Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:672

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
C/08/190358 / HA ZA 16-367
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2019:671
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beneficiaire aanvaarding. Gedaagden hebben de bescherming van de (eventuele) beneficiaire aanvaarding verspeeld, door ten nadele van de overige erfgenamen in de nalatenschap van erflater te handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/21.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/190358 / HA ZA 16-367

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3 [eiser 3] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

4 [eiser 4] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers;

advocaat: mr K. Megens - Van Mierlo (Oss),

en

1 [gedaagde 1]

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde sub 1 (hierna: [gedaagde 1] ),

advocaat: mr H.J.M. van Denderen,

2 [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde sub 2 (hierna te noemen: [gedaagde 2] ),

advocaat: mr A.J.W. Bovenmars – Wilmink,

De weergave van het procesverloop

1. Het procesverloop laat zich als volgt aanduiden:

- de op 10 augustus 2016 uitgebrachte dagvaarding;

- de door [gedaagde 1] op 9 november 2016 in het geding gebrachte conclusie van antwoord;

- de door [gedaagde 2] op 9 november 2016 in het geding gebrachte conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 23 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de op 2 februari 2017 gehouden comparitie van partijen;

- de voortzetting daarvan op 9 november 2017;

- de op 20 december 2017 in het geding gebrachte conclusie van repliek;

- de door [gedaagde 2] op 14 maart 2018 in het geding gebrachte conclusie van dupliek;

- de door [gedaagde 1] op 14 maart 2018 in het geding gebrachte conclusie van dupliek;

2. Ten slotte is vonnis gevraagd waarvan de uitspraak na een aanhouding is bepaald op heden.

Waarvan kan worden uitgegaan

3. In dit geding staat tussen partijen het volgende vast:

- op [datum 2] 2012 is te [plaats 2] overleden [erflater] . Ten tijde van zijn overlijden was erflater ongehuwd en niet als partner geregistreerd. Erflater is ook niet eerder gehuwd of als partner geregistreerd geweest. Erflater heeft geen afstammelingen nagelaten;

- erflater heeft niet over zijn nalatenschap beschikt (zie bijlage 2 bij de dagvaarding). Op de nalatenschap is wettelijk erfrecht van toepassing. Tot diens nalatenschap waren ten tijde van het overlijden van erflater zes erfgenamen gerechtigd:

- voor 1/3 deel : [X] , de broer van erflater; verder te noemen: [X] ;

- voor 1/3 deel: [gedaagde 2] , de zus van erflater;

- elk voor 1/12 deel: eisers sub 1 tot en met 4, nicht respectievelijk neven van erflater, en afstammelingen van de op 25 augustus 1993 overleden broer van erflater, genaamd [Y] ;

- [X] en [gedaagde 2] hebben deze nalatenschap zuiver aanvaard. Eisers hebben aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Dit heeft tot gevolg dat op de nalatenschap afdeling 4.6.3. van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is en dat alle erfgenamen gezamenlijk vereffenaar zijn;

- [2013] is te [plaats 2] erfgenaam [X] overleden. Hij was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [gedaagde 1] . Bij testament heeft [X] [gedaagde 1] tot zijn enige erfgename benoemd. Bij die gelegenheid heeft hij zijn vier afstammelingen onterfd;

- op grond van het bovenstaande zijn thans tot de nalatenschap van erflater gerechtigd [gedaagde 2] , eisers en [gedaagde 1] , waarbij [gedaagde 1] - als opvolger onder algemene titel - dus de positie van [X] voortzet;

- bij beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2015 heeft deze rechtbank de

mrs [A] en [B] tot vereffenaars van de nalatenschap van erflater benoemd;

- tot de te verdelen nalatenschap van erflater behoort een tegoed bij de Volksbank in Gronau per datum van overlijden van erflater ( [datum 2] 2012) van € 385.437,-. Op [datum 1] 2012 (1 dag voor het overlijden van erflater) is bij die bank een bedrag van € 100.000,- in contanten aan [X] uitbetaald en op [datum 3] 2012 (1 dag na het overlijden van erflater) is aan [X] in contanten een bedrag uitbetaald van € 380.000,-. Een jaar later, op 21 november 2013, is door [gedaagde 2] bij deze bank een bedrag van € 5.412,42 in contanten opgenomen en opgehaald;

