Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:671

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
C/08/190695 / HA ZA 16-377
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2019:672
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beneficiaire aanvaarding. Gedaagden hebben de bescherming van de (eventuele) beneficiaire aanvaarding verspeeld, door ten nadele van de overige erfgenamen in de nalatenschap van erflater te handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0059
Jurisprudentie Erfrecht 2019/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/190695 / HA ZA 16-377

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

1 mr [A] ,

2. mr [B] ,

in hun hoedanigheid van vereffenaars in de nalatenschap

van de heer [erflater] ,

beiden domicilie gekozen hebbend te Enschede,

hierna gezamenlijk te noemen: de vereffenaar,

eisers,

gedaagden in reconventie,

advocaat: mr J.W. Stegeman,

en

1 [X]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde sub 1 (hierna: [X] ),

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: [X] ,

advocaat: mr H.J.M. van Denderen,

2 [Y] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde sub 2,

hierna te noemen: [Y] ,

advocaat: mr A.J.W. Bovenmars - Wilmink,

De weergave van het procesverloop

in conventie en in reconventie:

1. Het procesverloop in conventie en in reconventie laat zich als volgt aanduiden:

- de op 4 april 2016 uitgebrachte dagvaarding;

- de door [X] op 9 november 2016 in het geding gebrachte conclusie van antwoord tevens inhoudende een voorwaardelijke eis in reconventie;

- de door [Y] op 9 november 2016 in het geding gebrachte conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 23 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de op 2 februari 2017 en op 9 november 2017 gehouden comparitie van partijen;

- de op 2 februari 2017 ter comparitie door de vereffenaar in het geding gebrachte akte houdende vermeerdering van eis;

- de op 28 maart 2018 in het geding gebrachte conclusie van repliek, tevens akte vermeerdering van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie;

- de door [Y] op 23 mei 2018 in het geding gebrachte conclusie van dupliek;

- de door [X] op 20 juni 2018 in het geding gebrachte conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie;

- de door de vereffenaar op 26 september 2018 in het geding gebrachte conclusie van dupliek in reconventie.

2. Ten slotte is in conventie en in reconventie vonnis gevraagd waarvan de uitspraak na een aanhouding is bepaald op heden.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:

3. In dit geding staat tussen partijen het volgende vast:

- op [datum 2] 2012 is te [plaats 1] overleden [erflater] . Ten tijde van zijn overlijden was erflater ongehuwd en niet als partner geregistreerd. Erflater is ook niet eerder gehuwd of als partner geregistreerd geweest. Erflater heeft geen afstammelingen nagelaten;

- enkele dagen daarvoor, te weten bij beschikking van 28 juni 2012, heeft de rechtbank tot bewindvoerder over het vermogen van erflater alsmede tot mentor benoemd zijn broer

[Z] almede [Y] ;

- erflater heeft niet over zijn nalatenschap beschikt (zie bijlage 2 bij de dagvaarding). Op de nalatenschap is wettelijk erfrecht van toepassing. Tot diens nalatenschap waren ten tijde van het overlijden van erflater zes erfgenamen gerechtigd:

- voor 1/3 deel : [Z] , de broer van erflater;

- voor 1/3 deel: [Y] , de zus van erflater;

- elk voor 1/12 deel: de volgende nicht respectievelijk neven van erflater, en afstammelingen van de op [1993] overleden broer van erflater, genaamd [C] :

1. [D] ,

2. [E] ,

3. [F] ,

4. [G] ;

hierna te noemen: “de overige erfgenamen”.

- [Z] en [Y] hebben deze nalatenschap zuiver aanvaard. De overige erfgenamen hebben aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Dit heeft tot gevolg dat op de nalatenschap afdeling 4.6.3. van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is en dat alle erfgenamen gezamenlijk vereffenaar zijn;

- [2013] is te [plaats 1] erfgenaam [Z] overleden. Hij was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [X] . Bij testament heeft [Z] [X] tot zijn enige erfgename benoemd. Bij die gelegenheid heeft hij zijn vier afstammelingen onterfd;

- bij beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2015 heeft deze rechtbank de

vereffenaar benoemd tot gezamenlijke vereffenaars van de nalatenschap van erflater;

- tot de te verdelen nalatenschap van erflater behoort een tegoed bij de Volksbank in Gronau per datum van overlijden van erflater ( [datum 2] 2012 ) van € 385.437,-. Op [datum 1] 2012 (1 dag voor het overlijden van erflater) is bij die bank een bedrag van € 100.000,- in contanten aan [Z] uitbetaald en op [datum 3] 2012 (1 dag na het overlijden van erflater) is aan [Z] in contanten een bedrag uitbetaald van € 380.000,-. Omstreeks een jaar later, op 21 november 2013, is door [Y] bij deze bank een bedrag van € 5.412,42 in contanten opgenomen en opgehaald;

- het saldo van de rekening van erflater bij de Volksbank in Gronau bedroeg op 27 juni 2012

€ 485.442,42. Het saldo van de rekening bij de Volksbank in Gronau ten tijde van het overlijden van erflater is niet in de nalatenschap terecht gekomen, en is daarin evenmin aangetroffen. Dat saldo is gevormd door een op 22 juni 2012 overgeboekt bedrag van

€ 50.107,50 en een op 27 juni 2012 overgeboekt bedrag van € 432.268,23 (zie productie 7 bij de dagvaarding);

- op 6 juni 2012 was door erflater aan [Z] en [Y] bancaire volmacht (Volksbank Gronau) verleend;

- op 25 juni 2012 is door erflater nog een algemene volmacht verstrekt aan [Z] ;

