Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:722

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
7463049 CV EXPL 19-160
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot wedertewerkstelling toegewezen. Werkgever heeft zonder redelijke en voldoende zwaarwegende grond eiser (die reeds 28 jaar naar behoren heeft gefunctioneerd) van zijn taken in een nieuwe functie ontheven, nog voordat eiser daadwerkelijk aan de slag kon gaan. Werknemer is ook niet aangesproken op vermeend disfunctioneren, laat staan dat er mogelijkheden zijn geboden tot verbetering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0223
GZR-Updates.nl 2019-0056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 7463049 CV EXPL 19-160

Vonnis in kort geding van 22 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. S.M. Profijt te Almelo,

tegen

de stichting ZIEKENHUISGROEP TWENTE,
gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,

gedaagde partij, hierna te noemen ZGT,

gemachtigde: mr. drs. Y.M. Nijhuis te Enschede.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 29 januari 2019 met producties 1 t/m 15,

- producties 1 t/m 29 aan de zijde van ZGT,

- producties 13 en 16 t/m 19 aan de zijde van [eiser] ,

- producties 30 t/m 34 aan de zijde van ZGT,

- de mondelinge behandeling op 12 februari 2019,

- de pleitnota van [eiser] ,

- de pleitnota van ZGT.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is 62 jaar en werkt sinds 16 augustus 1990 bij (de rechtsvoorganger van) ZGT.

2.2.

[eiser] startte zijn carrière binnen ZGT als afdelingshoofd psychiatrie. Formeel heette deze functie “Hoofd Verpleegafdeling”. Per 1 mei 2012 was [eiser] werkzaam in de functie van Bedrijfskundig Manager. In deze functie behoorde [eiser] tot de managers met een topfunctie binnen ZGT. [eiser] heeft altijd naar behoren gefunctioneerd.

2.3.

In 2017 kreeg ZGT te kampen met een tekort van ongeveer 15 miljoen euro. De Raad van Bestuur van het ZGT heeft een reorganisatieplan, genoemd “Herstelplan Toekomstgericht en Financieel Gezond ZGT” opgesteld met als doel ZGT financieel gezonder te maken. Een onderdeel van dit plan was dat de toplaag van acht Bedrijfskundig Managers moest worden gereduceerd naar vier. De functie Bedrijfskundig Manager werd opgeheven en in plaats daarvan kwam de nieuwe functie Bedrijfskundig Cluster Manager/Kwartiermaker.

2.4.

Op 23 oktober 2017 werd [eiser] meegedeeld dat hij niet zou worden benoemd in de nieuwe functie Bedrijfskundig Cluster Manager/Kwartiermaker. [eiser] was het hiermee niet eens. Partijen zijn (uiteindelijk) overeengekomen dat [eiser] in de transitiefase Programmamanager van het nieuwe programma Zinnige Zorg (later Waardegerichte Zorg) en het programma Integrale Geboortezorg zou worden. Daarnaast bleef hij verantwoordelijk voor een tweetal RVE’s (geboortezorg, gynaecologie en kindergeneeskunde).

2.5.

Op 3 april 2018 had [eiser] een beoordelingsgesprek. Op 18 mei 2018 ontving iedereen in de tweede stuurlaag, waaronder dus ook [eiser] , een uitnodiging om een 360 graden feedback te doen en een assessment te maken voor de nieuwe aanstelling na de transitiefase.

2.6.

In juli 2018 vond een beoordelings- en aanstellingsgesprek plaats, waarin [eiser] werd meegedeeld dat hij zou worden benoemd in de functie van Programmamanager Waardegerichte Zorg (voor 50% van zijn arbeidstijd). De overige 50% van zijn arbeidstijd kon [eiser] blijven werken als Programmamanager Integrale Geboortezorg (een regionaal project) en als leidinggevende van de RVE’s geboortezorg, gynaecologie en kindergeneeskunde.

2.7.

Bij brief van 2 augustus 2018 heeft ZGT aan [eiser] formeel medegedeeld dat hij per 1 augustus 2018 is benoemd als Programmamanager Waardegerichte Zorg. In deze brief staat -voor zover van belang-

“Afgelopen jaar heeft de Raad van Bestuur na het verwerken van de adviezen van de gremia de definitieve organisatiestructuur voor ZGT voor de komende jaren vastgesteld conform het voorgenomen besluit van 24 mei 2018.