- het saldo van de rekening bij de Volksbank in Gronau ten tijde van het overlijden van erflater is niet in de nalatenschap terecht gekomen, en is daarin evenmin aangetroffen. Dat saldo is gevormd door een op 22 juni 2012 overgeboekt bedrag van € 50.107,50 en een op 27 juni 2012 overgeboekt bedrag van € 432.268,23 (zie productie 7 bij de dagvaarding).

- door [gedaagde 2] zijn op eigen verzoek notarieel vastgelegde verklaringen afgelegd. De eerste verklaring is afgelegd op 27 januari 2016 (zie productie 10 bij de dagvaarding) en de tweede verklaring is enkele dagen later afgelegd, te weten op 29 januari 2016 (zie productie 12 bij de dagvaarding). [gedaagde 2] heeft op die laatstgenoemde datum (alsnog) verklaard dat zij ongeveer twee maanden daarvoor met [gedaagde 1] bij de Volksbank in Gronau was geweest en dat zij daar [gedaagde 1] heeft gevraagd om de sleutels af te geven van de kluis die kennelijk - naar zeggen van [gedaagde 2] : zonder haar medeweten - op haar naam was gehuurd. [gedaagde 1] heeft haar toen een sleutel gegeven. [gedaagde 2] wilde de huur van de kluis direct opzeggen, en heeft bij die bank eerst de kluis geopend, waarin naar haar zeggen twee enveloppen met pakjes bankbiljetten zaten. [gedaagde 2] heeft die naar eigen zeggen uit de kluis gehaald en thuis bewaard. De kluis kon zij niet opzeggen omdat zij niet over twee sleutels beschikte. [gedaagde 2] heeft haar vermoeden uitgesproken dat [gedaagde 1] over de andere kluissleutel beschikt;

- Door [gedaagde 2] is ten overstaan van de notaris op 27 januari 2016 voor zover hier relevant als volgt verklaard:

“(…) En toen [erflater] was overleden is [X] met ons, met zijn drieën naar Duitsland gegaan, om dat geld er af te halen, want dat moest in de pot komen voor de verdeling. Dat is gebeurd tot het bij die bank, waar ik de naam niet van weet, op was. [X] had een kluis, en dat deed hij in de kluis, in contanten. Ik vond dat allemaal goed. Toen stond er op de Volksbank nog een bedrag. Daar zijn we ook verschillende keren geweest, om daar het geld af te halen, dat was op verschillende data dat het afgelopen was, je kon het verlengen of je kon het afhalen, en we gingen het dus afhalen. Dat is vijf, zes keer geweest toch wel en dat waren grote bedragen, en waar zijn ze gebleven? De kluis stond bij hen in huis, in [plaats 1] , bij [X] . Die opnames waren na het overlijden van [erflater] . [erflater] heeft daar nog voor getekend dat wij het af mochten halen dat geld, [X] en ik. Daar heb ik een kopie van. De bankrekeningen in Duitsland stonden op naam van [erflater] , die waren van hem. Dus alles wat wij hebben afgehaald van [erflater] , moet in de kluis zijn bij [X] .(…) Als er weer een deel van het geld was afgelopen, gingen wij er met z’n drieën naar toe en dan haalden we dat op en dan zei [gedaagde 1] , de vrouw van [X] , “doe jij het maar in de tas, een grote tas, daar past het wel in. Ik vond dat een beetje vreemd, want als je onderweg wordt aangehouden. dan vragen ze waar dat geld vandaan komt, dus dat risico loopt zij niet. Toen waren we in [plaats 2] toen zei ze geef maar hier dan stop ik het in die kluis en zo ging het iedere keer. (…) Kort daarna is [X] overleden in december. (…).”;

- Door [gedaagde 2] is ten overstaan van de notaris op 24 oktober 2017 nog voor zover hier relevant als volgt verklaard:

