Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:565

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
C/08/216844 / HA ZA 18-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering overdracht fosfaatrechten door houder aan eigenaar afgewezen. Geen sprake ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/216844 / HA ZA 18-193

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat mr. L.H.H. Verhoeven te Tilburg,

tegen

1. maatschap

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden, hierna tezamen te noemen: [gedaagde 2] c.s.,

advocaat mr. Ph.H. Elzerman te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 juni 2018;

  • -

    de akte overlegging productie van de zijde van [eiseres] van 8 november 2018;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteert een onderneming gericht op het fokken en houden van melkrundvee.

2.2.

[gedaagde 2] c.s. exploiteert een onderneming gericht op het opfokken van jongvee.

2.3.

Op 4 mei 2010 zijn [eiseres] en [gedaagde 2] c.s. een overeenkomst aangegaan op grond waarvan [gedaagde 2] c.s. jongvee van [eiseres] opfokt (hierna: de opfokovereenkomst). In de opfokovereenkomst staat onder meer het volgende (waarbij met ‘partij A’ wordt bedoeld: [eiseres] , en met ‘partij B’: [gedaagde 2] c.s.):

Overeenkomst voor de opfok van jongvee

(…)

1) Soort overeenkomst:

Er is sprake van een overeenkomst waarbij:

● Partij A de eigenaar blijft van het jongvee en partij B de verzorger wordt van de betreffende dieren

(…)

3) Duur van de overeenkomst:

De duur van de overeenkomst is

◌ onbepaalde tijd

● bepaalde tijd, namelijk 4 jaar miv 04-05-2010

De overeenkomst wordt stilzwijgend verlengd

(…)

9) Partij A levert jongvee van:

Ongeveer 4 maanden oud

10) Afleverdata van jongvee:

● vier weken voor het afkalven tot een maximum van 800 dagen oud

(…)

Overige afspraken:

(…)

- Het opfokbedrijf dient te beschikken over de nodige productierechten dan wel vergunningen”

2.4.

Per 1 januari 2018 is de gewijzigde Meststoffenwet in werking getreden. De voor deze zaak relevante bepalingen van deze wet luiden als volgt:

artikel 21b lid 1:

Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35.

artikel 23 lid 3:

Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Artikel 21a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 25 lid 5:

Indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd. Deze verhoging onderscheidenlijk verlaging komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen van het aantal uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde stuks melkvee.

2.5.

De Memorie van Toelichting bij Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten (Kamerstuk 34532 nr. 3) vermeldt onder meer:

Na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel krijgen bedrijven met melkvee van RVO.nl een beschikking over de voor hun bedrijf vastgestelde hoeveelheid fosfaatrechten, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De hoeveelheid toegekende fosfaatrechten – het fosfaatrecht – rust op het bedrijf en wordt als zodanig door RVO.nl geregistreerd. Bedrijven krijgen een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend die volgt uit het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 – de datum waarop de introductie van het fosfaatrechtenstelsel aan de Tweede Kamer is aangekondigd – en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie en de forfaitaire fosfaatexcretie voor jongvee, beide volgend uit de Meststoffenwet (bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Groei van de veestapel die na 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden, wordt niet vertaald in fosfaatrechten. Bedrijven waar op 2 juli 2015 melkvee werd gehouden krijgen uitsluitend fosfaatrechten toegekend indien zij op de datum van inwerkingtreding van het stelsel van fosfaatrechten nog als bedrijf, als bedoeld in de Meststoffenwet, bij RVO.nl staan geregistreerd. Dit betekent dat landbouwers die tussen de datum van aankondiging van het stelsel, te weten 2 juli 2015, en de datum van inwerkingtreding van het stelsel zijn gestopt met het voeren van een bedrijf geen fosfaatrecht krijgen toegekend. Wat betreft het begrip «houden van dieren», dat wordt gebruikt in de verbodsbepaling, gaat het om het feitelijke houderschap, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is.

2.6.

Melkveehouders die onderling overeenstemming bereiken over een vrijwillige overdracht van fosfaatrechten kunnen dit effectueren via een overschrijvingsformulier van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO).

2.7.

Op 2 juli 2015 hield [gedaagde 2] c.s. op basis van de opfokovereenkomst 91 stuks jongvee van [eiseres] (hierna: het Jongvee).

2.8.

Het jongvee stond in het Identificatie en Registratiesysteem van de RVO geregistreerd bij [gedaagde 2] c.s.

