Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:636

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
C/08/224414 / KG ZA 18-309
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rectificatie geëist. Centrale vraag is of gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers, omdat hij een valse aangifte heeft gedaan zoals eisers stellen hetgeen door gedaagde wordt betwist. Naar alle waarschijnlijkheid zal binnen afzienbare tijd meer duidelijkheid in de nog lopende strafzaak tegen de gedaagde komen waardoor de kortgedingrechter als “restrechter” geen voorlopige voorziening(en) heeft op te leggen zoals is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/224414 / KG ZA 18-309

Vonnis in kort geding van 20 februari 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaten: de mrs. W.F. Roelink te Hoofddorp en mr. H. Smit te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. D. van den Berg te Hardenberg.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser 1] , [eiser 2] en gezamenlijk ‘ [eiser 1] c.s.’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het in dit kort geding gewezen tussenvonnis van 6 december 2018;

  • -

    de stukken van de zijde van [eiser 1] c.s.;

  • -

    de reactie van het Openbaar Ministerie zoals bedoeld in artikel 44 wetboek van

Burgerlijke Rechtsvordering;

  • -

    de wijziging van eis met producties;

  • -

    de voortgezette mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota’s van [eiser 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op 1 maart 2019, waarbij partijen toestemming hebben gegeven het vonnis eerder uit te spreken als dat eerder gereed is. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 Waarvan kan worden uitgegaan

2.1.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben opgetreden als advocaten van de familie [X] in een geschil met de gemeente Borne dat verband hield met de woning van de familie [X] .

2.2.

In het kader van dat geschil zijn diverse bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures gevoerd. Die bestuursrechtelijke procedures houden verband met het gebruik van een bijgebouw tot bewoning door leden van de familie [X] .

2.3.

Op 16 september 2014 heeft een inspectie van het bijgebouw plaatsgevonden door de gemeente. [eiser 1] en [eiser 2] waren daarbij aanwezig, alsmede [gedaagde] als ambtenaar van de gemeente Borne. Tijdens deze inspectie heeft zich een incident voorgedaan.

2.4.

[gedaagde] heeft op 17 september 2014 aangifte gedaan tegen [eiser 2] wegens verzet tegen een ambtenaar in functie. Hiervoor is aan [eiser 2] een strafbeschikking van € 150,00 uitgereikt. [eiser 2] heeft zich tegen deze beschikking verzet.

2.5.

De politierechter in de rechtbank Overijssel, locatie Groningen, heeft bij mondeling vonnis op 28 maart 2018 op het verzet beslist: de strafbeschikking is vernietigd en [eiser 2] is vrijgesproken. [gedaagde] was opgeroepen om als getuige ter zitting te verschijnen. [gedaagde] is toen niet verschenen. Het Openbaar Ministerie is tegen de beslissing van de politierechter op 9 april 2018 in hoger beroep gegaan. Het is nog onduidelijk wanneer het hoger beroep wordt behandeld.

2.6.

Op 5 september 2018 heeft een voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, plaatsgevonden. Daarbij is onder andere [gedaagde] onder ede gehoord.

2.7.

In opdracht van mr. H. Smit heeft het NFO (Nederlands Forenschisch Onderzoeksbureau) op 18 september 2018 een deskundigenrapport uitgebracht naar aanleiding van de volgende onderzoeksvragen:

- wat is er te zien op het aangeleverde filmpje (waarbij meer specifiek de handelingen van gemeenteambtenaar [gedaagde] beschreven dienen te worden.)

- Wat wordt er gezegd/gesproken ten aanzien van het binnentreden van de beteffende ruimte? (waarbij specifiek de opmerkingen door en aan [gedaagde] relevant zijn)

- Heeft [gedaagde] zich in het pand begeven?

- Heeft [gedaagde] binnen gefilmd?

2.8.

[eiser 1] c.s. heeft op 24 september 2018 en 1 oktober 2018 een drietal aangiftes ingediend tegen [gedaagde] wegens meineed en een aangifte ex artikel 192 Sr. (het niet voldoen aan de wettelijke plicht te verschijnen als getuige). De plaatsvervangend Hoofdofficier van Justitie heeft op 15 januari 2019 besloten de aangiftes niet in behandeling te nemen en om niet tot vervolging over te gaan.