Zij hebben mij toen gevraagd, ga je mee naar Duitsland, want we moeten geld ophalen van [erflater] . Dat is een paar keer gebeurd zo, als dat verlopen was dat dinges. Nou en toen zei [gedaagde 1] , we hebben een kluisje, dan doen we het in de kluis. (…)”

- de vereffenaars hebben geen (afschrift/uitdraai van een) schriftelijke kluishuurovereenkomst mogen ontvangen, opdat op basis daarvan kan worden gecontroleerd door wie wanneer de kluis is gehuurd. Ditzelfde geldt voor een kluiskaart, waarop de bezoeken aan de kluis zouden moeten zijn genoteerd;

- in november 2015 heeft [gedaagde 2] samen [gedaagde 1] twee enveloppen met geld opgehaald uit “de” kluis bij de Volksbank in Gronau. Deze kluis stond op naam van [gedaagde 2] . Voor het gebruik van die kluis waren door die bank twee sleutels afgegeven. Opzeggen van die kluis lukte toen niet omdat maar 1 sleutel kon worden geretourneerd;

- op of omstreeks 5 februari 2016 heeft [gedaagde 2] alsnog € 57.900,- in contanten overhandigd aan vereffenaars, die dat bedrag vervolgens op de ervenrekening hebben gestort;

- de vereffenaars hebben op of omstreeks 15 februari 2016 (conservatoir) beslag gelegd op onroerende en roerende zaken van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] . Ook is derdenbeslag gelegd.

Het standpunt van eisers

4. Eisers vorderen om bij vonnis - voor zover de wet dat toelaat - uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat gedaagden hun aandeel in het banktegoed van in totaal

€ 385.437,- dat erflater ten tijde van zijn overlijden had bij de Volksbank Gronau op grond van artikel 3:194 lid 2 Burgerlijk Wetboek hebben verbeurd en dat dit banktegoed derhalve nog slechts aan eisers toekomt;

II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, aldus dat de een betalende de ander voor een gelijk deel zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met eventuele nakosten en wettelijke rente;

5. De vaststaande feiten rechtvaardigen de conclusie dat zowel [X] (en daarmee thans diens rechtsopvolger onder algemene titel [gedaagde 1] ) als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens de overige erfgenamen hebben gehandeld. Allen hebben vermogensbestanddelen van de nalatenschap voor de vereffenaars verzwegen en verborgen gehouden en wellicht over deze vermogensbestanddelen beschikt. Noch [X] en [gedaagde 1] noch [gedaagde 2] hadden van eisers (de overige erflaters) toestemming gekregen om tot opname van het bedrag van € 385.437,- over te gaan. Met recht en reden wordt dan ook gevorderd om de verzochte verklaring voor recht af te geven op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Het standpunt van [gedaagde 1]

6. Door [gedaagde 1] is separaat geconcludeerd tot afwijzing van het door de andere erfgenamen gevorderde onder aanvoering van – kort samengevat - het volgende:

- de door [gedaagde 2] ten overstaan van de notaris afgelegde verklaringen worden grotendeels op juistheid betwist. [X] en zijn zus [gedaagde 2] hebben uitdrukkelijk samen besloten de betreffende gelden van de Volksbank op te nemen. Zij hadden daartoe beiden van erflater een machtiging ontvangen. [X] en [gedaagde 2] waren aanvankelijk van mening dat zij de enige erfgenamen waren van erflater, en dat het hen daarom vrij stond de betreffende bedragen op te nemen. Erflater heeft [X] en [gedaagde 2] uitdrukkelijk verzocht de bedragen van de rekening op te nemen en daaraan voorafgaand aandelen te verkopen, aangezien het zogenaamd zwart geld betrof van erflater;