2.9.

[gedaagde 2] c.s. heeft fosfaatrechten toebedeeld gekregen van RVO voor het jongvee (hierna: de fosfaatrechten).

2.10.

[gedaagde 2] c.s. heeft de opfokovereenkomst tegen 1 augustus 2015 opgezegd wegens betalingsproblemen bij [eiseres] . Het jongvee is naar [eiseres] teruggekeerd.

2.11.

[eiseres] heeft [gedaagde 2] c.s. onder meer bij brief van 1 december 2017 verzocht om medewerking te verlenen aan het overdragen van de fosfaatrechten. [gedaagde 2] c.s. heeft dit geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat [eiseres] in haar onderlinge rechtsverhouding tot [gedaagde 2] c.s. rechthebbende is van de fosfaatrechten, althans de helft daarvan, alsmede [gedaagde 2] c.s. te veroordelen tot vergoeding van schade die [eiseres] lijdt en zal lijden ten gevolge van de weigering van [gedaagde 2] c.s. om de fosfaatrechten over te dragen nader op te maken bij staat, en veroordeling van [gedaagde 2] c.s. in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] legt hieraan het volgende ten grondslag. [eiseres] is eigenaar van het jongvee en altijd eigenaar gebleven. De fosfaatrechten hangen samen met het eigendom van het jongvee, te vergelijken met het voorheen geldende melkquotum. De fosfaatrechten zijn enkel om administratieve redenen aan [gedaagde 2] c.s. toegekend omdat het jongvee op de peildatum bij [gedaagde 2] c.s. stond geregistreerd. Het jongvee stond evenwel slechts een deel van 2015 bij [gedaagde 2] c.s. gestald. Per 1 augustus 2015 is het jongvee teruggekeerd naar [eiseres] . De fosfaatrechten behoren [eiseres] dan ook toe, althans, subsidiair, voor dat deel van het jaar dat het jongvee door [eiseres] werd gehouden. Dit volgt ook uit een redelijke uitleg van de opfokovereenkomst. De strekking van de opfokovereenkomst is namelijk dat [gedaagde 2] c.s. het jongvee tijdelijk hield en dat [eiseres] eigenaar bleef en het ondernemersrisico droeg voor de dieren. Na de periode van opfok, keerden de dieren terug naar [eiseres] . [eiseres] heeft de fosfaatrechten nodig om de dieren vervolgens te kunnen houden en haar bedrijf te exploiteren. Indien [gedaagde 2] c.s. de fosfaatrechten niet overdraagt, lijdt [eiseres] schade. Deze schade bedraagt minimaal € 300.000,-. [eiseres] zal dan namelijk fosfaatrechten moeten inkopen of vee moeten verkopen. Verder doet [eiseres] een beroep op ongerechtvaardigde verrijking, omdat [gedaagde 2] c.s. de fosfaatrechten gekregen heeft die [eiseres] dientengevolge niet heeft verkregen terwijl [eiseres] de rechthebbende is. [gedaagde 2] c.s. kan hierdoor ten koste van [eiseres] meer melkvee of jongvee houden.

3.3.

[gedaagde 2] c.s. voert verweer en concludeert tot het niet ontvankelijk verklaren van [eiseres] in haar vorderingen, althans deze vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde 2] c.s. op 2 juli 2015 houder was van het jongvee dat eigendom was van [eiseres] . In geschil is of [gedaagde 2] c.s. gehouden is om de fosfaatrechten aan [eiseres] over te dragen. [eiseres] doet in dat kader primair een beroep op haar eigendomsrecht, subsidiair op een redelijke uitleg van de opfokovereenkomst en meer subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.

Eigendomsrecht

4.2.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de fosfaatrechten aan haar toekomen omdat zij eigenaar is van het jongvee en de fosfaatrechten gekoppeld zijn aan dieren, evenals bij het voorheen geldende melkquotum. [eiseres] wijst er verder op dat het jongvee niet heel 2015 bij [gedaagde 2] c.s. stond. Indien vee slechts een deel van 2015 wordt gehouden, is de bedoeling van de wetgever dat slechts een deel van de fosfaatrechten aan de houder toekomt, aldus [eiseres] .

4.3.

[gedaagde 2] c.s. stelt zich op het standpunt dat de fosfaatrechten aan haar toekomen als houder van het jongvee op de peildatum van 2 juli 2015.

4.4.