- door [Y] zijn op eigen verzoek notarieel vastgelegde verklaringen afgelegd. Haar eerste verklaring is afgelegd op 27 januari 2016 (zie productie 10 bij de dagvaarding) en de tweede verklaring is enkele dagen later afgelegd, te weten op 29 januari 2016 (zie productie 12 bij de dagvaarding). [Y] heeft op die laatstgenoemde datum (alsnog) verklaard dat zij ongeveer twee maanden daarvoor met [X] bij de Volksbank in Gronau was geweest en dat zij daar [X] heeft gevraagd om de sleutels af te geven van de kluis die kennelijk - naar zeggen van [Y] : zonder haar medeweten - op haar naam was gehuurd. [X] heeft haar toen een sleutel gegeven. [Y] wilde de huur van de kluis direct opzeggen, en heeft bij die bank eerst de kluis geopend, waarin naar haar zeggen twee enveloppen met pakjes bankbiljetten zaten. [Y] heeft die naar eigen zeggen uit de kluis gehaald en thuis bewaard. De kluis kon zij niet opzeggen omdat zij niet over twee sleutels beschikte. [Y] heeft haar vermoeden uitgesproken dat [X] over de andere kluissleutel beschikt;

- Door [Y] is ten overstaan van de notaris op 27 januari 2016 voor zover hier relevant als volgt verklaard:

“(…) En toen [erflater] was overleden is [Z] met ons, met zijn drieën naar Duitsland gegaan, om dat geld er af te halen, want dat moest in de pot komen voor de verdeling. Dat is gebeurd tot het bij die bank, waar ik de naam niet van weet, op was. [Z] had een kluis, en dat deed hij in de kluis, in contanten. Ik vond dat allemaal goed. Toen stond er op de Volksbank nog een bedrag. Daar zijn we ook verschillende keren geweest, om daar het geld af te halen, dat was op verschillende data dat het afgelopen was, je kon het verlengen of je kon het afhalen, en we gingen het dus afhalen. Dat is vijf, zes keer geweest toch wel en dat waren grote bedragen, en waar zijn ze gebleven? De kluis stond bij hen in huis, in [plaats 2] , bij [Z] . Die opnames waren na het overlijden van [erflater] . [erflater] heeft daar nog voor getekend dat wij het af mochten halen dat geld, [Z] en ik. Daar heb ik een kopie van. De bankrekeningen in Duitsland stonden op naam van [erflater] , die waren van hem. Dus alles wat wij hebben afgehaald van [erflater] , moet in de kluis zijn bij [Z] .(…) Als er weer een deel van het geld was afgelopen, gingen wij er met z’n drieën naar toe en dan haalden we dat op en dan zei [X] , de vrouw van [Z] , “doe jij het maar in de tas, een grote tas, daar past het wel in. Ik vond dat een beetje vreemd, want als je onderweg wordt aangehouden. dan vragen ze waar dat geld vandaan komt, dus dat risico loopt zij niet. Toen waren we in [plaats 1] toen zei ze geef maar hier dan stop ik het in die kluis en zo ging het iedere keer. (…) Kort daarna is [Z] overleden in december (…).”;

- Door [Y] is ten overstaan van de notaris op 24 oktober 2017 nog voor zover hier relevant als volgt verklaard:

Zij hebben mij toen gevraagd, ga je mee naar Duitsland, want we moeten geld ophalen van [erflater] . Dat is een paar keer gebeurd zo, als dat verlopen was dat dinges. Nou en toen zei [X] , we hebben een kluisje, dan doen we het in de kluis. (…)”

- de vereffenaars hebben geen (afschrift/uitdraai van een) schriftelijke kluishuurovereenkomst mogen ontvangen, opdat op basis daarvan kan worden gecontroleerd door wie wanneer de kluis is gehuurd. Ditzelfde geldt voor een (uitdraai van een) kluiskaart, waarop de bezoeken aan de kluis zouden moeten zijn genoteerd;

- in november 2015 heeft [Y] samen [X] twee enveloppen met geld opgehaald uit “de” kluis bij de Volksbank in Gronau. Deze kluis stond op naam van [Y] . Voor het gebruik van die kluis waren door die bank twee sleutels afgegeven. Opzeggen van die kluis lukte toen niet omdat maar 1 sleutel kon worden geretourneerd;

- op of omstreeks 5 februari 2016 heeft [Y] alsnog € 57.900,- in contanten overhandigd aan vereffenaars, die dat bedrag vervolgens op de ervenrekening hebben gestort;

- de vereffenaars hebben op of omstreeks 15 februari 2016 (conservatoir) beslag gelegd op onroerende en roerende zaken van [Y] en [X] . Ook is derdenbeslag gelegd.

Het standpunt van de vereffenaar

In conventie:

4. De vereffenaar vordert (na wijziging van eis) om bij vonnis - voor zover de wet dat toelaat - uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

beide gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de vereffenaar van € 485.412,42 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag (steeds) vanaf het moment van de opname, te weten voor het bedrag van € 100.000 vanaf [datum 1] 2012, voor het bedrag van

€ 380.000,- vanaf [datum 3] 2012 en voor het bedrag van € 5.412,42 vanaf 21 november 2013, steeds tot aan de dag van de algehele voldoening;

subsidiair:

- [Y] te veroordelen tot betaling aan de vereffenaar van € 5.412,42 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het moment van de opname, te weten

vanaf 21 november 2013, tot aan de dag van de algehele voldoening;

- [X] te veroordelen tot betaling aan de vereffenaar van € 380.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het moment van de opname, te weten

vanaf [datum 3] 2012, tot aan de dag van de algehele voldoening;

- beide gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de vereffenaar van

€ 100.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf [datum 1] 2012,

tot aan de dag van de algehele voldoening;

meer subsidiair:

gedaagden al dan niet hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de vereffenaar van een in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente;

nog meer subsidiair:

“iedere andere beslissing in goede justitie te bepalen”;

en primair, subsidiair en (nog) meer subsidiair:

[X] en [Y] hoofdelijk, aldus dat de een betalende de ander voor een gelijk deel zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding en van de beslaglegging, te vermeerderen met eventuele nakosten en met wettelijke rente;

5. Daartoe is – kort samengevat – voor wat betreft de grondslag van het primair gevorderde het volgende door de vereffenaar aangevoerd:

- op 6 juni 2012 heeft geen bancaire volmacht meer door erflater aan de Volksbank in Gronau kunnen worden verleend en datzelfde geldt voor de 25 juni 2012 (zie bijlage 6 bij de dagvaarding) door erflater verleende algemene volmacht aan [Z] “voor alle handelingen op financieel en materieel gebied”. Daarvoor was het cognitief verval van erflater al te ver ingetreden. Blijkens (onder meer) de verklaring van de huisarts (productie 29) was erflater al op 10 mei 2012 opgenomen in de gesloten afdeling van het Centrum Ouderenpsychiatrie van “Helmerzijde”. Dit heeft moeten leiden tot vernietiging door de vereffenaar van die volmachten (artikel 3:34 lid 2 juncto artikel 3:49 Burgerlijk Wetboek). Van de rechtbank wordt gevraagd het beroep op die vernietigingsgrond te aanvaarden. De vernietiging heeft plaatsgevonden binnen de in artikel 3:52 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde termijn. Het gevolg hiervan is dat de opnames door [Z] en [Y] van geldbedragen van de bankrekeningen van erflater in Duitsland zonder legitimatie hebben plaatsgevonden, zodat deze onrechtmatig zijn geweest jegens erflater/diens nalatenschap;

- ook heeft te gelden dat nu [Y] en [Z] per 28 juni 2012 gezamenlijk bewindvoerder (en mentor) waren van erflater, zij ook samen aansprakelijk zijn voor het beheer van diens vermogen en daarmee ook voor het feit dat op [datum 1] 2012 (daags voor het overlijden van erflater) het meergenoemd bedrag van € 100.000,- is opgenomen (door [Z] ) bij de Volksbank in Gronau, en dat bedrag niet is aangetroffen in de nalatenschap van erflater. De enige personen die gerechtigd waren tot die opname waren [Z] en [Y] ;

- voor wat betreft de na overlijden van erflater opgenomen bedragen geldt dat die door [Z] , [X] en [Y] gezamenlijk zijn onttrokken aan de nalatenschap. Tot op heden is geweigerd de opgenomen bedragen van € 380.000,- en van € 5.412,42 terug te storten in de te verdelen nalatenschap. Voor wat betreft de bedragen die wel zijn ontvangen door de vereffenaar heeft bij gebrek aan enige duidelijkheid te gelden dat die geen deel uit hebben gemaakt van voormelde twee onttrekkingen aan de nalatenschap. Door terugbetaling te weigeren is sprake van onrechtmatig handelen jegens de nalatenschap van erflater.

- voor zover nog vereist zal hierna in overwegingen de grondslag van het subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair gevorderde worden uiteengezet.

In reconventie:

6. De alleen door [X] ingestelde reconventionele vordering moet worden afgewezen. Dit - kort gezegd - op basis van wat door de vereffenaar in conventie is aangevoerd.

7. De gevraagde verklaring voor recht is niet toewijsbaar. Dit allereerst omdat in dit geding niet aan de orde is de verdeling van de nalatenschap van erflater. [X] stelt wel dat bij het bepalen van haar schuld aan de nalatenschap van erflater rekening moet worden gehouden met hetgeen zij uit die nalatenschap heeft ontvangen, maar er staat nog geenszins vast dat [X] ook maar iets uit de nalatenschap van erflater heeft ontvangen.

Het standpunt van [X]

in conventie:

8. Door [X] is separaat geconcludeerd tot afwijzing van het door de vereffenaar gevorderde onder aanvoering van - kort samengevat - het volgende:

- betwist wordt dat er bij erflater sprake was van een zodanig geestelijk verval dat hij ten tijde van de volmacht verlening als wilsonbekwaam had te gelden. Bij hem was geen sprake van cognitieve problemen en ook waren er geen aanwijzingen van dementie (zie brief van Mediant van 2 oktober 2014). Bij diens ontslag uit Helmerzijde op 11 juni 2012 waren er geen cognitieve stoornissen meer. De volmacht van 25 juni 2012 is door de vereffenaar dan ook ten onrechte aangetast. De opname van het bedrag van € 100.000,- is rechtmatig geweest;

- ook de bankopnamen die door [Z] c.q. [Y] zijn gedaan na het overlijden van erflater zijn rechtmatig geweest. De bancaire volmacht verlening is niet geëindigd door de dood van de volmachtgever. Denkbaar is dat de gelden zijn opgenomen met het doel deze over te dragen aan de gevolmachtigden. De enkele opname verplicht niet noodzakelijkerwijze tot afdracht. Een eventuele verplichting tot afdracht door [Z] is niet overgegaan op [X] . Hooguit resteert in dat geval een vordering op de nalatenschap van de gewezen bewindvoerder. [X] heeft de nalatenschap van [Z] beneficiair aanvaard zodat zij als erfgenaam niet aansprakelijk is voor de uit een eventuele afdrachtverplichting voortvloeiende schuld van [Z] . Anders dan wordt gesteld is die nalatenschap volgens [X] nog niet afgewikkeld. [X] was ten tijde van de opnamen niet met [Z] gehuwd. De vereffenaar heeft geen rechtstreekse vordering op [X] . Zou overigens de nalatenschap van [Z] wel reeds zijn afgewikkeld, dan is [X] hooguit aansprakelijk voor hetgeen zij uit de nalatenschap van [Z] ontvangen heeft (artikel 4:184 lid 3 Burgerlijk Wetboek). De eventuele schuld van de nalatenschap van [Z] betreft een privéschuld van [Z] c.q. zijn nalatenschap. [X] was met [Z] in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Dit huwelijk is door overlijden ontbonden;

- de door [Y] ten overstaan van de notaris afgelegde verklaringen worden grotendeels op juistheid betwist. [Z] en zijn zus [Y] hebben uitdrukkelijk samen besloten de betreffende gelden van de Volksbank op te nemen. Zij hadden daartoe beiden van erflater een machtiging ontvangen. [Z] en [Y] waren aanvankelijk van mening dat zij de enige erfgenamen waren van erflater, en dat het hen daarom vrij stond de betreffende bedragen op te nemen. Erflater heeft [Z] en [Y] uitdrukkelijk verzocht de bedragen van de rekening op te nemen en daaraan voorafgaand aandelen te verkopen, aangezien het zogenaamd zwart geld betrof van erflater;

- een eventuele schuld van [Z] als erfgenaam aan de nalatenschap van erflater dient als verknocht te worden aangemerkt zodat slechts (de nalatenschap van) [Z] aansprakelijk is [X] was ook geen deelgenoot in de nalatenschap van erflater;