Hiermee samenhangend vinden de benoemingen plaats van de managers die de topfuncties gaan bekleden (…). Hiervoor ben u vorig jaar tijdelijk benoemd in één van de topfuncties, heeft u beoordelingsgesprekken met ons gehad en heeft u deelgenomen aan een 360 graden feedback ronde. Op basis hiervan heeft de Raad van Bestuur besloten u te benoemen tot programma manager per 1 augustus 2018.

In het bijgevoegde verslag zijn de ontwikkelpunten naar aanleiding van het beoordelingsgesprek vastgelegd. In november 2018 en april 2019 zal er een voortgangsgesprek plaatsvinden.”

2.8.

In het bijgevoegde verslag (van het beoordelingsgesprek van juli 2018) staat -voor zover van belang-:

“Je ontwikkelt je goed in je nieuwe rol van programma manager waardegerichte zorg.

(…)

Uitkomsten 360 graden feedback

Je hebt jezelf hoge scores toegedicht (4 of 5). De gemiddelde score van de feedback gevers ligt ook op een lager, maar goed niveau (4).

Positief wordt gewaardeerd je samenwerkingsgerichtheid, budgetverantwoordelijkheid, gestructureerd werken en medewerkers gerichtheid. Als aandachtspunten worden genoemd veranderbereidheid, beïnvloedingsvaardigheid en adviseren.

(…)

Uitkomsten Harrison Assessment: development areas

(…)

Vanuit de rapportage heb ik de volgende ontwikkelpunten opgepakt en met je besproken:

  • -

    Je bent erg zeker van je eigen mening en staat gemiddeld open voor mening van anderen

  • -

    Je scoort hoog op zelfacceptatie en bent gemiddeld gericht op zelfverbetering

  • -

    Besluitvorming doe je vooral op basis van analyse en minder vanuit intuïtie

  • -

    Je neemt niet graag risico’s

(…)

Afspraken:

  • -

    Jij gaat in gesprek met anderen om de uitkomsten van de 360 graden feedback en de Harrison assessment te bespreken

  • -

    [A] en jij gaan in gesprek om duidelijkheid te krijgen over het moment dat je de rol van lijnverantwoordelijke, voor de twee RVE’s binnen het cluster snijdend, neerlegt.

2.9.

In de periode april 2018 tot begin oktober 2018 kwam het programma Waardegerichte Zorg niet van de grond als gevolg van diverse -niet aan [eiser] te wijten- omstandigheden, waaronder in het bijzonder de onderhandelingen met Menzis en de perikelen met OCON.

2.10.

Op 14 november 2018 heeft [eiser] in samenwerking met het bureau Health Venture Partners een presentatie gehouden voor bijeenkomsten van het managementteam van ZGT met Menzis.

2.11.

Op 30 november 2018 kreeg [eiser] in een gesprek van de heer [B] , lid van de Raad van Bestuur van ZGT, te horen dat ZGT hem niet meer te werk wilde stellen als Programmamanager Waardegerichte Zorg. [eiser] kreeg te horen dat er signalen waren dat hij niet zou passen in het gewenste profiel van deze functie.

2.12.

Op 11 december 2018 volgde een tweede gesprek tussen [eiser] en de heer [B] . Tijdens dit gesprek vertelde de heer [B] dat hij ander werk wilde zoeken voor [eiser] , echter niet in de tweede stuurlaag.

2.13.

Bij brief van 13 december 2018 is voornoemd besluit schriftelijk aan [eiser] medegedeeld. In deze brief staat -voor zover van belang-:

“Op 11 december hebben wij een tweede gesprek gehad over het besluit van de Raad van Bestuur om jou niet langer de functie van programmamanager van het programma Waardergerichte Zorg te laten vervullen. (…)

De reden hiervoor is dat voor het succes van dit voor ZGT uitermate belangrijke strategische programma een aantal competenties belangrijk zijn die jij onvoldoende kunt invullen. Het gaat om de competenties: inspirerend vermogen, conceptueel vermogen en de competentie om, zonder hiërarchische invloed, een dergelijke complexe verandering in werken door te voeren.