De rechtbank overweegt dat op grond van de gewijzigde Meststoffenwet het houderschap van het jongvee op 2 juli 2015 bepalend is voor de toekenning van fosfaatrechten. Dit volgt uitdrukkelijk uit de geciteerde overwegingen van de Memorie van Toelichting bij Wijziging van de Meststoffenwet (overweging 2.5 hiervoor). De juridische eigendomssituatie van het jongvee is derhalve niet doorslaggevend voor de toekenning van fosfaatrechten. De omstandigheid dat [eiseres] eigenaar was en is van het jongvee leidt er naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf aldus niet toe dat [eiseres] rechthebbende is van de fosfaatrechten.

4.5.

De rechtbank overweegt verder dat sprake kan zijn van een uitzondering indien het jongvee is in- en uitgeschaard als bedoeld in artikel 25 lid 3 van de Meststoffenwet. Op grond van dat artikel worden de fosfaatrechten van de melkveehouder die vee had uitgeschaard op de peildatum van 2 juli 2015 verhoogd en de fosfaatrechten van de veehouder die de dieren had ingeschaard verlaagd met het aantal dieren dat was in- en uitgeschaard. Voor zover [eiseres] een beroep doet op deze bepaling met haar stelling dat het jongvee niet heel 2015 bij [gedaagde 2] c.s. gestald was, overweegt de rechtbank als volgt.

4.6.

In de Meststoffenwet is niet gedefinieerd wat wordt bedoeld met in- en uitscharen. De rechtbank is van oordeel dat voor de vraag of sprake is van in- en uitscharen van belang is of vee een lange- of korte tijd door een ander dan de eigenaar gehouden wordt en of die ander belang heeft bij de fosfaatrechten voor zijn bedrijfsvoering. De bedoeling van de wetgever is immers dat zij die vee hielden op basis van in- en uitscharen op 2 juli 2015 de toegekende rechten aan de eigenaar overdragen, maar ook dat veehouderijbedrijven over voldoende fosfaatrechten beschikken om hun bestaande exploitatie voort te zetten. Niet in geschil is dat het jongvee op grond van de opfokovereenkomst gedurende de eerst 800 dagen van hun leven bij [gedaagde 2] c.s. werd gestald en dat [gedaagde 2] c.s. de zorg droeg voor deze dieren. Evenmin is in geschil dat [eiseres] haar jongvee op deze wijze vanaf 2010 door [gedaagde 2] c.s. liet opfokken en dat de omstandigheid dat het jongvee niet heel 2015 bij [gedaagde 2] c.s. stond, het gevolg is van het beëindigen van de opfokovereenkomst per 1 augustus 2015. Verder is niet in geschil dat [gedaagde 2] c.s. de toegekende fosfaatrechten na het beëindigen van de opfokovereenkomst gebruikt voor de exploitatie van haar bedrijf. [gedaagde 2] c.s. is namelijk een overeenkomst aangegaan met een andere partij voor de opfok van ander jongvee. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden geen sprake is van een kortdurende, tijdelijke stalling van vee door [eiseres] bij [gedaagde 2] c.s. waardoor het jongvee bij toeval op 2 juli 2015 bij [gedaagde 2] c.s. gestald was. Er was sprake van het structureel stallen van jongvee bij [gedaagde 2] c.s. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van in- en uitscharen als bedoeld in de Meststoffenwet, zodat de fosfaatrechten niet op grond van artikel 25 lid 3 van de Meststoffenwet aan [eiseres] behoren toe te komen.

4.7.

De rechtbank overweegt dat de Meststoffenwet geen andere regeling biedt voor het toekennen van fosfaatrechten aan de eigenaar van vee die op de peildatum niet tevens houder van dat vee was, dan artikel 25 lid 3. De rechtbank volgt de stelling van [eiseres] dan ook niet, dat een verdeling moet plaatsvinden van de fosfaatrechten omdat het jongvee slechts een deel van 2015 door [gedaagde 2] c.s. is gehouden. De omstandigheid dat het jongvee op 2 juli 2015 wel en vanaf 1 augustus 2015 niet langer bij [gedaagde 2] c.s. was gestald, leidt er naar het oordeel van de rechtbank kortom niet toe dat [eiseres] rechthebbende is van de fosfaatrechten.

Overeenkomst

4.8.

