Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:754

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
7439401 EJ VERZ 19-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkneemster is op 17 juli 2017 in dienst gekomen van ZGIJV in de functie van statutair bestuurder. Zij vormt de Raad van Bestuur. Na een brief van medewerkers uit de organisatie aan de Raad van Toezicht (RvT) en na een onderzoek naar aanleiding van die brief, heeft de RvT geen vertrouwen meer in een goede samenwerking met werkneemster. Er is tussen werkneemster en de RvT sprake van een diepgaand verschil van inzicht ten aanzien van de ontstane situatie in de organisatie. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat de arbeidsverhouding tussen de RvT en werkneemster ernstig en duurzaam is verstoord. De door de werkgever verzochte ontbinding is toegewezen met inachtneming van de regelgeving betreffende de opzegtermijn (in dit geval 6 maanden). Het verzoek van werkneemster om aan haar in geval van ontbinding een billijke vergoeding toe te kennen is afgewezen, aangezien een grondslag daarvoor ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0272
JONDR 2019/486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknr. : 7439401 EJ VERZ 19-1

Datum : 11 februari 2019

Beschikking op het verzoek van:

de stichting

STICHTING CHRISTELIJKE ZONNEHUISGROEP IJSSEL-VECHT B.V.,

gevestigd te Zwolle,

verzoekende partij,

verder te noemen ZGIJV,

gemachtigde mr. M. van Daal,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende partij,

verder te noemen [verweerster] ,

gemachtigde mr. B. Kingma.

Verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

– het verzoekschrift met 32 producties, ontvangen ter griffie op 2 januari 2019

– het verweerschrift met 10 producties

– de producties 11 tot en met 17 van [verweerster]

– de producties 33 tot en met 37 van ZGIJV.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2019. Beide partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht mede aan de hand van pleitnota’s.

Tegelijk met de behandeling van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft de kantonrechter het door [verweerster] tegen ZGIJV aangespannen kort geding tot wedertewerkstelling behandeld. In dat kort geding is vandaag vonnis gewezen.

Geschil

ZGIJV verzoekt, kort samengevat, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op grond van primair verwijtbaar handelen, subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair andere omstandigheden die maken dat van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

[verweerster] heeft verweer gevoerd en, kort samengevat, verzocht het verzoek van ZGIJV af te wijzen en, bij toewijzing ervan, haar een billijke vergoeding van € 200.000 bruto toe te kennen, en in beide gevallen ZGIJV te veroordelen in de proceskosten.

Beoordeling

1.1

De kantonrechter gaat van het volgende uit.

ZGIJV is gespecialiseerd in het verlenen van zorg aan ouderen met verschillende vormen van dementie en belemmeringen in lichamelijk, psychisch of sociaal functioneren. ZGIJV biedt zorg aan waarbij het behoud van de eigen regie van de cliënt voorop staat. Haar organisatie bestaat uit ongeveer 800 medewerkers. ZGIJV heeft in totaal vijf zorgcentra.

1.2

Tussen partijen is ingaande 17 juli 2017 een arbeidsovereenkomst voor de tijd van vier jaren tot stand gekomen. Vanaf deze datum bekleedt [verweerster] de functie van statutair bestuurder van ZGIJV. Zij vormt de Raad van Bestuur (hierna: RvB). Het bestuur is dus eenhoofdig. Het jaarsalaris van [verweerster] bedraagt € 130.000 bruto.

1.3

De statuten van ZGIJV kennen naast een RvB, gevormd door [verweerster] , een Raad van Toezicht (hierna: RvT) bestaande uit minimaal vijf en maximaal negen leden. Deze RvT benoemt, schorst en ontslaat de leden van de RvB. Daarnaast houdt de RvT, aldus artikel 15 van de statuten, integraal toezicht op het beleid van de RvB en op de algemene gang van zaken in de stichting en de met haar verbonden instellingen en/of rechtspersonen. Ook staat de RvT de RvB met raad terzijde, aldus artikel 15.