- [gedaagde 1] heeft geen enkele feitelijke bemoeienis gehad met het opnemen van de betreffende gelden. [gedaagde 1] is alleen mee geweest naar de Volksbank in Gronau waar [X] en [gedaagde 2] op basis van de aan hen verstrekte machtiging de gelden hebben opgenomen. De verklaring van [gedaagde 2] hierover strookt niet met de feiten, dat namelijk in twee tranches (op [datum 3] 2012 alsmede 1 jaar later) in totaal € 385.437,- is opgenomen. [gedaagde 1] betwist bij gebrek aan wetenschap dat [X] in een kluis in zijn woning in [plaats 1] geld heeft bewaard, gelijk door [gedaagde 2] is verklaard. Volgens [gedaagde 1] is het door [gedaagde 2] en [X] van de rekening van erflater opgenomen bedrag in een kluis in de Volksbank te Gronau opgeborgen. [X] en [gedaagde 2] hadden beiden een sleutel van die kluis, [gedaagde 1] dus niet. [gedaagde 1] is enkele malen met [X] en [gedaagde 2] mee geweest naar die bank in Gronau, waar [X] en [gedaagde 2] geld uit de kluis aldaar hebben opgehaald. [gedaagde 1] had daarmee geen bemoeienis en wist niet om welke bedragen het ging. [gedaagde 1] werd daarbij niet betrokken, ook niet door wijlen haar echtgenoot [X] ;

- ook de bankopnamen die door [X] c.q. [gedaagde 2] zijn gedaan na het overlijden van erflater zijn rechtmatig geweest. De bancaire volmacht verlening is niet geëindigd door de dood van de volmachtgever. Denkbaar is dat de gelden zijn opgenomen met het doel deze over te dragen aan de gevolmachtigden. De enkele opname verplicht niet noodzakelijkerwijze tot afdracht. Een eventuele verplichting tot afdracht door [X] is niet overgegaan op [gedaagde 1] . Hooguit resteert in dat geval een vordering op de nalatenschap van de gewezen bewindvoerder. [gedaagde 1] heeft de nalatenschap van [X] beneficiair aanvaard zodat zij als erfgenaam niet aansprakelijk is voor de uit een eventuele afdrachtverplichting voortvloeiende schuld van [X] . Anders dan wordt gesteld is die nalatenschap volgens [gedaagde 1] nog niet afgewikkeld. [gedaagde 1] was ten tijde van de opnamen niet met [X] gehuwd. Vereffenaars hebben geen rechtstreekse vordering op [gedaagde 1] . Zou overigens de nalatenschap van [X] wel reeds zijn afgewikkeld, dan is [gedaagde 1] hooguit aansprakelijk voor hetgeen zij uit de nalatenschap van [X] ontvangen heeft (artikel 4:184 lid 3 Burgerlijk Wetboek). De eventuele schuld van de nalatenschap van [X] betreft een privéschuld van [X] c.q. zijn nalatenschap. [gedaagde 1] was met [X] in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Dit huwelijk is door overlijden ontbonden.

- weersproken wordt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] (gelijk door [gedaagde 2] is verklaard) samen in november 2015 nog een bedrag van € 57.900,- uit de kluis bij de Volksbank in Gronau hebben opgehaald. Sinds de zomer van 2015 leefden zij in onmin met elkaar en hadden zij geen enkel contact meer. [gedaagde 1] betwist ook dat zij na het overlijden van [X] diverse bedragen in de kluis heeft gestopt. Na het overlijden van [X] heeft zij in de in de woning aanwezige kluis € 70.000,- aangetroffen, van welk bedrag de notaris in het faillissement van [X] op de hoogte is gesteld. Ook daaruit blijkt dat [gedaagde 1] geen intentie heeft gehad om vermogensbestanddelen uit het vermogen van erflater en/of [X] te verzwijgen;

- de aanschaf van het appartement in 2013 heeft niets van doen met het geld dat door [X] en [gedaagde 2] in Gronau werd opgenomen. Daarop is een hypotheek gevestigd, en het restant van de koopsom is door [X] betaald uit eigen middelen, te weten door de verkoop van aandelen;

- stelplicht en bewijslast van de situatie zoals is bedoeld in artikel 3:194 lid 2 Burgerlijk Wetboek rust op degene die zich beroept op die bepaling;