[eiseres] stelt dat de fosfaatrechten op grond van een redelijke uitleg van de opfokovereenkomst aan haar toekomen. [eiseres] voert daartoe onder meer aan dat uit de opfokovereenkomst volgt dat zij eigenaar is gebleven van het jongvee, dat zij het ondernemersrisico daarvoor droeg en dat zij schade lijdt indien de fosfaatrechten niet aan haar worden overgedragen, omdat zij het jongvee zonder deze rechten niet kan houden.

4.9.

De rechtbank overweegt dat in de opfokovereenkomst geen regeling met betrekking tot fosfaatrechten is opgenomen. De opfokovereenkomst zelf biedt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen grond voor de vorderingen van [eiseres] . Voor zover [eiseres] zich op het standpunt stelt dat de opfokovereenkomst dient te worden aangevuld op grond van de redelijkheid en billijkheid, overweegt de rechtbank als volgt.

4.10.

Uit de bepaling in de opfokovereenkomst, dat het opfokbedrijf dient te beschikken over de nodige productierechten dan wel vergunningen, leidt de rechtbank af dat de bedoeling van partijen is geweest dat [gedaagde 2] c.s. als houder van het jongvee zorg droeg en verantwoordelijk was voor de (bestuursrechtelijke) vergunningen om het jongvee te houden. Naar het oordeel van de rechtbank staat deze bepaling in de weg aan een aanvulling van de opfokovereenkomst zoals [eiseres] die voorstaat, nu de opfokovereenkomst op grond van deze bepaling veeleer aldus kan worden uitgelegd dat [gedaagde 2] c.s. ook de fosfaatrechten moet verzorgen die noodzakelijk zijn voor het houden van jongvee.

4.11.

De rechtbank constateert dat de gewijzigde Meststoffenwet onbillijk uitpakt voor [eiseres] . Dat valt echter niet aan [gedaagde 2] c.s. te wijten. Hoewel het niét overdragen van de fosfaatrechten nadelige gevolgen heeft voor de exploitatie van het bedrijf van [eiseres] , zal het wél overdragen van de fosfaatrechten nadelige gevolgen hebben voor de exploitatie van het bedrijf van [gedaagde 2] c.s. Tussen partijen is immers niet geschil dat beide partijen fosfaatrechten nodig hebben voor het houden van (jong)vee en dat zij schade lijden indien zij deze niet hebben; ofwel omdat fosfaatrechten moeten worden gekocht ofwel omdat vee moet worden verkocht.

4.12.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid niet voortvloeit dat de opfokovereenkomst moet worden aangevuld in die zin dat [gedaagde 2] c.s. gehouden is om de fosfaatrechten aan [eiseres] over te dragen.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.13.

[eiseres] doet meer subsidiair een beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Zij stelt dat [gedaagde 2] c.s. ten koste van haar is verrijkt, omdat [gedaagde 2] c.s. de fosfaatrechten heeft verkregen die gekoppeld zijn aan het jongvee van [eiseres] .

4.14.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) sprake moet zijn van een verrijking van de een en verarming van de ander. Daartussen dient een causaal verband te bestaan. Ten slotte moet de verrijking ongerechtvaardigd zijn, hetgeen het geval zal zijn indien hieraan geen redelijke oorzaak ten grondslag ligt. Het gevolg van ongerechtvaardigde verrijking is dat door de verrijkte aan de verarmde schadevergoeding moet worden betaald.

4.15.

De rechtbank overweegt dat, indien aangenomen zou worden dat de verkrijging van fosfaatrechten door [gedaagde 2] c.s. in causaal verband staat tot een verarming van [eiseres] , niet vaststaat dat die verkrijging ongerechtvaardigd is. [gedaagde 2] c.s. heeft de fosfaatrechten immers op grond van de gewijzigde Meststoffenwet toegewezen gekregen. Dat de fosfaatrechten conform de wettelijke regeling worden toegekend aan de houder van de dieren en niet aan de juridisch eigenaar van de dieren valt niet aan [gedaagde 2] c.s. te wijten. Het beroep van [eiseres] op ongerechtvaardigde verrijking slaag naar het oordeel van de rechtbank daarom niet.

Proceskosten

4.16.

Gelet op het voorgaande wordt [eiseres] in deze procedure in het ongelijk gesteld. Zij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde 2] c.s. worden als volgt begroot:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat € 4.804,00 (zijnde: 2 punten (conclusie van antwoord en comparitie) maal € 2.402,00 (tarief VI))

Totaal € 5.430,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] c.s. tot op heden begroot op € 5.430,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.