1.4

Artikel 1 lid 5 van het Reglement Raad van Bestuur luidt als volgt:

De Raad van Bestuur draagt er zorg voor dat werknemers en anderen die in een contractuele relatie tot de Stichting staan, zonder gevaar voor hun rechtspositie de mogelijkheid hebben aan de bestuurder of aan een door hem aangewezen functionaris te rapporteren over vermeende onregelmatigheden binnen de Stichting van algemene, operationele en/of financiële aard. Vermeende onregelmatigheden die het functioneren van de Raad van Bestuur betreffen, worden gerapporteerd aan de voorzitter van de Raad van Toezicht. Deze klokkenluidersregeling wordt algemeen bekend gemaakt.

1.5

Het Reglement Raad van Bestuur is in de arbeidsovereenkomst met [verweerster] van toepassing verklaard. Haar arbeidsovereenkomst bevat een bepaling over haar non-actiefstelling. Deze bepaling luidt, voor zover van belang, als volgt:

De Stichting kan [verweerster] als werknemer van de Stichting op non-actief stellen, indien door deze non-actiefstelling een einde wordt gemaakt aan een onhoudbare situatie binnen de Stichting [en de oorzaak van deze onhoudbare situatie mogelijk mede gelegen is in de persoon of het functioneren van [verweerster] ](…) De Raad van Toezicht van de Stichting zal alle mogelijkheden onderzoeken om de non-actiefstelling op te heffen. Echter indien in redelijkheid niet verwacht kan worden dat de betrekkingen binnen de Stichting door terugkeer van [verweerster] kunnen worden hersteld, zal de Stichting een procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst initiëren.

1.6

ZGIJV kent een klokkenluidersregeling die is gebaseerd op het model van de Brancheorganisatie Zorg. Artikel 1 van deze regeling definieert een vermoeden van een onregelmatigheid als volgt:

een op gronden gebaseerd vermoeden van een onvolkomenheid of ongerechtigheid van algemene, operationele en/of financiële aard die plaats vindt onder verantwoordelijkheid van de betrokken organisatie.

Een vermoeden van een ernstige misstand is als volgt gedefinieerd:

een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van een wantoestand in verband met een (dreigend) strafbaar feit, een dreigende schending van de wet- en regelgeving; een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu; een (dreiging van) bewust onjuist informeren van publieke organen; een dreigende verspilling van maatschappelijke/collectieve middelen; een (dreiging van) het bewust achterhouden, vernietigen of manipuleren van informatie hierover.

1.7

Van [verweerster] is onder meer gevergd dat zij inhoud en leiding geeft aan noodzakelijk geachte veranderingen in de organisatie van ZGIJV vanwege een eerdere, in 2015/2016, bestuurlijke en financiële crisis waardoor de organisatie op een aantal onderwerpen niet in control was. In verband daarmee heeft [verweerster] op 12 maart 2018 een adviesaanvraag aanpassing leidinggevende structuur ZGIJV ingediend bij de Ondernemingsraad (verder: OR) en de Centrale Cliëntenraad (verder: CCR) van ZGIJV.

1.8

Daarvóór, op 25 januari 2018, heeft een halfjaarlijks evaluatiegesprek met [verweerster] plaatsgevonden door de voorzitter en de vicevoorzitter van de RvT. Het verslag van dit gesprek is in overwegende mate positief. Wel staan in het verslag een aantal kritische opmerkingen over [verweerster] zoals: veel ballen in de lucht – haalt ook overhoop – onrust, en: verhoudingsgewijs veel externe deskundigen – roept vragen op bij medewerkers, en: aandacht voor CB, mede door weggevallen MT-leden (communicatie) en de secretaresse RvB. Eén van de aandachtspunten voor het komende halfjaar was: projecten – niet te ver vooruit – wie kan (niet) mee?

1.9

Op 10 juli 2018 heeft het tweede halfjaarlijks gesprek met [verweerster] plaatsgevonden. In het verslag van dit gesprek zijn wederom, naast positieve opmerkingen, ook kritische opmerkingen opgenomen, zoals: Losse opmerkingen door de bestuurder binnen de organisatie zijn soms verwarrend en kunnen een eigen leven gaan leiden; onrust en onzekerheid binnen het CB door het grote verloop; is dit het of gaan er nog meer? Gevoel van onveiligheid; [verweerster] denkt en werkt veel op inhoudsniveau; betrekkingsniveau lijkt stiefkind; [verweerster] negeert soms de structuur en doet veel zelf. Geen schakels overslaan s.v.p. en vooral medewerkers ‘in hun kracht zetten’. Hen de processen meer toevertrouwen.

