Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:574

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
08/952707-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 60-jarige man tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor poging tot afpersing. Daarnaast moet hij ook schadevergoedingen aan de slachtoffers betalen van in totaal 5243,06 euro. De man probeerde in augustus vorig jaar aan het eind van de middag een supermarkt in Haaksbergen te overvallen. Dit deed hij door de medewerkers achter de servicebalie te bedreigen met een pistool, zodat zij geld zouden geven. De jonge medewerksters reageerden kordaat, door de kassa af te sluiten en weg te lopen. Daardoor is het bij een poging gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952707-18 (P)

Datum vonnis: 19 februari 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1958 op [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [woonplaats] ,

nu verblijvende in P.I. Almelo, HvB Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 februari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Leusink en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M.A. Lubbers, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 augustus 2018 heeft geprobeerd een overval op een [supermarkt] in Haaksbergen te plegen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 9 augustus 2018 in de gemeente Haaksbergen, in een [supermarkt] gevestigd aan de [adres] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [supermarkt] te dwingen tot afgifte van geld, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde, te weten aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [supermarkt] toebehoorde,

- voorzien van een pistool, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een (grote) zonnebril en/of met een capuchon over zijn hoofd een [supermarkt] supermarkt te betreden en/of

- dat pistool aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te tonen en/of dat pistool op die [slachtoffer 1] te richten en/of gericht te houden en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen/roepen “Geld, geld, geld, geef het geld.”,

in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 9 augustus 2018 is het [supermarkt] [naam 1] te Haaksbergen overvallen. Aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren daar op dat moment als kassières aan het werk. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij die dag werkzaam was achter de servicebalie en dat zij een man heeft gevraagd of zij hem kon helpen. De man is naar de servicebalie gelopen, heeft tegen de servicebalie geleund en heeft uit de plastic tas die hij bij zich had een pistool gepakt. Het pistool heeft hij op haar gericht en de man heeft gezegd “geld”, “geef het geld”. [slachtoffer 2] , die bij [slachtoffer 1] in de buurt stond, heeft de kassa van de servicebalie daarop afgesloten, is van de balie weggerend en heeft [slachtoffer 1] geroepen waarna ook zij bij de balie is weggegaan. De overvaller heeft vervolgens het [supermarkt] verlaten, zonder buit.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Verdachte ontkent het tenlastegelegde en volgens de verdediging kan op basis van de inhoud van het dossier niet bewezen worden dat verdachte de persoon is die het tenlastegelegde heeft gepleegd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de man is die heeft geprobeerd het [supermarkt] te overvallen. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting ontkend dat hij de man is die heeft geprobeerd het [supermarkt] te overvallen.

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank het volgende vast.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat zij zijn bedreigd door een man in het zwart met een opvallend signalement. De man droeg schoenen met witte zolen, een capuchontrui (hoodie) en een zonnebril. Mogelijk droeg de man een horloge. De man was getint en sprak volgens [slachtoffer 2] in het Nederlands met een Antilliaans accent. De leeftijd van de man was ongeveer 50 à 60 jaar oud en de man had een moedervlek in zijn gezicht. Ook denkt [slachtoffer 2] dat de man kaal was; hij droeg wel een pet.

Een man die op een aantal punten voldeed aan het door getuigen opgegeven signalement is kort na de overval tot twee keer toe door verbalisanten aangesproken in de buurt van het betreffende [supermarkt] , naar aanleiding van de foto die de verbalisanten hebben gekregen van de man die op de camerabeelden van [supermarkt] stond. De betrokken persoon had op het moment van aanspreken geen hoodie aan en hij droeg ook geen pet of zonnebril. Wel was de man bezweet, droeg hij een zwarte lange broek met beschadigingen, zwarte sneakers met een witte zool en een opvallend horloge.

De man heeft volgens de verbalisanten verteld dat hij net van zijn werk kwam en bij het busstation te Haaksbergen vandaan kwam. Daarnaar gevraagd heeft de man verteld dat hij bij [bedrijf] werkt. Op de vraag wat hij in de tussentijd had gedaan, heeft de man verteld dat hij niets gedaan had.

