebreken in het inhoudelijke standpunt zijn door de gemeente hersteld. Zie ook tussenuitspraak ECLI:NL:RBOVE:2018:4525

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1212

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: J.P.E. Baakman,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 26 november 2018.

Bij brief van 8 januari 2019 heeft verweerder mededelingen gedaan over het herstellen van gebreken.

Eiser is in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor haar overwegingen naar voormelde tussenuitspraak.

2. De vraag die resteert is of verweerder de door de rechtbank in haar tussenspraak van 26 november 2018 geconstateerde gebreken aan het besluit van 21 juni 2018 heeft hersteld. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.1.

De te herstellen gebreken houden in dat verweerder, bij het achterhalen van verslagen/notulen van de besloten delen van de vergaderingen van 28 mei 1997 (raadscommissie) en 2 juni 1997 (raad), heeft volstaan met het verwijzen naar archiefonderzoek en het verwijzen naar gesprekken met collega’s. Dit is onvoldoende nu het hoogst ongebruikelijk is dat van deze besluitvorming door de raad over het vestigen van een voorkeursrecht op percelen in Enschede-Noord niets is terug te vinden.

Dit betreft zowel een zorgvuldigheidsgebrek als een motiveringsgebrek.

2.2.

Verweerder heeft in zijn brief van 8 januari 2019 beschreven door wie verslagen van de raadsvergadering en besluitenlijsten van de (raads)commissie middelen destijds werden opgesteld en hoe en waar deze stukken werden bewaard. Vervolgens heeft verweerder beschreven welke acties zijn ondernomen om de twee hiervoor aangehaalde documenten te traceren. Hierbij heeft verweerder aangegeven welke personen zijn bevraagd en welke dossiers in welke archieven zijn doorzocht. Hierbij is zowel gezocht in het gemeentelijk archief als het stadsarchief. Verweerder heeft onderbouwd waarom het extern zoeken en het bevragen van externen achterwege is gelaten. Verweerder heeft de twee bewuste documenten niet kunnen vinden. Verweerder heeft daarop geconcludeerd dat hij de twee documenten niet kan verstrekken.

2.3.

Eiser heeft hiertegen geen zienswijzen ingebracht.

2.4.

Nu geen ambtshalve toetsing voorligt, is de rechtbank van oordeel, bij gebrek aan zienswijzen van de kant van eiser, dat het zorgvuldigheidsgebrek en het motiveringsgebrek in het bestreden besluit zijn hersteld.

De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder genoegzaam heeft gemotiveerd dat het verslag van de raadsvergadering (besloten gedeelte) van 2 juni 1997 en de besluitenlijst van de commissie middelen van 28 mei 1997 (besloten gedeelte) niet of niet meer onder hem berusten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze twee documenten wel onder verweerder berusten.

3. Samenvattend oordeelt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft zijn standpunt met betrekking tot de uitbreiding van het Wob-verzoek, zoals neergelegd in het bestreden besluit van 21 juni 2018, hangende beroep gewijzigd. Daarom is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Omdat verweerder in het bestreden besluit wel een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over deze documenten, heeft de rechtbank vervolgens onderzocht of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit inhoudelijke standpunt een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat. Deze gebreken zijn door verweerder hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.