Het verslag sluit af met een samenvatting waarin onder meer staat dat het beeld ontstaat dat [verweerster] , mede door de omstandigheden, (nog) teveel directeur en te weinig bestuurder is. ZGIJV is aanzienlijk groter dan haar vorige organisatie en dat vraagt een andere verhouding in roluitvoering. Daarnaast is het belangrijk ook rustmomenten in te bouwen en actief naar mensen terug te koppelen. Losse opmerkingen ‘tussendoor’ kunnen verwarring geven.

1.10

Ergens voor 18 oktober 2018, heeft [verweerster] op dit verslag schriftelijk (ongedateerd) commentaar geleverd en daarin aangegeven met de RvT graag in gesprek te willen over voortgang, stagnatie, verworvenheden en knelpunten op de verschillende deelterreinen waar ik verantwoordelijk voor ben. Door op al deze gebieden in te zoomen ontstaat een genuanceerd beeld van zaken die goed gaan, helemaal (nog) niet goed gaan en alle gradaties hiertussen. In mijn beleving is dit in het gesprek van 10 juli onvoldoende aan de orde gekomen, aldus [verweerster] .

In de loop van 2018 hebben tussen [verweerster] en de voorzitter en/of de vicevoorzitter van de RvT meerdere gesprekken plaatsgevonden.

1.11

Op 9 oktober 2018 heeft de voorzitter van de OR de voorzitter van de RvT gebeld en zijn toenemende zorgen geuit over de gang van zaken bij ZGIJV.

1.12

Op 18 oktober 2018 heeft de voorzitter van de RvT een brief ontvangen, ondertekend door 30 medewerkers van ZGIJV, hierna de 18-oktoberbrief genoemd. In deze brief, die door ZGIJV overigens niet is overgelegd, is het hiervoor geciteerde artikel 1 lid 5 van het Reglement Raad van Bestuur geciteerd en is door de briefschrijvers gewezen op de onveilige situatie binnen ZGIJV. In de brief is, aldus de toelichting van ZGIJV, melding gemaakt van een toenemend gevoel van onveiligheid, met name bij de medewerkers van het Centraal Bureau (CB). Meerdere ondertekenaars van de brief hebben lichamelijke klachten gekregen en hebben zich gemeld bij bedrijfsarts, OR of vertrouwenspersoon. In de brief wordt geklaagd over een onduidelijke rolverdeling tussen managers en bestuurder en het ontbreken van MT-vergaderingen. Het vertrouwen in de bestuurder is afgenomen en een aantal personeelsleden op sleutelfuncties is op zoek gegaan naar een andere baan, omdat zij niet met [verweerster] kunnen samenwerken.

1.13

De voorzitter van de RvT heeft de brief aan [verweerster] laten lezen zonder de namen van de ondertekenaars aan haar te laten zien. Tussen de RvT en [verweerster] is vervolgens besproken hoe met deze brief moest worden omgegaan. Op 23 oktober 2018 heeft de RvT, na daartoe juridisch advies te hebben ingewonnen, aan de briefschrijvers meegedeeld de brief te zullen behandelen overeenkomstig de klokkenluidersregeling, wat onder meer betekende dat hun anonimiteit gewaarborgd bleef. Op en na 24 oktober 2018 heeft [verweerster] aan de RvT laten weten dat zij het van belang achtte in positie te blijven en de regie te blijven houden. Zij heeft zich tegen de toepassing van de klokkenluidersregeling verzet. In een brief aan de voorzitter en vicevoorzitter van de RvT van 26 oktober 2018 heeft zij onder meer geschreven dat zij door het besluit van de RvT volledig uit positie en regie is gehaald. In deze brief schrijft zij ook dat zij niet meer (kan) handelen en aangeschoten wild is. Op 29 oktober 2018 heeft tussen de voorzitter en de vicevoorzitter van de RvT en [verweerster] nog een gesprek plaatsgevonden zonder dat overeenstemming is bereikt. De vervolgafspraak voor een gesprek is door [verweerster] afgezegd.

1.14

Bij brief van 30 oktober 2018 aan de RvT hebben een 15-tal artsen en psychologen, verbonden aan het behandelcentrum van ZGIJV, hun steun uitgesproken voor [verweerster] . In de brief staat onder meer dat een motie van wantrouwen tegen de bestuurder is ingediend en: Een dergelijke motie ondermijnt de ingezette verandering en noodzakelijke ontwikkeling van de samenwerking tussen zorg en behandeling.