Hoewel bij het eerste contact de verbalisanten vonden dat de aangesproken man erg veel lijkt op de man die op de camerabeelden van het [supermarkt] te zien is, hebben zij de man niet als verdachte van de overval aangehouden. Verbalisanten hebben hierna de beelden opnieuw bekeken, en hebben daarop gezien dat de overvaller een horloge droeg en een broek met opvallende witte vlekken/beschadigingen. Het horloge en de broek met de kenmerkende plekken vertonen volgens verbalisanten sterke gelijkenis met het horloge en de broek die zij de aangesproken man tijdens de eerdere controle hebben zien dragen. Ook herkennen de verbalisanten op de beelden het loopje van de dader van de overval als soortgelijk aan het loopje zoals zij dat kennen van [verdachte] . Op grond hiervan en hetgeen zij tijdens de eerdere controle al constateerden, zijn verbalisanten toch tot de conclusie gekomen dat de gecontroleerde persoon, die zij ambtshalve kennen als [verdachte] , de dader van de poging tot overval moet zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die het [supermarkt] heeft geprobeerd te overvallen. De rechtbank baseert dat op de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die beiden kort na de overval een consistente verklaring over de persoon van de overvaller hebben afgelegd, in samenhang met de bevindingen van de politie over hoe zij verdachte kort daarna hebben aangetroffen en de bevindingen over de bekeken camerabeelden. Verder baseert de rechtbank zich daarbij op de verklaring van verdachte die ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij een moedervlek in zijn gezicht heeft.

De verklaring van verdachte over wat hij op 9 augustus 2018 heeft gedaan, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verbalisanten hebben na het eerste contact met verdachte gerelateerd dat verdachte hen heeft verteld dat hij van de bushalte kwam en net van zijn werk kwam. Nader onderzoek van verbalisanten op dat punt heeft uitgewezen dat verdachte op 9 augustus 2018 niet werkzaam was bij zijn werkgever [bedrijf] . Verdachte heeft zich sinds 24 juli 2018 ziek gemeld en op 26 juli 2018 heeft hij voor het laatst bij [bedrijf] gewerkt.

Ter zitting heeft verdachte daarover verklaard dat hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd niet zo door hem is gezegd en dat hij daarvan ook melding heeft gemaakt bij het eerste politieverhoor. Hij heeft ter zitting verder verklaard dat hij die dag bij zijn kennis [naam 2] op bezoek wilde, dat hij daar lopend naar toe was gegaan maar dat [naam 2] niet thuis bleek te zijn, zodat verdachte weer op de weg terug was toen hij werd aangesproken door verbalisanten.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte niet aannemelijk. Bij zijn verhoor door de politie heeft verdachte steeds in het geheel geen verklaring willen geven over waar hij op het moment van de overval, of zelfs op enig moment op 9 augustus 2018, was. Eerst ter zitting geeft verdachte de verklaring dat hij een bezoek wilde brengen aan zijn kennis [naam 2] . [naam 2] bleek volgens hem echter niet thuis te zijn. Verdachte weet daarnaar gevraagd geen adres of verdere personalia van [naam 2] te noemen. Deze verklaring vormt een afwijking van de eerste, door verbalisanten opgenomen, verklaring van verdachte, en het lag bovendien voor de hand om al in een eerder stadium met deze verklaring te komen. De verklaring van verdachte over [naam 2] is voorts bij het ontbreken van nadere bijzonderheden over adres en personalia van [naam 2] niet verifieerbaar. De rechtbank hecht daar daarom geen geloof aan. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen het WhatsAppgesprek tussen de vriendin van verdachte, [naam 3] , en haar vriendin [naam 4] , die een nieuwsbericht van de overval naar [naam 3] heeft gestuurd. Nog voordat [naam 3] verdachte had gesproken, legt zij in dit WhatsAppgesprek met [naam 4] op basis van het signalement van de dader in het nieuwsbericht, de link met verdachte.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat, verdachte:

op 9 augustus 2018 in de gemeente Haaksbergen, in een [supermarkt] gevestigd aan [adres] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van geld dat aan [supermarkt] toebehoorde, voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de vorm van een pistool en een zonnebril en met een capuchon over zijn hoofd een [supermarkt] heeft betreden en dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de vorm van een pistool aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft getoond en dat pp een vuurwapen gelijkend voorwerp in de vorm van een pistool op die [slachtoffer 1] heeft gericht en gericht gehouden en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd “Geld, geld, geld, geef het geld.”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: poging tot afpersing.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden en de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, telkens met vermeerdering van rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komt, de rechtbank bij de strafoplegging aansluiting dient te zoeken bij het door de reclassering in haar rapport van 24 januari 2019 gegeven advies van het verbinden van voorwaarden aan een deels voorwaardelijk op te leggen straf, waarbij het onvoorwaardelijk op te leggen strafdeel gelijk kan zijn aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing in een [supermarkt] . Op klaarlichte dag aan het einde van de middag, een tijdstip waarop verwacht mag worden dat volop winkelend publiek aanwezig is, heeft verdachte geprobeerd het [supermarkt] te overvallen. Verdachte heeft daarbij het gebruik van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de vorm van een pistool niet geschuwd. Jeugdig personeel heeft hij onder de dreiging van dat wapen, gedwongen tot afgifte van geld. Dat hij dat geld niet heeft gekregen is te danken aan het kordate optreden van een van de aangeefsters die de kassa heeft afgesloten en met haar collega is weggelopen. Enkel daardoor is het bij een poging gebleven.

Door het handelen van verdachte hebben aangeefsters een bijzonder angstig moment moeten doormaken. Uit het niets werden zij geconfronteerd met verdachte en het vuurwapen. Nog dagelijks, nu ruim een half jaar na het voorval, worden zij geconfronteerd met de heftige gevolgen die de overval op hen heeft. Beiden krijgen nog begeleiding en therapie en een van de slachtoffers heeft haar werkzaamheden bij [supermarkt] moeten staken

Tot op de dag van vandaag ondervinden zij de gevolgen van de overval, zoals blijkt uit de indringende slachtofferverklaringen die ter zitting namens hen zijn voorgelezen. Ook voor de toekomst lijkt dan ook niet uitgesloten dat zij nog lange tijd hinder en schade ondervinden van hetgeen zij hebben moeten meemaken. Verdachte is hiervoor verantwoordelijk en de rechtbank neemt hem dat zeer kwalijk. Verdachte heeft het tenlastegelegde blijvend ontkend; hierdoor heeft noch de rechtbank noch de slachtoffers een verklaring voor zijn handelen gekregen.

Gezien de ernst van het feit acht de rechtbank een gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats. Bij het vaststellen van die duur heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarbij rekening gehouden met de strafverzwarende omstandigheden in deze zaak, namelijk de kwetsbaarheid van de jeugdige slachtoffers, de professionele werkwijze van verdachte en het gebruik van een op een vuurwapen gelijk voorwerp in de vorm van een pistool. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[supermarkt] [naam 1] , [slachtoffer 2] en [naam 5] als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1] , hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in dit strafproces.

[supermarkt] [naam 1] vordert als benadeelde partij verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.182,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ziekte-uren.

[slachtoffer 2] vordert als benadeelde partij verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.675,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de posten:

- reiskosten € 57,54,

- parkeerkosten € 4,20,

- kosten medicatie € 43,44 en

- kosten fysiotherapie € 70,--.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,-- gevorderd.

[naam 5] vordert als benadeelde partij verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.233,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit een post reiskosten van € 33,32. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.200,-- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen volledig kunnen worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair, gelet op de bepleite vrijspraak, afwijzingen van de vorderingen bepleit. Subsidiair heeft de verdediging het volgende gesteld:

De door [supermarkt] [naam 1] gevorderde schade is volgens de raadsvrouw geen rechtstreeks gevolg van het tenlastegelegde. Evenmin is de gevorderde schade volgens de raadsvrouw voldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van [naam 5] heeft de raadsvrouw gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding moet worden gematigd. Niet alleen is de als voorbeeld daartoe bijgevoegde casus niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak, ook is het door de benadeelde partij gestelde geestelijk letsel niet volgens de DSM-IV classificatie vastgesteld.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw gesteld dat de kosten voor fysiotherapie moeten worden afgewezen, nu deze kosten geen rechtstreeks gevolg zijn van het tenlastegelegde. De gevorderde immateriële schadevergoeding moet volgens de raadsvrouw ook hier worden gematigd, nu de als voorbeeld bijgevoegde casus niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen.