- [X] heeft geen enkele feitelijke bemoeienis gehad met het opnemen van de betreffende gelden. [X] is alleen mee geweest naar de Volksbank in Gronau waar [Z] en [Y] op basis van de aan hen verstrekte machtiging de gelden hebben opgenomen. De verklaring van [Y] hierover strookt niet met de feiten, dat namelijk in twee tranches (op [datum 3] 2012 alsmede omstreeks 1 jaar later) in totaal € 385.437,- is opgenomen. [X] betwist bij gebrek aan wetenschap dat [Z] in een kluis in zijn woning in [plaats 2] geld heeft bewaard, gelijk door [Y] is verklaard. Volgens [X] is het door [Y] en [Z] van de rekening van erflater opgenomen bedrag in een kluis in de Volksbank te Gronau opgeborgen. [Z] en [Y] hadden beiden een sleutel van die kluis, [X] dus niet. [X] is enkele malen met [Z] en [Y] mee geweest naar die bank in Gronau, waar [Z] en [Y] geld uit de kluis aldaar hebben opgehaald. [X] had daarmee geen bemoeienis en wist niet om welke bedragen het ging. [X] werd daarbij niet betrokken, ook niet door wijlen haar echtgenoot [Z] ;

- weersproken wordt dat [Y] en [X] (gelijk door [Y] is verklaard) samen in november 2015 nog een bedrag van € 57.900,- uit de kluis bij de Volksbank in Gronau hebben opgehaald. Sinds de zomer van 2015 leefden zij in onmin met elkaar en hadden zij geen enkel contact meer. [X] betwist ook dat zij na het overlijden van [Z] diverse bedragen in de kluis heeft gestopt. Na het overlijden van [Z] heeft zij de in de woning aanwezige kluis € 70.000,- aangetroffen, van welk bedrag de notaris in het faillissement van [Z] op de hoogte is gesteld. Ook daaruit blijkt dat [X] geen intentie heeft gehad om vermogensbestanddelen uit het vermogen van erflater en/of [Z] te verzwijgen;

- de aanschaf van het appartement in 2013 heeft niets van doen met het geld dat door [Z] en [Y] in Gronau werd opgenomen. Daarop is een hypotheek gevestigd, en het restant van de koopsom is door [Z] betaald uit eigen middelen, te weten door de verkoop van aandelen;

- in de vordering is geen rekening gehouden met de afdracht door [Y] aan de boedel van het meergenoemde bedrag van € 57.900,-. Het gevorderde dient in elk geval met dat bedrag te worden verminderd;

- ook moet bij onverhoopte toewijzing van het gevorderde rekening worden gehouden met de omstandigheid dat zowel [X] als [Y] aanspraak maken op elk 1/3 van het bedrag van

€ 385.412,42 minus het door [Y] nog afgedragen bedrag van € 57.900,-, zodat dan “maximaal” resteert te vorderen € 109.170,81;

- stelplicht en bewijslast liggen aan de zijde van de vereffenaar;

- weersproken wordt dat [X] weet had van het feit dat [Y] uit de kluis in Gronau twee enveloppen heeft meegenomen. [X] kan wel zijn mee geweest naar Gronau, maar mocht de kluisruimte niet betreden.

in reconventie:

9. [X] vordert in voorwaardelijke reconventie om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat door [X] (en [Y] ) hoofdelijk maximaal een bedrag van

€ 109.170,81 is verschuldigd, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, hetgeen door de vereffenaar moet worden verrekend met het aandeel van [X] in de nalatenschap van erflater;

- de vereffenaar te veroordelen de ten laste van [X] gelegde beslagen, behoudens op het appartement van [X] aan de [adres] te [plaats 1] , op verbeurte van een dwangsom op te heffen;

- een en ander met veroordeling van de vereffenaar in de gedingkosten en nakosten;

10. Daartoe is door [X] aangevoerd hetgeen door haar in conventie is aangevoerd. [X] kan maximaal hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 109.170,81. De hoogte van dat bedrag rechtvaardigt opheffing van de beslagen, behoudens het beslag op het appartement. In het bijzonder de beslagen op de rekeningen van [X] zijn hinderlijk gebleken.

Het standpunt van [Y]

11. Door [Y] is separaat geconcludeerd tot afwijzing van het door de vereffenaar gevorderde onder aanvoering van - kort samengevat - het volgende:

- bezwaar wordt gemaakt tegen de door de vereffenaar bij akte van 2 februari 2017 verzochte vermeerdering van eis, waarbij de oorspronkelijke eis is aangevuld met de vordering dat [Y] en [X] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 100.000,-, te weten het bedrag dat

1 dag voor het overlijden van erflater is opgenomen. Deze vermeerdering levert strijd op met de eisen van een goede procesorde. Dit betreft namelijk een nieuw geschilpunt waarbij [Y] thans ook wordt aangesproken in haar hoedanigheid van bewindvoerder voor het ten tijde van het leven van erflater gevoerde bewind. Dit betreft een nieuwe grondslag die geen verband houdt met de oorspronkelijke vordering. Bovendien is de vermeerdering van eis eerst laat in het geding, na twee comparities, gevraagd, en is ook daardoor de verdediging bemoeilijkt. Om dezelfde redenen wordt ook bezwaar aangetekend tegen de alsnog toegevoegde grondslag van vernietigde volmacht verlening c.q. van overschrijding van verleende volmacht, terwijl eerst het gevorderde (alleen), te weten € 380.000,- en € 5.412,42 was gebaseerd op onrechtmatige daad;

- ten aanzien van de vordering van € 100.000,- is de vereffenaar niet-ontvankelijk. Dat geldbedrag is voor overlijden opgenomen, en behoorde niet meer tot de nalatenschap van de erflater. De vereffenaar komt slechts bevoegdheden toe met betrekking tot de nalatenschap. Om diezelfde reden komt vereffenaar niet het recht toe de betreffende volmachten te vernietigen;