2.9.

[eiser 1] c.s. heeft op 28 januari 2019 een klaagschrift ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ingediend.

2.10.

[eiser 2] heeft op 4 februari 2019 een verzoekschrift ex artikel 36 Wetboek van Strafvordering ingediend bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

3 De beoordeling

3.1.

In het in dit kort geding op 6 december 2018 gewezen tussenvonnis is onder ‘2. De vordering’ reeds het door [eiser 1] c.s. gevorderde weergegeven. In vervolg op dat tussenvonnis moet thans als volgt worden overwogen en beslist.

3.2.

[eiser 1] c.s. heeft – na toegestane wijziging van eis – zijn onder I geformuleerde eis als volgt gewijzigd in die zin dat hij plaatsing vordert van een rectificatie met de volgende tekst:

Rectificatie

Ingevolge het vonnis van …februari 2019 van de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, deel ik hierbij mede dat ik mijn aangifte van 17 september 2014 tegen [eiser 2] , dat hij verzet tegen mij heeft gepleegd als ambtenaar in functie, hierbij intrek.

Ten onrechte heb ik in die aangifte niet vermeld dat was afgesproken dat er in het pand in

Borne niet gefilmd zou worden en ten onrechte heb ik toen opgave gedaan dat ik op 16

september 2014 niet filmend naar binnen ben gegaan, dat ik binnen niet heb gefilmd en dat

ik door [eiser 2] ten val ben gebracht. Uit het deskundigenbericht van 18 september 2018 van het NFO (Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau) blijkt dat ik filmend het pand ben binnengetreden, binnen heb gefilmd en dat ik uit balans ben geraakt, maar niet ben

gevallen. Er was inderdaad afgesproken dat er binnen niet zou worden gefilmd.

Op 28 maart 2018 is [eiser 2] vrij gesproken. Het OM ging in hoger beroep. Heden bericht ik het OM schriftelijk dat ik mijn aangifte intrek.

[gedaagde] ”.

3.3.

Deze zaak gaat om de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] c.s., omdat hij een valse aangifte heeft gedaan, zoals [eiser 1] c.s. stelt en [gedaagde] betwist. En voorts of [eiser 1] c.s. plaatsing van een rectificatie kan verlangen op de wijze zoals door hem gevorderd bij vermeerdering van eis.

3.4.

[eiser 1] c.s. stelt – kort gezegd – dat de aangifte van [gedaagde] tegen [eiser 2] onverenigbaar is met de feiten zoals deze zich werkelijk hebben voorgedaan.

De aangifte is vals. Er is namelijk geen sprake van een strafbare gedraging, waarbij van belang is dat de gemeente op het moment van binnentreden over een verkeerde machtiging beschikte. De verklaring die [gedaagde] ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd over de filmopnames en zijn ‘val’ tijdens de inspectie op

16 september 2014, is in strijd met de waarheid en in strijd met hetgeen hij daarover eerder heeft verklaard in zijn aangifte. Uit het rapport van het NFO volgt onder meer dat van een val van [gedaagde] geen sprake is geweest en dat [gedaagde] al filmend naar binnen is gelopen. De door [gedaagde] onder ede afgelegde verklaring is met name daarom meinedig. Daarvan heeft [eiser 1] c.s. aangifte gedaan. Van belemmering van een ambtenaar in functie is geen sprake geweest.

3.5.

[eiser 2] is vrijgesproken van de aan hem opgelegde strafbeschikking van € 150,00 en – ook al is dat vonnis nog niet onherroepelijk – het hoger beroep van het Openbaar Ministerie heeft geen redelijke kans van slagen (meer). [eiser 1] c.s. hebben er belang bij dat

[gedaagde] zijn (valse) aangifte intrekt. De reputatie van [eiser 1] c.s. heeft enorme schade opgelopen als rechtstreeks en uitsluitend gevolg van de aangifte van

[gedaagde] . De aangifte heeft er uiteindelijk toe geleid dat [eiser 1] c.s. geen andere mogelijkheid zagen dan zich als advocaat uit te laten schrijven. [gedaagde] handelt onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s.