1.15

Op 31 oktober 2018 heeft [verweerster] een brief aan de RvT toegezonden en daarin onder meer geschreven dat een situatie is ontstaan waarin zij niet langer als bestuurder kan functioneren. Haar positie is ondermijnd omdat de RvT de afhandeling van de brief naar zich toe heeft getrokken en in feite haar positie heeft ingenomen. Zij heeft geschreven twee opties te zien. De eerste is dat het label klokkenluidersmelding van tafel gaat, de brief aan haar wordt verstrekt en dat zij zelf onderzoek gaat doen en zal handelen naar bevind van zaken waarbij alle personele aangelegenheden door haar worden afgehandeld zonder tussenkomst of beroepsmogelijkheid bij de RvT. De tweede optie is dat zij haar functie ter beschikking stelt als de RvT zijn standpunt niet wijzigt. Ook heeft zij geschreven dat zij tot en met vrijdag, dat wil zeggen 2 november 2018, haar lopende bedrijfsvoeringstaken zal blijven behartigen.

1.16

Op 5 november 2018 is [verweerster] door de RvT op grond van artikel 8.5 van de arbeidsovereenkomst op non-actief gesteld. In de brief aan [verweerster] van dezelfde datum staat onder meer het volgende:

Wij hebben nogmaals benadrukt dat de RvT achter de uitgezette koers en veranderdoelstellingen staat, maar dat door de wijze waarop een en ander uitgevoerd en bestuurd wordt er oplopende spanningen en, ook naar uw aangeven, toenemende kampvorming binnen de organisatie ontstaat. En dat de RvT ervan overtuigd is dat de (wettelijke) Klokkenluidersregeling toegepast moet worden, met alle bijbehorende bepalingen van dien.

Derhalve wilden we vooral met u spreken over de betekenis en gevolgen van uw melding dat u (dan) niet langer in staat bent uw functie uit te oefenen. Daarbij hebben we allerlei opties en varianten met u besproken, waarbij steeds duidelijker werd dat u de restricties die het lopende klokkenluiderstraject met zich meebrengen, niet kunt en, zoals u aangaf vanwege uw moraliteit, niet wilt nakomen. Wij respecteren uw keuze in dezen. Daardoor is een patstelling ontstaan over het vervolg van het klokkenluiderstraject en dreigt een verdergaande escalatie van de toch al gespannen verhoudingen en de samenwerkingsproblemen binnen de stichting.

1.17

Op 12 november 2018 is door de RvT een interim-bestuurder, de heer [A] , aangesteld.

1.18

De RvT heeft mevrouw [X] verzocht een onderzoek in te stellen. Op 5 december 2018 heeft [X] het verslag van haar onderzoek uitgebracht. Een samenvatting van het (in de procedure overgelegde) verslag is per brief van 6 december 2018 aan [verweerster] verstrekt, tezamen met het gemotiveerde voorstel van de RvT de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te beëindigen en tezamen met een brief van de OR aan de RvT van 5 december 2018. In de brief van de OR is het vertrouwen in [verweerster] opgezegd.

1.19

[X] heeft gesproken met 29 van de 30 ondertekenaars van de brief, drie artsen, drie psychologen en [verweerster] . Het onderzoek is volgens haar niet representatief voor de hele organisatie van Zorg en BB omdat niet-melders niet gehoord zijn. Dit geldt ook, aldus [X] , voor de zes geïnterviewde artsen en psychologen. Zij komen uit de groep van (15) ondertekenaars van de hiervoor (1.14) genoemde brief aan de RvT van 30 oktober 2018.

1.20

De conclusie van haar rapport luidt als volgt, waarbij BSU staat voor bestuurder, BC voor behandelcentrum, BB voor bedrijfsbureau, KLR voor klokkenluidersregeling en MT voor managementteam.