- voor toepassing van artikel 3:194 lid 2 Burgerlijk Wetboek is nodig dat een zeker, duidelijk te markeren, moment is gepasseerd, in die zin dat pas na dat moment degene die een bestanddeel opzettelijk heeft verzwegen ter zake niet meer tot inkeer kan komen zonder zijn aandeel in het bestanddeel te verbeuren. Daarvan is geen sprake geweest;

- weersproken wordt dat [gedaagde 1] weet had van het feit dat [gedaagde 2] uit de kluis in Gronau 2 enveloppen heeft meegenomen. [gedaagde 1] kan wel zijn mee geweest naar Gronau, maar mocht de kluisruimte niet betreden.

Het standpunt van [gedaagde 2]

7. Door [gedaagde 2] is separaat geconcludeerd tot afwijzing van het door de andere erfgenamen gevorderde onder aanvoering van - kort samengevat - het volgende:

- de betrokkenheid van [gedaagde 2] bij de gewraakte opname van € 380.000,- blijkt nergens uit en wordt enkel gebaseerd op vermoedens. Dat is niet voldoende om [gedaagde 2] haar aandeel in het banktegoed van € 385.437,- te laten verbeuren. [gedaagde 2] weerspreekt bij die opname betrokken te zijn geweest. De opnames waar [gedaagde 2] over heeft verklaard bij de notaris hebben later plaatsgevonden, namelijk nadat [gedaagde 2] aan haar broer [X] volmacht had gegeven om de nalatenschap namens haar af te wikkelen. Overigens had [gedaagde 2] reeds in januari 2012 haar broer [X] gemachtigd om haar financiën te doen;

- niet valt uit te sluiten dat dat bedrag in plaats van aan erflater, aan [X] toebehoorde. [gedaagde 2] kan zich voorstellen dat [X] - een vermogend man - het op 27 juni 2012 vrijgekomen bedrag niet wilde storten op een van zijn bankrekeningen in verband met fiscale consequenties;

- bewezen zal moeten worden dat [gedaagde 2] voormeld bedrag opzettelijk heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden;

- [gedaagde 2] heeft haar appartement met eigen middelen aangeschaft/gefinancierd;

- voor het door [gedaagde 2] aan de vereffenaars overhandigde bedrag van € 57.900,- staat niet vast dat het tot de nalatenschap heeft behoord. Het gaat om geld dat door [gedaagde 2] is aangetroffen in een kluis die buiten [gedaagde 2] om op haar naam is gehuurd, vermoedelijk door [X] en [gedaagde 1] ;

- de boedelbeschrijving dateert van december 2015 (productie 6). [gedaagde 2] weerspreekt verzwijging, ook voor het bedrag van € 5.412,42, maar voor het geval daarover in rechte anders mocht ` worden geoordeeld, is sprake van de omstandigheid dat zij tijdig “tot inkeer” is gekomen.

De beoordeling

Inleiding en toetsingskader

8. Het in dit geding relevante artikel 3:194 Burgerlijk wetboek luidt aldus:

1. Ieder der deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving.

2. Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”.

9. Lid 2 van dit artikel heeft een strafkarakter. De in dat artikel bedoelde opzet kan niet reeds worden aangenomen, indien de deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde. Stelplicht en bewijslast voor feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op artikel 3:194 lid 2 Burgerlijk Wetboek rusten op degene die zich op deze bepaling beroept. Aan het bewijs van de daarin bedoelde opzet moeten hoge eisen worden gesteld. HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565. De sanctie vervalt niet nadat de desbetreffende deelgenoot tot inkeer is gekomen, omstandigheden die een beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen daargelaten.

10. Met betrekking tot een goed dat behoort tot een gemeenschap als bedoeld in afdeling 3.7.2, geldt evenwel dat elk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden daarvan tot toepasselijkheid van de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW leidt, ook als nog geen verdeling heeft plaatsgevonden, zoals blijkt uit het volgende citaat uit de wetsgeschiedenis:

zij [de oneerlijke deelgenoten; toevoeging van de rechtbank] behoren ook voor de tijd dat de gemeenschap nog niet verdeeld is, hun medezeggenschap in het beheer en hun participatie in het gebruik en in de vruchten van de goederen verspeeld te hebben.” (Parl. Gesch. Boek 3, p. 630).