- [Y] kan niet aansprakelijk worden gehouden voor feitelijk handelen van [Z] , als mede bewindvoerder, in de vorm van voormelde opname van € 100.000,-. [Y] is zelf niet tekortgeschoten in de vervulling van die taak. Bovendien is niet sprake geweest van slecht bewind, ook niet door [Z] . Het bewind heeft dus ook maar geduurd tot [datum 2] 2012 en is van rechtswege geëindigd door het overlijden van erflater. Reden waarom het niet is gekomen tot een boedelbeschrijving en het afleggen van rekening en verantwoording. Feitelijk is [Y] ook niet toegekomen aan bewindvoering. Daarvoor was de resterende tijd dus veel te kort. De reden voor de onderbewindstelling wordt door [Y] expliciet onderkend;

- aan [Y] is al op 22 augustus 2005 door erflater een volmacht verstrekt voor zijn

bankrekeningen (bijlage 6 bij antwoord). Ten aanzien van die volmacht kan in elk geval niet gezegd worden dat bij erflater de wil daartoe ontbrak. De ingeroepen vernietiging raakt dan ook alleen de op 6 juni 2012 en op 25 juni 2012 aan [Z] verstrekte volmachten. De volmacht van [Y] van 22 augustus 2005 is geldig gebleven. Overigens heeft [Y] nooit gebruik gemaakt van de haar verleende volmacht; zij heeft zich nooit met de financiën van erflater bemoeid;

- [Y] heeft van meet af aan in alle oprechtheid haar medewerking verleend aan de vereffenaar en zij hecht er waarde aan dat de nalatenschap van erflater op een juiste wijze wordt afgewikkeld;

- de betrokkenheid van [Y] bij de gewraakte opnames van € 100.000,- en van € 380.000,- blijkt nergens uit en wordt enkel gebaseerd op vermoedens. [Y] weerspreekt bij die opnames betrokken te zijn geweest. De opnames waar [Y] over heeft verklaard bij de notaris hebben later plaatsgevonden, namelijk nadat [Y] aan haar broer [Z] volmacht had gegeven om de nalatenschap namens haar af te wikkelen. Het bedrag van € 5.412,42 is door [Y] afgegeven aan [Z] en [X] . Overigens had [Y] zelf reeds in januari 2012 haar broer [Z] gemachtigd om haar financiën te doen. [Y] heeft [Z] altijd volledig vertrouwd;

- bewezen zal moeten worden dat [Y] voormeld bedrag opzettelijk heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden;

- [Y] wist niet beter dan dat erflater ten tijde van diens overlijden beschikte over een bedrag van rond de € 60.000,- aan spaargeld. Dat was ook zo op het moment van benoeming van [Y] en [Z] tot bewindvoerder (en mentor) van erflater;

- [Y] heeft haar appartement met eigen middelen aangeschaft/gefinancierd;

- voor het door [Y] aan de vereffenaar overhandigde bedrag van € 57.900,- staat niet vast dat het tot de nalatenschap heeft behoord. Het gaat om geld dat door [Y] in november 2015 is aangetroffen in een kluis die buiten [Y] om op haar naam is gehuurd, vermoedelijk door [Z] en [X] . Dat bedrag heeft [Y] sedertdien bewaard;

- [Y] kan hooguit aansprakelijk worden gehouden (wat dus op zich wordt weersproken) voor

€ 257.512,42 terwijl zij recht heeft op 1/3 deel van de nalatenschap. Daarbij is rekening gehouden met het aantreffen door [X] in haar woning van € 70.000,-, zoals eveneens is afgedragen aan de vereffenaar. [Y] beroept zich dus op verrekening met haar recht op een deel van de nalatenschap;

- van een compensatie van kosten kan en mag geen sprake zijn, omdat bij ongelijk van de vereffenaar, de kosten dan door de nalatenschap moeten worden gedragen en aldus mede door [Y] .

De beoordeling

In conventie:

12. Het bezwaar van de zijde van [Y] tegen de bij akte van 2 februari 2017 verzochte vermeerdering van eis (met aanvullende grondslag) alsmede tegen eerdere verbreding van de grondslag wordt verworpen. Weliswaar is die vermeerdering van eis laat in het geding geformuleerd, maar [Y] had die vermeerdering kunnen verwachten, nu deze ook reeds was aangekondigd bij gelegenheid van een van de behandelingen ter comparitie. Bovendien heeft te gelden dat [Y] tegen deze vermeerdering van eis met bijbehorende grondslag nog wel degelijk het inhoudelijke verweer heeft kunnen voeren gelijk hiervoor is weergegeven. Niet is gebleken dat [Y] juist door die vermeerdering van eis met aanvullende grondslag in haar verdediging is geschaad. Ditzelfde heeft te gelden voor door de vereffenaar in de loop van het geding doorgevoerde grondslagverbreding.

13. De rechtbank kiest bij haar beoordeling voor de aanpak om eerst over de opname van

€ 100.000,- te oordelen en vervolgens over de opnames van het bedrag van in totaal € 385.437,-.

14. Zoals hiervoor reeds is overwogen, staat genoegzaam tussen partijen vast dat op [datum 1] 2012

(1 dag voor het overlijden van erflater) bij de Volksbank in Gronau een bedrag van € 100.000,- in contanten aan mede-bewindvoerder [Z] is uitbetaald, en dat daarom na die opname het tegoed bij de Volksbank in Gronau per datum van overlijden van erflater ten € 385.437,- bedroeg, en dat van dat bedrag een deel groot € 380.000,-. in contanten aan [Z] is uitbetaald op [datum 3] 2012 (1 dag na het overlijden van erflater) en dat een jaar later, op 21 november 2013, door [Y] bij deze bank van de betreffende rekening het restant ad € 5.412,42 in contanten is opgenomen en opgehaald.

De opname van € 100.000,- op [datum 1] 2012 (1 dag voor het overlijden van erflater)

15. Waarvoor het bedrag van € 100.000,- is opgenomen en waarvoor dat is aangewend is noch adequaat gesteld noch gebleken, immers laten partijen het hier bij het uitspreken van vermoedens. In het bijzonder is niet adequaat (onder het stellen van verifieerbare feiten) gesteld dat dat bedrag geheel of gedeeltelijk is aangewend ten gunste van de onder bewind gestelde erflater en/of ten behoeve van de onder bewind gestelde erflater is bewaard. Hiervan is ook geen bewijs aangeboden.