Een belangrijke conclusie is dat BSU goed in staat is geweest om de staf - behandelaren en psychologen - medisch inhoudelijk te stimuleren en te ontwikkelen. Binnen het BC zijn er complimenten voor de Sterprojecten, de visie op de inhoudelijke ontwikkeling van het BC en medische zorg, het inspireren tot netwerken, bedrijfsvoering en het tempo waarin veranderingen op deze vlakken zijn ingezet. Ook binnen de meldersgroep zijn er complimenten voor de Sterprojecten, de inhoudelijke ontwikkeling en visie van BSU. Tegelijkertijd is de conclusie dat BSU vooralsnog niet in staat is geweest om de rest van de organisatie mee te krijgen en draagvlak te creëren voor de veranderingen in met name Zorg en BB. Deze afdelingen dragen wel 90% van de totale medewerkerspopulatie van de Zonnehuisgroep in zich. Binnen deze afdelingen is een situatie ontstaan waarin het subjectieve en objectieve vertrouwen in BSU ernstig beschadigd is en dat de samenwerkingsverhoudingen zodanig verstoord zijn geraakt dat ze niet te herstellen zijn. De nuance bij deze conclusie is dat niet-melders binnen Zorg en BB en niet-schrijvers binnen BC niet gehoord zijn.

De conclusie is ook dat effectieve, gangbare communicatie in de werkverhouding met BSU gestagneerd is in termen van bespreekbaar maken, overleggen, feedback geven en ontvangen. De communicatie is zodanig onveilig en verstoord, dat een groep van 30 medewerkers een melding binnen de KLR nodig heeft gehad om hun punt te maken.

In de afgelopen anderhalfjaar is een verwijdering ontstaan tussen BC en Zorg en lijkt de organisatie te zijn verdeeld in twee delen, waarin medewerkers elkaar inhoudelijk en in de communicatie hebben verloren. Alle respondenten zien een enorme verwijdering tussen Zorg en het BC en hebben daar in de uitvoering van het werk, het nakomen van afspraken en de kwaliteit van zorg hinder van. Alle respondenten, inclusief BSU, wijzen op dit punt naar een machtsstrijd die het afgelopen jaar gaande is geweest in het MT. Uit het onderzoek blijkt niet wie er nu gelijk heeft in deze verwijdering en de ontstane machtsstrijd. Beide partijen gehoord hebbend, lijken ze elkaar de schuld te geven. De conclusie is dat dit zich onder eindverantwoordelijkheid van BSU zich heeft ontwikkeld tot wat het nu is en zij is er vooralsnog niet in geslaagd om de machtsstrijd op te lossen.

Als het gaat om in-, door en uitstroom zijn mensen aan de zijlijn gezet die nog op de loonlijst staan. Aan een aantal respondenten is onvoldoende of te late personele zorg, ontwikkelgesprekken of verbetertraject geboden. Door alle veranderingen is de structuur, ordening en heldere communicatie weggevallen en wisten mensen niet waar ze aan toe waren. Respondenten geven aan dat het voor hen duidelijk was dat er patronen doorbroken moesten worden, maar niet op deze manier. Het resultaat is dat er nu chaos en onveiligheid is ontstaan en binnen Zorg en BB lijken een aantal mensen de weg kwijt te zijn. In de zoektocht naar houvast zoeken mensen elkaar op.

De organisatieverandering geeft een beeld waarin er "conceptueel" is veranderd en BSU een eigen koers en pad voor ogen had. De verandering is doordacht, maar in de uitvoering en de operationalisering komt het niet uit de verf. Het lijkt alsof er een nieuw organisatiesysteem in de bestaande organisatie is gebouwd. Daarin is de kennis, kunde, ontstaansgeschiedenis en de cultuur van de bestaande organisatie niet meegenomen en gebruikt, maar gedurende een langere periode van anderhalf jaar verworpen of overruled.

In de meldersgroep voelt 87% zich persoonlijk geïntimideerd. In het onderzoek worden tal van voorbeelden genoemd. Hieruit is de conclusie te trekken dat het niet om een incident gaat, maar om een patroon in het gedrag van BSU dat gedurende langere tijd ervaren en waargenomen is.

1.21

Op 11 december 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter en de vicevoorzitter van de RvT en [verweerster] . De advocaten van partijen waren daarbij ook aanwezig.

1.22

Bij brief van 19 december 2018 heeft de OR positief geadviseerd over het ontslagbesluit van de RvT. De CCR en de Vrijwilligersraad (verder: VR) hebben desgevraagd geen advies uitgebracht. Wel heeft de VR op 21 december 2018 een aantal constateringen met de RvT gedeeld en ook geschreven zich ernstig zorgen te maken over de ontstane situatie, de continuïteit van de organisatie en de waarborging van de kwaliteit voor de cliënt.