3.6.

Volgens [gedaagde] dient [eiser 1] c.s. niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen, dan wel dienen de vorderingen te worden afgewezen.

Hij voert daartoe – kort gezegd – aan dat hij rectificatie en intrekking van zijn aangifte weigert. Hij blijft bij zijn verklaring zoals afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor en ziet ook geen redenen om zijn aangifte in te trekken. De vorderingen komen feitelijk neer op het vaststellen dat de aangifte en verklaringen van hem vals en meinedig zijn. [eiser 1] c.s. hebben daarvan al aangifte gedaan. Het strafrecht kent haar eigen voorzieningen en rechtsingangen. Er is geen ruimte voor de kort gedingrechter om in te grijpen.

[gedaagde] heeft niet strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld. [gedaagde] betwist dat hij aan de delictsbestandddelen van meineed en artikel 192 Sr. heeft voldaan. Ook de strafzaak tegen [eiser 2] waarvan [gedaagde] aangifte heeft gedaan, is nog onder de aandacht van de strafrechter. Er is geen sprake van een onrechtmatige gedragingen van de zijde van [gedaagde] .

3.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.8.

Ongeacht of de aangifte van [gedaagde] jegens [eiser 2] , omdat deze niet openbaar is gemaakt, moet worden aangemerkt als een publicatie in de zin van artikel 6:167 BW - daarover twisten partijen -, kan de gevorderde verklaring, gelet op de formulering daarvan, niet worden toegewezen. Immers kan [gedaagde] als verdachte in diens meineedzaak niet worden verplicht een dergelijke – met erkenning van voormeld strafbaar feit gelijk te stellen – verklaring af te leggen, nu hem terzake die verdenking een zwijgrecht toekomt. Om die reden kan het gevorderde onder II. (zie voor de weergave daarvan het tussenvonnis onder 2.1.) evenmin worden toegewezen.

3.9.

Ook om andere reden dient het gevorderde te worden afgewezen.

3.10.

Partijen verschillen (dus) diepgaand van mening over wat wel en niet is voorgevallen tijdens de bestuursrechtelijke zoeking/binnentreding op 16 september 2014.

Door [gedaagde] is naar aanleiding daarvan de bovengenoemde strafrechtelijke aangifte gedaan tegen - alleen - [eiser 2] terzake van overtreding van het bepaalde in artikel 180 Wetboek van Strafrecht. Het strafrechtelijk vervolg van die aangifte heeft geresulteerd in een in eerste aanleg gegeven vrijspraak van [eiser 2] , naar de voorzieningenrechter begrijpt, omdat – kort gezegd – niet kon worden bewezen dat de ambtena(a)r in kwestie – waaronder [gedaagde] - ter plaatse doende waren “in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” in de zin van artikel 180 Wetboek van Strafrecht. Dit kennelijk omdat een voor die dag gegeven machtiging tot bestuursrechtelijk zoeking/binnentreding ontbrak in het dossier. De strafrechter is zodoende kennelijk niet toegekomen aan een vaststelling van wat al dan niet ter plekke is voorgevallen en of die feiten als zodanig verzet opleveren in de zin van artikel 180 Wetboek van Strafrecht.

3.11.

De Officier van Justitie heeft op 9 april 2018 tegen dat vrijsprekende vonnis het rechtsmiddel van hoger beroep ingesteld. Onbekend is gebleven wanneer de strafzaak in hoger beroep zal worden behandeld. Geen van partijen heeft weet van een behandelingsdatum.

3.12.

Het tijdsverloop is voor [eiser 2] reden geweest om op 4 februari 2019 een verzoek ex artikel 36 Wetboek van Strafvordering in te dienen. Op basis daarvan heeft de strafrechter te beoordelen of er reden is om [eiser 2] thans buiten vervolging te stellen. Wanneer de behandeling c.q. de beslissing op dat verzoek valt te verwachten is (ook) niet duidelijk geworden. De verwachting van [eiser 2] is dat over maximaal twee maanden hierop een beslissing valt te verwachten. Dat lijkt op voorhand een juiste inschatting.