In het overleg dat wij op bestuurlijk niveau met Menzis, de huisartsen en het CMS bestuur voeren (stuurgroep waardegerichte zorg) bereikten ons de laatste periode signalen dat de betrokken partijen grote twijfels hebben of jij dé aangewezen persoon bent om dit voor ZGT strategisch belangrijke programma te trekken. Deze signalen in combinatie met wat wij zelf ervaren, leiden ertoe dat er geen bestuurlijke draagvlak meer is voor jou als programmamanager van dit belangrijk project.”

2.14.

Bij brief van 17 december 2018 heeft [eiser] via zijn voormalig gemachtigde aan ZGT laten weten dat hij het niet eens is met voornoemd besluit.

2.15.

Bij brief van 19 december 2018 heeft ZGT aan [eiser] medegedeeld dat zij niet bereid is het besluit te herzien. In deze brief staat -voor zover van belang-:

“Uw cliënt blijkt niet de juiste persoon te zijn om dit programma op de kaart te zetten en uit te voeren. Er is geen draagvlak voor uw cliënt als programmamanager van dit project binnen de stuurgroep Waardegerichte Zorg, bestaande uit de raad van bestuur, het bestuur van de CMS, Menzis en regionale huisartsen.

Met uw cliënt is meerdere keren gesproken over wat van hem werd verwacht en de voortgang. Het probleem is dat er geen vertrouwen meer is in uw cliënt als programmamanager, een verbetertraject verandert dat niet. Uw cliënt is niet de juiste persoon voor dit programma.

(…)

Per 1 januari 2019 is uw cliënt niet langer de programmamanager Waardegericht Zorg. De heer [C] (cardioloog, lid van het programma team) zal als tijdelijk aanspreekpunt fungeren voor het programma totdat er een geschikte kandidaat is gevonden.”

2.16.

Op 21 december 2018 heeft ZGT gecommuniceerd dat [eiser] met ingang van 1 januari 2019 niet langer meer de rol van Programmamanager Waardegerichte Zorg zal invullen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ZGT te veroordelen tot:

A. het toelaten van [eiser] tot zijn gebruikelijke werkzaamheden als Programmamanager Waardegerichte Zorg, met alle faciliteiten en bevoegdheden die hem uit hoofde van deze functie toekomen, binnen twee werkdagen na de datum van betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

B. het zowel in- als extern communiceren dat [eiser] werkzaam is als Programmamanager Waardegerichte Zorg, binnen twee werkdagen na de datum van betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

C. betaling van de kosten van dit geding, waaronder het salaris van de gemachtigde.

3.2.

ZGT voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten feiten en omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening als gevorderd.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of [eiser] in de gelegenheid dient te worden gesteld om de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:611 BW, waarin de algemene maatstaf is neergelegd van hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze algemene maatstaf brengt met zich mee dat de toewijsbaarheid van een vordering tot wedertewerkstelling met name afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval (Hoge Raad 12 mei 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC2497). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een werknemer in beginsel een zwaarwegend belang heeft bij het kunnen verrichten van de overeengekomen arbeid, aangezien arbeid een mogelijkheid biedt tot zelfontplooiing, sociale contacten, de ontwikkeling van een eigen identiteit en een vorm van maatschappelijke participatie is (vgl. handelingen TK 2013-2014, 33818, nr. 3 pag. 1). Van een goed werkgever mag dan ook worden gevergd dat hij de werknemer de mogelijkheid biedt de overeengekomen arbeid te verrichten, tenzij er een redelijke en voldoende zwaarwegende grond is om de werknemer die mogelijkheid te ontzeggen.

4.3.