16. De rechtbank moet constateren dat door beide bewindvoerders in die hoedanigheid geen rekening en verantwoording is afgelegd over deze specifieke onttrekking aan het vermogen van erflater op de dag voor diens overlijden en dus nog staande het uitgesproken bewind. Een dergelijke verantwoording is nadien ook niet afgelegd aan de erven in de nalatenschap van erflater, of aan de boedelnotaris of alsnog aan de vereffenaar. Ook dit geding is niet door gedaagden benut om alsnog open kaart te spelen door duidelijk te maken waar dat bedrag is gebleven c.q. wat daarmee is gedaan.

17. Tot op heden is dus onduidelijk gebleven waar dat bedrag van € 100.000,- is gebleven en/of hoe dat is besteed.

18. De rechtbank is van oordeel dat reeds op basis hiervan moet worden geoordeeld dat [Z] en [Y] in gezamenlijkheid onrechtmatig hebben gehandeld jegens (de nalatenschap van) erflater. Deels in hun hoedanigheid van bewindvoerder en deels ook als medegerechtigde tot die nalatenschap jegens de andere gerechtigden tot die nalatenschap door te verzwijgen en te blijven verzwijgen wat er met dat bedrag van € 100.000,- is gebeurd, dat is opgenomen van de genoemde bank een dag voor het overlijden van erflater. Dat bedrag is - kort gezegd – zichtbaar verdwenen uit het vermogen van erflater, zonder dat daarvoor enige verklaring is gegeven. Zelfs is niet verklaard door [Z] en/of [Y] dat dat bedrag “onzichtbaar” is gemaakt door het in contanten te gaan bewaren in een kluis bij de Volksbank in Gronau of in [plaats 2] (woonplaats van [Z] / [X] ). Die wetenschap moet hebben bestaan doch is tot op heden niet geuit. Nu enige reden voor deze opname niet is gesteld noch is gebleken, moet deze onttrekking als onrechtmatig jegens erflater worden beschouwd en is die onttrekking tevens onrechtmatig geworden jegens de nalatenschap van erflater.

19. Dit betreft een hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de nalatenschap van erflater tot vergoeding van de door die onttrekking geleden schade, welke hoofdelijke betalingsverplichting naar het oordeel van de rechtbank deel is gaan uitmaken van de nalatenschap van [Z] en van het vermogen van [Y] . De vereffenaar rekent het terecht tot zijn taak om deze vordering te incasseren. Van niet-ontvankelijkheid van de vereffenaar kan geen sprake zijn.

20. [Y] kan zich daarbij niet beroepen op het feit dat zij van niets wist. Juist in het kader van het doen van rekening en verantwoording die zij adequaat had af te leggen na ommekomst van de korte bewind voering had zij door het doen of opdragen van onderzoek c.q. door het opstarten van een gerechtelijke procedure moeite moeten doen om de hier relevante – en thans dus nog steeds ontbrekende – feiten boven water te halen. Juist ook daarom rustte op haar tevens de verplichting jegens de andere erfgenamen/de boedelnotaris/de vereffenaar om toen of alsnog later duidelijkheid te verschaffen over deze onttrekking uit het vermogen van erflater. Uit niets blijkt dat [Y] enige moeite heeft gedaan om die duidelijkheid bij te brengen, terwijl dat wel degelijk van haar mocht worden verwacht.

21. [Y] kan zich niet onttrekken aan haar verantwoordelijkheid van mede-bewindvoerder op de wijze zoals zij dat in dit geding doet. Mocht al juist zijn dat zij alles aan [Z] heeft overgelaten, dan heeft ook dat haar niet ontslagen uit de verantwoordelijkheid die zij heeft behouden voor een deugdelijke bewind voering. Zij was ook naar eigen zeggen er langjarig mee op de hoogte dat erflater banktegoed had in Duitsland. Zij had daarover meteen met [Z] verduidelijkende en inventariserende besprekingen moeten voeren, zelfs al voorafgaand aan die bewind voering. Dit heeft zij naar eigen zeggen nagelaten, hetgeen haar ernstig kan worden aangerekend. De rechtbank is van oordeel dat [Y] van een en ander veel meer wist dan zij thans in dit geding doet voorkomen. [X] wijst daar herhaald op, en beticht [Y] in dit verband van “schoonvegen van haar straatje”. Feit blijft dat ook [Y] nimmer alsnog volledige openheid van zaken heeft gegeven. Dit terwijl bij haar wel degelijk hier relevante kennis aanwezig mocht worden verondersteld, desnoods achteraf. Hier wordt verwezen naar wat hierover onder 28 wordt overwogen door de rechtbank. De conclusie luidt dan ook dat [Y] (ook) onrechtmatig heeft gehandeld jegens de nalatenschap, en daarmee jegens die boedel hoofdelijk aansprakelijk is geworden voor de door die boedel geleden schade.

22. De toewijsbare schade bedraagt naar het oordeel van de rechtbank het bedrag van € 100.000,- dat de nalatenschap zonder enige opgave van redenen is onthouden. De wettelijke rente daarover rekent vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen.

23. Niet is in rechte komen vast te staan dat [X] is betrokken geweest bij de opname van dat bedrag van € 100.000,-, en/of bij de besteding en/of het bewaren daarvan en/of het verzwijgen daarvan. Daartoe strekkende feiten zijn niet gesteld of aannemelijk geworden. Ter zake is ook geen bewijs aangeboden. [X] kan om deze reden niet zelf (mede-)aansprakelijk worden gehouden voor – kort gezegd – het verdwijnen van met meergenoemde bedrag van € 100.000,-.

De opname van € 380.000,- op [datum 3] 2012 (1 dag na het overlijden van erflater) en van

€ 5.412,42 op 21 november 2013

24. Door de overige erfgenamen en de vereffenaar/boedelnotaris is aantoonbaar moeite gedaan om deze gelden te traceren en – kort gezegd – (weer) in de boedel van erflater te krijgen. Dat is maar zeer ten dele gelukt, zoals blijkt uit wat hiervoor is vastgesteld.