3.13.

[eiser 2] is - weer vanwege het tijdsverloop - hangende die strafzaak doende geweest om via civielrechtelijke weg duidelijk te krijgen wat wel en niet is voorgevallen tijdens de bestuursrechtelijke zoeking/binnentreding op 16 september 2014. In een daartoe gestart voorlopig getuigenverhoor is daarover onder meer [gedaagde] als getuige onder ede gehoord ten overstaan van de rechter die die vonnis wijst, en wel op 5 september 2018. Naar aanleiding daarvan is door [eiser 2] het standpunt ingenomen dat sprake moet zijn geweest van een op onderdelen meinedig afgelegde verklaring van [gedaagde] als getuige, van welke strafrechtelijke verdenking door [eiser 2] vervolgens strafrechtelijke aangifte is gedaan. Die aangifte heeft geresulteerd in een reactie van de Officier van Justitie dat dat standpunt van [eiser 2] niet wordt gedeeld en daarom geen vervolging zal worden gestart tegen [gedaagde] . In vervolg daarop heeft [eiser 2] ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden gevraagd om alsnog de vervolging van [gedaagde] te gelasten op basis van de door [eiser 2] gedane aangifte van het strafbare feit meineed. Ook hier is de verwachting dat over omstreeks twee maanden daarop een beslissing zal volgen.

3.14.

De voorzieningenrechter moet het met deze stand van zaken doen. Het Openbaar Ministerie heeft vervelend genoeg geen gevolg willen geven aan het in het tussenvonnis gedane verzoek om te concluderen in dit kort geding, teneinde de voorzieningenrechter van (enig) advies te dienen. Aldus is door de voorzieningenrechter dus tevergeefs gepoogd om meer duidelijkheid te verkrijgen over de strafvorderlijke voortgang van een en ander, waarbij enige regie van het Openbaar Ministerie zou mogen worden verondersteld. Ook een meer inhoudelijke advisering zou in deze zaak nuttig zijn geweest. De voorzieningenrechter heeft die conclusie echter node moeten missen.

3.15.

Uit voormelde gang van zaken moet thans voorshands oordelend de conclusie worden getrokken dat [eiser 2] juist door eigen ingrijpen en doen binnenkort meer en beter zicht krijgt of het in het kader van enige strafrechtelijke beoordeling komt tot een vaststelling van wat wel en niet is voorgevallen tijdens de bestuursrechtelijke zoeking op

16 september 2014, en dus ook of [eiser 2] daarvan in strafrechtelijke zin een verwijt is te maken.

3.16.

Aldus beschouwd is op dit moment niet (meer) in te zien welk in rechte te honoreren spoedeisend belang [eiser 2] heeft bij de gevorderde openbaarmaking/verklaring te doen c.q. af te leggen door [gedaagde] , die zoals deze ter herhaald ter zitting heeft verklaard, niet van zins is de door hem tegen [eiser 2] gedane aangifte van het strafbare feit als bedoeld in artikel 180 Wetboek van Strafrecht ongedaan te maken op de wijze dat door hem een op onderdelen andersluidende verklaring wordt afgelegd tegenover een verbalisant. Strafvordering kent immers niet het fenomeen van intrekking van een eerder gedane aangifte, waarbij het geen klachtdelict betreft. Hoogstens kan een tweede verklaring worden afgelegd.

3.17.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij deze stand van zaken, waarbij spoedig enige (meer) inhoudelijke beoordeling van een strafrechter mag worden verwacht, hij als “restrechter” geen voorlopige voorziening(en) heeft op te leggen gelijk thans is gevorderd.

3.18.

De slotsom luidt dan ook dat de gevorderde voorlopige voorzieningen dienen te worden afgewezen.

3.19.

[eiser 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.271,00.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op € 1.271,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

20 februari 2019.