1.23

Vervolgens heeft de RvT op 21 december 2018 besloten te streven naar de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] .

1.24

Op 10 januari 2019 hebben leden van de behandeldienst van ZGIJV (artsen en psychologen) aan de OR laten weten zich niet te kunnen vinden in het besluit om het vertrouwen in [verweerster] op te zeggen.

2.1

De kantonrechter overweegt het volgende waarbij de standpunten van partijen, voor zover nodig, zullen worden weergegeven.

2.2

Uit de hiervoor uitvoerig weergegeven ontstaansgeschiedenis van het conflict met [verweerster] , uitmondend in het kort geding tot wedertewerkstelling enerzijds en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst anderzijds, volgt, dat de diepste oorzaak van het huidige conflict een diepgaand verschil van inzicht betreft ten aanzien van de vraag hoe en door wie de 18-oktoberbrief behandeld diende te worden. Door ook na overleg met (leden van) de RvT aanspraak te blijven maken op afgifte van deze brief en door zich op het standpunt te blijven stellen de afhandeling van deze brief aan haar over te laten zonder bemoeienis van de RvT, terwijl de RvT zijn standpunt ook handhaafde, is het conflict verdiept.

2.3

De botsing van standpunten heeft ertoe geleid dat [verweerster] op non-actief is gesteld en dat de verhouding tussen haar en de RvT sterk onder druk is komen te staan. De RvT heeft immers geoordeeld dat de brief als een klokkenluidersmelding moest worden gezien. [verweerster] heeft zich daarbij niet willen neerleggen. In de brief van 5 november 2018 aan [verweerster] heeft de RvT dan ook op aanvaardbare gronden geschreven dat een patstelling was ontstaan, die hem ertoe noopte [verweerster] op non-actief te stellen.

2.4

Toen vervolgens uit het onderzoek van [X] volgde dat het vertrouwen in [verweerster] bij een groot gedeelte van de geïnterviewde medewerkers zodanig ernstig was beschadigd en de samenwerkingsverbanden zodanig ernstig verstoord waren geraakt dat herstel niet meer mogelijk was, en de OR het vertrouwen in [verweerster] had opgezegd, kwam de arbeidsverhouding tussen partijen nog verder onder druk te staan.

2.5

Er is naar het oordeel van de kantonrechter nu geen weg meer terug. Ook tijdens de behandeling van de zaak is dat gebleken. Waar [verweerster] mogelijkheden ziet om na een goed gesprek terug te keren, is die optie voor de RvT een gepasseerd station.

2.6

De RvT en [verweerster] staan ook lijnrecht tegenover elkaar wat betreft de taxatie van de situatie die [X] heeft beschreven in de samenvatting van haar rapport. De RvT ziet [verweerster] (in elk geval) als mede-veroorzaker, door haar wijze van optreden, van de onrust in de organisatie en de gevoelens van onveiligheid, en wordt daarin gesterkt door het rapport van [X] . Signalen in die richting hebben de RvT al eerder bereikt en hij verwijst onder meer naar het verslag van het gesprek met [verweerster] op 10 juli 2018, en de door de voorzitter van de OR begin oktober 2018 met de voorzitter van de RvT gedeelde zorgen.

2.7

[verweerster] ziet het wezenlijk anders. Zij beschouwt het op gang gekomen proces dat heeft geleid tot de 18-oktoberbrief het gevolg van de door ZGIJV gewenste veranderingen en de in verband daarmee door haar ingezette acties. Medewerkers moeten in de visie van [verweerster] , kort gezegd, eraan wennen dat de heersende familiecultuur waarbij problemen worden verdoezeld en vergoelijkt, wordt doorbroken. Ook moeten zij wennen aan de andere stijl van communiceren van [verweerster] . De gewenste veranderingen en de wijze van leidinggeven leiden bij sommige medewerkers nu eenmaal tot weerstand en de 18-oktoberbrief is daarvan een exponent, zo begrijpt de kantonrechter de visie van [verweerster] . Ter zitting heeft [verweerster] verklaard in zekere zin blij te zijn met deze brief, want daardoor is zichtbaar en dus, wat haar betreft, bespreekbaar geworden wat er in de organisatie mis is. Bij deze visie van [verweerster] noteert vervolgens de RvT dat [verweerster] zelfreflectie mist.