25. In het bijzonder is geen duidelijkheid verkregen over de (deelname aan de) bezoeken aan de kluis of kluizen bij de Volksbank in Gronau dan wel kluizen/bewaarplaatsen elders (in de woning/kluis van [Z] / [X] in [plaats 2] ). Het is zelfs niet gelukt om middels een afschrift/uitdraai van de zogenaamde kluiskaart(en) inzicht te krijgen wie wanneer de kluis/kluizen heeft bezocht, en wie daarvan bij voortduring dan wel achtereenvolgens de twee sleutels in handen hebben gehad.

26. Gesteld noch gebleken is dat anderen dan [Z] , [X] en [Y] toegang hebben gehad tot die kluis c.q. kluizen.

27. [X] heeft in het geheel geen duidelijkheid over een en ander willen verschaffen, zelfs niet ter comparitie van 9 november 2017, en blijft zich in stilzwijgen hullen. Een omstandigheid waaruit de rechtbank in dit kader naar eigen goeddunken gevolgtrekkingen mag maken.

28. [Y] heeft het bestaan van de bankrekening van erflater verzwegen, ook na haar opname daarvan op 21 november 2013. Die opname maakt ook nog eens heel duidelijk dat [Y] op de hoogte was van het bestaan van (een deel van) het betreffende tegoed. [Y] is samen met [Z] kort voor het overlijden van erflater tot bewindvoerder benoemd, en is ook daadwerkelijk doende geweest met de vermogensrechtelijke belangen van erflater. Zo hebben [X] en [Y] voor het overlijden van erflater het daarheen weten te leiden dat de woning van erflater aan de dochter van [X] werd verhuurd. De betreffende tweede - als bekrachtiging bedoelde - huurovereenkomst is door [Z] en [Y] geproduceerd en is gedateerd op 28 juni 2012. Aldus beschouwd is ook onaannemelijk dat [Y] geen weet heeft gehad van de vermogenspositie van erflater, en ook wie daartoe gerechtigd waren na diens overlijden. Uit bankvolmachten blijkt dat [Y] al in augustus 2005 weet had van het bestaan van banktegoeden en/of aandelenposities van erflater bij de Volksbank in Gronau. Haar broer [Z] moet diezelfde wetenschap hebben gehad.

29. De rechtbank oordeelt in dit verband geloofwaardig de hierboven onder 3. aangehaalde delen uit de door [Y] steeds notarieel vastgelegde verklaringen, welke delen in het kader van dit geding niet alleen sterk belastend zijn voor [Y] zelf, maar ook voor [X] . [X] heeft de juistheid van die verklaringen niet gemotiveerd en gedocumenteerd weersproken, immers laat zij bij haar blote betwisting na enige feitelijke duidelijkheid in het geding te brengen over de betrokkenheid van [Z] en van haar bij de opnames in Duitsland, en waarom niet kan kloppen wat [Y] daarover heeft verklaard. [X] blijft volstaan met het handhaven van haar standpunt dat [Y] over haar rol niet de waarheid spreekt, zonder daarbij duidelijk te maken wat wel en wat niet kan kloppen. Zo blijft zij tegen beter weten in zelfs ontkennen bewust betrokken te zijn geweest bij het afhalen van de meergenoemde twee enveloppen met inhoud uit de kluis in Gronau.

30. Mede op basis van die verklaringen van [Y] staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam in rechte vast dat zowel [Z] , [X] als [Y] betrokken waren bij het beheer van de van erflater [erflater] afkomstige gelden in Duitsland en in Nederland/ [plaats 2] . En dat zij telkens betrokken waren bij de ritjes naar Duitsland om daar geld op te halen, om het daarna in Nederland te bewaren/gebruiken.

31. Geen van drieën heeft melding gemaakt van die geldbedragen aan mr L. Hamer, de boedelnotaris, hetgeen ook blijkt uit diens brief van 17 september 2012: “banksaldo van ongeveer

€ 50.000 tot € 60.000,-“. Ook uit het voorstel dat [Z] en [Y] aan de andere erfgenamen hebben gedaan in april 2013 blijkt dat de hier aan de orde zijnde “gelden uit Duitsland” werden verzwegen. In dat voorstel werd immers uitgegaan van spaargelden tot een bedrag van slechts € 84.653,-. De overige erfgenamen van erflater zijn op dat voorstel niet ingegaan en hebben bij herhaling verzocht om meer informatie over de omvang van de boedel.

32. Voorts moet hier worden benoemd dat [Y] en [X] samen (naar zeggen van [Y] in november 2015) de enveloppen bij de Volksbank in Gronau hebben opgehaald met daarin het bedrag van

€ 57.900,- aan contanten, welk bedrag eerst veel later met dat doel ter beschikking is gesteld aan de vereffenaar voor de verdeling van de nalatenschap. [Y] en [X] , hadden het dus gezamenlijk in de macht om dat geld op te halen en om aan het verbergen en verzwijgen daarvan een einde te maken.

33. Ook hier is de betwisting van [X] weer algemeen en oppervlakkig, terwijl niet in valt te zien waarom [Y] hier onwaarheid heeft gesproken. Zij belast zichzelf in dit geding met een op onderdelen gedetailleerde verklaring, en de juistheid van de feiten wordt gestaafd door de - uiteindelijke - afdracht aan de vereffenaar van voormeld bedrag.

34. Wat aan informatie/bewijs voorligt is voldoende en van voldoende gewicht om thans in rechte te kunnen vaststellen dat ten aanzien van voormeld bedrag van € 385.437,- sprake is geweest van opzettelijk verzwijgen, zoek maken en/of verborgen blijven houden. Het opzet daartoe mag op basis van het hiervoor overwogene aanwezig worden verondersteld bij [Y] en bij [Z] en [X] .