In het geval, zoals hier, sprake is van (beweerdelijk) disfunctioneren van de werknemer betekent dit, dat voor ontheffing van een werknemer van zijn taken in beginsel slechts plaats is indien bij voortzetting door de werknemer van zijn werkzaamheden voor de werkgever reëel een zodanig nadeel dreigt, dat, gelet op alle omstandigheden van het geval en na weging van de daarbij betrokken belangen, van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de werknemer zijn werkzaamheden laat voortzetten. Daarbij dient onder meer acht te worden geslagen op de volgende aspecten, bezien in hun samenhang (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2019, LJN: ECLI:NL:GHARL:2019:295):

  • -

    de aard van de arbeidsovereenkomst en de aard en inhoud van de functie van de werknemer,

  • -

    de aard en ernst van het disfunctioneren van de werknemer,

  • -

    de aard en omvang van het voor de werkgever reëel dreigende nadeel,

  • -

    de wijze en het tijdstip waarop de werkgever de werknemer heeft aangesproken op zijn disfunctioneren en de mogelijkheden en begeleiding die de werkgever de werknemer heeft geboden om zijn functioneren te verbeteren,

  • -

    bijzondere belangen die een werknemer eventueel heeft bij het voortzetten van zijn werkzaamheden.

4.4.

De beoordeling dient in beginsel te geschieden naar de situatie zoals die bestond ten tijde van de ontheffing. Omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan kunnen in de beoordeling worden betrokken voor zover zij aanwijzingen opleveren voor de situatie zoals die ten tijde van de ontheffing bestond.

4.5.

Op 30 november 2018 kreeg [eiser] te horen dat ZGT hem niet meer de functie van Programmamanager Waardegerichte Zorg wilde laten vervullen. ZGT heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [eiser] een aantal belangrijke competenties die nodig zijn voor de Programmamanager Waardegerichte Zorg onvoldoende kon invullen en dat er signalen, ter zitting geduid als ernstige signalen, van strategische partners waren binnengekomen dat zij geen vertrouwen meer hebben in [eiser] in deze functie. ZGT heeft ter onderbouwing van voornoemde signalen een verklaring van de heer [D] , adviseur Health Venture Partners, d.d. 22 januari 2019, een verklaring van de heer [E] , directeur van Menzis, d.d. 22 januari 2019, een verklaring van de heer [F] , voorzitter bestuur Coöperatie Medisch Specialisten ZGT U.A., d.d. 23 januari 2019 en een verklaring van de heer [G] , huisarts en voorzitter FEA/CHPA, d.d. 25 januari 2019 overgelegd.

4.6.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat ZGT onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] een aantal competenties die nodig zijn voor Programmamanager Waardegerichte Zorg onvoldoende zou kunnen invullen.

4.7.

De kantonrechter acht hiertoe allereerst van belang dat [eiser] reeds 28 jaar werkzaam is bij (de rechtsvoorganger) van ZGT en altijd naar behoren heeft gefunctioneerd. Per 1 augustus 2018 is [eiser] na een assesment, een 360 graden scan en een functioneringsgesprek benoemd in de functie van Programmamanager Waardegerichte Zorg, een functie die hij in de transitiefase reeds verrichtte. [eiser] paste in de ogen van ZGT dus kennelijk in het profiel van Programmamanager Waardegerichte Zorg. Gesteld noch gebleken is dat dit profiel vier maanden later (toen [eiser] te horen kreeg dat hij de functie niet langer mocht vervullen) is gewijzigd.

4.8.

Voorts acht de kantonrechter van belang dat [eiser] in die vier maanden nog geen kans heeft gehad om zich te profileren als Programmamanager Waardegerichte Zorg. Door externe omstandigheden (onder meer Ocon en Menzis) was het programma Waardegerichte Zorg immers nog niet van de grond gekomen. Ter zitting heeft ZGT verklaard dat [eiser] hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Nog voordat [eiser] daadwerkelijk aan de slag kon gaan, is hij echter al uit deze functie ontheven.

4.9.

Evenmin kan naar het oordeel van de kantonrechter uit de door ZGT overgelegde verklaringen worden afgeleid dat [eiser] niet geschikt zou zijn voor de functie Programmamanager Waardegerichte Zorg. De leden van de stuurgroep verklaren niet dat zij ontevreden zijn over het functioneren van [eiser] . Uit de overgelegde verklaringen blijkt veeleer dat de stuurgroepleden een andere persoon (jong, onervaren en vrouw) als Programmamanager Waardegerichte Zorg in gedachten hebben. Ter zitting heeft de heer [B] verklaard dat de stuurgroepleden [eiser] niets verwijten, maar dat zij geen vertrouwen hebben in de rol die [eiser] te wachten staat. Waarom dat vertrouwen er niet zou zijn, wordt echter op geen enkele wijze met concrete voorvallen onderbouwd.