11. Dit strookt met de strekking van de onderhavige bepaling om oneerlijk gedrag van de deelgenoten tegenover elkaar te ontmoedigen. In rechtsverhoudingen als waarop de bepaling betrekking heeft, zijn zij immers in de regel in hoge mate afhankelijk van de juistheid en volledigheid van de over en weer door hen verschafte inlichtingen omtrent het bestaan van tot de gemeenschap behorende goederen. Wel wijst de Hoge Raad erop dat denkbaar is dat toepassing van de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW achterwege dient te blijven op grond van beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Op die bepaling is in deze zaak echter geen beroep gedaan.

Inhoudelijke beoordeling

12. Zoals hiervoor reeds is overwogen, staat tussen partijen vast dat het tegoed bij de Volksbank in Gronau per datum van overlijden van erflater € 385.437,- bedroeg, en dat van dat bedrag een deel groot € 380.000,- in contanten aan [X] is uitbetaald op [datum 3] 2012 (1 dag na het overlijden van erflater) en dat een jaar later, op 21 november 2013, door [gedaagde 2] bij deze bank van de betreffende rekening het restant € 5.412,42 in contanten is opgenomen en opgehaald.

13. Ook staat vast dat door eisers en vereffenaars/boedelnotaris aantoonbaar veel moeite is gedaan om die gelden te traceren en – kort gezegd – (weer) in de boedel te krijgen. Dat is maar zeer ten dele gelukt, zoals blijkt uit wat hiervoor is vastgesteld.

14. In het bijzonder is geen duidelijkheid verkregen over het bezoek aan de kluis of kluizen bij de Volksbank in Gronau dan wel kluizen/bewaarplaatsen elders. Het is zelfs niet gelukt om middels een afschrift/uitdraai van de zogenaamde kluiskaart(en) inzicht te krijgen wie wanneer de kluis/kluizen heeft bezocht, en wie daarvan bij voortduring dan wel achtereenvolgens de twee sleutels in handen hebben gehad. Gesteld noch gebleken is dat anderen dan [X] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegang hebben gehad tot die kluis c.q. kluizen.

15. [gedaagde 1] heeft in het geheel geen duidelijkheid over een en ander willen verschaffen, zelfs niet ter comparitie van 9 november 2017.

16. [gedaagde 2] heeft het bestaan van de bankrekening van erflater verzwegen, ook na haar opname daarvan op 21 november 2013. Die opname maakt ook nog eens heel duidelijk dat [gedaagde 2] op de hoogte was van het bestaan van (een deel van) het betreffende tegoed. [gedaagde 2] is ook samen met [X] kort voor het overlijden van erflater tot bewindvoerder benoemd, en is ook daadwerkelijk doende geweest met de vermogensrechtelijke belangen van erflater. Zo hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het overlijden van erflater het daarheen weten te leiden dat de woning van erflater aan de dochter van [gedaagde 1] werd verhuurd. De betreffende tweede – als bekrachtiging bedoelde - huurovereenkomst is door [X] en [gedaagde 2] geproduceerd en is gedateerd op 28 juni 2012. Aldus beschouwd is ook onaannemelijk dat [gedaagde 2] geen weet heeft gehad van de vermogenspositie van erflater, en ook wie daartoe gerechtigd waren na diens overlijden. Uit bankvolmachten blijkt dat [gedaagde 2] al in augustus 2005 weet had van het bestaan van banktegoeden van erflater bij de Volksbank in Gronau. Haar broer [X] moet diezelfde wetenschap hebben gehad.