35. Ook hier geldt dat van de zijde van [Y] , [Z] en [X] geen enkele duidelijkheid is verschaft

waar dat bedrag van € 385.437,- is gebleven en/of hoe dat is besteed/bewaard. Dit met uitzondering van de genoemde bedragen van € 57.900,- en € 5.412,42, waarvan de rechtbank bij gebrek aan nadere gegevens over de omvang van het vermogen van erflater, moet aannemen dat die bedragen deel hebben uitgemaakt van voormeld totaalbedrag van € 385.437. Omdat dat bedrag van € 5.412,42 niet beschikbaar is gesteld voor de verdeling van de nalatenschap van erflater moet het er thans in rechte voor worden gehouden dat aan de nalatenschap is onttrokken (gebleven) het bedrag van € 385.437,- minus € 57.900,- = € 327.537,-. [Y] en (de nalatenschap van) [Z] zijn in hun hoedanigheid van erfgenaam van erflater hoofdelijk gehouden tot betaling van dat bedrag aan de nalatenschap van erflater, waarvan dat bedrag deel uitmaakt. Die betalingsverplichting is mede gebaseerd op basis van onrechtmatig handelen van [Y] , [Z] en [X] in gezamenlijkheid, jegens de nalatenschap van erflater en daarmee jegens de overige erfgenamen.

De positie van [X]

36. Door [X] is bij wijze van verweer aangevoerd dat zij niet heeft te gelden als rechtsopvolger onder algemene titel (als enig testamentair erfgenaam in de nalatenschap) van [Z] . Dit omdat zij die nalatenschap beneficiair heeft aanvaard en het er voor moet worden gehouden dat nog geen vereffening van de nalatenschap van [Z] “volgens de wet” heeft plaatsgevonden om zoveel mogelijk schulden van die erflater te voldoen.

37. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer faalt. Allereerst is gesteld noch gebleken dat [X] een verklaring van beneficiaire aanvaarding heeft laten inschrijven in het zogenaamde boedelregister. Het moet er daarom in rechte voor worden gehouden dat [X] nog steeds geen keuze heeft gemaakt tussen verwerping of zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [Z] , waartoe zij in beginsel op basis van het testament van [Z] alleen gerechtigd is. Aldus is de mogelijkheid van zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [Z] blijven bestaan, van welke mogelijkheid door [X] gebruik is gemaakt op de wijze zoals hiervoor is vastgesteld. [X] is naar het oordeel van de rechtbank immers herhaald samen met [Z] en [Y] naar de Volksbank in Gronau geweest met het doel gelden van de nalatenschap van erflater te beheren, te bewaren en te verzwijgen door het verplaatsten daarvan in een kluis aldaar naar (een kluis in) de woning van [X] (en [Z] ) in [plaats 2] . Herhaling verdient hier dat de rechtbank in het bijzonder geloof hecht aan wat hiervoor door [Y] is verklaard, welke dragende delen uit haar verklaringen hierboven zijn aangehaald.

38. Voor het geval toch sprake mocht zijn geweest van een (tijdige en juridische juiste) beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van [Z] , heeft [X] de bescherming daarvan verspeeld door ten nadele van de overige erfgenamen in de nalatenschap van erflater te handelen gelijk zij samen met [Z] en [X] heeft gedaan. De redelijkheid en billijkheid die de relatie tussen gerechtigden tot een onverdeeldheid beheerst staat er aan in de weg dat [X] zich in dit kader nog kan beroepen op bescherming op basis van beneficiaire aanvaarding.

39. De conclusie moet in rechte dan ook zijn dat [X] heeft te gelden als de rechtsopvolger onder algemene titel van [Z] , en zich daarom de hoofdelijke betalingsveroordelingen ten gunste van de nalatenschap van erflater als persoonlijke verplichting van [X] moet laten welgevallen.

de slotsom in conventie

40. De slotsom in conventie luidt dan ook dat het primair gevorderde zich leent voor toewijzing in na te melden zin. Toewijsbaar is dus als hoofdsom het bedrag van € 427.537,- (te weten € 385.437,- minus € 57.900,- plus € 100.000,-). Aan de beoordeling van meer en andere geschilpunten wordt niet meer toegekomen.

41. [X] en [Y] dienen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk te worden veroordeeld in de kosten die in dit geding aan de zijde van de vereffenaar zijn gevallen.

in reconventie:

42. Uit het hiervoor in conventie overwogene volgt tevens dat het door [X] in reconventie gevorderde zich niet leent voor toewijzing.

43. De door de vereffenaar ten laste van [X] gelegde beslagen zijn met recht en reden gelegd. Opheffing daarvan kan niet aan de orde zijn, ook niet partieel.

44. Ten overvloede verdient hier overweging dat [X] op de wijze zoals door haar is gevorderd, niet nu reeds kan afdwingen dat haar aandeel in de nalatenschap van erflater wordt verrekend met hetgeen zij daarvan feitelijk heeft ontvangen. Dit omdat in dit geding niet aan de orde is de verdeling van de nalatenschap van erflater.

45. [X] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die in het geding in reconventie zijn gevallen aan de zijde van de vereffenaar.

De beslissing

De rechtbank,

rechtdoende in conventie:

I. Veroordeelt gedaagden hoofdelijk - aldus dat voor zover de een betaalt de ander in zoverre is gekweten - tot betaling aan de vereffenaar van € 427.537,-, te vermeerderen met de wettelijke rente steeds tot aan de dag van de algehele voldoening:

- over € 100.000 vanaf [datum 2] 2012;

- over € 322.124,58,- vanaf [datum 3] 2012;

- € 5.412,42 vanaf 22 november 2013.

II. veroordeelt [X] en [Y] hoofdelijk, aldus dat voor zover de een betaalt de ander in zoverre is gekweten, tot betaling aan de vereffenaar van de kosten aan die zijde in het geding in conventie gevallen, welke kosten tot op heden aan de zijde van de vereffenaar moeten worden begroot op in totaal € 16.392,09, te weten € 1.548,- wegens griffierecht; € 12.396,-- wegens salaris advocaat (4 punten tarief VII ), € 99,46 wegens dagvaardingskosten, en € 2.348,63 voor kosten van de beslaglegging, alsmede tot betaling aan de vereffenaar van de nakosten ad

€ 131,- onder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening van het vonnis, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis;

III. Verklaart de veroordeling onder I en II uitvoerbaar bij voorraad;

IV. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

rechtdoende in reconventie:

V. Wijst af het gevorderde;

VI. veroordeelt [X] tot betaling aan de vereffenaar van de aan die zijde in het geding in reconventie gevallen kosten, welke tot op heden aan de zijde van de vereffenaar moeten worden begroot op in totaal € 12.396,-- wegens salaris advocaat (4 punten tarief VII )

VII. Verklaart deze kosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

9 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.