2.8

In de huidige situatie is duidelijk dat de arbeidsverhouding tussen de RvT en [verweerster] ernstig en duurzaam is verstoord. Het verschil van inzicht tussen partijen is diepgaand en een goede samenwerking, gebaseerd op wederzijds vertrouwen en respect, acht de kantonrechter niet meer haalbaar. Daarbij komt, dat de positie van [verweerster] bij ZGIJV een uiterst belangrijke is. Zij vormt immers het eenhoofdig bestuur. Die positie aan de top van de organisatie brengt met zich dat de onderlinge verhoudingen goed moeten zijn, niet in het minst met het ingevolge artikel 15 van de statuten toezichthoudend orgaan, de RvT. Dat de OR het vertrouwen in [verweerster] bij brief van 5 december 2018 heeft opgezegd, onderstreept dat een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer haalbaar is. Artsen en psychologen, verbonden aan het behandelcentrum, zijn tevreden over [verweerster] , maar zij maken getalsmatig maar een klein deel uit van de organisatie en hun positie ten opzichte van [verweerster] zal vanwege hun professie en positie een andere zijn dan die van de overige medewerkers.

2.9

De kantonrechter merkt op, dat voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding niet is vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de kant van de werknemer, en dat ook de omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt aan de ontbinding op deze grond niet in de weg staat (HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220 en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218). Het gaat erom of ontbonden moet worden omdat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord, niet aan wie dat valt te verwijten.

2.10

[verweerster] heeft een en andermaal benadrukt dat de RvT ten onrechte de klokkenluidersregeling op de 18-oktoberbrief van toepassing heeft verklaard. Voor zover [verweerster] daarmee heeft willen betogen dat (vooral) daardoor een verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan, passeert de kantonrechter dat betoog. In de eerste plaats is het zo dat dit verwijt van [verweerster] , indien al juist, niet aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde verhouding in de weg staat. Zie het hiervoor genoemde arrest. In de tweede plaats staat niet de vraag voorop of de brief nu wel of niet een klokkenluidersbrief was, maar gaat het erom dat 30 medewerkers van ZGIJV kennelijk geen andere mogelijkheid meer zagen dan hun zorgen (de onveilige situatie binnen Zonnehuisgroep IJssel–Vecht, aldus hun brief) aan de RvT kenbaar te maken. Ook als de klokkenluidersregeling niet was toegepast, dan had de RvT in actie moeten komen, waarbij de door [verweerster] in haar brief aan de RvT van 31 oktober 2018 voorgestelde route, kort gezegd: geef mij de brief en laat mij het maar oplossen, niet voldoende realistisch is. De 18-oktoberbrief brief stelt immers, zoveel is wel duidelijk uit het onderzoek door [X] , het handelen van [verweerster] als bestuurder aan de orde. In dit licht beschouwd is begrijpelijk dat de RvT [verweerster] in elk geval in eerste aanleg buiten het onderzoek naar aanleiding van de brief heeft willen houden. De kantonrechter laat daarom in het midden of de brief terecht onder de klokkenluidersregeling is gebracht. Ook als die beslissing achteraf beschouwd onjuist zou zijn, dan doet dat niet eraan af dat [verweerster] niet zelf het onderzoek had kunnen instellen. En ook indien de klokkenluidersregeling niet zou zijn gevolgd, zou te billijken zijn geweest dat de anonimiteit van de briefschrijvers, in elk geval voorlopig, gehandhaafd zou zijn. Zij zijn immers onderworpen aan het gezag van [verweerster] en, wat hun arbeidsrechtelijke positie betreft, van haar afhankelijk.

2.11

De kantonrechter overweegt dat de definitie van het begrip onregelmatigheid in het Reglement meldingen klokkenluidersregeling zeer ruim geformuleerd is, dat de RvT enkel aan de hand van de 18-oktoberbrief, dus voordat een inhoudelijk onderzoek kon plaatsvinden, moest beoordelen of de klokkenluidersregeling wellicht van toepassing was, en dat hij in verband daarmee eerst juridisch advies heeft ingewonnen. De RvT is niet over één nacht ijs gegaan en had een ruime beoordelingsmarge. Daarbij komt, dat in de brief artikel 1 lid 5 van het Reglement Raad van Bestuur is geciteerd, waarin staat dat onregelmatigheden die het functioneren van de RvB betreffen aan de RvT worden gerapporteerd en dat deze klokkenluidersregeling algemeen bekend wordt gemaakt. Aldus is door de afzenders geappelleerd aan de toepasselijkheid van de klokkenluidersregeling. Dat appèl kon de RvT niet zonder meer naast zich neerleggen en diende voorzichtig te handelen.