17. Voorts oordeelt de rechtbank in dit verband geloofwaardig de hierboven onder 3. aangehaalde delen uit de door [gedaagde 2] steeds notarieel vastgelegde verklaringen, welke delen in het kader van dit geding niet alleen sterk belastend zijn voor [gedaagde 2] zelf, maar ook voor [gedaagde 1] . [gedaagde 1] heeft de juistheid van die verklaringen niet gemotiveerd en gedocumenteerd weersproken, immers laat zij bij haar blote betwisting na enige feitelijke duidelijkheid in het geding te brengen over de betrokkenheid van [X] en van haar bij de opnames in Duitsland, en waarom niet kan kloppen wat [gedaagde 2] daarover heeft verklaard. [gedaagde 1] blijft volstaan met het handhaven van haar standpunt dat [gedaagde 2] over haar rol niet de waarheid spreekt, zonder daarbij duidelijk te maken wat wel en wat niet kan kloppen. Zo blijft zij tegen beter weten in zelfs ontkennen bewust betrokken te zijn geweest bij het afhalen van de meergenoemde twee enveloppen met inhoud uit de kluis in Gronau.

18. Mede op basis van die verklaringen van [gedaagde 2] staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam in rechte vast dat zowel [X] , [gedaagde 1] als [gedaagde 2] betrokken waren bij het beheer van de van erflater [erflater] afkomstige gelden in Duitsland en in Nederland/ [plaats 1] . En dat zij telkens betrokken waren bij de ritjes naar Duitsland om daar geld op te halen, om het daarna in Nederland te bewaren/gebruiken.

19. Geen van drieën heeft melding gemaakt van die geldbedragen aan mr L. Hamer, de boedelnotaris, hetgeen ook blijkt uit diens brief van 17 september 2012: “banksaldo van ongeveer

€ 50.000 tot € 60.000,-“. Ook uit het voorstel dat [X] en [gedaagde 2] aan de andere erfgenamen hebben gedaan in april 2013 blijkt dat de hier aan de orde zijnde “gelden uit Duitsland” werden verzwegen. In dat voorstel werd immers uitgegaan van spaargelden tot een bedrag van slechts € 84.653,-. Eisers zijn op dat voorstel niet ingegaan en hebben bij herhaling verzocht om meer informatie over de omvang van de boedel.

20. Voorts moet hier worden benoemd dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] samen (naar zeggen van [gedaagde 2] in november 2015) de enveloppen bij de Volksbank in Gronau hebben opgehaald met daarin het bedrag van

€ 57.900,- aan contanten, welk bedrag eerst veel later met dat doel ter beschikking is gesteld aan de vereffenaars voor de verdeling van de nalatenschap. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , hadden het dus gezamenlijk in de macht om dat geld op te halen en om aan het verbergen en verzwijgen daarvan een einde te maken.

21. Ook hier is de betwisting van [gedaagde 1] weer algemeen en oppervlakkig, terwijl niet in valt te zien waarom [gedaagde 2] hier onwaarheid heeft gesproken. Zij belast zichzelf in dit geding met een op onderdelen gedetailleerde verklaring, en de juistheid van de feiten wordt gestaafd door de - uiteindelijke - afdracht aan vereffenaars van voormeld bedrag.

22. Wat thans aan informatie/bewijs voorligt is voldoende en van voldoende gewicht om thans in rechte te kunnen vaststellen dat ten aanzien van voormeld bedrag van € 385.437,- sprake is geweest van opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden. Het opzet daartoe mag op basis van het hiervoor overwogene aanwezig worden verondersteld bij [gedaagde 2] en bij [X] en [gedaagde 1] .

23. Ook hier geldt dat van de zijde van [gedaagde 2] , [X] en [gedaagde 1] geen enkele duidelijkheid is verschaft

waar dat bedrag van € 385.437,- is gebleven en/of hoe dat is besteed/bewaard. Dit met uitzondering van de genoemde bedragen van € 57.900,- en € 5.412,42, waarvan de rechtbank bij gebrek aan nadere gegevens over de omvang van het vermogen van erflater, moet aannemen dat die bedragen deel hebben uitgemaakt van voormeld totaalbedrag van € 385.437. Omdat dat bedrag van € 5.412,42 niet beschikbaar is gesteld voor de verdeling van de nalatenschap van erflater moet het er thans in rechte voor worden gehouden dat aan de nalatenschap is onttrokken (gebleven) het bedrag van € 385.437,- minus € 57.900,- = € 327.537,-.