De vordering van [supermarkt] [naam 1]

De schade van [naam 1] betreft ziekte-uren over 2018 en 2019. Van de gevorderde schade aan ziekte-uren over 2018 heeft de benadeelde partij een onderbouwing van die uren overgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgevoerde schadepost over 2018 door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en aannemelijk is.

De overige gevorderde schade – ziekte-uren over 2019 – heeft de benadeelde partij niet onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 334,56, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De vorderingen van [naam 5] en [slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de dochter van benadeelde partij [naam 5] en aan [slachtoffer 2] .

De gevorderde materiële schade

De door [naam 5] opgevoerde materiële schadeposten zijn niet betwist. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade dan ook toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De door [slachtoffer 2] opgevoerde materiële schadeposten zijn, behoudens de kosten van fysiotherapie, niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat ook deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het tenlastegelegde en derhalve, nu de kosten voldoende zijn onderbouwd en aannemelijk zijn, toewijzen. De overige gevorderde materiële schade zal de rechtbank eveneens toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde immateriële schade

Door [naam 5] is een bedrag van € 2.200,-- aan immateriële schade gevorderd. Door [slachtoffer 2] is een bedrag van € 2.500,-- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank acht de gestelde schades voldoende onderbouwd en zal het gevorderde toewijzen. De rechtbank overweegt daarbij dat wat een benadeelde partij vraagt gebaseerd is op wat het bewezenverklaarde feit met iemand doet. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevorderde schades te matigen. De rechtbank zal de gevorderde bedragen toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: poging tot afpersing;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [supermarkt] [naam 1] van een bedrag van € 334,56 (driehonderdenvierendertig euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 334,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 6 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij in het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk is, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 5] van een bedrag van € 2.233,32 (tweeduizendtweehonderdendrieëndertig euro en tweeëndertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.233,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 32 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 2.675,18 (tweeduizendzeshonderdenvijfenzeventig euro en achttien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.675,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 36 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. S.K. Huisman en

mr. M.A.M. Essed, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Twente, dossiernummer 2018359200 (onderzoek Taag) van

25 oktober 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 februari 2019 voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Desgevraagd zeg ik u, voorzitter, dat ik een moedervlek in mijn gelaat heb.

2.

Een proces-verbaal van verhoor getuige van 9 augustus 2018 (pag. 37 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:

Op 9 augustus 2018 was ik aan het werk bij supermarkt [supermarkt] aan [adres] te Haaksbergen. Om 17.50 uur stond ik achter de servicebalie van de supermarkt met mijn collega [slachtoffer 2] .

Ik zag dat de man van kassa vier naar de servicebalie liep. Ik zag dat de man een kleine plastic tas van supermarkt [supermarkt] in zijn hand had. Ik zag dat hij een hand in deze plastic tas had. Toen de man bij de servicebalie kwam leunde hij eerst even tegen de balie aan. Ik zag dat hij daarna zijn hand uit de plastic tas haalde en dat er in zijn hand een pistool zat. Ik zag dat hij dit pistool op mij richtte. Ik hoorde hem zeggen: "Geld" of "geef het geld".

Ik kan de man als volgt omschrijven;

- lengte: net iets onder de twee meter, hij was anderhalve kop langer dan ik, zelf

ben ik 1.77 meter lang.

- postuur: normaal tot fors postuur.

- huidskleur: getint.

- leeftijd: tussen de 50 en 60 jaar oud.

Hij had een capuchon op. Ik denk dat hij geen of weinig haar had.

- Gelaatskenmerken: Ik denk ook dat ik een moedervlek of een ander

bultje op zijn wang zag, deze kwam net onder de zonnebril uit die hij droeg.