2.12

[verweerster] stelt ook dat zij niet is betrokken bij het onderzoek, maar uit de samenvatting van het rapport van [X] blijkt, dat ook zij door [X] is gehoord. Haar stelling dat [X] niet ter zake kundig is, immers een systeemtherapeut, is niet onderbouwd. De samenvatting van haar rapport doet in elk geval anders vermoeden. De stelling van ZGIJV dat het onderzoek forensisch van aard had moeten zijn, is ook niet aannemelijk. Uit niets blijkt dat het vermoedelijk om strafbare feiten ging. Volgens [verweerster] is de RvT zich als bestuurder gaan gedragen en is eigenlijk elk besluit van de RvT in de onderhavige kwestie in strijd met de statuten. Dat verwijt is onjuist. De RvT dient volgens artikel 15 van de statuten van ZGIJV integraal toezicht te houden op het beleid van de bestuurder. Dat toezicht is alleen mogelijk als de RvT besluiten kan nemen waarmee dat toezicht gestalte krijgt. Anders is artikel 15 een lege huls.

2.13

De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding ontbinden nu die verstoring zodanig is dat van ZGIJV in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Herplaatsing van [verweerster] in een andere functie ligt niet in de rede, daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat een andere, passende functie voor [verweerster] beschikbaar is. Een opzegverbod is niet van toepassing.

2.14

Bij deze stand van zaken behoeven de door ZGIJV andere twee aangevoerde ontbindingsgronden geen bespreking. De rangorde die ZGIJV in haar verzoekschrift heeft aangebracht, te weten ontbinding primair wegens verwijtbaar handelen van [verweerster] , subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding, en meer subsidiair wegens, kort gezegd, andere omstandigheden, heeft geen consequenties wat betreft de beoordeling van het verzoek tot ontbinding en de aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst mogelijk verbonden gevolgen. Het maakt voor ZGIJV, kort gezegd, niet uit op welke grond de ontbinding wordt uitgesproken, ook omdat zij niet heeft gesteld dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in welk geval de opzegtermijn op grond van artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder b. BW kan worden verkort. De rangorde is ook niet van invloed bij de beoordeling van de door [verweerster] subsidiair verzochte vergoeding van € 200.000. De kantonrechter acht zich daarom vrij de ontbinding op de subsidiaire grond uit te spreken en de andere gronden onbesproken te laten.

2.15

Desgevraagd heeft [verweerster] ter zitting verklaard dat haar verzoek tot toekenning van de vergoeding van € 200.000 uitsluitend is gebaseerd op de wet, te weten artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder c. BW, ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en dus niet op artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst dat een ander criterium dan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aanlegt. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van ZGIJV is naar het oordeel van de kantonrechter, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen bij de bespreking van het verzoek tot ontbinding, geen sprake. Haar verzoek tot toekenning van de vergoeding zal worden afgewezen.

2.16

De arbeidsovereenkomst, die voor bepaalde tijd is gesloten, bepaalt in artikel 9.3 dat tussentijdse opzegging mogelijk is, stelt de opzegtermijn voor ZGIJV op zes maanden, en bepaalt dat opzegging tegen het einde van de kalendermaand moet plaatsvinden. Het verzoekschrift tot ontbinding, dat is gedateerd op 28 december 2018, is op 2 januari 2019 door de griffier ontvangen. Met toepassing van artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder a. BW zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst daarom met ingang van 1 augustus 2019 (zes maanden na 2 januari en doorgeteld tot het einde van de maand) ontbinden.

2.17

De kantonrechter zal bepalen dat partijen de eigen kosten dragen.

Beslissing

De kantonrechter:

1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2019;

2. bepaalt dat partijen de eigen kosten dragen;

3. wijst het meer of anders verzochte af.

Gegeven door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 11 februari 2019.