24. Door [gedaagde 1] is bij wijze van verweer aangevoerd dat zij niet heeft te gelden als rechtsopvolger onder algemene titel (als enig testamentair erfgenaam in de nalatenschap) van [X] . Dit omdat zij die nalatenschap beneficiair heeft aanvaard en het er voor moet worden gehouden dat nog geen vereffening van de nalatenschap van [X] “volgens de wet” heeft plaatsgevonden om zoveel mogelijk schulden van die erflater te voldoen.

25. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer faalt. Allereerst is gesteld noch gebleken dat [gedaagde 1] een verklaring van beneficiaire aanvaarding heeft laten inschrijven in het zogenaamde boedelregister. Het moet er daarom in rechte voor worden gehouden dat [gedaagde 1] nog steeds geen keuze heeft gemaakt tussen verwerping of zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [X] , waartoe zij in beginsel op basis van het testament van [X] alleen gerechtigd is. Aldus is de mogelijkheid van zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [X] blijven bestaan, van welke mogelijkheid door [gedaagde 1] gebruik is gemaakt op de wijze zoals hiervoor is vastgesteld. [gedaagde 1] is naar het oordeel van de rechtbank immers herhaald samen met [X] en [gedaagde 2] naar de Volksbank in Gronau geweest met het doel gelden van de nalatenschap van erflater te beheren, te bewaren en te verzwijgen door het verplaatsten daarvan in een kluis aldaar naar (een kluis in) de woning van [gedaagde 1] (en [X] ) in [plaats 1] . Herhaling verdient hier dat de rechtbank in het bijzonder geloof hecht aan wat hiervoor door [gedaagde 2] is verklaard, welke dragende delen uit haar verklaringen hierboven zijn aangehaald.

26. Voor het geval toch sprake mocht zijn geweest van een (tijdige en juridische juiste) beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van [X] , heeft [gedaagde 1] de bescherming daarvan verspeeld door ten nadele van de overige erfgenamen in de nalatenschap van erflater te handelen gelijk zij samen met [X] en [gedaagde 1] heeft gedaan. De redelijkheid en billijkheid die de relatie tussen gerechtigden tot een onverdeeldheid beheerst staat er aan in de weg dat [gedaagde 1] zich in dit kader nog kan beroepen op bescherming op basis van beneficiaire aanvaarding.

27. De conclusie moet in rechte dan ook zijn dat [gedaagde 1] heeft te gelden als de rechtsopvolger onder algemene titel van [X] . Dit met de aanvulling dat [gedaagde 1] , als rechtsopvolger onder algemene titel van [X] , tevens is “belast” met het bij [X] aanwezige “opzet”.

28. Door [gedaagde 1] is niet verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om tegenbewijs bij te brengen. Ambtshalve zal de rechtbank daartoe niet overgaan.

29. De slotsom luidt dan ook dat het gevorderde zich leent voor toewijzing. Aan de beoordeling van meer en andere geschilpunten wordt niet meer toegekomen.

30. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die in dit geding zijn gevallen aan de zijde van eisers. Alleen de kostenveroordeling kan uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

1 De beslissing

De rechtbank:

I. verklaart voor recht dat gedaagden hun aandeel in het banktegoed van in totaal

€ 385.437,- dat erflater ten tijde van zijn overlijden had bij de Volksbank Gronau op grond van artikel 3:194 lid 2 Burgerlijk Wetboek hebben verbeurd en dat dit banktegoed derhalve nog slechts aan eisers toekomt;

II. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, aldus dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan eisers van de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van eisers begroot op in totaal € 2.194,02, te weten € 288,- wegens griffierecht; € 1.808,- wegens salaris advocaat (punten tarief ) en € 98,02 wegens dagvaardingskosten, alsmede tot betaling aan eisers van de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening van het vonnis, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis;

III. Verklaart de veroordeling onder II uitvoerbaar bij voorraad;

IV. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

9 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.