De man droeg de volgende kleding:

- Zwart of donkerblauw vest met capuchon. De capuchon had hij over zijn hoofd.

- De broek die hij droeg kan ik mij niet meer herinneren

- Zwarte schoenen

- grote brede zwarte zonnebril die zijn ogen en wenkbrauwen bedekte.

3.

Een proces-verbaal van aangifte van 9 augustus 2018 (pag. 33 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:

Ik ben hoofdkassière van [supermarkt] aan [adres] in Haaksbergen. De eigenaar is [naam 1] . Ik ben gerechtigd om aangifte te doen namens [supermarkt] Haaksbergen.

Ik ben om 13.00 uur begonnen en ik moest werken tot vanavond 21.00 uur. Vanaf 17.30

uur waren wij nog met 3 caissières aan het werk Vanaf 18.00 uur gaat er weer een

caissière weg. Op dat moment waren, [naam 6] , [slachtoffer 1] en ik aan het

werk.

Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: "Wat moet ik nu". Ik keek naar rechts. Ik zag dat [slachtoffer 1] haar handen omhoog had en een stap naar achteren deed.

Ik ben naar haar toegegaan. Ik zag dat [slachtoffer 1] toen achter mij kwam staan.

Ik zag dat diezelfde man half over de balie hing. Ik hoorde hem zeggen: "geld, geld, geld". Dit zei hij meerdere keren.

Ik zag ook dat die man een pistool in zijn hand had. Ik zag dat die man het pistool voor zich hield. Ik zag dat die man het pistool net boven de balie hield.

De man kan ik als volgt omschrijven: man, lengte ongeveer 190 cm, licht bruin getint, fors postuur, gespierd breed, leeftijd ouder dan 50 jaar, ik denk kaal maar hij droeg een pet. Geen

snor en/of baard. Geen zichtbare tatoeages.

Kleding: pet, kleur zwart, zwarte jas tot aan de heup, mogelijk leer. Broek kon ik niet goed zien omdat ik achter de balie stond. Hij droeg een zonnebril met donkerkleurige glazen. Ik denk donker. Hij praatte wel in het Nederlands maar met een Antilliaans accent.

4.

Een proces-verbaal van bevindingen van 10 augustus 2018 (pag. 47 van het dossier), voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:

Op 9 augustus 2018 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , in uniform gekleed en belast met de zogenaamde Noodhulp voor het basisteam Midden te Twente.

Wij kregen de melding dat er zojuist een poging tot overval was geweest in de [supermarkt] aan [adres] te Haaksbergen.

Het signalement van de dader luidde:

grote man boven de 50 jaar, vermoedelijk kaal, pet op, zonnebril op, zwart shirt, zwarte schoenen met opvallende witte zool, [supermarkt] tas bij zich met daarin vermoedelijk een pistool.

Wij kregen een foto van de dader die op de camerabeelden stond.

Wij gingen vervolgens op zoek naar deze dader in de omgeving van de [supermarkt] te Haaksbergen.

Wij zagen, toen wij de [straat] inreden, aan de rechterkant een man lopen, licht getint, wit met zwart shirt aan, zwarte broek en zwarte schoenen met opvallende witte zool. Wij zijn deze man langzaam gepasseerd met de dienstauto en zijn vervolgens gedraaid omdat deze man voldeed aan het signalement van de overval.

Wij zijn gedraaid met de dienstauto, maar de man liep niet meer in deze straat. Ter hoogte van de tussendoorgang naar het politieservicepunt zagen wij de man weer lopen. Ik, [verbalisant 1] , ben uit de dienstauto gestapt en ben de man achterna gelopen.

Ik, [verbalisant 2] , ben met het dienstvoertuig de straat uitgereden en de parkeerplaats opgereden aan de achterzijde van het gemeentehuis. Hier zag ik, [verbalisant 2] , de man aan de overzijde van de parkeerplaats al lopen. Ik ben met de dienstauto er omheen gereden en ben naast de

man gaan rijden. Ik ben uit het dienstvoertuig gestapt en heb de man aangesproken.