4.10.

Daar komt bij dat -als [eiser] al niet goed zou functioneren- niet gebleken is dat ZGT [eiser] hierop tijdig heeft aangesproken onder het aanbieden van mogelijkheden aan [eiser] om zich te verbeteren. Een goed en zorgvuldig handelend werkgever behoort in beginsel immers pas maatregelen te treffen tegen een disfunctionerende werknemer nadat die werknemer op zijn disfunctioneren is aangesproken en hem steun en begeleiding voor verbetering is aangeboden. Kenmerkend in dit verband is dat het voor november 2018 afgesproken voortgangsgesprek met [eiser] niet heeft plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat ZGT op enig ander moment in de periode 1 augustus 2018 tot 30 november 2018 aan [eiser] heeft teruggekoppeld dat hij niet goed zou functioneren, laat staan mogelijkheden voor verbetering heeft aangeboden. Ter zitting heeft de heer [B] verklaard dat [eiser] in de periode augustus – november 2018 nimmer feedback op zijn functioneren is gegeven.

4.11.

Ten slotte acht de kantonrechter van belang dat ZGT onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht om te kunnen oordelen dat [eiser] zijn werkzaamheden als Programmamanager Waardegerichte Zorg niet zou kunnen voortzetten en dat er een gegronde vrees bestaat dat er onaanvaardbare situaties ontstaan wanneer [eiser] weer wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden als Programmamanager Waardegerichte Zorg. Weliswaar zal bij terugkeer de werksfeer voor zowel [eiser] als de leden van de stuurgroep Waardegerichte Zorg ongemakkelijk zijn, maar bij wedertewerkstelling zijn goede afspraken te maken.

4.12.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat ZGT zonder redelijke en voldoende zwaarwegende grond [eiser] van zijn taken als Programmamanager Waardegerichte Zorg heeft ontheven. De vordering van [eiser] om hem weer toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden als Programmamanager Waardegerichte Zorg, met alle faciliteiten en bevoegdheden die hem uit hoofde van deze functie toekomen, zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter zal partijen een termijn van zeven werkdagen na betekening van het vonnis gunnen ten einde hen enige tijd en gelegenheid te geven nadere afspraken te maken over de terugkeer van [eiser] als Programmamanager Waardegerichte Zorg en de terugkeer van [eiser] voor te bereiden.

4.13.

De vordering om zowel in- als extern te communiceren dat [eiser] werkzaam is als Programmamanager Waardegerichte Zorg zal eveneens worden toegewezen, met inachtneming van voornoemde termijn.

4.14.

De kantonrechter zal als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, een dwangsom verbinden aan de jegens ZGT uit te spreken veroordelingen, voor het geval ZGT daaraan niet voldoet. De gevorderde dwangsommen zullen echter op na te melden wijze worden gematigd en gemaximeerd.

4.15.

ZGT zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, welke aan de zijde van [eiser] tot op heden worden begroot op:

  • -

    dagvaardingskosten € 99,01

  • -

    griffierecht € 81,00

  • -

    salaris advocaat € 720,00

Totaal € 900,01

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt ZGT tot het toelaten van [eiser] tot zijn gebruikelijke werkzaamheden als Programmamanager Waardegerichte Zorg, met alle faciliteiten en bevoegdheden die hem uit hoofde van deze functie toekomen, binnen zeven werkdagen na de datum van betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat ZGT in gebreke blijft daaraan te voldoen tot een maximum van € 75.000,00,

5.2.

veroordeelt ZGT tot het zowel in- als extern communiceren dat [eiser] werkzaam is als Programmamanager Waardegerichte Zorg, binnen zeven werkdagen na de datum van betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat ZGT in gebreke blijft daaraan te voldoen tot een maximum van € 75.000,00,

5.3.

veroordeelt ZGT in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 900,01,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019. (SR)