Ik herkende de man als de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] van de [straat] te Haaksbergen. Ik, [verbalisant 1] , herkende als wijkagent de persoon ook als [verdachte] van de [straat] te Haaksbergen.

Wij zagen dat [verdachte] heel erg zweette op zijn voorhoofd, een zwarte lange broek aan had met een aantal beschadigingen hierop en zwarte sneakers met een totaal witte zool droeg.

Ik, [verbalisant 1] , vertelde [verdachte] dat er zojuist een overval gepleegd was in de [supermarkt] te Haaksbergen en dat de zwarte broek en zwarte schoenen met witte zolen overeen kwam met wat hij droeg. Hierop heb ik mijn mobiele telefoon gepakt en een schermafbeelding laten zien aan [verdachte] van de onderzijde van het lichaam van de overvaller. Hierop was alleen

de broek van de overvaller en de schoenen te zien. Deze kwamen overeen met wat de man

aan had. Ik, [verbalisant 1] , legde [verdachte] uit waarom wij deze vragen aan hem stelden.

Bij de [supermarkt] hebben wij een tweetal beelden gekeken waarop de overvaller de winkel uitliep en het moment dat de overvaller zich meldde bij de kassa van de [supermarkt] .

Wij zagen dat de dader geheel in het zwart gekleed, zwarte hoody, zwarte broek, zwarte schoenen met opvallend witte zool, een zwarte zonnebril op en een petje met zoals het lijkt hier overheen de muts van zijn hoody. Wij zagen de dader vanaf de achterste kassa de winkel uit lopen. Zoals de dader liep deed ons gelijk denken aan [verdachte] .

Wij zagen dat de dader op de camerabeelden hetzelfde loopje had als [verdachte] .

Ik, [verbalisant 1] , heb opnieuw bij de [supermarkt] de camerabeelden bekeken.

Ik heb de beelden meerdere keren bekeken en vergeleken met de foto's die ik van [verdachte] had gemaakt. Ik heb vooral gelet op details van de dader en hoe [verdachte] eruit zag. Ik zag bij het weglopen van de kassa dat de dader iets glimmends om zijn rechterpols had dat net onder de mouw van het vest vandaan kwam en vermoedelijk een horloge was. Ook viel het mij op dat de dader van de overval groter van postuur was dan ik ingeschat had op de foto van de dader die ik via wapp had gekregen. En dat dit het postuur van [verdachte] was. Verder zag ik op de camerabeelden bij binnenkomst van de dader in de [supermarkt] dat hij dezelfde schoenen droeg als [verdachte] met kenmerkende witte zolen. Ook heb ik de broek van de dader van de overval vergeleken met de broek die [verdachte] droeg. De broek die [verdachte] droeg had op de rechter broekspijp twee kenmerkende witte tekens van beschadiging/slijtage. Ik zag dat de broek van de dader van dezelfde kleur was en dat ook deze twee kenmerkende witte tekens had van beschadiging/slijtage op de rechter

broekspijp. Ook viel op dat onder het zwarte vest van de dader iets wits tevoorschijn kwam. Kennelijk een wit T-shirt dat onder het zwarte vest werd gedragen.

Toen wij [verdachte] spraken droeg hij een wit T-shirt.

5.

Een bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2018 (pag. 103 van het dossier), bevattende printscreens van WhatsApp-berichten tussen [naam 4] (I) en

[naam 3] (II), waarop staat weergegeven:

Verdachte gezocht

Omstreeks 18:00 uur heeft er een overval plaats gevonden bij de supermarkt [supermarkt] aan [adres] in Haaksbergen. Wij willen iedereen benadrukken om deze persoon zelf niet te benaderen! Bel 112.

Signalement van de dader:

-man;

-zwarte trui;

-donkere broek;

-zwarte schoenen met een witte zool;

Oja en onder vermelding licht getint

Het zal toch niet waar zijn

Moest gelijk aan [verdachte] denken …sorry

Kan

Laten we hopen van niet

Nee echt he

Nu denk ik er de hele tijd aan

Sorry

Maakt niet uit maar ben echt bang dat hij het is

Ja verdachte kleding en schoenen die nikes